Posts Tagged ‘Confronterende herinneringen’

Janita Monna. Confronterende herinneringen

Sunday, August 25th, 2013

 

Peter Swanborn – Het huis woont in mij

Als een parasiet die ‘grijnzend langs de schedel raast’ omschreef dichter Peter Swanborn de dementie die zijn moeder teisterde. Van haar verdwijnende geheugen deed hij poëtisch verslag in zijn vorige bundel Tot ook ik verwaai.

Over herinneren gaat het opnieuw in Het huis woont in mij. Werd in eerdere bundels één vooropgesteld thema werd uitgewerkt, dat conceptuele werken heeft Swanborn in deze bundel losgelaten.

Hier doet hij, in afzonderlijke gedichten, een poging het proces van herinneren in al zijn ongrijpbaarheid bijna aanschouwelijk te maken. En al ligt aan de oorsprong vaak iets heel concreets ten grondslag – je pulkt aan een tafelkleed en ineens zit je weer bij je moeder in de keuken – het zijn nauwelijks de herinneringen zélf die ertoe doen. Het gaat niet om het herbeleven van fijne vakantiemomenten of spannende kinderherinneringen. Swanborn wil het moment betrappen waarop die herinneringen steeds weer ontglippen, hij vraagt zich af hoe het toch kan dat dingen anders blijken dan je dacht dat ze waren, hoe het kan dat je de persoon in dat fotoboek, met die ‘rozige wangen’ niet herkent:

‘Houding/ en mond zijn vertrouwd, toch is het een ander/ die mij toelacht vanuit een zonnig vakantieoord.’

Herinneringen – zo blijkt – kunnen confronterend zijn. De aanblik van een vervallen ouderlijk huis, bijvoorbeeld, waar behang als ‘slappe huid’ omlaag warrelt –  ‘Een geraamte van kamers tekent zich af’ – kan je onaangenaam met de neus op de eigen sterfelijkheid drukken. Swanborn werkt het dubbelbeeld van het herinnerde huis als spiegel mooi uit.

Geen wonder dat er een zekere dreiging in de gedichten zit, een angstige sfeer, die vooral in de tweede afdeling ruim baan krijgt. Angst voor de dood, voor ziekte, voor alles wat die dood verder omgeeft trekt hier voorbij: iemand wordt gesommeerd achteraan te sluiten in de rij der stervenden, operaties worden uitgevoerd door ‘groen glimmende reuzeninsecten’, en angstaanjagende ziektes als – laten we zeggen – kanker blijken zich doodleuk voor te doen als een bekende:

 

Hij zegt dat hij kan helpen. Ik dank hem vriendelijk en

voor ik het weet stapt hij in mijn schoenen, klimt langs botten

omhoog, pauzeert in mijn maag, stoot door naar het hart.

 

Die dreiging en angsten lijken uiteindelijk bezworen te worden: in een slakkenspoor dat midden op de weg stopt, lijkt de dichter de berusting te geven dat het leven in medias res kan ophouden, ‘om na zonsopgang onzichtbaar verder te gaan.’

Na een heel persoonlijk vorige bundel is Dit huis woont in mij afstandelijker. Toch willen de grote en universele angsten die Swanborn bedicht niet schrikwekkend worden. Hij schrijft uiterst kalm en precies. Het houdt de monsters op afstand, maar het maakt het al met al tot vooral beleefde en veilige gedichten.

 

Huis

 

Schuine balken stutten het oude gezicht. Als slappe huid

wappert behang omlaag. Het balkon is scheefgezakt, de

afvoer drupt. Een geraamte van kamer tekent zich af.

 

Vloeren zijn verdwenen, ramen, deuren, het zinken dak.

Heb ik hier gewoond? Trap op, trap af gerend, de zolder

veroverd, me veilig gewaand in kasten meters diep?

 

Koperen leidingen zwaaien traag in de wind. Klimop slingert

driehoog naar binnen. Met gesloten ogen ken ik mijn weg

In dit stillen hoofd, de sloop nabij. Het huis woont in mij.

 

 

Peter Swanborn – Het huis woont in mij. Podium, 16,50 euro, 48 pagina’s, ISBN 9789057595684

 Deze recensie verscheen eerder in Trouw.