Posts Tagged ‘chr.j. van geel’

Edwin Fagel. Bewegingen.

Thursday, March 24th, 2011

Maandag

 

De kast opendoen en niet meer weten wat ik wilde pakken. Was ik daarnet verstrooid, of ben ik het nu? Een motoragent rijdt met zijn sirene aan tegen het verkeer in door de straat. De overbuurman loopt zijn tuinpad af om te zien wat er aan de hand is. Zijn krullen gaan op en neer in de wind. Aan zijn gezicht te zien ziet hij niets. Op de hoek van het aanrecht je broodtrommel. Je bent hem vergeten mee te nemen. Ik denk aan hoe je in de trein zit en naar de weilanden kijkt. In het kastje in de gang ligt nog een koekoeksklok, een erfenis. Je ontbijtbord glimt in het bleke ochtendlicht. Ik laat het zo staan. You and me, that is an awful lie, zingt Bright Eyes op de nieuwe cd. It’s I and I. Ik ga op de bank zitten, leg mijn hoofd in mijn handen.

 

Hoe smaakt de slaap?

Als het binnenste van de zee

en koele lucht,

het tegendeel van hunkeren

en snakken naar je komst.

 

- Chr. J. van Geel, uit: ‘Het Zinrijk’

 

De zaterdagkrant ligt op de grond. De kat wordt wakker. Het is het moment vlak voordat de telefoon overgaat. Ik doe de deur op slot. Ik sluit de gordijnen.

 

(Edwin Fagel)

 

Edwin Fagel. Vogels

Monday, February 1st, 2010

Edwin Fagel. Vogels

Het is koud, dus mijn twee katten zitten al wekenlang voornamelijk binnen. Ze zitten het grootste deel van de dag voor het raam gebiologeerd naar buiten te kijken. In mijn voortuin fladderen namelijk veel vogels. En omdat mijn werkplek uitkijkt op de voortuin kijk ik vaak gebiologeerd met mijn katten mee. Vaak zitten er meesjes in de heg, soms ook roodborstjes, al ben ik ook blij met de gewone huismussen en houtduiven. Als ik naar buiten loop, heb ik eens in de zoveel tijd het geluk een blauwe reiger te zien landen op het watertje naast mijn huis.  

vogels zijn vliegende symbolen

vogels zijn vliegende symbolen

Ik ben bevriend met een vogelaar en die kan me precies vertellen welk geluid een gierzwaluw maakt en hoe ik een grauwe kiekendief kan herkennen aan de manier waarop die vliegt. Ik heb eens een hele dag met hem in een vogelhutje in Friesland gezeten, aan de oever van het IJsselmeer, en daar heb ik de diverse soorten eenden, zwanen, meeuwen, reigers en roofvogels nader kunnen bestuderen. Erg leuk om te doen.

Toch was de sensatie van het vogels bekijken vanuit een houten hutje een heel andere dan de fascinatie die ik ervaar als ik bijvoorbeeld bij toeval een reiger tegenkom, stilsta, en hem bekijk terwijl hij me in de gaten houdt. Ik interesseer me kennelijk niet zo erg voor de verschillende vogelsoorten, of hoe die zijn te herkennen. Ik vind vogels heel leuk om te zien, maar of ze nu een blauw randje aan hun vleugels hebben, of witte stippeltjes op hun staart, en of ze nu ‘roekoe’ roepen, of ‘koekoek’ – dat zal allemaal wel.

In poëzie, en trouwens ook in verhalen, beeldende kunst en films, zijn vogels vaak enigszins onheilspellend, of in ieder geval boodschappers van een andere, hogere werkelijkheid. Ik ben niet gelovig, maar ik geloof sterk in dit effect dat vogels op mensen hebben, deze suggestie. Vogels zijn vliegende symbolen. Ze representeren een andere werkelijkheid, een werkelijkheid die wij niet waarnemen maar die –dat weet ik zeker- net zo echt is als de werkelijkheid die we wél waarnemen. En precies daarom vind ik ze interessant.

Mooi in dit verband is het korte gedicht van Chr. J. van Geel, uit zijn wat mij betreft monumentale bundel Het Zinrijk:

 

Een schuur vol opgezette vogels,

hoe hou ik het zwijgen vol.

 

Maar dat is maar een voorbeeld. Het gedicht ‘Thirteen ways of looking at a blackbird’ van Wallace Stevens is een ander. Dit gedicht bestaat uit een reeks van dertien raadselachtige observaties en overwegingen, niet veel langer dan haiku’s. Nummer 3 in de reeks van 13 luidt:

 

The blackbird whirled in the autumn winds.

It was a small part of the pantomime.

 

De kracht van dit beeld fascineert me eindeloos. Niet alleen is het tafereel met een minimum gebruik aan woorden heel visueel, bijna filmisch, het herbergt ook een scala aan betekenissen en suggesties. Het wijde landschap dat het gedicht oproept is ook de reikwijdte van het gedicht. Of lees eens nummer 13:

 

It was evening all afternoon.

It was snowing

And it was going to snow.

The blackbird sat

In the cedar-limbs.

 

Wallace Stevens is ook de auteur van de essaybundel met de veelbetekenende titel The necessary angel. Essays on reality and the imagination. Daarin bepleit Stevens het belang van de verbeelding (poëzie) voor de omgang met het bestaan (de werkelijkheid).

 De vogel is het dier dat het dichtst bij de engel staat. Je kunt een vogel volgens mij dus heel wel opvatten als het deel van de waarneembare werkelijkheid dat het dichtst staat bij het deel van de werkelijkheid dat niet waarneembaar is. En juist dat deel van de werkelijkheid probeer ik te vangen, ik heb het nodig om met de waarneembare werkelijkheid om te kunnen gaan.

U begrijpt dus dat ik me heel verwant voel met mijn katten.

 (Edwin Fagel)