Posts Tagged ‘Elisabeth Eybers’

Yves T’Sjoen. Over Roland Jooris en Elisabeth Eybers

Friday, August 8th, 2014

Sturende dichters in de achteruitkijkspiegel. Over Roland Jooris en Elisabeth Eybers

Velerlei strategische en marktgerichte overwegingen, bekommernissen die de zichtbaarheid van een dichterschap betreffen en poëticale opvattingen – de inschattingslijst is om evidente redenen allesbehalve exhaustief ─ kunnen ten grondslag liggen aan de presentatie van een oeuvre-in-opbouw. Indien de schrijver een bloemlezing uit de eigen poëzieproductie samenstelt, kan de uitgave de waarde hebben van of in ieder geval worden gelezen als een poëticaal statement. Indien actuele poëzieopvattingen moet worden scherp gesteld, wordt vanzelfsprekend overwegend uit recent werk gekozen (type Jooris). Mogelijk tracht de dichter als een curator van de eigen publieke ruimte of als geschiedschrijver van het literaire optreden de ontwikkeling van het schrijverschap afdoende in kaart te brengen (type Gerlach of Knibbe). Er zijn ook auteurs die op thematische of stilistische gronden een eigen keuze presenteren (type Snoek) of die veeleer anachronistisch en zelfs retrospectief van het meest recente naar het oudere werk aan de slag gaan (type Nooteboom).

Verzamelbundels en beeldconstructies

In de Nederlandstalige poëzie hebben schrijvers met uiteenlopende poëtica’s zelfbloemlezingen of auteursedities met verzamelde gedichten samengesteld, zoals (et j’en passe malheureusement beaucoup) Benno Barnard, J. Bernlef, Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Remco Campert, Hugo Claus, Herman de Coninck, Christine D’haen, Charles Ducal, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Peter Holvoet-Hanssen, Roland Jooris, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Rutger Kopland, Gerrit Komrij, Anton Korteweg, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens, Cees Nooteboom, K. Schippers, Miriam Van hee en Eddy van Vliet. De selectiecriteria voor de keuze zijn zoals gezegd divers te noemen. In alle gevallen gaat het over geautoriseerde tekstuitgaven: de schrijver stelt zelf samen en herschrijft, zorgt voor een nieuwe compositie, voegt woorden, regels en strofen toe of laat weg. Bekend is dat Nolens in de drie verzamelbundels die hij samenstelde, Hart tegen hart (1991), Laat alle deuren op een kier (2004) en Manieren van leven (2012), telkens de eerste bundels Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973) buiten beeld hield. Variantenstudie wijst uit dat vroeger werk in die verzamelingen opmerkelijk meer wijzigingen vertoont dan publicaties van recentere datum. In Hart tegen hart ondergingen alle titels tot De gedroomde figuur (1986) – Nolens’ doorbraak bij een breder publiek ─ emendaties, toevoegingen en herschrijvingen. Aandacht voor de vroege experimentele poëzie en Nolens’ betrokkenheid bij het tijdschrift Labris (1962-1973), zoals in Poëziekrant (2013/8), zal er volgens de dichter (in een e-mail aan ondergetekende) toe leiden dat binnen afzienbare tijd een verzameling met de (bewerkte) vroegste experimenten zal tot stand komen. Ook Gruwez, met de verzamelbundels Bandeloze gedichten (1996) en Garderobe (2010), heeft het debuut Stofzuigergedichten (1973) consequent buitengesloten. Ducal bracht in de verzamelde gedichten Alsof ik er haast ben (2012) minimale varianten aan maar deze tekstwijzigingen zijn niet zonder betekenis. Datzelfde geldt voor Gerlachs verzameling Het gedicht gebeurt nu (2010) en Hertmans’ Muziek voor de overtocht (2006).

Schrijvers kunnen naar eigen goeddunken en al dan niet op voorspraak van of in overleg met een uitgever, een redacteur, een criticus of een collega-dichter ouder tekstmateriaal onder handen nemen en op een variante wijze aanbieden aan het hedendaagse leespubliek. De verzamelde varianten – van gewijzigde titels, tekststructuur en bundelarchitectuur tot variante tekstregels, weglating of toevoeging van motto’s en opdrachten enzovoort – leveren boeiend tekstmateriaal voor poëtica-, stijl- en bijvoorbeeld ook compositieonderzoek.

Roland Jooris in retrospect

Roland Jooris

Roland Jooris (1936) heeft tot vandaag drie keer een keuze uit zijn literaire productie samengesteld: Gedichten 1958-78 (1978), de bloemlezing in de reeks Dichters van nu (nr. 9, 1997) en onlangs Sculpturen. Een keuze uit het werk (2014). In het inleidende essay van Carl de Strycker wordt verduidelijkt welke selectiegronden Jooris telkens weer in stelling brengt: “In Gedichten 1958-78 werd gekozen voor een actuele stand van zaken eerder dan voor een volledig beeld. Anders dan de titel doet vermoeden, bevat dit boek dus niet al de gedichten die Jooris tussen 1958 en 1978 schreef. Wel is het een doordachte keuze vanuit de opvattingen anno 1978” (2014: 6). De Strycker preciseert verder nog: “Geen verzameld werk dus en ook geen representatieve bloemlezing waarin wat algemeen beschouwd wordt als kenmerkend werk samengebracht wordt, maar wel een bundeling van die verzen die vanuit de huidige inzichten van de dichter overeind blijven” (2014: 6-7). Jooris heeft met behulp van een nieuwe zelfbloemlezing, met overwegend gedichten uit recente bundels en tien vooralsnog ongepubliceerde teksten, inderdaad een nieuw frame geconstrueerd. Door bepaalde accenten te leggen en latere gedichten naar het voorplan te schuiven kun je ook de vroege poëzie van deze schrijver vanuit dat perspectief anders gaan lezen. De Strycker toont overtuigend aan dat in de zogenaamde nieuw-realistische bundels Een konsumptief landschap (1969), Laarne (1971) en Het museum van de zomer (1974) “autonomie en abstractie” (2014: 8) al centraal stonden, dat ook toen het “ultieme doel [was] om de taal in haar loutere materialiteit te tonen, ontdaan van haar verwijzende functie” (p.12) en dat de dichter “de zoektocht van een dichter [verbeeldt] naar de onvermoede mogelijkheden van de taal” (2014: 15). De Strycker betoogt dat er, in tegenstelling tot de beeldvorming in de literatuurgeschiedschrijving, geen sprake kan zijn van een poëticaal breukmoment of een spectaculaire dichterlijke ontwikkeling maar dat veeleer moet worden gesproken over “een consequent dichterschap en een consistent oeuvre” (2014: 8).

Interessant aan deze casus is niet alleen dat de schrijver een autokritisch en sturend beeld construeert van het literaire werk en daarvoor stringente keuzes maakt zodat veel dichtwerk, ook de bekende of meest besproken en geciteerde gedichten in het oeuvre, buiten beeld blijft. Roland Jooris laat de lezer zien dat voor hem het gedicht een “talig construct” is, een grafisch ontwerp of een sculptuur, en de poëzie niets anders dan een verbeelde werkelijkheid creëert. De schrijver maakt zich op die manier helemaal los van het cliché van de nieuw-realistische dichter die louter wil registreren en de blik op de realiteit met behulp van het woord intensifieert. Sculpturen biedt de lezer van vandaag niets minder dan een leeswijzer aan, een gebruiksaanwijzing der poëzie, en stelt hem of haar in staat de hardnekkige clichébeelden te retoucheren en de gedichten, ook het werk van de jaren zestig en zeventig, nu anders te lezen.

Drukvergelijkend onderzoek dat ik de afgelopen jaren samen met studenten heb ondernomen, zoals in de context van een seminarie editiewetenschap, heeft bijgedragen tot onder meer een verfijnder poëticaonderzoek, inzicht in de ontwikkeling van een schrijversidioom, van de componeerpoëtica, stilistische en thematische verschuivingen.

Elisabeth Eybers en weerzin voor indiscretie

Elisabeth Eybers

Een soortgelijke studie kan worden opgezet voor Elisabeth Eybers (1915-2007) en zonder twijfel méér Zuid-Afrikaanse schrijvers. Dezer dagen herlees ik de Versamelde gedigte (1990, 1995 en 2004). Achter in de fraaie uitgave van 1995, verschenen naar aanleiding van haar tachtigste verjaardag, liet de schrijfster de volgende verantwoording opnemen:

Hierdie versamelbundel bevat die gedigte wat ek tussen my sewentiende en agt-en-sewentigste jaar geskrywe het, met die volgende uitsonderings: veertig van die ses-en-veertig verse uit my eerste bundel wat in 1936 verskyn het en uiteraard uit onervare jeugwerk bestaan, ’n stuk of tien gedigte uit die drie daaropvolgende bundels, asook één vers uit die werk wat ontstaan het nà my landverhuising in 1961. Die afgekeurde verse lyk my by nader insien op namaak, in die laasgenoemde geval wél eg maar indiskreet. (1995: 653)

Hoewel ook de Versamelde gedigte (G.A. van Oorschot, Amsterdam 1957) maar zes gedichten uit het debuut bevat, wordt de keuze pas voor het eerst geëxpliciteerd in een uitgeversnoot van Gedigte 1936-1958 (Tafelberg, Kaapstad 1978): “By die samestelling van Gedigte 1936-1958 is in oorleg met die digteres besluit om net ses gedigte uit Belydenis in die Skemering op te neem”. In de latere vermeerderde drukken in de fondsen van Human & Rousseau, Tafelberg Uitgewers en Querido is Eybers’ toelichting steeds opgenomen.

Deze auteursuitspraak doet me denken aan Herman de Coninck en diens verwerping van de leeseditie met alle gedichten van Hans Lodeizen. De Coninck sprak over de uitgekieperde prullenmand van de door hem bewonderde dichter Lodeizen. Opname van door de schrijver verworpen gedichten doet afbreuk aan het beeld dat De Coninck zich van zijn geadoreerde dichter heeft gevormd. Ook Eybers zou opname van de meeste gedichten in Belydenis in die skemering (1936), op zes teksten na, als “indiskreet” beschouwen. Of in een parafrase van de verantwoording die Nolens in elk van zijn verzamelbundels laat opnemen: toen had zij misschien naar later inzicht  wel al woorden maar nog geen taal. Het tekstvergelijkende onderzoek kan een aanvang nemen.

Bronnen

Elisabeth Eybers, Versamelde gedigte. Human & Rousseau/Tafelberg, Kaapstad 1995.

Roland Jooris, Sculpturen. Een keuze uit het werk. Carl de Strycker (inleiding), [Roland Jooris en] Bart van der Straeten (samenstelling). Poëziecentrum, Gent 2014.

Wicus Luwes. In beheer van die verkeer

Sunday, August 3rd, 2014

Die eerste beweging: Eerste rat

Die verkeer het ‘n persoonlikhied van sy eie. Dit het ritme, pouses en plekke om stil te hou. Ek dink dit klink soos ‘n konsertina wanneer dit by verkeerligte saampers en dan ooptrek soos wat almal dink dat hul een minuut vinniger by hul bestemming kan uitkom. Ek sal nie verbaas wees as daar iewers in die wêreld ‘n televisie-kanaal is wat net die hele dag verkeer wys nie. Die kanaal sal goed werk saam met die stasie wat ‘n kaggel vertoon wat nooit ophou brand nie. Die regisseur van die stasie kan ‘Verkeersman’ of ‘Vuurvreter’ as moontlike alternatiewe titels weergee op sy besigheidskaartjie. Hy loop egter die gevaar dat hy sou voel dat hy moontlik in beheer van die verkeer is, want niemand is werklik in beheer van die verkeer nie.

“Let’s have a moment of silence for all those Americans who are stuck in
traffic on their way to the gym to ride the stationary bicycle.”
– Earl Blumenauer

Karma & Eksistensiële Verkeer

Vir een of ander rede is al die verkeersligte rooi as ek die dag laat is.
Netso is al die ligte groen as ek betyds of vroeg wegtrek.
Dit voel dus of ek my eie verkeer kan skep.

Ek kan mense inlaat in my baan en tot tien tel as iemand my ‘afsny’ of sy neus in my baan druk. Die passasiers is gewoonlik eerste om uit te wys dat die ander baan vinniger beweeg as die een waarin ons onsself nou bevind. As jy ‘n pad daagliks ry, begin jy later agterkom wanneer jy na ‘n sekere baan moet beweeg. Dis ‘n fyn speletjie tussen spoed en tydsberekening. ‘n Verhaal wat aan Fanus Rautenbach toegedig word, kom by my op: Hy vertel dat jy eendag van Pretoria na Johannesburg toe ry. Hy sien die motor langs hom se flikkerlig flikker en hy maak plek sodat die persoon in kan kom alhoewel hy een karlengte terugskuif in die verkeer. Soos wat hy aanhou ry gee hy plek vir meer en meer mense en voordat hy hom kon kry is hy terug in Pretoria. Ek kan byna sy stem hoor terwyl hy dit vertel.

‘I Know a Man’ deur Robert Creeley het vele vlakke waarin dit jou gedagtes laat parkeer. Een van die vlakke gaan oor die kortsigtige besluite en langtermyn  uitwerking daarvan. Die vraag word gestel of jy met die verkeer praat en of die verkeer moontlik met jou praat.

I Know a Man
deur Robert Creeley

As I sd to my
friend, because I am
always talking,—John, I

sd, which was not his
name, the darkness sur-
rounds us, what

can we do against
it, or else, shall we &
why not, buy a goddamn big car,

drive, he sd, for
christ’s sake, look
out where yr going.

Uit: Selected Poems of Robert Creeley; 1991; University of California Press

Stadig by die stopstraat-feit  #1: 65% van die wêreld-populasie bestuur aan die regterkant van die pad – (http://en.wikipedia.org/wiki/Right-_and_left-hand_traffic)

 

Die Pad

Ek ken ‘n man wat, net vir die grap, afdraai op plekkke waar die GPS-stem nie gesê het om af te draai nie. Jou eie pad. ‘n Moderne vorm van rebellie as die GPS-stem verward uitroep: ‘Recalculating’ of as die stem nou genoeg gehad het van die speletjie en sê: ‘Follow the course of road’.

Dis seker belangrik om jou eie stel spore uit te ry of uit te trap tussen ander. Dis veiliger om in die vorige spore te ry, maar die enigste manier om nuwe paaie te ontdek is om somtyds die rigting te volg wat nog nie voorheen gery is nie. Daar is paaie wat spoed toelaat en paaie waar krag nodig is en somtyds moet jy natuurlik ‘n stukkie pad van jou eie maak. Dit hoef nie op ‘n kaart aangedui te wees nie, maar solank jy weet waar om af te draai, is ‘n pad mos ‘n pad. As die beiteltjie nie jou padmaak-implement van voorkeur is nie, is daar altyd nog die lugdrukboor. Vreemd genoeg sluit baie van die paaie tog by mekaar aan en eie aan ons groepdier-instink ry ‘n stoet motors makliker agter die voorste een aan as om hul eie roete te volg.

Die pad
deur Elisabeth Eybers

Die pad kronkel fouteloos verder, alles moet lei
tot ontmaskering van ‘n ontsaglike misverstand…
Verdink nie die wandelaar van nodelose sloerdery want
die laaste ontluisterende skuifelgang hoort ook daarby.
Die geïmproviseerde slotnommer word samegeflans
uit raapsels herinnering, klankflarde, ‘n kruppel kadans,
maar die uitkoms is suiwer, vroeër of later beland
iedereen in die vereffening, eendag ook jý.
Al weet jou meedobberende kop beswaarlik nog wat
sy knik wil bevestig, jou voete betwis nie die pad.

Uit: Teëspraak; 1991; Human & Rousseau

 

Padtekens en Tekens langs die pad

Ek onthou goed toe ek die dag my K53-leerlinglisensie geskryf het. Daar was ‘n prentjie van ‘n ‘RY/GO’-padteken en die vraag was: “Watter padteken sal aan die agterkant van hierdie teken wees. Eers wonder ek of hulle dink ‘n mens is met die spreekwoordelike helm (of ‘helmet’ ter wille van die tema) gebore, maar toe ek weer daaroor dink, maak dit vir my sin. Daar sal ‘n STOP-teken agterop wees! Party padtekens het ook dinge agterop, maar dit het nie veel met die wette van die pad te doen nie. Dit gee meer inligting van wat in jou omgewing aangaan. Sien foto’s:

Stadig by die stopstraat-feit #2:  Jou kans om in ‘n motorongeluk betrokke te wees is 23 keer hoër as jy selfoon-boodskappe stuur terwyl jy bestuur. – http://www.arrivealive.co.za/Texting-and-Distracted-Driving

 

 

Stadig by die stopstraat-feit #3: Australië se snelweg 1 is die langste nasionale snelweg in die wêreld en is 14500km lank. Die N2 is SA se langste genommerde roete – 2255km (http://en.wikipedia.org/wiki/Highway & http://en.wikipedia.org/wiki/N2_road_%28South_Africa%29)

 

 

Die motor / das Auto / der Wagen

“sê, byvoorbeeld, elke iets
van ‘n motor tot ‘n fiets,
perdekar of ossewa,
ryperd wat sy ruiter dra –
alles waarop mense ry,
kom onsigbaar hier verby”
– uit ‘Sê nou’ van AG Visser –  (http://www.woorde.co.za/Digters/A.G._Visser.html)

Die Duitsers weet dat ‘n motor persoonlikheid het en dat jy vroulike en manlike motors kry. Die Volla, Herbie, is’n bekende uit die Hollywood stal, maar wie sal Stephen King se Christine kan vergeet? As die motor stotter in die koue weer, word daar maklik met die motor gepraat asof dit verstaan. Ek neem aan dat ‘n motor wat dikwels ‘backfire’ nie ‘n vroulike naam mag hê nie. Toe my Ouma haar tweede man vra of sy snork, was sy diplomatiese antwoord: “It’s a very ladylike snore.” Dis moontlik dat die ouerige studente-motor dalk ‘n naam kan hê, want streng gesproke is die motor ouer as die een wat daarin ry.

Uittreksel uit Platteland-fantasie
deur Loftus Marais

“ons klim in my chico en ry die platteland tegemoet
‘dis onmoontlik om die platteland tegemoet te ry’ sê jy
‘dis altyd daar, of skielik oral, en nes dag of nag
begin dit nie op ‘n gegewe  moment nie’ maar ek en jy
ry ‘n ou moederlike droë-pram platteland tegemoet”

Uit: ‘Staan in die algemeen nader aan vensters’; 2008; Tafelberg-uitgewers

 

Publieke vervoer

My ervaring met betrekking tot publieke vervoer is meestal beperk tot busse – skoolbusse, Greyhound-busse en toerbusse. Ek maak nie daarvan gebruik op ‘n daaglikse basis nie, maar sou graag wou. Daar is groot stede waar ‘n mens die publieke vervoerstelsel met gemoedsrus kan gebruik. Dinge soos die Gautrein is definitief ‘n stap in die regte rigting. Die minibus-taxi het die potensiaal om soveel probleme op te los, maar die konsep van kompetisie en konflik-oplossing is ‘n groot probleem vir die bedryf. Jy skiet eenvoudig die kompetisie om jou roete skoon te hou. Minibus-taxis probeer hul hand aan versiering deur hul taxi’s vol plakkers te plak. In een van die dorpies waar ek skoolgegaan het, het ‘n minibus-taxi rondgery met die volgende plakker in die ruit: ‘..friends are few’.

Dit het my so gepla (miskien pla dit my steeds). Ek wonder steeds of daar ‘n ander taxi rondry met die ‘When days are dark’ gedeelte. As ek daardie taxi sou kry, sal dit seker gaan soos met die hond wat die wiel jaag – as hy dit eers gekry het, sal hy nie weet wat om met die wiel te maak nie. Ek dink ek sal beter voel.

Foeta Krige en Barend la Grange van RSG is huidiglik besig om deur middel van publieke vervoer te probeer om Afrika oor te steek. Hul reis is van Kaap Agulhas tot by Ras ben Sakka. (Volg hulle by https://www.facebook.com/bigtrek) Ek dink al meer daaroor hoe lekker dit sal wees om Afrika te deurkruis op die manier. Veral met die huidige vrees rondom vliegtuie. Mense is al met ekspedisies deur Afrika, Riaan Manser is met sy fiets om Afrika en as ‘n mens ‘n sekere grassnyer se advertensie kon glo, is Livingstone en Stanley met grassnyers deur Afrika. Ek sien uit na die RSG-reisigers se verhale as hul eers weer op eie bodem is en moet sê dat dit heelwat meer diepte behoort te hê as stories wat geskryf is deur net Facebook of Twitter dop te hou. Miskien is dit tyd vir politici om van publieke vervoer gebruik te maak om beter te besef wat nodig is.

 

Rit in akwarel
deur Sheila Cussons

‘n Dag van wind en waaiende blare
en reën:
Boland, Boland, hoe herfs is jy mooi.
En ons haal sommer ses silinders
deur die jaende, jaende reën,
beskut in ‘n huisie op wiele
in die wye wiel van die reën.
Simonsberg en die Pieke en anderkant
berge verder
met tussenin sulke pienke
soos vonkeldons op Protea,
en die rysige bergkantele al die verruklike
gryse…
En ek word ‘n kwas en ek plas
‘n joelende spoel van kleure
deur al my sinskanale in my ingehoue stilsit,
gretig na vogtige papier.
My oë weet nie waarnatoe nie
en net die stuurwiel tussen jou hande
keer dat ek jou nie frommelmeng nie
in een ekstase van verf –
Hoe beter as goed is dit: dié spoel
uit al die sukkel en vassit – rý! –
net kleur, meer kleur, meer kleur tegemoet
deur babbel en blare en wind en reën.

Uit: Membraan (1984) – (1e Uitgawe; 1984; Tafelberg) -Sheila Cussons

Stadig by die stopstraat-feit #4: Die langste verkeersknoop in die geskiedenis word deur baie erken as Sjina se Nasionale Snelweg 110-verkeersknoop. Dit het op 14 Aug 2010 ‘begin’ en het vir meer as 10 dae geduur. Op party dele het motors so min as 1km per dag beweeg. (http://en.wikipedia.org/wiki/China_National_Highway_110_traffic_jam)

Die laaste beweging: Van Trurat en Spietkops

Om ‘n storie in diepte te interpreteer is dit nodig om vorentoe en agtertoe te lees. ‘n Motorkar se trurat help om terug te beweeg as jy by iets verbygery het, as jy te ver gery het en as die spasie waarin jy jou bevind dit moeilik maak om om te draai. Trurat word nie altyd net gebruik om terug te gaan op jou spoor nie, maar kan ook ‘n alternatiewe manier bied om ‘n pad te verken.
Ek wonder wat sal gebeur as jy een van die belangrikste werke in die Afrikaanse letterkunde agteruit sou lees. As jy dit vanuit die tru-spieël besigtig en miskien nuwe betekenis daarby inlees om dit nuut te maak en moontlik alternatiewe betekenisse daaraan te gee.

As ‘n mens Etienne Leroux se Sewe Dae slot-paragraaf in die milieu van die verkeer sou oorskryf kan dit moontlik so klink:
Veronderstel jy is alleen op die grootpad. Jy lig jou hand om die ligskakelaar aan te skakel. Jy is bang, maar jy vertrou jou kennis van die verkeer. Jy dobbel met die verkeer. In die uniform van ‘n verkeersman volg jy die verkeer, jy lig jou hand van die stuurwiel af, en met volkome vertroue wag jy op die oomblik om die sein te sien wat jou laat voel jy is onder beheer van die verkeer.

Ek sien nie my herskrywe as iets wat nuwe lig op die interpretasie sou kon gee nie, maar dit laat my as leek anders kyk na ‘n boek wat ek beter sou wou verstaan. Ek sien egter dat mense dekades later steeds wonder waarheen Oom Stephen se spore hulle moes lei – http://versindaba.co.za/2011/06/22/amanda-lourens-swart-jan-en-salome/
Hoe sou jou tweede en derde en vierde lees van die boek wees in die lig van die slotparagraaf? Dit is miskien wel die slotparagraaf wat die meeste mense in trurat sit om weer die pad saam met Oom Stephen te laat loop.

In Magersfontein, o Magersfontein kom die verkeer-tema meer duidelik na vore en om so gereeld terug te kyk, maak ‘n mens se nek seer.
Ek wonder of die mense wat die hele tyd in trurat ry
weer hul lewens terug sal kry?

“Soos alle speed-cops is Le Grange eintlik ’n filosoof. Wanneer hy ’n stoet van sewe motors teen ’n rasende vaart in die rigting van Modderfontein sien slinger, besef hy weer eens die lewe is absurd – dis eers ’n Griekse, tragiese konsep.

Maar dan sê die moderne mens NEE! teen die onafwendbaarheid van die noodlot. Dit is hierdie laaste gedagte wat Le Grange dwing om voor die optog in te swaai, en die stoet met flikkerende ligte veilig na hul bestemming te begelei. Een keer verloor hy amper die stoet, maar dan antisipeer hy die kollektiewe behoefte van die groep en kom tot stilstand voor die yslike kennisgewing MAGERSFONTEIN.”

“Waar trollies gaan as dit tyd is om te sterf”

Foto-bronne:
1. Minibus-taxi: http://www.mycitybynight.co.za/wp-content/uploads/2013/02/toyota_bad_2_the_bone_dc06.jpg

 

Yves T’Sjoen. Oor Elisabeth Eybers en Jan van Nijlen

Wednesday, July 23rd, 2014

“fluwelig vloog een uil voorbij”. Elisabeth Eybers en Jan van Nijlen

Voor de opstellenbundel Over de grens van de tijd (1997) beschrijft Pierre H. Dubois in een biografisch-anekdotische bijdrage ‘[d]e literaire familie van Jan van Nijlen’. Jan Greshoff, in 1939 Nederlands immigrant in Zuid-Afrika, krijgt in die kroniek een hoofdrol toebedeeld. Elisabeth Eybers behoort ook tot de literaire genealogie van Van Nijlen. Al was het maar voor het gedicht ‘In die Domkerk’, opgedragen aan Jan van Nijlen en opgenomen in de openingsafdeling ‘Gedigte’ van de bundel Neerslag (1958). Mogelijk door bemiddeling van Greshoff, maar zeker door toedoen van de Amsterdamse uitgever Geert van Oorschot, kwamen Jan van Nijlen en Elisabeth Eybers in de loop van 1958 in contact met elkaar.

In Zuurvrij. Berichten van het Letterenhuis, het ledenblad van het gelijknamige instituut in Antwerpen, verschijnt vanaf de eerste aflevering de rubriek ‘Friends Abroad’. Ter gelegenheid van de zilveren jubileumaflevering in 2013 organiseerde het Letterenhuis vanaf 12 april tot 29 juni 2014 de expositie ‘Verre vrienden. Brieven van buitenlandse schrijvers’. In vitrinekasten zijn de voorbije maanden de brieven van buitenlandse en Vlaamse schrijvers, componisten en beeldende kunstenaars geëxposeerd die het internationale netwerk van auteurs zoals Victor Brunclair, Gust Gils, Herman de Coninck en Hugo Raes documenteren.

In aflevering 24 van Zuurvrij publiceerde Jan Robert een documentaire bijdrage over de correspondentie tussen Eybers en Van Nijlen, meer bepaald naar aanleiding van de vier brieven van Eybers die zich in de literaire nalatenschap van Van Nijlen bevinden. Mijn aandacht is vandaag weer gevestigd op de briefwisseling dankzij een tekst van Diane ’s Heeren in Zuurvrij 26 (juni 2014). Terugblikkend op de expositie in het Letterenhuis merkt ’s Heeren op dat de tentoongestelde brieven van Eybers “iets [laten] zien van het verlangen naar verwantschap en contact met het verre Europa”. Naar aanleiding van deze retrospectie las ik de tekst van Jan Robert opnieuw. Onder de titel ‘Die late maar tog tydige kennismaking van Elisabeth Eybers met die digter Jan van Nijlen’ worden de brieven geciteerd en van commentaar voorzien die tussen 16 juni 1958 en 26 mei 1959 tussen de Zuid-Afrikaanse dichteres en de Vlaamse schrijver zijn gewisseld.

Uitgeverij G.A. van Oorschot gaf in 1957 een eerste editie uit van Eybers’ Versamelde gedigte. Van Nijlen liet de Nederlandse uitgever Geert van Oorschot weten dat met Eybers’ verzameluitgave “een prachtboek” was verschenen van een schrijfster die “met dat Afrikaans [wonderen doet]” (het citaat is overgenomen uit Ena Jansens’ boek Afstand en verbintenis. Elisabeth Eybers in Amsterdam, 1998). Ook omgekeerd sprak Eybers zich in lovende bewoordingen uit over Van Nijlens poëzie die in een door Clem Bittremieux samengestelde auteurseditie was verschenen.

Eybers’ eerste kennismaking met de gedichten van Jan van Nijlen kan worden gedateerd in mei-juni 1958, toen de Zuid-Afrikaanse schrijfster een reis ondernam in Duitsland, Oostenrijk, Italië en Frankrijk. Jan Robert noteert dat de vroegst gedateerde brief, 16 juni 1958, enkele weken na een eerste of zelfs enige ontmoeting tussen beide schrijvers in aanwezigheid van beider uitgever plaatsvond. Eybers las in het voorjaar van 1958 blijkbaar ’s avonds voor het slapengaan telkens een tweetal gedichten van Van Nijlen, in een boekuitgave die ze van Van Oorschot te leen had gekregen, en ze was naar eigen zeggen danig onder de indruk. Van Nijlen had net tevoren zijn laatste dichtbundel Te laat voor deze wereld (1957) uitgegeven en in een brief de dato 26 mei 1959 noemt Eybers met name Van Nijlens ‘Twee minuten lente’ (uit De slaapwandelaar, 1948) het gedicht “wat ek telkens met diep ontroering herlees”.

Letterenhuis-medewerker Jan Robert, die de correspondentie uitstekend becommentarieert, wijst er op dat Eybers tijdens haar lectuur aan het eind van de jaren vijftig van de verzamelbundel een gedicht voor Van Nijlen heeft geconcipieerd. Vanuit Johannesburg stuurde zij het typoscript met de titel ‘In die domkerk (vir Jan van Nijlen)’ naar de Brusselse auteur. In diezelfde brief beklemtoonde zij dat Van Nijlens poëzie in de jaren vijftig “’n proses van ‘verjonging’ uit innerlike noodsaak” doormaakte (brief dd. 4 september 1958). Eybers onderstreepte in een volgende brief (dd. 26 mei 1959) dat het enthousiasme van en de vriendschap met Van Oorschot haar weer aan het schrijven brachten en dat zij zich distantieerde van de officiële literatuur van Zuid-Afrika. In datzelfde schrijven vroeg zij Van Nijlen om een gekalligrafeerde versie van ‘Twee minuten lente’. Zijzelf voegde twee typoscripten toe aan de brief die de gedichten ‘Oorsig’ en ‘Briewebesteller’ bevat en later zijn gebundeld in Balans (1962). Het eerste gedicht zou na voordracht door Geert van Ooschot Van Nijlens uitgesproken voorkeur hebben genoten.

Het is Jan Robert bij gebrek aan voldoende documentair materiaal onduidelijk of na Eybers’ echtscheiding en haar migratie naar Amsterdam nog een volgende ontmoeting met de bejaarde Vlaamse dichter plaatsvond. Van Nijlen was in 1961 zevenenzeventig, Eybers zesenveertig. Pas eind jaren vijftig, naar Eybers’ zeggen door toedoen van Van Oorschot, heeft zij zich resoluter op haar schrijverschap gericht en niet langer op haar “lewe as huisvrou en sakenmansvrou”. Het is precies in deze cruciale periode dat Elisabeth Eybers haar liefde voor Van Nijlens werk heeft uitgesproken.

Zoals zij al schreef in de eerste brief, juni 1958, was de lectuur van Van Nijlens poëzie “’n heerlike ervaring, wat gelukkig nog lank zal voortduur”. Eybers’ poëziedebuut Belydenis in die skemering (1936) is de expressie van een neoklassieke poëtica en dus van een vormbewustzijn. Motieven als vergankelijkheid, verlangen en melancholie zijn karakteristiek voor haar (eerste) bundels. In dat opzicht zie ik een raakvlak met Van Nijlens oeuvre dat in de periode van de briefwisseling (1958-1959) nagenoeg zijn voltooiing bereikte. Het verdient hoe dan ook aanbeveling de poëticale raakvlakken tussen de jonge Zuid-Afrikaanse auteur en de neoclassicistische schrijver Van Nijlen van dichterbij te bekijken. Jan Roberts verzamelde archivalia zijn de uitgelezen basis voor een diepgravender poëticale lezing van ‘Twee minuten lente’ en ‘In die Domkerk’. Bij uitbreiding geldt dat voor méér werk van beide dichters.

Twee minuten lente

Ik wist niet dat de maan hier scheen

boven de naakte beukebomen

in de eerste dagen van april.

Nooit is een voorjaar zo gekomen,

zo plotseling, zo fel, zo pril:

er waarden ongekende geuren,

de kruin der bomen wiegde zacht,

de struiken, in den vroegen nacht,

kregen een schijn van kleuren.

Het duurde slechts een paar minuten,

fluwelig vloog een uil voorbij,

een wind stak op, de regen viel

en al de voorjaarsattributen

lagen verregend in de klei.

Toen zag ik dat nog lichten brandden

aan vele vensters in de stad,

ik dacht: ik heb dit jaar mijn deel

aan zuiverheid en jeugd gehad,

maar twee minuten is niet veel.

(De slaapwandelaar, in Verzamelde gedichten, 1964, p. 324).

In die Domkerk

(vir Jan van Nijlen)

’n Somber vrou omhels die smal biegkraam

selfkruisigend op soek na sielerus

en bo haar hoof brand heerlik, ongeblus

ná driekwartduisend jaar, die kleureraam.

Vergeef my onbegrip, ook ek is vrou

en glo die kunstenaar, nie die priester, het

iets uit die paradys vir my gered:

elkeen bly aan haar eie nood getrou.

(Neerslag, in Versamelde gedigte, 1995, p. 181).

Geraadpleegde bron: Jan Robert, ‘Die late maar tog tydige kennismaking van Elisabeth Eybers met die digter Jan van Nijlen’, in Zuurvrij. Berichten uit het Letterenhuis 24, juni 2013, p. 98-105.

Alfred Schaffer. Inleiding by Elisabeth Eybers se ‘My radarhart laat niks ontglip’

Tuesday, June 4th, 2013

Elisabeth Eybers: My radarhart laat niks ontglip.

Gekozen en ingeleid door Alfred Schaffer

In 2012 konden Afrikaanse poëzielezers stemmen op hun fa­voriete Afrikaanse gedichten. Een van de Afrikaanstalige kran­ten had samen met de omroep Radio Sonder Grense (rsg) en ‘Leserskring’ een website gemaakt, waar gestemd kon wor­den. Veel lezers gaven aan de oproep gehoor. De meeste deel­nemers waren middelbare tot oudere lezers, de groep die op de middelbare school nog met talloze romans en gedichten grootgebracht was, in het pre-digitale tijdperk.

Hoe representatief de uitslag was, is niet goed te zeggen. Maar alle bekende namen uit de canon van de Afrikaanse poë­zie zaten bij de favorieten: A.G. Visser, Totius, Eugène Marais, D.J. Opperman, C. Louis Leipoldt, N.P. van Wyk Louw, Ingrid Jonker, Adam Small, Antjie Krog, Breyten Breytenbach. En Elisabeth Eybers. Niet alleen staat zij (uiteraard) met ge­dichten in de lijst van ‘Die 100 gewildste Afrikaanse gedigte’, ze voert die lijst tevens aan met de meeste gedichten van alle­maal: 8, om precies te zijn. ‘Verhaal’, ‘Wespark’, ‘Maria’, ‘Herin­nering’, ‘Eerste liefde’, ‘Die eerste nag’, ‘Die geskenk’ en ‘Busrit in die aand’.

Ik heb heel bewust niet naar die lijst gekeken tijdens het maken van mijn eigen keuze, maar toen ik mijn selectie een­maal rond had, sloeg ik direct aan het vergelijken. Het viel te­gen: met het Afrikaanse lezerspubliek heb ik alleen ‘Busrit in die aand’ gemeen, uit de bundel Die stil avontuur (1939). Ik bladerde weer door het verzameld werk, en zag dat de Afri­kaanse lezers bijna uitsluitend hebben gekozen voor het vroe­ge werk, soms zelfs jeugdwerk: ‘Maria’ uit de bundel Belyde­nis in die skemering (1936); ‘Die eerste nag’ en ‘Die geskenk’ uit Die stil avontuur; ‘Herinnering’ uit Die vrou en ander verse (1945); ‘Verhaal’ uit Die ander dors (1946); ‘Wespark’ uit Die helder halfjaar (1956). ‘Eerste liefde’ is niet eens opgenomen in mijn exemplaar van Versamelde gedigte (2004), een erg vroeg gedicht.

Achter in Versamelde gedigte schrijft Eybers: ‘Hierdie versa­melbundel bevat die gedigte wat ek tussen my sewentiende en drie-en-tagtigste jaar geskrywe het, met die volgende uitsonderings: veertig van die ses-en-veertig verse uit my eerste bundel wat in 1936 verskyn het en uiteraard uit onervare jeug­werk bestaan, ’n stuk of tien gedigte uit die drie daaropvolgen­de bundels, asook één vers uit die werk wat ontstaan het ná my landverhuising in 1961. Die afgekeurde verse lyk my by nader insien op namaak of maakwerk, in die laasgenoemde geval wél eg maar indiskreet.’

Een veelzeggende tekst, in al zijn beknoptheid.

Je kunt gerust stellen dat Eybers een strenge veelschrijver was. Iemand die aan het einde van haar leven rond de 1000 pa­gina’s poëzie had gepubliceerd, en uitsluitend poëzie, maar die niettemin haar eigen meest nauwgezette critica was. Iemand die haar werk met een streng oog las en herlas, en in gesprek wilde en moest blijven met haar werk – sprak het haar niet meer aan (‘namaak of maakwerk’), dan werd het afgestoten.

Ook valt uit het voorafgaande op te maken dat het (veelal oudere) Afrikaanse leespubliek koos voor gedichten waar ze op jonge leeftijd mee in aanraking kwam. In haar vroege gedichten is de toon van later al herkenbaar – het klassieke ritme, het soepele rijm – maar haar taal is hier en daar nog wat sen­timenteel. Dat is bijvoorbeeld goed af te lezen aan het al genoemde gedicht ‘Eerste liefde’:

 

Ons liefde het gesterf met die oggendstond,

en ons het haar begrawe, bleek en stom;

teer lentegras en geurige voorjaarsgrond

bedek haar, sonder smuk van krans of blom.

 

Onthou jy haar?… Sy was so tingerig-fyn,

met vingers slank en lig, haar stem was sag,

en haar blou wonder-oë vreemd en rein.

Haar dood was vreedsaam, sonder rougeklag.

 

Ek mag nie om haar ween: haar stil vertrek

was beter as ’n kwynende bestaan

– maar, ag, ek wonder of jy ooit, soos ek,

’n oomblik by haar graf in mym’ring staan…

 

De liefde gepersonifieerd. Een beetje weemoedig, een tikje tristesse. Ouderwets, als je het tenminste met later en voldra­gen werk vergelijkt.

Enkele bekende Afrikaanse dichters en literatoren werd ge­vraagd commentaar te leveren op de selectie van 100 favorie­te gedichten. Dichteres Antjie Krog merkte op: ‘Een interes­sante lijst, waar je vooral één ding uit kunt afleiden: de grote rol die voorgeschreven gedichten op school hebben gespeeld in het beeld dat mijn generatie (en vorige generaties) hebben ontwikkeld van de Afrikaanse poëzieschat.’ Dichter en verta­ler Daniel Hugo zei: ‘De poëziesmaak van Afrikaanse lezers wordt volledig bepaald door schoolbloemlezingen. En die “schoolgedichten” zijn óf voldoende om een leven lang de be­hoefte aan poëzie te bevredigen óf zijn niet prikkelend genoeg om lezers tot verder lezen aan te sporen.’

Veel poëzie die je in je jeugd leest, of op jonge leeftijd, blijft je bij. De eerste keer dat ik ‘Jachtopziener’ las van Achterberg, ‘Derde Heldenzang’ van Gerrit Kouwenaar, en iets later ‘At North Farm’ van John Ashbery, ‘Tweede man’ van Nachoem Wijnberg – de leessensaties kan ik nog steeds navoelen. Ey­bers is altijd een dichteres geweest die dicht bij huis dichtte – het is te zien aan de door het Afrikaanse publiek gekozen ge­dichten: een dichteres die je van jongs af aan zou kunnen koes­teren. Eybers schreef van meet af aan met een uitzonderlijk beeldend en retorisch vermogen over liefde, moederschap, de dood, huwelijksproblemen. Of over de belastingcontroleur, of een slechte kritiek in de krant. Alles wat haar voor de voeten liep, wat haar overkwam en wat ze beleefde, kon stof zijn voor een gedicht. Behalve politiek: tussen de regels door neemt ze heus wel stelling hier en daar, zoals in ‘Regspraak (by die dood van Steve Biko)’, ‘Nolens volens’ en ‘Kontrasfoto’, alle drie uit Bestand (1982), maar voor politieke verzen moet je niet bij Ey­bers zijn.

Het geloof was (uiteraard) wel een onderwerp voor deze Afrikaanse dichteres, die opgroeide in een gelovig en intellec­tueel Afrikaans milieu.

Het volmaakte vers ‘Jong seun’, dat niet in de lijst van 100 populairste Afrikaanse gedichten voorkomt, moet mijn eer­ste, ‘late’ kennismaking zijn geweest met de poëzie van Eybers. Ik las het in het kader van mijn proefschrift en ik was onmid­dellijk gegrepen door de uitgebeende, glasheldere taal, en het tragische beeld dat uit die taal oprijst, zonder enig sentiment en daardoor juist zo aangrijpend. Het motto van D.H. Law­rence (‘Why were we crucified into sex? / Why were we not left rounded off, / and finished in ourselves?’) legt een waas van lichte melancholie over het gedicht. Het gedicht zelf vond ik bij eerste lezing vooral ‘wijs’: wat kijkt het goed, wat weet het veel, ook van de onafwendbare toekomst waarin deze ado­lescent een volwassen man zal zijn geworden:

 

Tog, onvolkome afgerond,

hoe sal die lewe hom nog wond:

 

in sy Achilleskern vind

hy geen beskutting – man of kind:

 

geheg aan die benedebuik

waar blink haarrankies reeds ontluik,

 

deuraar, teer soos ’n ooglid, sag

soos murg, hang weerloos die geslag.

 

Typisch voor Eybers, dit gedicht zonder een zweem van ero­tiek of pornografie. Lang dacht ik dat hier een moeder aan het woord was, maar misschien is de blik in dit gedicht daarvoor wel te genadeloos, te afstandelijk, al beschouw ik Eybers’ ge­dichten grotendeels als zeer persoonlijk en autobiografisch. Het beeld van de jonge man is volledig geobjectiveerd, het staat voor iets groters en is tegelijkertijd probleemloos als letterlijk beeld te aanschouwen. Niet voor niets is ‘As jy koel daaroor nadink’ een titel van een van haar gedichten.

 

Ik moet steeds vaker denken aan dat schitterende gedicht ‘Dichter’, van Hugo Claus:

 

Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken

Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.

 

En nog zo’n veelzeggende passage:

 

En voordat de dichters, loze winterappels

Door de plukkers als ondermaats versmaad

Uiteindelijk ook vallen in november

Willen zij voor eeuwig voor de buren verstaanbaar

Vallen. In melkboerentaal, als ooft natuurlijk beurs.

 

Ja, ik voel me aangesproken. Poëzie als die van Eybers had ik waarschijnlijk niet eerder kunnen ontdekken, ik was er nog niet klaar voor, het moest nog gek, anders, haperend, fragmen­tarisch. De poëzie van Eybers is klassiek zonder kenmerkende vorm -of taalspelletjes, zonder foefjes, speels maar streng, toe­gankelijk, begrijpelijk, mildironisch, doodernstig en goudeer­lijk; alles waar je als jonge dichter nog wars van kunt zijn. Tja.

Sinds ik zelf min of meer definitief (maar wat is definitief) een nieuw moederland gekozen heb – het geboorteland van Eybers –, herken ik, al zijn de omstandigheden anders, de verscheurdheid die zich voltrekt in haar poëzie, het schizofrene karakter van haar modernisme. Alleen het feit al dat ze door bleef schrijven in haar eigen taal, bínnen het Nederlandse taal­gebied: het is zo heerlijk koppig, maar ook zo ongelofelijk wanhopig, dat willen vasthouden aan iets wat er niet meer is. En moeilijk ook, omdat het Nederlands en het Afrikaans zo verdomd veel op elkaar lijken. Ik worstel er zelf ook mee. Alsof door twee elkaar overlappende talen mijn moedertaal bescha­digd raakt, en mijn woordenschat slinkt. Ik had graag willen weten of Eybers hier ook last van had. Haar Afrikaans wordt naarmate de tijd vordert in ieder geval steeds Nederlandser, het kan ook haast niet anders, maar toch vertaalt ze haar werk liever naar het Engels (de taal van haar moeder) dan naar het Nederlands. Alsof met het ouder worden het verlangen naar vroeger steeds heviger werd. Met het vertalen naar het Neder­lands, of overgaan op dichten in het Nederlands, zou ze alles wat ze was verliezen, haar geografische kompas zou zijn dolge­draaid.

Haar Zuid-Afrikaanse wortels blijven haar poëzie bepalen. Ook al gaan haar gedichten over de postbode, hoofdpijn, Het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, Amsterdamse grachten en Nederlandse uitzichten – het blijven gedichten van de verwonde­ring, bij uitstek de gemoedstoestand van de reiziger, de mens op doortocht.

Mooi dat haar Nederlandse lezers nooit wereldvreemd te­gen dat Afrikaans hebben aangekeken, en haar zelfs als een soort Nederlandse dichteres zijn gaan beschouwen, terwijl er helaas dikwijls zo smalend werd en wordt gedaan over het Afrikaans. Misschien kon dat alleen omdat haar Afrikaans steeds dichter tegen dat Nederlands aan ging zitten, veel meer dan het werk van bijvoorbeeld Breyten Breytenbach of Antjie Krog, of zelfs Ingrid Jonker.

De lezer is nooit een buitenstaander in de poëzie van Elisa­beth Eybers, al gaat haar werk dan ogenschijnlijk dikwijls over het leven van de dichteres zelf, wat ze bijvoorbeeld verontschuldigend aankaart in het korte gedicht ‘Liewe leser’:

 

Ja, ek weet hoe ek-sentries vertoon

my tuisgemaakte heelal,

die wêreldjie wat ek bewoon,

 

my drang om dit steeds uit te stal

op so ’n eenpersoonskaal – maar miskien

kan jy iets van jouself daarin sien?

 

Zelfs in deze zes regels laat Eybers zien wat een formidabe­le dichter ze is. Ze weet dondersgoed dat de kracht van haar werk ligt in het alledaagse, dat een springplank vormt voor mijmeringen over de subliemere zaken. Ze weet ook heel slim haar ‘zwakte’ om te zetten in een kracht: (ogenschijnlijk) slechts schrijven over jezelf, maar in wezen spreken namens allen. Het gedicht laat zien dat Eybers een groot retorisch ta­lent had.

Het is díe retoriek – die soms schuilgaat onder de noemer ‘zelfverzekerdheid’ – die bijvoorbeeld ook terug te vinden is in de poëzie van Wisława Szymborska of Emily Dickinson. Niet dat de dichter ‘wijzer’ zou zijn dan de lezer, de taal doet dat vermoeden. Misschien wel een kenmerk van alle grote, klassieke poëzie. Je hoeft ook bij Dickinson niet lang te zoeken naar zo’n gedicht. Neem bijvoorbeeld ‘Ons leven hier is al heel groot’, in de vertaling van Peter Verstegen:

 

Ons Leven hier is al heel groot.

Het leven dat nog komt

Is meer, zo weten wij, het is

Immers Oneindigheid.

Maar is heel ’t wereldruim gezien

En elke Macht getoond

Wordt zij door ’t minste Mensenhart

Tot niemendal verkleind.

 

Het gedicht zou met een beetje passen en meten een gedicht van Eybers kunnen zijn.

Emily Dickinson is een belangrijk voorbeeld voor Eybers. Het sonnet ‘Emily Dickinson’ is een prachtig zelfportret en ars-poetica in één:

 

Haar eensaamheid was geen verskansing maar

in stygende stoutmoedigheid ’n swewe

om deur die raamwerk van die heelal te staar;

 

deur donker skagte het sy afgedaal

tot diepverborge bronne om die lewe

kristalsgewyse, helder, op te haal.

 

Heimwee, liefde, verlangen, ontheemding, verwondering – het zijn grote thema’s, en ze keren onvermoeid in bijna elk ge­dicht terug, al vanaf de eerste bundel, in zeer behapbare, com­pacte anekdotes. De verhuizing naar Nederland heeft de the­matische aspecten verruimd en versterkt, maar ook als Eybers in Zuid-Afrika was blijven wonen, was haar werk waarschijnlijk niet anders geweest.

Wacht, is dat wel zo? Wat zou er zijn gebeurd als ze níet naar Nederland was verhuisd? Had ze zich hoe dan ook ‘banneling’ gevoeld? Was deze moeder van drie dochters en een zoon dan minder alleen geweest? En was ze tóch wel bekend geraakt in Nederland, zoals Ingrid Jonker, Breyten Breytenbach, Antjie Krog, of Gert Vlok Nel?

Wat me in elk geval duidelijk is geworden tijdens het inten­sieve herleeswerk, is dat Elisabeth Eybers zeker géén Neder­landse dichteres was die in het Afrikaans dichtte. Eybers was Afrikaans en Zuid-Afrikaans in hart en nieren, een vrouw die bleef verlangen naar haar geboorteland, en zich niet kon of de­finitief wilde aanpassen aan Nederland, aan de Europese, be­nauwde ruimte. Zoals ze in ‘Afstand’ beschrijft:

 

[…] Ek wortel elders, hoe sou ek my hier

kan tuis maak. Dinge en ek gaan aan mekaar verby

sonder herkenning. Daarom laat hulle my

met rus, versin geen hinderlaag, lê nooit beslag

en daarom kan ek hulle goed verduur.

 

Je moet het Afrikaans een beetje kennen om te weten dat ‘hier’ en ‘verduur’ rijmen.

Het moet een pijnlijk huwelijk zijn geweest. Dat je alles wat je lief hebt achterlaat en helemaal opnieuw begint, in een land dat in niets lijkt op dat van jou, waar men een taal spreekt die je weliswaar redelijk kunt verstaan, maar waar je je onbegre­pen voelt. Het was een radicaal besluit. Nooit is ze naar Zuid-Afrika teruggekeerd en zo werd ze een honkvaste zwerver, zo­als wel meer schrijvende Zuid-Afrikanen, zoals Breytenbach en J.M. Coetzee.

Er zijn mooie boeken en zeer interessante studies over Ey­bers’ poëzie verschenen, onder andere Afstand en verbintenis van Ena Jansen, maar het zou mooi zijn als er nog eens een grote biografie zou verschijnen. Een leven vol reizen, ontmoe­tingen, ‘hartseer’, afscheid, literaire figuren en erkenning – dat kan niet anders dan een schitterend boek opleveren.

Om te kunnen dichten als Eybers, daarvoor moet je heel veel kunnen, en heel veel niet meer wíllen kunnen: het vereist moed en doorzettingsvermogen een gedicht te schrijven als ‘Dagbreek’ of ‘Oud word’. Je moet onverminderd in het woord kun­nen geloven om zo’n geloofwaardigheid uit te kunnen stralen.

Onverwacht ben ik een fan geworden van dit werk, zo’n der­tien jaar geleden, en zou er wat voor geven ooit zo te durven en kunnen dichten. Openhartig dichten over álle fasen van het leven, zodat de lezer letterlijk samen oud kan worden met je werk – de eerste liefde, het huwelijk, kinderen, scheiding, nieu­we liefdes, ouder worden, de dood. Zonder meligheid of ko­ketterie: streng, technisch en stilistisch nagenoeg perfect.

Het is onmogelijk een keuze te maken uit zoveel sterke ge­dichten. Terwijl bloemlezen nu juist bij uitstek zendeling­werk is. Vandaar dat ik graag nog één mooie (uit de bundel Dryfsand, 1985) deze kleine bloemlezing wil binnensmokke­len, met permissie, en let op het Nederkaanse ‘reent’ (dus niet ‘reën’ of ‘regent’)*:

 

Deesdae

 

Die muse skyn my deesdae te vermy.

Niks aan te doen. Geduldig verder gaan.

My kleinseun – vyf-en-’n-half – en ek verstaan

mekaar. Laat maar, want jij bent oud sê hy

 

wanneer ek blyk van onbehendigheid

by die saamstel van ’n speelgoedhyskraan gee.

Hy wil gaan fiets. Dit reent. Je hoeft niet mee,

dan wordt je haar zo nat. Dis geen verwyt.

 

Die dae wedywer om hom te laat gedy,

elke kontoer word liefderyk afgerond,

gepoets, albasterglimmend en gesond.

Die dae het iets anders voor met my.

 

Wat ben je stil vandaag. Geboë oor

sy lego eis hy meer geselligheid.

Ek sing ’n liedjie uit my kindertyd.

Ben jij vra hy beleef ook lid van het koor?

 

Hy sê opeens het duurt nog héél héél lang

voor jij doodgaat – nog meer dan honderd dagen.

Gulheid oorskry sy rekenkunde, skraag en

vertroos ons, maak ons bly en amper bang.

 

Ja, die guitige knipoog. Maar ondertussen.

 

Alfred Schaffer – Kaapstad, januari 2013 (Met die toestemming van die uitgewer)

 Die bloemlesing kan bestel word by uitgewery Van Oorschot

Elisabeth Eybers
My radarhart laat niks ontglip
Van Oorschot, Amsterdam

ISBN 9789028250895

Mei, 2013
Poëzie, 96 pagina’s
Gekozen en ingeleid door Alfred Schaffer

€ 12,50

 

* Eers na publikasie van hierdie bloemlesing het ek verneem dat ‘reent’ nie ’n samestelling is van ‘reën’ en ‘regent’ nie, maar ’n streeksvorm (wat wel in die WAT staan, met die etiket ‘minder gebruiklik’). Iets om reg te stel in, hopelik, in ’n herdruk.

 

Alfred Schaffer. Tuis/Thuis

Tuesday, February 22nd, 2011

Dat was het dan. Zes jaar Amsterdam, meer is het niet geworden. Wat staat ons te wachten in Zuid-Afrika en in Kaapstad, weet jij dat? Moet ik zeggen dat ik vertrek, of dat ik terugkeer? Ik heb er wat oude foto’s bij gepakt, uit de jaren dat ik er woonde en jij alleen was in je Nederlandse flatje, en onmiddellijk is het er allemaal weer. De zee, de uitgestrektheid, de stenen leegte van de Karoo, de waakzaamheid ’s nachts in de stad, de oprechte hartelijkheid, de ruimte, de muziek, het licht, de lucht.

 

Heimwee

 

‘n Huis is iets wat teen ‘n helling staan

deur son gekonfronteer aan elke kant.

Maar let op: sê jy huis in hierdie land

dan dui jy drie beknelde kamers aan.

 

Hier is geen op- of afwaartsneiging, geen

geleidelike hemelvaart, geen lig

behalwe dié uit draad en glas verdig.

Die eendersheid is redelik en gemeen.

 

Agter ‘n grou en anonieme wal

hys die abrupte trap jou uit die straat

op na die sogenaamde huis, en laat

jou later stiptelik in die straat terugval.

 

Nooit wesenlik, alleen kineties, mag

jou hartritmiek, jou ribbebok wat hyg

die dodelike waterpas ontstyg

terwyl jy knutsel aan ‘n nuwe dag.

   

Amsterdam, Oosterpark

Amsterdam, Oosterpark

 De dozen op de gang, de onrust, het geregel, het bellen met allerlei instanties, het stof dat door de kamers zweeft – natuurlijk heb je het al lang in de gaten, waar je ook bent.

Emigreer is nie vir sissies nie. Opeens ben ik bij alles aan het aftellen. ‘Dit is waarschijnlijk de laatste keer dat ik in Nederland tandpasta koop’. ‘Nog maar een paar weken en dan is het gedaan met het tegen de wind in fietsen.’ ‘Hoeveel kopjes koffie zal ik hier nog drinken.’ ‘Dit is het laatste gedicht dat ik hier voltooi.’

De tijd in Amsterdam is een tussentijd geweest, een feestje, dat wel, maar één in een wat verwaarloosde achtertuin, op een verregende middag. Gijs zei het vorige week nog: het is alsof je altijd met een schuin oog naar Afrika bent blijven kijken. Misschien. Maar het ligt natuurlijk anders. Dat ik terugkwam en dacht jou hier aan te treffen, maar ik kon eigenlijk nog net zien hoe je je laatste adem uitblies.

Het is al na twaalf, ik heb nog even wat spullen op het internet gezet om te verkopen – Maya is nu weer stil maar daarnet was ze aan het zingen, zomaar opeens in haar slaap, geen idee van wat haar allemaal te wachten staat. ‘Lan sal suh leefuh. Hiephiep: hoela!’

Nu luister ik naar Spinvis:

Ronnie gaat naar huis
Kijk maar in zijn tas
Een cassette en de schelpen uit zijn la
Het ging een tijdje slecht
Maar dat is nou voorbij

Vreemd dat we straks moeten uitleggen dat haar eerste twee levensjaren zich in Europa hebben afgespeeld. Amsterdam, vakanties in Barcelona en Mallorca, het fietsen, het huis aan het park, eendjes in de vijver, de winkelwagentjes van Albert Heijn. Foto’s kijken, heel veel foto’s met sneeuw en fietsen en trams en dikke jassen en picknicks en de dierentuin en terrasjes en poffertjes, en veel sterke verhalen, net als jij over de oorlog, altijd weer die oorlog – je verhalen met een perfecte spanningsboog, over onderduiken, over de voettocht van Venlo naar Groningen, over Seyss-Inquart die je nog hebt gefotografeerd vanachter een lantaarnpaal.

Er scheurt een ziekenwagen voorbij, zo te horen richting de Linneausstraat. Waarom die sirenes ’s nachts aanmoeten, ik snap het niet – om het verkeer kan het niet zijn, er is haast geen verkeer op dit uur.

Hoe klonken ze ook alweer, die Kaapse nachten? Het zachte gebrom dat als een fijnmazig net boven de stad zweeft, een vlies, een nauwelijks hoorbare maar aanhoudende dreun die tegen de bergwand opstijgt via de steegjes en de straten. Mooi. Veel sirenes ook, meen ik me te herinneren, maar ijselijker dan hier, jankend, minder melodieus, ze vielen me destijds nooit zo op, sirenes horen nu eenmaal bij de grote wereld.

Kaapstad bij nacht

Kaapstad bij nacht

Ken je Elisabeth Eybers? Dat eerste gedicht hierboven was van haar, de andere twee die je zo zult lezen, ook. Eybers heeft Nederland nooit meer verlaten nadat ze er was aanbeland, maar ze was ook nooit helemaal aanwezig, is mijn indruk. Misschien dat je haar poëzie weleens hebt gelezen – geladen, zogenaamd terloopse taal is het, zonder wortels, ontstaan in een tussenruimte.

 

Winter

 

Soms voel hierdie ses stopverfmaande

soos ‘n eindeloos eenkleurige vlakte

van suigende kluite waardeur

ek my klewerige stewels moet sleep

 

Nou dink ek aan Julie in Johannesburg

geslinger oor heuwels deur holtes

die spits van ‘n hoëveldse winter

waar mens voortsweef al is dit oor asfalt

weerbarstige kwarts en graniet

 

Holderstebolder klouter

die binnestadtorings die lug in

hetsy ligblou satyn of korundum

vergiet vir die splinterige sterre

wat oombliklik aanknip en weer af

 

Oordag brand die son en snags vries dit

twee keer per etmaal oorbrug jy

die grens met ‘n verende sprong

en elke keer tintel jy anders

 

Altijd weer dat vertrekken, je laat steeds minder achter. Een paar schitterende vrienden, wat geluiden en gedenkwaardige gebeurtenissen, wat aangericht en opgelopen verdriet misschien, meer niet.

Binnenkort kom ik nog even langs, ik denk dat ik nog weet waar het was, waar ik stond aan de Maas met je as, en dan naar Sint Agatha, kijken of mamma en Dahlia er nog liggen, ik ben er zo lang niet meer geweest en ik wilde het allemaal vergeten maar volgens mij weet ik de weg nog blindelings. De paden met die grote keien en die groene haag langs de Veurse Achterweg.

En dat is het dan. Het vliegtuig in en opnieuw beginnen. In Kaapstad, in Stellenbosch. Vind je vast geweldig om te horen, ‘Stellenbosch’, die bomen vond je er zo mooi, toch? Ongelofelijk, over een paar weken openen we een flesje wijn op het strand terwijl de zon in de oceaan zakt, en over een paar maanden rijden we misschien wel de grens over voor een vakantie naar Namibië of Mozambique, of pakken we het vliegtuig voor een weekje Buenos Aires.

Wat een geluk dat de wereld zo groot is. Wat een geluk dat je overal poëzie kunt schrijven.

Het is alsof ik op de valreep nog allerlei herinneringen wil aanmaken, nietigheden opslaan die later een springplank kunnen vormen als mijn gedachten terug willen naar deze tijd.

De Turkse kleermaker, hij gaf vorige week een zakje chocolaatjes mee. ‘Voor de kleine.’

De ochtend van Valentijnsdag, toen ik Maya naar de crèche had gebracht, fietste ik langs een spandoek bij het vijvertje in het Vondelpark: ‘I’ve thrown your lp’s in the pond!!’

En ik zag nog een film over een man die doodging, heel langzaam, je merkte het eigenlijk niet aan hem, de dood zat al in al zijn gebaren, in zijn hele motoriek. Ik moest natuurlijk aan jou denken.  

Maar waarom vertel ik je dit, ik geloof dat ik eigenlijk iets anders tegen je wil zeggen.

Weet je wat, waarom ga je niet mee – ja, dat lijkt me eigenlijk het beste, jullie verhuizen alle drie gewoon met ons mee, houd ons maar een beetje in de gaten daar, het wordt geweldig om weer aan te landen maar het leven is er toch, hoe je het ook wendt of keert, niet zonder meer ‘beschut’.

Dus vergeet ons niet.

We gaan er wat van maken!

Dag pappa,

Alfred

 

Afstand

 

Under the hollow roof

The stranger’s voices come –

The night is dark, and I

Am far from home

Walter de la Mare

 

Van tyd tot tyd nog steeds die vreemde vraag:

jy – meestal u – het langsaamaan wel tuis

geraak in hierdie land?

Ek neurie nie die nag

is donker ek is ver van huis

maar knik welnemend vaag

en vals. Ek wortel elders, hoe sou ek my hier

kan tuis maak. Dinge en ek gaan aan mekaar verby

sonder herkenning. Daarom laat hulle my

met rus, versin geen hinderlaag, lê nooit beslag

en daarom kan ek hulle goed verduur.

 

Marlies Taljard. Rooshoek se poësiekerk 3

Monday, January 31st, 2011

Hoewel gebrandskilderde glasvensters redelik algemeen voorkom en die gewone mens dus algemeen daaraan blootgestel is, is dit nie so maklik om dié tipe kuns te interpreteer nie, aangesien dit so kompleks is en die leek dikwels nie die simboliek wat gebruik word, verstaan nie. Ek plaas vandag nog ‘n venster van die Rooshoek kerk, naamlik “Die Antwoord” van Elisabeth Eybers met enkele notas oor moontlike interpretasiemoontlikhede. Elke mens wat so ‘n venster sien, sal dit uiteraard op sy/haar eie wyse interpreteer, veral omdat die spel met kleure en lig (wat verskil van uur tot uur) geneig is om op die emosies van kykers in te speel – dit is inderdaad bedoel om presies dit te doen!

 

Die Antwoord

Die Antwoord

Die Antwoord – Elisabeth Eybers

Of ek jou liefhet? … Hoe vra jy, wanneer

my oë van die antwoord vol is, weer

dieselfde vraag so twyfelloos en teer?

 

Toe Christus met die derde haangekraai

sy blik vol stil verwyt na Petrus draai,

wie kon die later vraag en antwoord raai?

 

Drie maal het hy gevra … Daar was alleen

die één gebroke antwoord oor vir een

wat in die nag oor eie verraad moes ween.

 

Wanneer ek elke roekelose eed

van ewig trou en liefde reeds vergeet

het, sal ek nog soos Petrus sê: Jy weet.

 

Hierdie venster is deur Mariana du Toit gemaak. In die onderste deel van die venster word twee sittende figure uitgebeeld, wat waarskynlik Jesus en Petrus is. ‘n Vuur is ook deel van dié prentjie. Hieruit kan ons aflei dat die toneel by die See van Tiberias, soos ons dit in die Johannes-evangelie vind (Joh. 21:1-19), uitgebeeld word. By dié geleentheid vra Jesus driemaal vir Petrus of hy hom liefhet, en gee hom dan die opdrag om sy skape te laat wei – dus die Blye Boodskap te verkondig. Die rooi vlamme van die vuur wat tussen hulle brand, kan op velerlei wyses simbolies vertolk word. Dit kan byvoorbeeld, as vertolking van die emosies wat in die gedig na vore kom, sonde en berou simboliseer. Verder is rooi ook die kleur van pyn en lyding – verwysend na Jesus se lyding en dood, waarna die gedig implisiet verwys. Die vlam word dikwels geassosieer met spiritualiteit en die Heilige Gees, soos dit tydens die Pinkster na Jesus se opstanding gesien kon word. In dié opsig beeld die vlam dan die spirituele dimensie van die betrokke gedig uit. Verwysend na vriendskap en lojaliteit, verwys die vlam waarskynlik na die menslike verhoudingsproblematiek wat aanleiding gee tot die Bybelse verwysing – die trou van die spreker teenoor die aangesprokene.

Die visse wat direk bokant die twee figure uitgebeeld word, verwys op die konkrete vlak na die gegewe van Johannes 21. Jesus se dissipels het naamlik teruggekom van hulle nagtelike visvangs. Jesus, wat op die oewer van die see gestaan het, het gevra hoe dit gegaan het en die manne het gesê hulle het niks gevang nie. Jesus het hulle toe aangeraai om nogmaals die net uit te gooi, waarna hulle ‘n volle net visse uitgetrek het. Intussen het hy ‘n vuur gamaak en ‘n vis daarop gebraai. Toe hulle met hul vangs aan land kom, het hy hulle uitgenooi om nog visse op die vuur te gooi en te kom eet. Na hierdie verhaal verwys die visse wat op die venster uitgebeeld word dus op konkrete vlak. Dié toneel word ook deur die gedig gesuggereer deur onder andere die woorde “Drie maal het hy gevra …” ‘n Verdere simboliese betekenis van die vis gaan egter die inhoud van die gedig te bowe, en dit is naamlik die vis as simbool van die vroeë Christelike kerk. Hierdie simboliese betekenis van die vis kom ter sprake direk na die gesprek waaroor die gedig handel, naamlik Jesus se opdrag aan Petrus om die Evangelie te verkondig. In hierdie opsig verruim die kunswerk wat op die loodglasvenster uitgebeeld word, dus die betekenis van die gedig deur die uiteinde van dié gesprek te suggereer.

Die boonste derde van die venster word in beslag geneem deur ‘n wit duif op ‘n blou agtergrond. Benewens emosies van blydskap en kalmte wat deur die kleur blou gesimboliseer word, beteken om “blou” te wees egter ook om dronk te wees – iets waarvan die mense die apostels beskuldig het toe hulle op Pinksterdag met die Heilige Gees (vandaar die duif-simbool) vervul is. Die duif dui op die spirituele rol wat Petrus sedert dié gesprek met sy Meester in die wêreld moes vervul. Ook hierdie gegewe word nie eksplisiet in die gedig vermeld nie, maar kennis van die Bybelse verhaal waarop die gedig gegrond is, behoort op sigself dié verruimende betekenis wat deur die visuele kunswerk uitgebeeld word, by die leser van die gedig te aktiveer.

Wanneer die gedigte na aanleiding waarvan die visuele kunswerke gemaak is en die konkrete kunswerke naas mekaar geplaas word, blyk dus dat betekenisverruiming nie slegs by die “tweede” kunswerk gesien kan word nie, maar dat die twee kunswerke mekaar oor en weer bekommentarieër en verruim. Interpretasie van die “oorspronklike” kunswerk (wat op sy beurt geïnspireer is deur ‘n ander teks of deur ander tekste!) is ‘n kenmerk van die visuele kunswerk wat die gedig interpreteer. Op sy beurt interpreteer die gedig weer die teks waarop dit gebaseer is en … Into the labyrinth!!

 

 

Verlore gunsteling

Monday, May 17th, 2010

Wanneer ek ’n gunsteling Afrikaanse digbundel moet kies, gaan dit vir my meer oor sentimentele waarde as verdienste. Dit is nou die een wat ek sal gryp as die huis afbrand, eerder as die een waarmee ek op ’n eiland wil uitspoel.

   Soos ek reeds iewers genoem het, het ek my eerste digbundel gekry as Kersgeskenk aan die einde van graad een. Dit was ’n roomkleurige hardeband bundel en as ek reg onthou was dit net getitel Gedigte – ’n versamelbundel van Elisabeth Eybers, met gedigte waarskynlik tot en met Kruis of Munt (1973) of Einder (1977). Op daardie stadium was ek skaars sewe jaar oud en my ma het voorin iets geskryf soos dat ek dit dalk nog nie sal verstaan nie, maar dat dit van die beste gedigte in Afrikaans is. Natuurlik onthou ek daaruit “Maria”, “Wes-Transvaal”, “Die eerste nag” en veral “Bome”. Iewers in my studentejare het my ma die bundel geleen en toe uitgeleen. Aan wie, kon sy later nie meer onthou nie en so is ek my geliefde bundel kwyt. Ek hoop maar dat dit aan iemand nog vreugde verskaf.

   Met my drie-en-twintigste verjaarsdag kry ek weer ’n bundel – Versamelde Gedigte van Elisabeth Eybers. Voorin skryf my ma: Aan my liefste Blom. Om op te maak.

   ’n Ander sentimentele geliefde is D.J. Opperman se Junior Verseboek, wat ek aan die einde van graad twee as boekprys kry. Voorin is ’n plakker op Laerskool Melkrivier se briefhoof: Vir beste prestasie in Gr ii. Om een of ander onverklaarbare rede het ek met ’n dik groen pen daarin gedigte afgemerk en ook die name van die digters onderstreep (en genommer, tot by nr. 60!). Jy kan sê wat jy wil oor vernuwing, party gedigte bly maar mooi, al kom dit uit ’n ver verlede en ’n sentimentele geheue – “Mabalêl” van Eugène Marais, Totius se “Repos ailleurs”, “Die strandjutwolf” van Van Wyk Louw, “Klara Majola” en “Sproeireën” van Opperman.

   Maar miskien is daar plek vir nuwe gunstelinge. Dis lanklaas dat iemand my ’n digbundel present gegee het…

Andries Bezuidenhout. Busrit in die aand

Wednesday, April 28th, 2010

Blogfokus

 

BUSRIT IN DIE AAND 

Elk langs sy yl weerkaatsing in die ruit,
sit hulle suf, met monde moeg gesluit,
die werkers van die stad wat huis toe gaan.

Skaduwee-skimme gly verby…Dis laat,
en lang ligvaandels wapper oor die straat
soos oor ‘n dam die blinkpad na die maan.

Ons ploeg deur stormsee met ons kaperskuit:
die stuurman voor, die passasiers die buit
wat ons as slawe huis toe bring vanaand…

Die vaartuig waggel afdraand, om die draai
met skril gekners en skommelende swaai,
en hyg en skok en snork en swoeg opdraand,

terwyl ons, soos twee kinders opgetoë,
mekaar toelag met glinsterende oë…
Asof hul jammerlik hul lot kan raai,

sit hulle suf, met monde moeg gesluit,
elk langs sy yl weerkaatsing in die ruit,
die werkers van die stad wat huis toe gaan.

 

– Elizabeth Eybers

 

TAXI-RIT NÁ DIE AAND 

Weer op Melvillesypaadjie vomeer,
nou metertaxi ons skommelend naar huis.
Lense fokus loop en val met Empire langs,

skrams deur Hillbrow (klinkersteen skullfuck Corbusier),
in Louis Botha by metro-cops en kapers verby.
Dreine soog oopkeel aan die maan,

hul deksels skroot vir ʼn high-rise in Beijing.
Aan pale wurg ligvaandels in slierte,
gelynch deur een of ander kontrakteur

met ʼn better connection dan al die ander
bloedsuiers, klaplopers en woekeraars.
“Ek verlang terug,” bibber jy,

“na ʼn bus uit die neëntien dertigs.”
Ek hoes: “Yl weerkaatsings van nóú…”
Weimarbusse het lank gelede rymelik verroes.

“Home, James! And don’t spare the potholes,”
giggel jy. In minibusvensters sit hulle suf,
waiters en casuals wat huis toe gaan.

 

– Andries Bezuidenhout