Posts Tagged ‘edwin fagel’

Janita Monna. Als Alice in Wonderland

Monday, May 28th, 2012
Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin

Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin

Edwin Fagel – Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin

Charlie Chaplin mag dan een hoofdrol hebben in de titel, slapstick is het niet, de poëzie in de tweede bundel van Edwin Fagel. Nu zou dat ook wel een grote omslag betekenen in zijn nog bescheiden oeuvre. Zijn debuut Uw afwezigheid (2007) werd goed onthaald, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs. Fagel liet zich daarin zien als een zakelijk registrator van alledaagse situaties, onschuldige taferelen waarin veel verzwegen blijft en waarachter grote en soms fatale gebeurtenissen schuil kunnen gaan. Fagel is een ‘componist’ van hechte bundels, met subtiele verwijzingen en hernemingen, zo blijkt ook in Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin, in thematiek verbonden met dat debuut, maar abstracter. Die titel verwijst naar de roof van het lijk van de komediant door daders die losgeld wilden. Enkele maanden na de diefstal werd het lichaam teruggevonden en opnieuw begraven. Chaplin zelf verschijnt pas later in een van de gedichten in de bundel, toch is de poëzie doordrongen van de idee in hoeverre iemands afwezigheid hem (of haar) aanwezig maakt.
Daarbij zit er een preoccupatie met lichamelijkheid in deze gedichten: meteen al in het openingsgedicht wordt een nogal wonderlijk tafereel geschetst van een man die in een stationshal op zijn jas gaat liggen en uit zichzelf treedt: ‘Mijn lichaam is me vreemd’. Het lichaam wordt voorgesteld als vrouw, en is zowel vertrouwd als onvindbaar ‘ik zoek haar blik, vind haar niet’.
Ook de eerste reeks heeft dat vervreemdende effect. Flarden van wat familiegeschiedenis lijkt, met kleine traumatische gebeurtenissen – een bal die is stukgesneden, dromen van beesten die in benen bijten – worden een eigen werkelijkheid. Daarbinnen zoeken een hij en een ik over en weer contact: zijn het broers, vader en zoon, is het een jongen met zijn imaginaire vriend, lichaam en geest? ‘Hij krijgt, dacht ik, mijn lichaam.’
Fagel schrijft geen ronkende volzinnen, hij heeft geen lyrische uitbarstingen. Wezensvragen over afkomst worden bedrieglijk gewoon verpakt in zinnetjes als ‘Wie is mijn vader?’ ‘Waar is mijn huis?’ Stap je eenmaal de poëzie binnen dan kun je je als Alice in Wonderland wanen en blijken schijn en wezen, droom en werkelijkheid nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Handelingen en gebeurtenissen hebben een eigen, min of meer surreële logica. Fagel speelt dat hier mooi uit in de witregel:

Ik liep van het bord arrivals naar departures. Ik lette niet op
het geschreeuw tot de vrouw die schreeuwde voor me stond,
ze spuugde op de vuile stationsvloer, het was benauwd

in de slaapkamer.

Het is niet voor niets dat Fagel zich ophoudt in schemergebieden, in het ‘schijnsel van een lantaarn’, of op grensgebieden als in de branding van de zee, of zoals in reeks ‘Contouren’, op het ongrijpbare moment waar leven overgaat in dood. Zeven gedichten lang opent hij met de woorden ‘Toen ze stierf’, tot die een haast bezwerende kracht krijgen.

Toen ze stierf
zag ik haar ogen,
ik groette haar als een oude vriendin
op zomaar een middag bij de supermarkt,

Het zijn de contouren van het lichaam die zich overal aftekenen: als de Venus van Botticelli verrijst ze uit zee, als een heilige verschijnt ze aan zijn bed. Ze is in haar dood alomtegenwoordig. Maar het is geen vleselijk, geen tastbaar lichaam meer, en de zoektocht naar wat zich aan de andere kant van het leven op bevindt, mondt uit in drie definitieve woorden: ‘ze is dood’.
Konden gedichten in zijn debuut nog wel gemaniëreerd aandoen, hier lijkt hij zich in zijn vervreemdende spel met lichaam en geest, en schijn en wezen, meer vrijheid, meer eigen stem te permitteren. Toch is zijn gewone taal soms al te gewoon, op het saaie af. ‘We hoorden de buren in hun auto stappen en namen afscheid./ Jij ging linksaf, ik rechts. Maar ik draaide me om, en toen ik je inhaalde/ zag je dat ik naar je keek.’ Op een enkel vloekwoord na, krast het nergens waardoor de surreële diepten in Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin uiteindelijk vlak gestreken worden.

In een droom kwam ik hem tegen.
Hij zag er goed uit, gebruind. Hij zwaaide,
ik kreeg hem weer terug. Ik hoorde gespartel
in het riet, een gevecht op leven en dood,
een reiger ving zijn prooi. Hij vertelde
over een menigte mensen die hij allemaal
zelf was,

dat soms zijn woede de overhand kreeg.
Sorry, was het dan. Wij zullen ons wel weer
vergissen. Het was een krankzinnig heldere dag.
Ik zei: Volgens mij ben jij je niet half bewust
van wat je hebt gedaan. Hij vertrok
zonder iets te zeggen. Ik heb hem gezocht.
Ik zocht hem op het veld waar we voetbalden,
op zijn plek aan tafel, in zijn auto,
op zijn kamer waar het licht uit was.

Edwin Fagel – Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin. Nieuw Amsterdam, 48 pagina’s. 14,90 euro, ISBN 9789046811207.

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Edwin Fagel. Mooi (5)

Friday, February 24th, 2012
Picasso - Fille devant un miroir

Pablo Picasso – Fille devant un miroir (1932)

 

 

“Ik ben Picasso! Wij gaan samen grote dingen doen.” Op 8 januari 1927 zag Pablo Picasso (1881-1973) in Parijs een blond meisje met een klassiek gezicht de metro verlaten: de op dat moment 17-jarige Marie-Thérèse Walter. Hij sprak haar naar verluidt met deze woorden aan. Hij had gelijk. Na deze ontmoeting volgde een indrukwekkende reeks schilderijen, etsen en tekeningen met Marie-Thérèse als onderwerp. Eerst verborgen, omdat hun relatie verborgen moest blijven voor Picasso’s toenmalige echtgenote, de danseres Olga Kokhlova. Later zonder enige terughoudendheid. In de schilderijen waar Marie-Thérèse als model fungeerde is de grondtoon meestal erotisch. De schilderijen zijn vaak een ode aan haar klassieke schoonheid, haar jeugdige kracht. Maar Fille devant un miroir (1932) brengt daar een extra laag in aan.

 

Het schilderij hangt in het Museum of Modern Art in New York en ik vond het schilderij, toen ik het er vorig voorjaar zag hangen, ronduit magisch. Het klassieke thema van een vrouw die in de spiegel kijkt waarbij de reflectie wordt weergegeven als een doodsmasker is sowieso aangrijpend; het wordt in dit schilderij door Picasso op een beklemmende, indringende manier vormgegeven. Bij de uitgang kocht ik de catalogus van het museum, maar niet voordat ik had gecontroleerd of Fille devant un miroir erin stond opgenomen.

 

Het type spiegel dat is geschilderd, leerde ik uit de catalogus, wordt in het Frans psyché genoemd, het Griekse woord voor ziel. Links zien we de ‘echte’ Marie-Thérèse. Haar gezicht bestaat uit twee helften, één vleeskleurig, de ander fel geel. Deze gespletenheid suggereert een innerlijk conflict en de catalogus heeft het over het conflict tussen de onschuld van het meisje en haar seksualiteit. Dit wordt ook uitgebeeld in het lichaam van Marie-Thérèse, dat tegelijk naakt is en gekleed – en bovendien geeft het schilderij er een soort röntgenweergave van. Ze draagt zowel in het ‘echt’ als in de reflectie een gestreept badpak, waarvan de strepen ook haar ribben kunnen zijn.

 

De reflectie laat een donker gezicht zien met een doodse blik, een gezicht dat door die donkere kleuren ook een zekere agressiviteit uitstraalt. Is het Marie-Thérèse op latere leeftijd? Of representeert haar spiegelbeeld een donkere kant van haar persoonlijkheid? De kleurige achtergrond, dat het effect van een glas-in-loodraam heeft, geeft het tafereel iets sacraals. Overigens heeft de houding van haar arm wel een gelijkenis met de arm van een kunstenaar die aan zijn schilderij werkt. In deze interpretatie zou Marie-Thérèse haar eigen spiegelbeeld vervaardigen. In dezelfde periode waarin Picasso dit schilderij maakte, maakte hij ook de serie tekeningen en etsen die de kunstgeschiedenis in zouden gaan als de Vollard Suite, en waarmee Picasso de verhouding tussen schilder en model, kunstenaar en kunstwerk problematiseerde.

 

Dit alles was ik me niet bewust bij de eerste kennismaking met het schilderij. Toen was ik overweldigd door het beeld, die de kracht had van een openbaring.

 

Marie-Thérèse schreef Picasso eens: “Ik hou van je en ik geef je alles wat ik heb.” Ze schonk hem een dochter (Maya, geboren in 1935); vlak na de geboorte van hun dochter kreeg Picasso een verhouding met Dora Maar. Na de dood van zijn vrouw Olga in 1955 deed Picasso Marie-Thérèse nog wel een huwelijksaanzoek, maar na al die jaren weigerde ze met hem te trouwen. In 1977, vier jaar na de dood van Picasso, hing Marie-Thérèse Walter zich op in de garage van haar huis.

 

(Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Mooi (4)

Monday, January 9th, 2012

Gustave Courbet – De oorsprong van de wereld (1866)

Tot de jaren negentig van de twintigste eeuw was dit schilderij zelden in het openbaar te zien. Het maakte deel uit van achtereenvolgende privécollecties tot het uiteindelijk, ver na de seksuele revolutie, in Musée d‘Orsay in Parijs kwam te hangen. Welbeschouwd was mijn enthousiasme toen ik het schilderij voor het eerst zag dus onterecht.

Ik vond het schilderij toen namelijk vooral mooi als provocatie, als ultiem vertoon van artistieke lef. Want terwijl zijn realistische en vroeg-impressionistische collega’s in een weiland zaten te proberen het landschap te vangen, of ergens op een duin het uitzicht op de zee probeerden weer te geven, schilderde Gustave Courbet (1819-1877) pontificaal en met veel detail een kut. De in mijn beleving quasidiepzinnige titel vergrootte de grap alleen maar. Het schilderij leek al de draak te steken met de ernstige kunstkijk-blikken van de museumbezoekers, in die zomer aan het begin van de 21ste eeuw. Hoe lang was dan niet de neus die Courbet trok naar zijn publiek destijds?

Pas later kwam ik erachter dat Courbet het schilderij in opdracht van de Ottomaanse diplomaat en kunstverzamelaar Khalil-Bey maakte. Deze hing het in zijn privévertrekken achter een gordijntje en liet het alleen bij bijzondere gelegenheden aan derden zien. Het veroorzaakte wel ophef, maar slechts in zéér beperkte kring, per brief, waarbij dikwijls de schrijver van de brief de enige was die het schilderij had gezien. Hoe provocatief is een dergelijk schilderij?

Nu past het schilderij wel in een ontwikkeling waar Courbet een belangrijke aanjager van was, namelijk dat men naakten begon te schilderen zonder dat daar als excuus een bijbels of mythologisch motief aan werd gehangen – en de carrière en levensloop van Courbet laten ook wel zien dat het de schilder niet aan lef ontbrak, in zowel artistiek als politiek opzicht. Uiteindelijk is het schilderij om andere redenen interessant.

De compositie is welhaast iconisch te noemen. Als de afbeelding vandaag zou zijn gemaakt, zou ze echter eerder banaal zijn dan dat ze herkend zou worden als een krachtig artistiek statement – simpelweg omdat de beelden uit de porno tegenwoordig veel breder zijn verspreid. Toch is het schilderij ook vandaag confronterend. Ik behoor niet tot de school die zich graag laat ‘verontrusten’ door kunst. Toch fascineert dat ongemak me. Dat komt natuurlijk door de intimiteit van de afbeelding, de kwetsbaarheid, het wijdbeense. De toeschouwer wordt ongewild voyeur. Courbet was in ieder geval in dat opzicht zijn tijd ver vooruit.

‘De oorsprong van de wereld’. Als die titel serieus is bedoeld, wordt daarmee bedoeld dat het vrouwelijk geslachtsorgaan dat is afgebeeld de kern van het bestaan, of een hogere waarheid vertegenwoordigt. Courbet zou de eerste niet zijn geweest – en zeker niet de laatste – die een hogere waarheid in verband brengt met seks. Tegelijk is precies dat de gedachte waar Courbet met deze titel mee spot. Kunst, zeg ik dan maar in mijn eigen woorden, is niet iets waar iets anders mee wordt gezegd. Het kunstwerk zegt juist zo precies mogelijk wat het zegt; niet meer, niet minder, niets anders. De weidse titel vestigt er uiteindelijk juist de aandacht op dat we alleen zien wat we zien, in dit geval dus een vagina. En dat dat alles is, en genoeg.

(Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Mooi (3)

Sunday, November 13th, 2011
Herman Gorter (1864-1927)

Herman Gorter (1864-1927)

Herman Gorter – Liedjes aan de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid (1930)

Met zijn bekende ‘Zie je ik hou van je’ (uit de Verzen van 1890) schreef Herman Gorter al op jonge leeftijd een gedicht dat nu nog geldt als een klassieker. Ik ken in de Nederlandse poëzie geen gedicht dat net zo direct en net zo geladen is. De eenvoud van het gedicht is verraderlijk: iedere verliefde tiener zou ze kunnen uitspreken. Maar ik denk dat geen enkele dat inderdaad zo zou kunnen. Want behalve de evidente liefdesverklaring die het gedicht verwoordt, en die feitelijk het ‘I love you, please be true’ – gehalte van een middelmatig popliedje niet overstijgt, getuigt het gedicht ook van een romantische inborst die bijna te groot is voor één man, en – wellicht daardoor – van een enorme spanning en onzekerheid. Met name de slotstrofe (‘Zie je ik wou graag zijn / jou, maar het kan niet zijn’) vormt de opmaat van de diepe wanhoop waar de Verzen uiteindelijk in eindigen.

Gorter schreef de Liedjes aan het eind van zijn leven. Hij stierf in 1927 en de bundel verscheen postuum in 1930. Na het communistische epos Pan (1916) had Gorter geen gedichten meer gepubliceerd. De verschillende postume publicaties laten zien dat hij in de laatste tien jaar van zijn leven misschien wel zijn sterkste werk schreef.

In de Liedjes laat Gorter zien dat hij nog steeds de gave had om onthutsend direct te formuleren. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Het is niet waar dat dit het zonlicht is’:

Het is niet waar dat dit het zonlicht is,

Gij zijt het.

Dit is ook niet de wind die over het water blauwt,

Die is zoo zacht niet,

Gij zijt het.

Dit is ook de aarde niet, de hemel niet,

Zoo schoon zijn die niet. Gij zijt het.

Wat bij ‘Zie je ik hou van je’ nog een bijna doorsnee liefdesverklaring van een jongen aan een meisje was, is in dit gedicht een alomvattende liefdesverklaring aan wat hij ‘de Geest der Muziek der Nieuwe Menschheid’ noemde. Hij drukte daar een heilsverwachting mee uit, een bijna mystiek ideaal dat hij verwachtte van de vervulling van het communistisch ideaal. De flaptekst van mijn exemplaar (bezorgd door Jacob Groot) zegt het eigenlijk wel goed: “In Liedjes lukt het Gorter tot een late, grootse synthese te komen van pure, erotische lyriek en idealistische verwachtingspoëzie, waarbinnen zijn hoofdmotieven ‘landschap’, ‘lichaam’, ‘liefde’ en ‘licht’ mysterieus versmelten.”

De bundel is opgebouwd uit drie delen van in totaal 11 reeksen, opgebouwd uit overwegend korte en zeer korte – maar tegelijk zeer rake en directe – teksten. Het hierboven geciteerde gedicht is bijvoorbeeld nog een van de langere. Niet toevallig schemert in het woord ‘blauwt’ iets van de jongere Gorter door. De Gorter van Verzen maakte wel vaker werkwoorden van zelfstandig of bijvoeglijk naamwoorden, of andersom. Hij ontwikkelde een woordenschat die het meest precies uitdrukte wat hij wilde zeggen.

Hier gebeurt iets dergelijks. Strikt genomen ‘blauwt’ de wind niet, die is kleurloos. Maar dat ene woord roept het beeld op van een oceaan waarbij het water af en toe door de wind wordt opgelicht. Het is opmerkelijk dat hij dat hier doet op een plek waarbij het hem duidelijk niet primair om de natuur is te doen, maar om hetgeen zich daarachter, of daarboven, bevindt: ‘Gij zijt het’. De formulering is, vermoed ik, bewust plechtstatig: het gedicht krijgt daardoor het karakter van een gebed.

De bundel is hecht gecomponeerd en bestaat zoals gezegd uit drie delen: ‘Bij het naderen van de revolutie’, ‘Bij het komen van de revolutie’ en ‘Bij de nederlaag der revolutie’. Er wordt bij voortduring een Geliefde aangesproken. Deze Geliefde is al direct mystiek, al wordt ze ook op diverse plaatsen zeer lijfelijk beschreven. Tot de dichter tot de conclusie komt: “Niet uw lichaam, / maar uwe ziel”. In de latere delen wordt ook het woord gericht tot bijvoorbeeld de Strijd, de Vrijheid, het Gouden Meisje, en het ligt voor de hand dat er voor de dichter geen onderscheid bestaat tussen deze zaken. De communistische revolutie wordt in de bundel verheerlijkt als de verwezenlijking van een utopie – de symbiose van het communisme, de geliefde en de natuur. Het is de concretisering van een heilsverwachting voor de hele mensheid die voor de dichter gepaard gaat met een extase die vergelijkbaar is met die van mystici als Hadewijch.

Al tijdens het leven van Gorter liep het verkeerd met het communisme (enkele gedichten uit de Liedjes drukken Gorters zorg daarover uit). Ik denk dat het idealisme van Gorter uiteindelijk niet zo heel veel meer met het communisme te maken had. Het was de uitdrukking van een menselijk verlangen naar eenheid, geluk en harmonie. Anderen noemen een dergelijke heilsverwachting Boeddha, God of Hemel. Bij Gorter was het communisme een ideaal dat hij in de werkelijkheid wilde verwezenlijken, maar waar hij uiteindelijk enkel gestalte aan kon geven in de poëzie.

(Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Mooi (2)

Monday, September 19th, 2011

Elliott Smith – From a basement on the hill (2004)

‘I can’t prepare for death any more than I already have’, zingt singer-songwriter Elliott Smith (1969-2003) in ‘King’s Crossing’. Toen het nummer op cd verscheen was Smith al bijna een jaar dood.

De drie jaar voor zijn dood had hij aan From a basement on the hill gewerkt. Het was een ambitieus project: het moest een dubbel-cd worden met zowel liedjes als geluidsexperimenten. Door zijn zelfmoord op 21 oktober 2003 heeft hij het album niet kunnen voltooien. Zijn nabestaanden hebben ervoor gekozen de plaat niet af te laten maken door David McConnell, de producer waar Smith op dat moment mee werkte, maar door Rob Schnapf, de producer van Smiths succesvolle twee voorgaande platen: XO (1998) en Figure 8 (2000). Het is natuurlijk de vraag in hoeverre het eindresultaat lijkt op wat Smith zelf voor ogen stond, maar ik denk dat hij zich niet zou schamen voor de plaat die uiteindelijk is uitgebracht.

Het is onmogelijk naar de cd te luisteren zonder verwijzingen te horen naar Smiths noodlottige einde. Alleen al daarom is het een aangrijpende plaat, de liedjes lijken soms wel berichten uit het hiernamaals. Meer dan op het summiere briefje dat hij vlak voor zijn dood schreef, neemt Smith op From a basement on the hill afscheid. De plaat laat ook zijn worsteling horen.

In hetzelfde ‘King’s Crossing’ zingt hij bijvoorbeeld: ‘Give me one good reason not to do it’, waarna op het achtergrond een vrouwenstem zegt: ‘Because I love you so much’. Er zijn meer plaatsen aan te wijzen waar hij duidelijk verwijst zijn naderend einde. ’This is not my life,’ zingt hij in ’A fond farewell’. ’It’s a fond farewell to a friend’. De opgewekte melodie en de milde tekst klinken berustend. Maar in andere liedjes klinkt hij vooral wanhopig. ‘King’s Crossing’ eindigt bijvoorbeeld met de herhaalde oproep: ‘Don’t let me get carried away’, besluitend met: ‘Don’t let me be carried away’.

De geluidsexperimenten zijn (vanwege contractuele beslommeringen) uiteindelijk niet uitgebracht, maar ze werken wel door in de liedjes. Het geluid van de plaat sluit daardoor goed aan bij de veelal nachtmerrieachtige teksten. Het openingsnummer ‘Coast to coast’, bijvoorbeeld, staat onder hoogspanning vanwege de vervormde gitaren, de gruizige bas, het zware drumgeluid, de lijzige zang. En natuurlijk de spreekstem van dichter Nelson Gary, die het hele nummer door enkele gedichten voordraagt over het onvermogen van de mens zichzelf te genezen. Het overspannen gitaargeluid geeft ook het aangrijpende ‘Don’t go down’ een naargeestige lading:

She had a dream, woke up in shock

She had seen her own body outlined in chalk

I split the scene, the globe had been spun

And her ghost leaned down to kiss me with a message from the sun

Don’t go down, don’t go down

Stay with me, baby stay

Merkwaardig genoeg is From a basement on the hill geen ronduit depressieve cd. Dat komt enerzijds door de krachtige melodieën, die eerder melancholisch dan depressief zijn. Anderzijds ook door het duidelijke spelplezier: de (hoewel wat wrange) humor in de zang en de teksten, het verbeten gitaarspel, de manier van opnemen, de geluidsexperimenten. En gelukkig staan er ook mooie liedjes zonder dit soort verwijzingen op, zoals bijvoorbeeld ‘Twilight’, een mooie, schrijnende dialoog tussen een man en een vrouw.

De omstandigheden waaronder Elliott Smith stierf zijn nooit echt helder geworden. Hij zou zichzelf in de borst hebben gestoken na een ruzie met zijn vriendin. Sectie wees uit dat hij op dat moment niet onder invloed was. Dit, en het gegeven dat hij zijn eigen naam verkeerd spelde op het summiere afscheidsbriefje, voedde de geruchten dat hij zou zijn vermoord. Maar de spanning die uit het hele oeuvre van Smith spreekt, en die op From a basement on the hill het meest pregnant tot uiting wordt gebracht, is ondubbelzinnig. Als luisteraar is die al moeilijk vol te houden. Hij lijkt me voor de maker ondraaglijk.

(Edwin Fagel)

Elliott Smith - From a basement on the hill

Elliott Smith - From a basement on the hill

Edwin Fagel. Mooi (1)

Thursday, August 18th, 2011
Jean Fouquet - Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen

Jean Fouquet - Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen

Jean Fouquet – Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen (circa 1450)

Een paar jaar geleden zag ik de ‘Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen’ (circa 1450) voor het eerst. Dat was tijdens een bezoek aan het Paleis voor Schone Kunsten in Antwerpen. Als je daar bij binnenkomst de trap opliep en de deur naar de zalen doorging, zag je het schilderij direct hangen als je naar links keek. Het hing helemaal aan het eind van de gang. Het was verpletterend.

Het schilderij is toegeschreven aan de Vlaamse schilder Jean Fouquet. Het uiterlijk van Maria is waarschijnlijk geïnspireerd op Agnès Sorel, een maitresse van de Franse koning Karel VII. Deze volgens de overlevering uitzonderlijk mooie vrouw stierf circa 1450 op 27-jarige leeftijd. Ze was op dat moment zwanger van het vierde kind dat de koning bij haar had verwekt. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat Sorel waarschijnlijk is gestorven aan de gevolgen van een kwikvergiftiging. Dit zou erop kunnen wijzen dat ze is vermoord. Haar invloed op de koning was naar verluid groot, dus helemaal ondenkbaar zou dat niet zijn.

Omstreeks dezelfde tijd, waarschijnlijk in 1452, schilderde Fouquet dit schilderij. Wellicht was Sorel al dood toen Fouquet haar op deze manier als Maria afbeeldde. ‘Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen’ was oorspronkelijk onderdeel van een diptiek, het zogeheten diptiek van Melun. Op het andere schilderij, dat in Berlijn hangt, is de schatkistbewaarder van de koning, Etienne Chevalier, afgebeeld als de Heilige Stefanus. De diptiek werd in opdracht van koning Karel VII gemaakt om diens graf mee te sieren.

Het is al oprachtig vanwege het gebruik van rood en blauw voor de serafijnen en de cherubijnen, de details in de kroon en de troon (waarmee Fouquet aansloot bij de Vlaamse Primitieven), de nogal norse Jezus… Maar de vrouwfiguur maakt dit schilderij wat mij betreft monumentaal.

Maria wordt normaal gesproken altijd afgebeeld als moeder, als heilige, als koningin. Fouquet deed dat ook, maar hij beeldde haar ook, en vooral, af als vrouw. Hij heeft ervoor gezorgd dat zijn Madonna is uitgerust met de verschillende Middeleeuwse schoonheidsidealen, zoals een hoog voorhoofd, dunne lippen en ronde borsten.

Het ontbloten van de borst hoort bij de rol die Maria in het katholieke geloof heeft. Ze stemt er het kind Jezus mee tevreden, deze zal daardoor eerder geneigd zijn de ziel van de overleden opdrachtgever genadig te zijn. Daarnaast is het volgens mij, in dit schilderij althans, een erotisch gebaar. Ik vind het in dat opzicht een bijna provocatief schilderij, zeker voor die tijd. De witte huid, de zelfverzekerde gezichtsuitdrukking, de kracht van de kleuren, haar houding en vooral de manier waarop ze haar linkerborst ontbloot – het verschilt radicaal van de gangbare afbeeldingen van Maria uit die tijd.

Fouquet beeldde Maria uit als Agnès Sorel, en Agnès Sorel als Maria – en maakte beiden daarmee tegelijk aards en heilig, tegelijk moederlijk en erotisch. En het schilderij is tegelijk een rouwklacht en een smeekbede. In de werkelijkheid van het schilderij, kortom, valt de sterfelijke mens samen met het eeuwige, het goddelijke. Heeft de schilder de dood overwonnen.

(Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Meningen, meningen.

Monday, June 13th, 2011

Zondag (slot)

 

Je komt aan op het kleine perron, een paar minuten voordat de trein vertrekt. De zon staat laag, je kijkt uit over zee. Er drijft iets op de golven. Je staat er zwijgend naar te kijken, bewondert de esthetiek ervan. In de branding staat een vrouw met haar gezicht naar het water. Of kijkt ze naar jou? Je ziet door het tegenlicht alleen haar contouren. Een forens vertelt zijn reisgenoot over de ontvoering van een lijk, decennia geleden. ‘Er is leven na de dood,’ grijnst de ander. Even verderop begint iemand te zingen. Komt dat hier vandaan? Is het misschien de vrouw in de branding? Je vindt het mooi. Je denkt bij jezelf dat je het mooi vindt. ‘Niet omkijken,’ zegt de forens, bang dat het ophoudt. Het is gezang, het is niet echt. In de verte komt de trein aan. Je kijkt op de klok, het is inderdaad tijd.

 

(Edwin Fagel)

 

Edwin Fagel. Aanrakingen.

Tuesday, May 24th, 2011

Twin Brain (Tracey Emin)

Twin Brain (Tracey Emin)

Zaterdag

 

Toen ik begon klaar te komen keek je me recht aan. Het gordijn is half open, ik moet denken aan de fietser die me vanmorgen bijna aanreed. Het stoplicht sprong alweer op oranje. ‘Loop toch door man!’ had hij geroepen. Ik had niet bij mijn lichaam nagedacht. Het is nog steeds licht. Je zit over me heen gebogen, je vlecht hangt langs je wang. Ik voel met mijn vingertoppen aan je bezwete gezicht, je hals, je schouders (ik vind je niet), je borsten, je buik, je rug (ik vind je niet).

 

een liefde

 

op de drempel stond armenkruis je stem

en ik proef in huis je tranen in een vaas staan

 

ik bleef en passant aan de andere kant van de straat

er groette mij een hand en ik las dat het te laat was

 

vroeger vonden wij tegen het glas een vliegmachine

maar lachten bij elke barst achter onze zachte kieuwen

 

nu glijden wij gescheiden door azië en europa

en je zwijgen is van porselein en mijn hijgen een hamer

 

(lucebert, uit: apocrief/de analfabetische naam)

 

Twee keer per dag flos ik mijn gebit. Mijn handen zijn als klauwen. Ik heb een iets gebogen houding, ik haal zwaar adem, ik kwijl. Als een jong hert op zijn poten wankel je op je armen. De lakens zijn op de grond gevallen, de tram rijdt door de straat. Steeds, wil ik zeggen, heb ik het gevoel dat niet jij het bent die in mijn armen ligt – maar een ander. Je wenkbrauwen lijken in elkaar over te gaan als je fronst.

 

(Edwin Fagel)