Posts Tagged ‘Emma Crebolder’

Janita Monna. Spel of urgentie?

Monday, September 3rd, 2012

Emma Crebolder – Vallen

Vallen

Vallen

Hoeveel samenstellingen zijn er te maken met het werkwoord ‘vallen’, of met het zelfstandig naamwoord ‘val’? Veel, heel veel. Wie de Dikke van Dale pakt, ziet dat ‘val’ en afgeleide woorden maar liefst acht pagina’s krijgen. Een goed deel daarvan is te vinden in de nieuwste bundel van Emma Crebolder, die dan ook als titel Vallen heeft. Het is haar vijftiende alweer, maar ondanks dat heeft haar poëzie altijd een bestaan in de betrekkelijke marge geleid.

Crebolder is kenner van de Afrikaanse culturen en sporen daarvan zijn in haar gedichten terug te vinden, ook in haar twee jaar geleden verschenen bundel Vergeten. Daarin werd het begrip ‘vergeten’ verkend, in de ruime zin van het woord. Gedichten kregen een strakke vorm, als om verdere lekken van het geheugen in te dammen: ‘ niet de tong maar de neus ruikt/ de vluchtigheid van het kruid dat ik/ wil noemen.’

In Vallen gebruikt ze een vergelijkbaar procedé, en waar eerder het haperen van de geest onder de loep werd gelegd, is dat nu het vallen, en het lichaam dat langzaam in verval raakt.

Opnieuw zoekt de dichter houvast in vorm: ieder gedicht telt vijf strofen van twee regels, waarbij de tweede en de vierde strofe steeds inspringen. Het geeft een soort zigzageffect.

Crebolder verkent het letterlijke vallen, maar ook figuurlijke betekenissen en samenstellingen die er met het woord te maken zijn: ‘Ik val in, ik vervang/ vandaag de ingestorte// collega. Wat brak bij hem of kneusde/ hij zich vooral?’ Invallen, valwind, bevallen, valreep, meerval, wegvallen, het zijn maar een paar van alle ‘valwoorden’ die in de bundel staan.

Het gevaar van een werkwijze als deze is dat gedichten snel iets geforceerds kunnen krijgen, en ook het risico van woordspeligheid is levensgroot. Beide weet de dichter vrij behendig te omzeilen. En aanvankelijk heb je de ‘valwoorden’ niet eens meteen in de smiezen. Neem het openingsvers, waarin de lezer twee afbeeldingen worden voorgehouden:

‘Bevallig is het meisje met/ de strohalm. Als scherm te iel.// De ander met de fret in/ haar armen valt ook op’.

De bundel onderzoekt leven en dood, ontstaan en vergaan: in de kunst, in de natuur, de muziek, het menselijk leven. Al te veel omwegen gebruikt Crebolder niet, ze spreekt recht voor z’n raap, met daarin een enkele keer fraaie regels als: ‘Misschien kom ik jou toch nog halen./ Mijn voeten liggen hier voor me.’

Het gebruik van al die valwoorden gaat opvallen als Crebolder vaker hetzelfde woord gebruikt. ‘Bevallig’ bijvoorbeeld. Al heeft het beeld ‘Tussen oevers ligt// het water vastgeklonken, valwind/ bouwt er spelonken van sneeuw’ een zekere schoonheid in zich. En soms worden al te nadrukkelijke, redelijk onalledaagse samenstellingen storend: valhout, valplaats, valaanslag. Mooist zijn die gedichten waarin het vallen min of meer impliciet blijft, of zelfs achterwege. Zoals in het vers waarin op een oude film is te zien hoe een kleuter naar een sloot loopt. Daarin blijft het tot de laatste regel spannend of het kind er nu wel of niet is in gevallen.

Maar uiteindelijk gaat in Vallen de aandacht toch te veel naar het spel, en niet naar hetgeen de dichter met dat spel wil zeggen. Al is het natuurlijk aardig om te zien dat er tussen bevallen en ontvallen, tussen begin en eind van het leven, slechts een ‘voorvoegseltje’ verschil is.

 

 

Ook nu 8mm-films zijn omgezet

op dvd blijft de kleuter naar

 

            de sloot lopen. En zelfs de kleine hyena’s

worden nog voor een shilling getoond.

 

Alleen de oude stilte is weggevallen.

Voortaan begeleidt tromgeroffel

 

            de kleuter naar de sloot. Als de kleine hyena’s

op het scherm verschijnen klinkt pianomuziek.

 

Het rode zand knerst tussen de toetsen, en

het kind hoort de slag en keert om.

 

 

Emma Crebolder – Vallen. Nieuw Amsterdam. 61 pagina’s, 17,50 euro, ISBN 9789046812211

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Ester Naomi Perquin – Puntje puntje puntje

Wednesday, December 29th, 2010

Welke poëzie neem je mee naar een onbewoond eiland, als je niet weet hoe lang je er zult blijven? Poëzie die je warm houdt als je slaapt. Poëzie waar je een goedgevulde maag aan overhoudt of waar je liederlijk dronken van wordt. Dat lijkt me wel wat. Of een bundel die flink met je in discussie gaat, ter bestrijding van de zelfgenoegzaamheid. Ook handig: poëzie die licht geeft, zodat je passerende schepen kunt waarschuwen (dat wil zeggen: áls je gered wenst te worden, wat nog helemaal niet zeker is). Allemaal onzin natuurlijk: waarschijnlijk bestaan de meest indrukwekkende effecten van poëzie uitsluitend in het hoofd. Een paar mooie regels kunnen je eigen bovenkamer dan wel in lichterlaaie zetten – de aandacht van een kapitein zul je daar niet mee trekken. Die heeft wel iets beters te doen (die is niet voor niets kapitein geworden).

Ik mocht eind november een weekje vrijwillig in ballingschap op een lief, onbewoond eilandje – toch nam ik geen poëzie mee. Ik had al een poosje helemaal geen zin meer in gedichten. Niet in die van anderen en al helemaal niet in die van mezelf. Dat soort periodes maak ik wel vaker door, vooral wanneer het leven flink in beweging is. Als mensen die gelukkig horen te zijn plotsklaps heel ongelukkig worden. Als geliefden die je onafscheidelijk had gedacht zich van elkaar los moeten scheuren. Als mensen die nog lang niet dood mogen vreselijke ziektes krijgen. Als de relativiteit der dingen in volle glorie opduikt, als een enge man in een zonnig park. Dan hoef ik even geen gedichten. Dan wil ik dokters zien rennen, statistieken zien omtuimelen en wonderen zien gebeuren. En ter afleiding klamp ik me nog liever vast aan een luidruchtige vechtfilm met een volstrekt ongeloofwaardige verhaallijn waarin de goede man wint en de slechte ten onder gaat. Soms helpt popcorn beter dan poëzie.

In mijn koffer zaten twee romans, twee essaybundels en een schitterend boek van Douwe Draaisma, over het vergeten. Met name dat laatste leek me erg nuttig op een onbewoond eiland – het boek klonk als een praktische zelfhulpgids, vond ik. En altijd heb ik gedroomd van doelgericht vergeten. Op het eiland zou ik eindelijk de tijd hebben dat onder de knie te krijgen. Weg met die zoete spookbeelden, die onvergetelijke gezichten, die weemoedig stemmende herinneringen aan vervlogen nachten. Opgeruimd staat netjes. Maar het Vergeetboek bood in dat opzicht geen soelaas. Vergeten is lastig te sturen, zoveel is duidelijk. Wel was er een zin die mij weer hoopvol stemde: ‘Vergeten is door onze herinneringen gemengd, als gist door deeg.’ (Ik vermoed dat Douwe Draaisma eigenlijk een dichter is).

Emma Crebolder publiceerde in maart van dit jaar een dichtbundel over het vergeten. Boven elk gedicht staat, bij wijze van titel, een aantal puntjes: de letters van het ontschoten woord. Het zijn gedichten over wat er niet is en waar naar gezocht wordt. Het werkt heel aanstekelijk om zulke gedichten te lezen – voor je het weet schieten je woorden te binnen die je zelf al heel lang kwijt was. Of omgekeerd: er ontvallen je begrippen die je dacht nooit te zullen verliezen. Het zou een mooie bundel kunnen zijn om mee te nemen naar een onbewoond eiland – zelfs als je geen zin hebt in gedichten. Je zou je dan bezig kunnen houden met de titels en, al wordt je daar geen betere vergeter van, met de invloed van een stel piepkleine puntjes op een mensenleven. (Puntjes: de lege dagen in de agenda van wie niet meer naar buiten wil, het overgaan van de telefoon als de verlaten geliefde belt, de apparatuur naast het ziekenhuisbed). Het zou me niets verbazen als het tot verrassende inzichten leidt: lezen wat vergeten werd. De zalige leegte van het ontbreken. En dan maar hopen dat niemand je komt redden.  

[..]

 

We weten soms niet of het rechts-

of linksaf was. Na een licht wervelen

herstelt zich dat. We vallen wel eens

op ons schouderblad dat we steeds

als schild tegen erger hieven.

We weten soms niet waarom of

waartoe. We schuiven als paar in

elkaar tot de oogbol verschiet. Terwijl

het nog zacht nasneeuwt onder ons vel

ligt het juk al klaar. Misleid zijn we wel.

 

 

 

Uit: Vergeten van Emma Crebolder, uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2010.