Posts Tagged ‘Die afwesigheid van berge’

Yves T’Sjoen. Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Friday, December 30th, 2016

louis-2011a

Yves T’Sjoen, Athol Fugard & Louis Esterhuizen (sept. 2011)

.

Afrikaanse literatuur en de institutionele rol van de boekhandelaar

Bij het afscheid van de boekwinkelbestuurder Louis Esterhuizen

.

Literair veldonderzoek

Schrijvers en uitgevers, critici en vertalers, fondsredacteurs en letterkundigen. Ze krijgen in het hedendaagse literatuurwetenschappelijke onderzoek aandacht voor hun institutionele rol in het vertoog over literatuur. Hun posities worden toegelicht zowel op het gebied van de materiële als de symbolische productie van literatuur. In het Nederlandse taalgebied bestaat toenemende aandacht voor de cultuursociologische context waarin het literaire bedrijf plaatsheeft. De fondsopbouw van literaire uitgeverijen, het discours van periodieken en de literatuurkritiek, de cultuurbemiddelende functie van de vertaler en de (canoniserende) beeldvorming van literatuurgeschiedenissen zijn maar enkele voorbeelden van contextuele benaderingen die vandaag in het vakgebied modieus zijn.

In het schema dat C.J. Van Rees en G.J. Dorleijn opnamen in hun veel geciteerde studie De productie van literatuur. Het literaire veld in Nederland 1800-2000 (2006) worden de onderlinge relaties tussen actoren, instituties en strategieën in het literaire veld aanschouwelijk voorgesteld. Daarin bekleden onder meer literatuuronderwijs, fondsen voor de letteren, bibliotheek en boekhandel een belangwekkende positie. Vooral wanneer het op de symbolische waardebepaling van literaire producten in de publieke ruimte aankomt. De boekhandel is een van de instanties die vooralsnog in het veldonderzoek geringe aandacht krijgt. In het Nederlandse taalgebied ken ik maar enkele voorbeelden. Daarnaast ben ik geïnteresseerd in boekhandelaars die ook schrijver zijn, of beter andersom, auteurs die een tijdlang de kost verdienen met het uitbaten van een boekwinkel. In Vlaanderen, toen en nu, denk ik bijvoorbeeld aan de Antwerpse boekhandel De Brug van Paul de Vree, de legendarische boekhandel van Adolf Herckenrath in de Gentse Veldstraat, het gerenommeerde De Zondvloed van Johan Vandenbroucke (Mechelen en Roeselare), het boekwinkeltje Librairie de la Bibliothèque in Oostende van de Franstalige Belgische dichter Henri Vandeputte en Joris Vriamont als verantwoordelijke van de muziekafdeling in La Lecture Universelle (Brussel). Paul van Ostaijen hield dan weer enkele jaren de Brusselse kunstgalerie A la Vierge Poupine open. Schrijvers moeten aan de kost komen.

Boekhandelaar en dichter

Weken geleden is melding gemaakt van het afscheid van Louis Esterhuizen als filiaalhouder en bestuurder van de voor mij al jarenlang als onweerstaanbaar ervaren Protea Boekwinkel in Stellenbosch. Sinds juli 2002 is Esterhuizen in dienst van Protea Boekhuis (Pretoria). De laatste werkdag van 30 desember 2016, vandaag dus, trekt hij de deur achter zich dicht. Op de Facebookpagina zijn de voorbije tijd foto’s gepost van een afscheidsbijeenkomst in het gezelschap van de medewerkers. Jaren terug, sinds mijn eerste kennismaking met de indrukwekkend volgestouwde boekwinkel in de Andringastraat, was Louis Esterhuizen voor mij een door literatuur begeesterde en bijzonder sympathieke handelaar. De robuuste en zachtzinnige verschijning die ik elk jaar in september de stevige hand mocht schudden.

louis-2011e

 Louis Esterhuizen

Later werd hij voor mij de dichter. In het najaar van 2010 stuurde hij naar mijn thuisadres wat die water onthou met op het boekomslag een aquarel van zijn geliefde muze Marlise Joubert. In de gebundelde gedichten is de relatie met en kennis van de Vlaamse poëzie expliciet gemaakt. Zo begint een van de watergedichten, ‘die heiligheid van water’, met een bijna letterlijke referentie aan de beginregel “Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water” van Paul Snoeks canonieke gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’. Drie jaar later, in september 2013, overhandigde Louis in Stellenbosch tijdens een diner in de Volkskombuis aan de oevers van Eerste Rivier het “reisjoernaal” Amper elders. Naast Cambridge, Amsterdam en Praag bepalen Brugge en Antwerpen (Berchem) de ruimtelijke setting van de poëzie. Voor wat die water onthou gebruikte Esterhuizen een motto dat is ontleend aan Paul van Ostaijens klassieker ‘Melopee’, ook de titel van het gedicht waarmee de bundel afsluit. In Amper elders wordt in de reeks die reminiscenties bevat aan de Lage Landen wel méér verwezen naar Nederlandstalige dichtkunst (Hugo Claus, Herman de Coninck, Peter Holvoet-Hanssen, M. Nijhoff en Eddy van Vliet). Ik herinner me zeer levendig het gesprek daar aan de oever van de kabbelende rivier – een locus amoenus voor de dichter – over de reis die Marlise en Louis in Europa hebben ondernomen, en de onuitwisbare indrukken van hun rite de passage. Amper elders is er het lyrische getuigenis van. Het bijwoord ‘amper’, zo lichtte hij toe, betekent in het Nederlands zowat het tegenovergestelde van wat in het Afrikaans wordt begrepen. Er zijn vele levendige herinneringen aan ontmoetingen. Zoals die keer dat we Breyten Breytenbachs verjaardag vierden ten huize Esterhuizen en verrassend de theaterlegende Athol Fugard te gast was. Het blijft ongelooflijk dat ik die zestiende september over Tone Brulin heb kunnen praten met een charmante oude man die het theaterexperiment in Vlaanderen vanaf de eerste rij heeft aanschouwd.

louis-2011f

 Verjaarsdagviering vir Breyten Breytenbach
16-09-2011
.

louis-2011d

Athol Fugard
.

Naar aanleiding van de generositeit die mij telkenmale te beurt viel, ben ik ook méér gedichten van Louis Esterhuizen gaan lezen. Uiteraard in de dikke Komrij, maar ook in periodieken en andere anthologieën. Esterhuizen is de schrijver van voorlopig tien dichtbundels, te beginnen met Stilstuipe (1986). In 2011 is hij voor de doorgecomponeerde bundel wat die water onthou bekroond met de Protea Poësieprys. Zijn debuut is genomineerd voor de Ingrid Jonkerprijs. De gedetailleerde bibliografie, die op de Wikipediapagina kan worden nagelezen, maakt verder melding van zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van en de praktische beoefening van “Bekgevegte”, intussen een begrip in de Afrikaanse literaire wereld, en in den beginne een lange loopbaan in het onderwijs.

Afscheid van een icoon

Het afscheid van Louis Esterhuizen als boekhandelaar valt me zwaar. Zelden ontmoette ik zo’n bekwame en innemende boekverkoper – verkoper klinkt in deze context veel te mercantiel. Hij is een bezetene van het boek, een wandelende encyclopedie van literaire anekdotes en bibliografische weetjes, en vooral – zo leer ik uit zijn Facebookposts – een aanstekelijk speurende melomaan. Het is in Louis’ boekhandel prettig kuieren tussen uitpuilende boekenrekken en doorhangende planken waar ik elk jaar bij mijn doortocht nieuwe producties mocht ontdekken. Daarin begeleid door de warme sonore stem en de nimmer opdringerige aanwezigheid van de bestuurder. Mijn privécollectie Afrikaanse letteren heb ik mede te danken aan Protea Boekwinkel en is ingefluisterd door de belezenheid van de plaatselijke boekenchef. Het is frappant hoeveel Louis heeft gelezen, niet zomaar even geproefd of van op afstand verkend. Legendarisch zijn de zaterdagmiddaggesprekken in de boekhandel waar literaire auteurs, historici en andere schrijvers de revue passeren. Recent, in november, was John Miles er nog te gast. Ik vergaap me bij elk bezoek aan de uitnodigende boekenkasten waar fotocollages aan de zijkanten evenzovele warme herinneringen zijn aan druk bijgewoonde boekpresentaties. Met een glaasje Zuid-Afrikaanse wijn. Louis hield het zelf bij, zo merkte hij onlangs op: hij leidde honderden sprekers in, faciliteerde dialogen en verzorgde de promotie. De foto’s etaleren het kruim van de Afrikaanse letteren. Allemaal passanten in de boekwinkel van Louis Esterhuizen, en voor haar pensionering natuurlijk ook Marlise Joubert.

louis-2011b

Athol Fugard en Marlise Joubert
.

De vriendschappelijkheid staat mij voor altijd bij en is onlosmakelijk verbonden met het pand op Bergzicht Plaza in de Andringastraat. De boekhandelaar, samen met zijn bijzonder sympathieke crew, was er het uithangbord. Het wordt nu anders. Maar ik weet zeker dat Protea Boekwinkel een baken is voor het letterkundige leven in de Kaap. Dat stempel valt nu eenmaal niet uit te wissen. Althans dat is mijn vurige verlangen.

“Huis toe gaan, ja, ek wil huis toe gaan” (‘Soldatelied’)

Intussen gaat Louis Esterhuizen verder met dichten en vertalen. Ik wens hem vanuit mijn positie van binnenwaartse buitenstaander alle wind in de zeilen.

Voortaan richt mijn aandacht zich op het dichtwerk. De muzikale compositie Die afwesigheid van berge (2014), de jongste bundel, is voor mij zonder meer een hoogtepunt in het dichterlijke oeuvre. Niet alleen compositorisch of stilistisch is Louis Esterhuizen de schrijver van bijzonder werk. Ook vanuit transnationaal perspectief valt er veel over te zeggen. De (expliciete) intertekstuele verwijzingen in Esterhuizens poëzie naar de Lage Landen verdienen uitdieping en in een breder (discursief) perspectief te worden bestudeerd. Als een literair-institutioneel onderzoek in Zuid-Afrika zich richt op de beeldsturende functie van de boekwinkel voor de Afrikaanse literatuur, dan zullen Protea Boekwinkel in Stellenbosch en de charismatische “boekwinkelbestuurder” daarin een prominente plaats toebedeeld krijgen.

Louis komt thuis in de poëzie.

Vale, waarde vriend Louis.

louis-2011c

.

Resensie: Die afwesigheid van berge (Louis Esterhuizen)

Thursday, March 20th, 2014

Die afwesigheid van berge deur Louis Esterhuizen (Human & Rousseau, 2014; ISBN: 9780798164948; Prys (insl. BTW): R 170.00;  Formaat: Sagteband, 128pp.)

Resensent: Marlies Taljard

 

Louis Esterhuizen se nuwe bundel, Die afwesigheid van berge is ʼn eerlike, diepgaande ontginning van die kollektiewe Suid-Afrikaanse psige, maar terselfdertyd is dit ʼn konfrontasie met die donkerste skagte van die self. Die teks is geweef op ʼn mat van bekende en minder bekende teksfragmente en intertekste – die belangrikste waarskynlik Psalm 121 waaraan die titel ontleen is. In die Ou Vertaling klink dié psalm só:

Op pad

ʼn BEDEVAARTSLIED

Ek slaan my oë op na die berge: waar sal my hulp vandaan kom?

My hulp is van die Here wat hemel en aarde gemaak het.

Hy kan jou voet nie laat wankel nie; jou Bewaarder kan nie sluimer nie.

Kyk, die Bewaarder van Israel sluimer of slaap nie.

Die Here is jou Bewaarder; die Here is jou skaduwee aan jou regterhand.

Die son sal jou bedags nie steek nie, die maan ook nie by nag nie.

Die Here sal jou bewaar vir elke onheil; jou siel sal Hy bewaar.

Die Here sal jou uitgang en jou ingang bewaar, van nou af tot in ewigheid.

 

Ook die twee bundelmotto’s resoneer sterk saam in die bundel. Die eerste is ʼn strofe uit Breyten Breytenbach se gedig alles wat búite is vlieg uit die bundel Voetskrif (1976):

ek wil na die rante gaan

waar die aalwyne brand soos aas vir die sterre

waar die miere vestings bou om ’n bruid

waar ’n vinger in die stof die seisoene voorspel,

ek wil die hemelruim betas,

ek wil op die aarde lê,

ek wil die berge sien loop,

ek wil leef

soos net die dood nog kan lewe[.]

Die ander bundelmotto neem die digter uit Het Uur U van Martinus Nijhof:

Het was zomerdag.

De doodstille straat lag

te blakeren in de zon.

Een man kwam de hoek om.

Er speelde in de verte op de stoep

een groep kinderen, maar die groep

betekende niet veel,

maakte, integendeel,

dat de straat nog verlatener scheen.

Uit hierdie groepie intertekste kom die belangrikste simboliese en metaforiese stof vir die bundel Die afwesigheid van berge.

Met die eerste oogopslag tref dit die leser dat dié bundel slegs uit 8 gedigte bestaan. Die eerste drie gedigte kan gelees word as ʼn soort tema, ʼn agtergrond en inleiding tot die bundel. Daarna volg ʼn diepgaande ontginning van die tematiese materiaal, wat, in die musikale sin, as variasies en refreine beskou kan word. Die laaste twee gedigte vorm ʼn sintese, die uitgepuurde produk van die “bedevaart” wat in die hoofdeel van die bundel beskryf word.

In die eerste gedig vind ons die eksposisie van die “drama” wat sigself in die loop van die bundel afspeel: “Hoe kan jy vertel hoe dit is // die straat, blinkwit geskrik een middag laat / toe die man aan die bopunt verskyn”, na aanleiding van die Nijhof-fragment. Die belangrikste problematiek wat die bundel onderlê, word hier aan die orde gestel, naamlik die onmoontlikheid om dit wat in ons land aan die gebeur is, te “vertel” – om die omvang daarvan te begryp, moet dit eerstehands beleef word. Vandaar die dramatiese inslag van die bundel. In plaas van vertel, stel die digter die gebeure wat hy onthou, meestal op dramatiese wyse teenwoordig. Die “man” wat hier ter sprake is, is ʼn belangrike ordenende simbool wat dwarsdeur die bundel op belangrike plekke opduik. Aanvanklik is hy “… geklee / in ligblou hemp, bruin broek, sandale / en ’n piesang in elke oor” – die mens wat met oorklappe deur die lewe gaan; dan is hy “die man van seisoene” wat tyd uitdeel; later word hy die man wat “die landskap / betree van teer, vuur en rook”; hy word die “skofbaas” en die myner wat jou dwing om ondergrond te gaan, te boor na oorspronge en rykdom. Teen die einde van die bundel begin dié man ooreenkoms vertoon met die Ander in Van Wyk Louw se bekende Ballade van die bose:

En wie is jóú vyand, grom die uittandman

by jou oor: teen wie se oordeel

probeer jý staande bly? O, beslis die vreemdeling

by die deur, antwoord jy –

Hy wat op onwelkome tye om aandag kom vra

met ’n verkreukelde smeekbrief

in die hand en ’n groet wat na my toe

gemompel word

soos dié van ’n uitgegroeide baber

in modderwater. Hy: geklee in weggooiklere,

weggooiskoene en oorskietlewe,

hý is die vyand –

Met ’n gesig stomp soos ’n mol s’n wat hom

onverwags in die lig bevind, sy regteroog

bloedbelope, sy linkeroog

soos dié van ’n slang. Ja, die vreemdeling

by die deur is die ander

met sy loperige neus, koorsblaarlippe

en hande soos papvrot piesangs.

Hy wat daar staan

sonder om jou in die oë te kyk,

aanhoudend by jou verby

aas na wat daar agtertoe te stele is.

En wanneer hy praat,

is sy stem ’n onvaste geploert

wat na jou toe stink

soos gister se asem uit suur vate wyn –

Waar hy loop, val sy skaduwee

op al die plekke waar die lig

nie skyn nie. O, ja. Jý, (wou jy sê),

jý is die vyand.

Maar nou is hy die teertang

waarteen jy staande probeer bly

hier, op jou knieë,

met ’n .38 Colt Special

in fellatio[.]

Die tweede gedig sny die tema van “beheer verloor” aan: “Want sirenes laat in die nag / is soos ’n tuimelaar wat greep verloor / op die sweefstok”, terwyl die derde gedig ʼn verdere belangrike bundeltema aan die orde bring: “Terwyl julle slaap hou julle hande vas”. Hoewel die bundel fokus op geweld, word balans verkry deurdat die liefde ʼn konstante kontrapunt ten opsigte van die magteloosheid in die aanskyn van soveel geweld, brutaliteit en verskeurdheid vorm.

Die kern van die bundel bestaan uit drie omvangryke gedigte wat die grootste deel van die teks beslaan, naamlik ʼn BEDEVAARTSLIED om kwart voor drie, ʼn HOOGLIED onverwags en ʼn DANKLIED om kwart voor oulaas. Die skrywende “ek” laat hom op sy bedevaart lei deur “die geheue / wat soveel sagter as ’n gister jul gordyn eenkant toe / druk.” Op die mees sigbare vlak van interpretasie is hierdie drie gedigte terugflitse uit die digter se outobiografiese verlede wat sy vorige werk insluit en uit die kollektiewe hede en verlede (en tekste) van die mense van Suid-Afrika. Op ʼn meer abstrakte vlak kan die teks egter ook gelees word as ʼn verkenning van die menslike psige waarin beelde van verskrikking, wreedheid, vrees en geweld afgewissel word met van die mees meesleurende, metafoorryke liefdesgedigte in Afrikaans.

Die metafoor “kwart voor drie” versinnebeeld die tyd wanneer die horlosiebeeld ʼn horisontale lyn vorm – in die skilderkuns is dit die skildery wat geen horison het nie:

Want in die afwesigheid van berge word die horison

met die harde potlood se rubberkant uitgewis,

word dit ’n klad waarop elke bos en klip

ingeskryf staan,

elke wolk by elke rivier

of spruit[.]

Dié beeld wys onder meer op kwesbaarheid – dat alles sigbaar word en niks ver-berg kan/wil word nie. In die Ou Testament was die bergvesting die plek waar hulp vandaan gekom het – ʼn veilige vesting waar die hulpbehoewende skuiling teen die aanslag van sy vyande kon vind, waar hy hom kon versteek sodat hy nie uitgelewer is aan diegene wat teen hom saamsweer nie. Die afwesigheid van en die bedreiging van so ʼn veilige bergvesting en die benarde posisie waarin die pelgrim homself as gevolg daarvan bevind, is die oorkoepelende tema van die bundel Die afwesigheid van berge. Die oopheid van die landskap word terselfdertyd ook simbool van eerlikheid en die voorneme om niks onder die mat in te vee wat as getuienis kan dien nie.

ʼn Bedevaart of ʼn pelgrimstog is ʼn etiese en spirituele soektog. Op die metaforiese vlak kan dit ʼn innerlike reis na herkoms en die wortels van jou lewensbeskouing en geloof behels. Jung beskou die pelgrim as ʼn argetipe wat met individuasie of selfkennis verbind kan word. Nog ʼn interessante aspek van die pelgrimstog wat in hierdie bundel saamresoneer, is dat dit die besoek is aan ʼn heilige plek, ʼn plek waar ʼn heilige persoon tot inkeer of tot spirituele ontwaking gekom het of ʼn ander plek wat op een of ander rede met die numineuse verbind kan word, byvoorbeeld deurdat daar wonderwerke gebeur het. Besoek aan so ʼn plek – so word geglo – baat die pelgrim in sy persoonlike lewe deurdat hy tot kontemplasie gedwing word, geestelik seën vind of deurdat hy genees word van fisieke kwale. Dit is ironies dat juis die teenoorgestelde dikwels in hierdie bundel waar is: die bedevaart lei die spreker by geleentheid op paaie van afsku, skaamte en onregpleging. Tog – soos uit die slotgedeelte blyk – is die wins wat die pelgrim uit sy bedevaart put, dieselfde as wat ander pelgrims uit ʼn bedevaart na ʼn heilige plek put. Dit laat die leser met belangrike vrae aangaande goed en kwaad, heiligheid en boosheid en die aard van wonderwerke. Dit bevry die aandagtige leser – soos alle goeie gedigte – van kategoriese denke.

Al die bogenoemde aspekte van die bedevaart speel op een of ander wyse ʼn rol in die tersaaklike bundel. Veral in die drie kerngedigte word klem gelê op herbesoek aan die verlede, die hede en selfs die toekoms – om kwart voor drie, wanneer daar geen belemmeringe is nie, wanneer alles oop en kwesbaar lê, is alles immers moontlik.

Die middeldeel van die bundel is een lang, vloeiende rivier van poësie: die een gebeurtenis word aan die ander geryg; gedagtes, visioene, slagspreuke en drome vind gestalte langs en as deel van mekaar. Daar is weinig belemmeringe soos sinseindes en gedigeindes. Esterhuizen kry hier iets reg wat nog nooit vantevore in die Afrikaanse poësie gedoen is nie – sonder om poëtiese segkrag in te boet, sonder om samehang in te boet, sonder ʼn blote opeenstapeling van idees word die gedigte ʼn lang, uitdeinende deurgekomponeerde fuga, ryk aan kontrapunt, nooit vervelig nie weens die wendinge wat die tema telkens op verrassende wyse aanneem; boeiend, aangrypend tot die einde. Hoewel die middeldeel uit drie gedigte bestaan, skakel hulle onderling naatloos met mekaar deur aktivering van die tema in al sy onderskeidinge en in al sy verskillende toonaarde, hoewel elke gedig fokus op ʼn bepaalde aspek van die pelgrimsreis.

Skrik, vrees, misdaad, marteling, kortom: die hedendaagse Suid-Afrikaanse werklikheid word veral in ʼn BEDEVAARTSLIED om kwart voor drie in al sy verskriklike fasette beskryf, bedink en opgediep uit die donker verlede:

… Op dié reis blyk die reisiger

onverwags ongereed te wees: gedaantes om jul bed

met wapens gerig op die binneholtes

van jul skrik. En slaan jy jou oë op na die berge

om kwart voor nou, vir oulaas,

is jul hulp kasdeure wat oopgeruk word

om alle vensters vloeibaar te laat

soos ’n gebed om kwart voor sterwenstyd.

Terwyl die Suid-Afrikaanse hede in al sy kliniese besonderhede tentoongestel word, vind verplasing van die blaam nooit plaas nie. Die skrywende “ek” is ʼn notaris wat alles wat hy waarneem en onthou, neerskryf. Hoewel daar van aangrypende metafore en verrassende beelde gebruik gemaak word, is die optekenaar steeds die nugter skrywende agent wat meestal van die meer direkte “showing” gebruik maak as van die subjektiewe “telling”. Daarom ontbreek dit ook nie aan selfondersoek nie – ook hier val die lig verblindend skerp op die eie lewe en op die kulturele bagasie van alle groepe wat saam sing aan die Suid-Afrikaanse volkslied waarvan fragmente telkens as refreine in hoofletters uitgelig word in die verskillende tale waarin dit gesing word.

Die tweede gedig van die hoofdeel, ʼn HOOGLIED onverwags, vorm ʼn teenmelodie (selfs ʼn helder diskant) vir die somber bedevaartslied. Dit fokus op die bestaan en ontwikkeling van ʼn liefdesverhouding parallel met die somber gebeure waarop die vorige gedig konsentreer. Die man in die bundel, wat oor die algemeen ʼn donker, skadufiguur en selfs die dood simboliseer, word hier vervang met die minnaar:

In die straat wag ’n man om ’n vrou te ontmoet

wat heel betyds en lieflik

uit die gedruis van kleur na hom

aangeloop kom

op hierdie skaam uur

van die dag, die uur wanneer verkeersligte

sonder voorval verander van geel

na rooi. En weer

terug. Met nêrens iets wat beweeg nie.

Net sy, wat nou haar bestemming bereik,

en hy syne. Ons reis begin met son,

sê sy later aan hom …

Die gedig ʼn DANKLIED om kwart voor oulaas getuig van ʼn dieper bewuswees van die dinge wat in die voorafgaande gedigte beskryf is. Dit is asof die grense vervaag het en die sprekende “ek” tot die besef van ʼn soort ambivalensie in sy interpretasie van die “werklikheid” gekom het; asof daar ʼn mate van rypwording ingetree het, ʼn versigtigheid om onkrities te kategoriseer en stereotipies te dink:

kwart voor oulaas en hoe onvanpas hierdie droom

wat soveel dunner as ’n naald jul saamwees

met die deken verweef. En rig jy jou oë na bo,

ten laaste maal, is jou hulp

dit wat jou uitgang en jou ingang

sal bewaar

met die hoop dat dit alle versugting

dankbaar gaan laat om kwart voor drie, want

vreugde is nou die skaduwee in jou hand

met die son ’n teruggehoue begeerte, bedags,

en die maan ’n stil teenwoordigheid

agter gordyne, snags –

Hierdie gedig is ʼn voorspel tot die slotverse van die bundel waarin die pelgrimsreis voltooi word. Veral uit hierdie gedigte blyk dat ʼn innerlike reis, ʼn soeke na die self, ʼn soeke na waarvandaan ons as nasie kom en waarheen ons (kollektief en individueel) op pad is, nou voleinding gevind het in ʼn soort vreugde wat ʼn ligtheid van gemoed as gevolg het. “Die dal van doodskaduwee” is besoek. Volgens Jung is die konfrontasie met die Skaduwee – waarop die oorgrote klem in hierdie bundel val – een van die vernaamste vereistes om ʼn individuasie-ervaring te begin. Ontkenning en verplasing van die blaam is wel gemakliker as konfrontasie van die argetipes van die donker onbewuste, maar deurlewing en aanvaarding van die donker is die enigste pad na die lig van insig:

En nou, met die reis voltooi

sny die onthou kriskras, heen en weer

soos skaatsers op ’n ysbaan

by jou verby. Op al die yl roetes

van jou verblyf

loop jy terug, staan jy oplaas by

die strook wat omgeploeg word en kyk

na blinkvet sooie

wat soos skape met skeertyd

omgedop word. Asof dit ook nog

vergifnis kan wees.

En op dié manier is dit goed.

Hierdie koue grond

te midde

van soveel lente

agterna –

Dit is onmoontlik om ʼn komplekse en gekompliseerde bundel soos hierdie in die bestek van ʼn enkele resensie volledig tot sy reg te laat kom. Struktureel is dit ʼn kragtoer wat min digters Esterhuizen kan nadoen. Daaroor behoort ʼn diepgaande studie onderneem te word. Wat vir my wel jammer is, is dat digters hulleself deur die onnadenkende plagiaat-heksejag gedwonge voel om hulle bronne (asof die bundel ʼn akademiese teks is) in besonderhede te vermeld. Die raaksien van intertekste en flardes teks uit ander bronne was nog altyd vir my deel van die ontdekkings- en speurvreugde van die gedig. Bronverwysings ontneem die kundige leser (vir wie die gedigte immers geskryf is) van hierdie spesiale kwaliteit van poësiewaardering. Oorkoepelend gesien is Die afwesigheid van berge ʼn teks wat ʼn beroep doen op alle sintuie. Die ongeëwenaarde vloei, die klankskoonheid, die vormgewing wat nooit op marsmusiek trek nie, die suiwerheid en finesse van metafore, die sterk simboliese lading en die vindingryke struktureringsprinsipe in die afwesigheid van eindrym, maak hierdie ʼn leeservaring by uitnemendheid. Elke Afrikaanse poësieleser behoort dit aan te skaf, want ook die leser kom – soos die bedevaarder – gesuiwer en verryk aan die ander kant uit!

(© Marlies Taljard / 2014)

 Resensie geborg deur