Posts Tagged ‘Delphine Lecompte’

Delphine Lecompte. Gedicht voor alle moeders die niet op Marie Curie lijken

Tuesday, October 2nd, 2018

Gedicht voor alle moeders die niet op Marie Curie lijken

 

We staan in een kerk voor het beeld van een neusloze heilige

Je draagt de witte schoenen van je dode vader

Hij was een grote astronoom en een kleine cholerieke huistiran

Je moeder leeft nog, ze leeft voor haar geborduurde teckels

Maar toen je opgroeide was er een echte jaloerse teckel, Milord genaamd.

 

We keren terug naar ons hotel, het circus is in de stad

Enkele vermoeide clowns en gesarde olifanten stappen door de nauwe lanen

Drie kinderen kraaien van plezier, vier andere kinderen snoeren hen de mond

Ik neem een bad terwijl jij terugdenkt aan een film over Marie Curie

Eigenlijk vind je dat alle vrouwen op Marie Curie moeten lijken, en niet op je moeder.

 

Ik lijk op je moeder; ik ben hulpeloos en zoek troost bij dieren

Mijn plannen zijn opgeborgen en ik zal nooit nuttig of belangrijk worden

Ik probeer mijn borsten te bijten, maar ze glippen weg

Terwijl ik hier lig te weken staat mijn stoere geëmancipeerde nicht op een podium

In Moskou een zaal neurologen of landmeters de les te spellen over airco.

 

Zo relevant, airco

Zo mooi, mijn nicht met haar fatale benen en haar boerinnenwangen

En haar hals als een tere sage, en haar vulva als een argonnautische legende

Je klopt op de deur en vraagt of ik al verdronken ben

Ik antwoord: ‘Ja, maar ook daar heb ik honger!’

 

We eten repen chocolade en drinken kleine flesjes wodka

Je hebt de witte schoenen van je vader op het balkon gezet

Ze lijken op twee gedumpte foetussen

Als je me vannacht zwanger maakt plak ik morgen de neus terug op de heilige.

 

© Delphine Lecompte  2018

Delphine Lecompte. Ik ben geen kamerplant

Thursday, September 20th, 2018

Ik ben geen kamerplant

 

‘Ik ben een jungle,’ zegt de broze metselaar met de hazenlip

Het klinkt mooi, dus zal het wel een leugen zijn

Toen ik klein was zag ik de Mona Lisa met een pluchen aapje in mijn hand

En mijn andere hand in de hand van mijn moeder

Oh wat was ze mooi en mysterieus, mijn moeder met haar listige ogen.

 

Ik liet het aapje vallen in de Seine, een junkie lachte me uit

Hij probeerde me te intimideren, ik nam me voor

Om later nooit een kind te intimideren, en ik heb het nog niet gedaan

‘Ik ken een carwash die Tyfoon heet,’ zegt de broze metselaar met de hazenlip

Zonder goede reden kruipt het woord ‘schuitvormig’ in mijn hoofd.

 

We eten appels op een laag muurtje, de schapen denken dat we met scharen gewapend zijn

En stuiven weg, ik wist niet eens dat ze dat konden

De appels zijn knoestig en zoet, ik voel me een rekel in een pastorale roman

‘Weet jij waarom stieren stieren heten, en bloed bloed?’ Vraag ik aan de metselaar

Hij weet het niet, de zon gaat onder, een vrouw met een rode rok gooit water op ons.

 

Om de broze metselaar met de hazenlip te vermaken

Verander ik het bloed van alle uitdrukkingen in stieren

‘De stieren kruipen waar ze niet gaan kunnen.’

‘Iemand de stieren onder de nagels vandaan halen.’

‘In koele stieren iemand vermoorden.’

 

‘Mijn stieren kookten.’

‘Iemands stieren wel kunnen drinken.’

‘Blauwe stieren hebben.’

Ik amuseer me kostelijk, maar ik besef

Dat mijn moeder veel beter is in dit spel, en de broze metselaar is vertrokken met stille trom.

 

© Delphine Lecompte  2018

 

Delphine Lecompte. Grote moeders en bomen, vernederde vaders en goden

Saturday, September 15th, 2018

Grote moeders en bomen, vernederde vaders en goden

 

De nerveuze onterfde dirigent streelt zijn vleesetende plant

Ik zeg om hem te troosten: ‘Alles is voorbij.’

Maar we weten dat het een leugen is

In de keuken zingt de achterlijke broer van de dirigent een liedje uit Porgy and Bess

Over niets hebben behalve God en de sterren.

 

In de kelder breekt de vroegrijpe zus van de dirigent haar sleutelbeen met een spinnewiel

In de tuin liggen twee tantes op te scheppen over de stola’s in hun kasten

Ze weten niet dat de stola’s allang zijn verkocht door de lommerdhouder

In de badkamer zit een touwslager die op een vogelverschrikker lijkt

Dood op de rand van de toiletbril, zijn laatste woord was ‘gekapseisd’.

 

Maar niemand heeft het gehoord

De nerveuze onterfde dirigent zegt: ‘Was ik maar een moerascipres.’

‘Standvastig en bloedeloos?’

‘Wankel en toornig.’

We verlaten het giftige verstikkende huis vol valse zeemzoeterige familieleden.

 

Het zalige zinderende strand is vlakbij, maar eerst moeten we de gemene gortige kerk passeren

Onze passen worden zwaar en loom zoals in een droom

We moeten de muren van de kerk vastpakken om ons voort te bewegen

De ijscoman bekijkt ons stralend of meewarig, hij was ooit een god in Panama

Uiteindelijk belanden we op het strand, we vallen meteen in slaap.

 

De nerveuze onterfde dirigent droomt van een vader die hem niet te pakken kan krijgen

En van een moeder die een ritueel met gekko’s en olijfbladeren

Voor hem in het leven roept, wat is ze breed in zijn droom, breder dan een boorplatform

Ik droom ook, ik droom dat mijn vader een vernederde circusbeer is

En dat mijn moeder zijn hoedje van zijn hoofd slaat, ze is groot, groter dan een nertsenkwekerij.

 

© Delphine Lecompte  2018

 

Delphine Lecompte. In de naam van de walvisjager

Saturday, August 25th, 2018

In de naam van de walvisjager

 

Het is moeilijk om voortdurend te houden van God

Soms verdien ik het niet om van Hem te houden

De antipathieke Bernadette spot met mijn devotie

En mijn moeder denkt dat mijn devotie een gimmick is

Ze eet koude tomatensoep in Milaan, ze leest haar horoscoop.

 

Niets lijkt te kloppen en daarom zal alles uitkomen

Een pafferige walvisjager benadert haar, hij vraagt

Of ze met hem mee wil gaan naar een foltermuseum

Een dik kind stikt in een Patagonische haas naast de guillotine

Een mager kind wordt bijna geschaakt door een opportunistische pelshandelaar.

 

Maar een Montenegrijnse messenslijper steekt er een stokje voor

Mijn moeder en de pafferige walvisjager verlaten het foltermuseum

En bezoeken de zoon van de walvisjager in een ontwenningskliniek

Hij is nederig en schuldbewust zoals het hoort

Mijn moeder leest hem een pervers sprookje voor: iedereen valt in slaap.

 

Een eeuw verstrijkt, een draak wordt verslagen, liefde zegeviert, iedereen is miserabel

Mijn moeder heeft drie dochters, maar wilde altijd een zoon

De zoon van de pafferige walvisjager zegt: ‘Elke nacht word ik gemolesteerd

Door een sluwe en volhardende nachtverpleger, hij is rijk, hij heeft een manege.

Hij doet dit werk enkel om aan zijn trekken te komen. Zijn lievelingsmerrie heet Calcutta.’

 

Mijn moeder zegt: ‘Zo kan je toch niet genezen…’

De pafferige walvisjager zegt: ‘Hij is een mythomaan; er werkt hier geen nachtverpleger

Die ook nog eens een manegetycoon is, en geen enkele merrie heet Calcutta… That’s absurd!’

Ze verlaten de kamer maar ’s avonds keert mijn moeder terug zonder de walvisjager

Die erbarmelijke vader, ze streelt de weerloze oorschelpen van de heilige junkie.

 

Hij wordt wakker en kust haar handen

Ze neemt hem mee naar de vlieghaven

Maar in een sandwichbar tijdens de verorbering van een liefdeloos broodje tonijnsalade

Beseft de heilige junkie dat hij toch niet kan ontkomen aan zijn beulen

Dus keert hij terug naar zijn vader en verpleger.

 

© Delphine Lecompte  2018

 

Delphine Lecompte. Spartelen en lijden in een blokhut

Sunday, August 19th, 2018

Spartelen en lijden in een blokhut

 

In een blokhut begrijp ik de dood eindelijk niet meer

De oude man die de blokhut bezit maakt houten reigers

Om zijn angsten te bezweren, vroeger was hij de rijkste baggeraar van Amerika

Nu is hij een vereenzaamde pedofiel met een incontinente poedel

En een dochter die elke dinsdagavond belt om het over garnaalkroketten

En vleeskleurige kousenbroeken te hebben.

 

Ik was het kind in de sneeuw, de heks op de drempel, de onwelkome profetes

Ik zie ons hier sterven, de oude man in zijn badkuip, ik gewoon met mijn hoofd in de oven

Maar eerst moet er nog gesparteld en geleden worden

Elke woensdagochtend ga ik naar de markt om eieren, kiwi’s, en sponzen te kopen

De sponzenverkoper is een jonge gierige man met een bochel.

 

De kiwiverkoper is een vroegwijs kind met grote verontwaardigde nachtdierogen

De boerin die de eieren verkoopt lijkt op mijn zotte tante Katrien van Veurne

Ze werd eens niet verleid door de eerste zwarte postbode van Veurne

En dit heeft ze nooit verkropt, soms bevredigt ze zichzelf met een diepvrieskreeft,

Bij voorkeur in de kantine van de zwemclub, vroeger was ze Belgische kampioene schoolslag.

 

Ik was nooit beloftevol en dit is wellicht mijn redding geweest

Elke donderdagmiddag gaat de oude man jeu de boules spelen met een uitbundige Spanjaard

Die niet in hetzelfde schuitje zit, zijn enige vriend, hij veracht hem

Na het spel eten ze pistache-ijs en bekijken ze kinderen op de dijk

De oude baggeraar kijkt vooral naar de verwaarloosbare tepeltjes, de uitbundige Spanjaard kijkt

Vooral naar de versletenheid van de kleren.

 

In een blokhut zie ik de dood in een ander licht

In een warmer licht

Ik haal mijn hoofd uit de oven

Er valt nog heel wat te ontdekken over het spartelen en het lijden.

 

© Delphine Lecompte 2018

Delphine Lecompte. Er is geen moraliteit op het strand

Tuesday, August 14th, 2018

Er is geen moraliteit op het strand

 

Je schildert vieze woorden op het beeld van een ziekelijke monarch

Hij staat met zijn rug naar de zee

Van alle monarchen die we verguizen is hij de weekste

Dus kunnen we niet echt kwaad zijn op hem, dus moeten we

Onze kwaadheid omgorden en een andere plek vinden om haar te vieren.

 

We vinden een strandcabine met daarin de gierige landmeter

Hij eet krieken uit een grote bokaal en staart met afgrijzen

Naar het schaamhaar van zijn moeder dat komt piepen uit haar gele zwembroek

De mannen van het strand die haar zoon niet zijn verlustigen zich

In haar heerlijke zachte zoete dikke barstensvolle borsten, ze negeren haar tepels.

 

Je neemt de bokaal uit de handen van de landmeter

En drinkt het sap dat is overgebleven, mijn badpak is blauw en sportief

Niemand weet dat ik roggen mooier vind dan mensen

In de zee denk ik aan alle maaltijden die ik heb afgeslagen

En aan alle verzoeningen die ik heb uitgesteld, ik denk dat het niets uitmaakt.

 

Mijn vader ligt op een luchtmatras, twee dweperige kinderen

Proberen hem voor zich te winnen, ze denken dat hij een bekende

Zuid-Afrikaanse crooner is, maar hij is slechts een sentimentele straatmuzikant met een bochel

Ik vraag aan God of het waar is dat mijn jongste zusje gisteren

Een televisiepriester heeft vermoord, maar Hij wil niet antwoorden.

 

Ik probeer de moed erin te houden

Omdat ik beloofd heb aan de oude kruisboogschutter

Dat ik mijn kop niet zou laten hangen

Als je over de duivel spreekt

Daar staat hij, hij kust de hals van een Filippijnse trapezedanseres, al kan ik dat niet weten.

 

© Delphine Lecompte  2018

 

Delphine Lecompte. God kan mijn verjaardag niet onthouden

Sunday, August 5th, 2018

God kan mijn verjaardag niet onthouden

 

In een steegje koop ik een banjo van een blinde dokter die ik kan vertrouwen

Maar eigenlijk heb ik geen banjo nodig

Eigenlijk heb ik een gazellebeeld gevuld met opium nodig

Dus geef ik de banjo weg aan een slome chrysantenkweker

En koop ik in een duikboot een gazellebeeld gevuld met opium van een onbetrouwbare pelsjager.

 

Op de drempel van de sinistere goudvissenwinkel van Patricia Eenoog

Denk ik aan de talrijke keren dat ik mezelf belachelijk heb gemaakt, vaak in turnzalen

De ezeldrijver komt naast me zitten en zegt

Dat de wereld gisteren moest vergaan, maar er geen zin in had

Dus heeft hij zijn ezels ‘voor niets’ afgeslacht, ‘voor niets’.

 

Ik leg mijn hand op het schroomvallige scrotum van de ezeldrijver en denk aan de zeldzame keren

Dat God tot mij sprak, altijd in struisvogelkwekerijen

Hij zei eens: ‘Omdat je jarig bent vandaag zal ik straks de bliksem op het huis van je buurvrouw doen Terechtkomen, en verder zullen er drie makrelen en vier slagroomtaarten op je tafel staan!’

Maar ik was niet jarig, waarom zou ik geloven in een god

Die mijn verjaardag niet kan onthouden, dan kan ik zowel mijn pap koelen met mijn ouders.

 

Maar de bliksem dan? En het woord voor bliksem!!

Om nog maar te zwijgen van de makrelen en de slagroomtaarten

Die ik heb gedeeld met een norse lamaverzorger

Die toevallig genoeg jarig was, maar dan echt

Nu sta ik op en wandel ik naar mijn huis.

 

Ik breek het gazellebeeld, het is gevuld met bloemsuiker

Ik nies en denk aan de vier keren dat ik in een reuzenrad zat

Twee keer met mijn moeder, twee keer met haar gynaecoloog

Ik moest telkens iets opbiechten, maar helemaal boven had het geen belang.

 

© Delphine Lecompte 2018

 

Delphine Lecompte. De verlossing is niet nabij

Friday, August 3rd, 2018

De verlossing is niet nabij

 

Ik kijk naar mijn voeten en vergeet bijna dat ze van mij zijn

Ik moet plots denken aan mijn oom de olifantenjager

Wiens verhalenbundel ‘De kleine mompelende keizer en de grote homoseksuele messenslijper’

Een flop was, zijn boude lucifertrucs waren de hoogtepunten van mijn kindertijd

Ik kijk naar jouw handen, ze brengen glinsterende makreelslierten naar je mond.

 

Je zegt: ‘Gisteren heb ik een hoer in het water geduwd, maar niet omdat ze een hoer was.’

‘Waarom dan wel?’

‘Omdat ze dacht dat Ira Gershwin een Oekraïense zeppelinbouwer was.’

Je niest op onze kameleon, en ik probeer zonder zelfwalg een frisco te eten

De bovenbuur roept ‘Caramba!’, de onderbuurvrouw leert haar kinderen

De Internationale aan, voor de grap, zonder overtuiging.

 

We gaan naar buiten, het is heet, de jongens zien eruit als geile fietsdieven,

De meisjes zien eruit als geharde treinrovers, de mannen zien eruit

Als weke trompettisten, en de vrouwen zien eruit alsof ze het leven hebben gegeven

Aan niemand minder dan Johannes De Doper

We worden aangevallen door een bipolaire touwslager, hij is mijn vader.

 

We nemen mijn vader mee naar een pizzeria, daar kalmeert hij

Hij eet een pizza met ananaspartjes die op woestijnratembryo’s lijken

Ik bekijk zijn gezicht met onverholen nieuwsgierigheid

Vroeger was hij een pure troubadour, nu is hij een catastrofale casanova

Aan het naburige tafeltje zitten twee beroemde dansers olijven te eten.

 

De danser met de pony en de grote oren is een spion die spijt heeft van alles

De danser met de vlecht en de verwende neus is een egocentrische vogelspin

Mijn vader staat op en verlaat de pizzeria zonder een woord

Je haalt je schouders op, je hebt nog nooit een ouder over je schouders gegooid.

 

© Delphine Lecompte 2018