Posts Tagged ‘Ester Naomi Perquin’

Luuk Gruwez. Recensie: een vrede met grote, warme borsten (Ester Naomi perquin)

Wednesday, June 14th, 2017

 

Een vrede met grote, warme borsten

Het is niet eens zeker dat wij echt bestaan. Dat is wat Ester Naomi Perquin, Nederlands huidige Dichter des Vaderlands, suggereert in Meervoudig afwezig, haar vierde bundel. Met Celinspecties rijfde zij in 2012 de prestigieuze VSB-poëzieprijs binnen. Zij is de dichter van wat nog overblijft, nadat verder alles afwezig is geworden. ‘Zelfs in de koppen van gevangen apen (…)’, schrijft zij, ‘treft men bij de sectie vaak nog hele stukken oerwoud aan.’ Het is dat oerwoud waarnaar zij in een queeste naar de oorsprong der dingen op zoek wil. De bundel die bijzonder minutieus geconstrueerd is, bestaat uit twee cycli: ‘De delen’ en ‘Het totale’. Maar daaraan voorafgaand staat een gedicht over de correlatie tussen het partiële en de totaliteit. Je hebt pas kijk op de ware omvang van die laatste, nadat je eerst een deel ervan hebt waargenomen: ‘”Een olifant,” zei hij nog zacht, “lijkt pas de olifant die hij / daadwerkelijk is wanneer u / wegens kijken door een sleutelgat / een groot deel van hem mist.”‘ Dit is een bundel over hoe wij de realiteit waarnemen, over hoe zij aanwezig lijkt te worden of juist ‘meervoudig afwezig’ is en over hoe betrouwbaar of onbetrouwbaar onze kijk erop is. De dichter stemt een hele bundel lang in met Fernando Pessoa: ‘Er schuilt ongeloof in ieder uur.’

Het lijkt erop alsof zij in ‘De delen’ dat thema van de onzekerheid mogelijk in haar eigen levensloop situeert. In één gedicht schetst zij het tafereel van een op de klippen gelopen relatie die bij de buren op niets dan ongeloof stuit: ‘dichters zijn toch vol van liefde, is het niet?’ Er gaat evenveel overtuiging uit van de waan en het vooroordeel als van wat wij onder realiteit verstaan. En Perquin brengt ook kunst en in het bijzonder poëzie ter sprake wanneer zij het over de relatie tussen waan en werkelijkheid heeft. ‘Misschien (…) moet je verlangen naar wat blijft. Maar niet / om aldoor naar te kijken. Daar zorgt de kunst wel voor (…).’ Maar ook een gedicht slaagt er amper in de losse ‘delen’ onder te brengen in iets als een totaliteit. ‘Wij bestaan niet, kunnen bewijzen niet te bestaan,’ houdt de dichter vol. Doordat het hele bestaan in hevige mate een waan is, inspireert het haar iets te verbeelden wat mensen doorgaans als een omgekeerde wereld bestempelen. Bijvoorbeeld in een gedicht waarin heel wijze kinderen hun bange, zwaar wanhopige vaders die ten oorlog moeten, aanvuren om nu eens eindelijk ‘echte mannen’ te zijn en hen troosten met een verlokkelijk vooruitzicht op wat na die oorlog zal komen: ‘Ze zeiden dat de vrede die zou komen / grote warme borsten had.

Perquin kan merkwaardig originele beelden op een geniale manier neerzetten. Langer dan die van de meeste andere dichters blijven zij bij de lezer hangen. Beelden tussen waan en werkelijkheid, bestaan en onbestaan, aanwezigheid en afwezigheid. Wat die laatste betreft is zij ervan overtuigd dat het een troost is te weten dat je ook níet kunt bestaan. Toch wil zij  schrijvenderwijs, vooral in haar zoektocht naar een coherente totaliteit, een soort presentie claimen. Zij roept God en de oerknal erbij en stelt vast dat wat geschapen of ontworpen is een neiging tot groei vertoont. Dat niets met andere woorden ooit voltooid is. Zij lijkt in haar gedichten op die voltooiing te azen. Want God? Ach kom, die is ook maar een mens en niet eens zo’n buitengewone. Hij ligt naast haar in bed, draagt een versleten hoed en speeksel druipt vanuit zijn mondhoek naar het kussen. Bovendien snurkt hij. Maar eigenlijk is Hij in de ogen van de dichter de grote afwezige, zelfs wanneer Hij pretendeert de enige en de beste te zijn. ‘U bent er niet,’ zegt zij. Misschien kan zij alles beter: dat denken dichters vaker. God reageert enigszins gepikeerd: ‘Gratis dicteer ik / dit gedicht,’ zegt hij, ‘Probeer het zelf / maar te verpesten.’ Wat drijft Perquin? Wellicht de vaststelling dat er met het universum iets is misgegaan: ‘de schepping brak al los  en  / plantte zich ontstuitbaar voort.’ Voor haar kan de hele schepping beter worden overgedaan en om dat te bewijzen heeft zij de taal van de poëzie nodig. Pas dan kan zij zich voldoende wapenen om de competitie met de schepper aan te gaan.

Het zal niet verbazen dat er in haar gedichten grote aandacht uitgaat naar die scharniermomenten in het leven die het best de relatie tussen aanwezig en afwezig illustreren. Uiteraard is de dood zo’n moment. De dichter schrijft magnifiek over die van haar vader in ‘Amsterdamned’. Daarin heeft zij het over de figurantenrol die hij ooit in een film heeft gespeeld, vlak voor hij stierf. Figuratie lijkt wel zijn hoogste vorm van aanwezigheid te zijn geweest. Maar één gedicht later laat zij hem bij de kistenmaker ongegeneerd weer uit de doden opstaan. Dat kan een dichter doen. Maar wat zij dichtenderwijs niet doorgronden kan, is de oorsprong van alles, het raadsel van dat hele ons omringende universum. Niet één gedicht is daartoe uiteindelijk in staat, zelfs niet dat van een absolute topdichter als Ester Naomi Perquin.

ONDERSTEUNENDE TROEPEN

 

De vaders waren bang toen de oorlog begon. Maar de kinderen

kwamen hen troosten. Ze zeiden dat er na de oorlog

feest zou zijn, met drank en gratis sigaretten.

 

Dat er medailles zouden komen, dikke gouden plakken,

dat men zou klappen, dat er standbeelden kwamen,

hele imposante. Een eindeloze bloemenzee.

 

De vaders huilden toen de oorlog begon, verstopten zich

onder hun bedden, klampten zich aan echtgenotes vast.

 

De kinderen kwamen met hen praten, legden uit hoe het zat

met de kwetsbare waarde van eigen gelijk. Ze schoven

hen wapens in handen, spraken over echte mannen,

hoe dringend deze oorlog nodig was.

 

Ze zeiden dat de vaders het op een dag zouden begrijpen,

als ze onschuldig waren en klein, als ze de wereld

zo goed zouden kennen als zij.

 

Sommige vaders probeerden te vluchten, verschansten zich

op hun kantoor, sneden hun polsen door in bad,

verloochenden hun vaderschap.

 

Maar ze kwamen hen halen, de zonen en dochters.

Ze zeiden dat de vrede die zou komen

grote, warme borsten had.

 

© Ester Naomi Perquin / 2017

 

_______________________

ESTER NAOMI PERQUIN

Meervoudig afwezig

Uitgeverij Van Oorschot, 40 blz., 16,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****

 

Luuk Gruwez. Dichter en Cipier

Wednesday, July 4th, 2012

 

Elke maand schrijft Luuk Gruwez in zijn rubriek De Sirene een recensie over de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft weten te trekken. Deze bespreking verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

LUUK GRUWEZ. DICHTER EN CIPIER

 

Een kortsluiting, schrijft Van Dale, is onder meer een ‘onbepaald en toevallig contact waardoor iets nieuws op cultureel en geestelijk gebied ontstaat.’ Dit is dan de positieve kijk op het begrip. Maar voorts definieert hetzelfde woordenboek een kortsluiting in de figuurlijke zin als ‘een totaal (wederzijds) onbegrip, met name reikend tot een (hevig) conflict.’ In ‘Celinspecties’ ontpopt Ester Naomi Perquin zich als de dichteres die kortsluitingen in deze beide betekenissen registreert, interpreteert en inspecteert. Het is bekend dat zij een aantal jaren als cipier heeft gewerkt om haar studie te bekostigen. Haast onvermijdelijk is zij daarbij voor tal van celbewoners een luisterend oor geweest. Je zou kunnen stellen dat die nu voor een soort wederdienst zorgen: vele gedichten in haar bundel dragen als titel hun voornaam en het initiaal van hun familienaam. Zij staan in alfabetische volgorde, her en der afgewisseld met anders getitelde gedichten die vaak net zo goed het gekooide bestaan als thema hebben.

‘Celinspecties’, zo heet de bundel, gaat dus over contact, in het bijzonder over wat daarmee verkeerd is gelopen, met delinquentie als onvermijdelijk gevolg. Soms lijkt het erop dat Perquin de ultieme elektricien is die erover waakt dat de stukke zekeringen van de gedetineerden onder haar supervisie tijdig vervangen of gerepareerd worden. Het gaat er haar evenwel niet enkel om poëzie over ontspoorden te schrijven, maar over hoe communicatie je zowel groter kan maken als kan kleineren tot er haast niets meer van je rest. Perquin huldigt, geloof ik, de zeer humane intentie dat niets van een mens verloren mag gaan. Alleen al door haar grote vermogen tot empathie is zij veel meer op verzoening dan op distantie uit en voelt zij niet de geringste aanvechting om rechter te spelen tegenover haar gespreksgenoten. Dat schept een intiemere band. De gevangenen krijgen onderdak in haar, in iemand die tot de wereld van de vrijheid behoort. Natuurlijk wordt de dichteres nooit helemaal diegene in wie zij zich inleeft. Wel toont zij respect voor wie van dat al bij al toch vaak discutabele rechte pad is afgedwaald.

De vele vragen die Perquin zich in haar bundel stelt, overigens in samenspraak met wie zij dient te bewaken, zijn deze: wie treft schuld, wat was er te vermijden geweest, waarmee straf je iemand op een decente wijze en waar begint en eindigt de vrijheid? Al in het eerste gedicht is daar de vraag in welke mate er interactie met een ander mogelijk is en in hoeverre een ander door je kan worden gestuurd. Sommige gedetineerden vluchten in de ontkenning (‘Ik was er niet bij die nacht.’) of in het zwarte gat dat hen van alle schuld vrij zou moeten pleiten. Anderen leggen de verantwoordelijkheid voor hun ontsporing buiten zichzelf, bij wezens over wie zij geen gezag hebben. ‘Wat ze ook willen, die dolle honden in mijn kop hebben altijd honger (…)’, beweert een gedetineerde die Michael van W. heet. En Jakob De B., kennelijk een seksuele delinquent, toont zich net zo goed het slachtoffer van een geaardheid die hij nu eenmaal niet in bedwang kan houden: ‘Altijd denk je aan de meisjes, zo gauw de wereld ‘s morgens openklapt/ aan hun huppel het huis uit, hun sprong in het zicht, hun dansende/ fietsende benen je dansende fietsende hart (…).’ De zoektocht naar het absolute meisje houdt hem gegijzeld en het grote verlangen blijft bij hem ook in de laatste strofe van het gedicht nog overeind, al beseft hij dat zijn gevangenschap een ernstig obstakel is. Een obstakel overigens dat hem tegelijk tegen zichzelf in bescherming neemt: ‘en je denkt aan de deur, de stalen geur van zelfbehoud, je denkt/ aan de meisjes, hun huppel het huis uit, nooit te weten of er/ eentje van haar fiets springt, op je afrent, van je houdt.’

Alle personages die Perquin ten tonele voert, blijven dromen, piekeren, verlangen, vanuit de kooi van hun lijf, waar het niet zo heel erg anders is dan in de doordeweekse wereld. Allen onderzoeken zij de grenzen tussen binnen en buiten, tussen vrijheid en gevangenschap. Verandert het je wezenlijk opgesloten te zitten? Het is anders, maar het went, suggereert de dichteres in het gedicht ‘Binnen beperkingen’, waardoor het bestaan in de cel inderdaad niet direct zinlozer lijkt dan dat daarbuiten. Ongelukkig is wie geen vrede neemt met zijn begrenzingen. Dit neemt niet weg dat wie zich met een cel tevreden moet stellen van een kamer en bij uitbreiding zelfs van een tuin kan dromen. Zo aast iedereen uiteindelijk op de hele wereld als territorium. Maar al is ontsnappen theoretisch mogelijk, metaforisch gesproken is dit eigenlijk niet het geval: ‘Buiten de omheining/ springen felle lampen aan.’ En dus is er de nood aan het compromis: ‘Later leer je dat je genoeg moet vergeten om ruimte te maken/ voor wat er nog komt (…).’

Merkwaardig is het dat Ester Naomi Perquin minstens een paar keer de link legt tussen criminaliteit en kunst. Bijvoorbeeld in het prachtige ‘Carlo ‘de veroveraar’ da C.’ Hier krijgt een inbreker het woord die nooit in een materiële buit geïnteresseerd is geweest. Hij is alleen geïnteresseerd in visuele verovering, vooral als het gaat om plaatsen die oninneembaar lijken. Hij ervaart het als een esthetische betrachting kamers te betreden ‘waar geen vreemden kwamen’. Deze man, koning van het nauwelijks betreedbare, is een van de aimabelste misdadigers in de bundel. Het gedicht waarin hij zich uitspreekt, verdient het klassiek te worden. Je krijgt het gevoel dat iets als straf hier niet op zijn plaats is. Een hommage aan wat hij heeft verricht was allicht plausibeler geweest.

Wanneer is straf overigens rechtvaardig? In wat veelbetekenend ‘Legale activiteiten’ heet, wordt niet zonder schamperheid een klein betoog opgezet over straffen die ondanks hun legaliteit toch tot het domein van het sadisme behoren, doordat zij de identiteit van wie gestraft wordt vernietigen. Perquin legt het verschil bloot tussen legaliteit en humaniteit. Haar engagement is ruimer dan literair. Zij wil gevangenen de vrijheid geven om zich uit te spreken, ook al is zij diegene die de deur achter hen moet sluiten. In het lange, aangrijpende slotgedicht, staat dit: ‘Maar jij zei: mijn laatste adem wil ik graag voor thuis bewaren/ en ik lachte om je woorden, lachte even om je Bennie./ Sloot de deur achter je rug.’

De dichteres van deze regels laat haar personages pendelen tussen vrijheid en gevangenschap. Soms is de loopafstand daartussen groot, soms niet. Maar de stem waarmee zij onder meer deze handeling beschrijft, is in enkele jaren tijd behoorlijk onvergetelijk geworden.     

 

CARLO ‘DE VEROVERAAR’ DA C.

 

Dat ze mij in handen kregen; het kan de buit niet zijn geweest. Ik sloeg

niets op en leefde nergens van. Ik had geen helers. Zo’n droeve,

hongerige dief op zoek naar spullen was ik niet.

 

Een kijker, ja. Ik zie steeds weer een opening, een kier

waar niemand ruimte ziet. Ik zet karakter in.

 

Was er een huis, uit ijzer en beton gegoten, zes man bewaking op de muur,

toegangswegen afgesloten; ik kwam erin. Ik nam niet eens iets mee,

geen schat of souvenir – dit zat de oude rechter dwars, een man

die nooit de schoonheid zag van ergens zijn, van kamers

waar geen vreemden kwamen – hij ging maar door

op wat te halen viel – alsof ik dat niet zag.

 

Ik hoef hun televisie niet. Wat er te halen viel, dat heb ik nóg.

Ze nemen me geen meter af van elke afstand die ik won,

van elke kamer die ik zag en ieder dak dat ik

beklom en waar ik stond en koning was.

 

Ester Naomi Perquin

___________________

ESTER NAOMI PERQUIN

Celinspecties

Uitgeverij Van Oorschot, 72 blz., 14,50 euro

Janita Monna. Een vorm van verdwijnkunst

Tuesday, June 5th, 2012

Ester Naomi Perquin – Celinspecties

Celinspecties

Celinspecties

Behalve de boeken van Peter R. de Vries wordt er, naar het schijnt, ook poëzie gelezen in de gevangenis. Vooral ‘Candlelight-gedichten’, van het gelijknamige radioprogramma, zijn populair.
Benieuwd of de derde bundel van Ester Naomi Perquin zal aanslaan in de bajes. Perquin kreeg met haar met prijzen overladen debuut meteen vaste voet aan de Nederlandse dichtersgrond. In Celinspecties duikt ze in de huid van gevangenen. ‘Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven’. Haar exercitie doet denken aan de film ‘Being John Malkovich’, waarin een man in het hoofd van de acteur belandt.
De bundel bestaat uit verschillende kleine afdelingen. In het openingsgedicht van elk van die afdelingen worden types als Frans van A., Carlo ‘de veroveraar’ da C., Bart V. voorgesteld. Mannen met een verleden. Gevaarlijke gekken en zielige stumpers. Hun verhaal klinkt als monoloog tegen de psychiater, of als verweer tegen de rechter, of zomaar als mijmering. Nergens komen we te weten wat deze mannen precies op hun kerfstok hebben.
Al lijkt David H. vast te zitten wegens wurging, en schemert in het verhaal van Bart V. een schietpartij in een winkelcentrum door. We zien door zijn ogen wie hem tijdens zijn daad nog aankeken ‘een vrouw met een tas waar prei uit stak’, en een meisje dat “ach lieverd” riep:

Ach lieverd. Ze lachte heel even en daarna
viel ze neer alsof ze een jas was geweest
die ineens van een hangertje gleed.

Dat laatste beeld is even tragisch, hardvochtig als raak.

De overige gedichten binnen een afdeling houden min of meer verband het openingsgedicht. Regels als deze lezend zou je kunnen denken dat Frans van A. een moeder had die godsdienstwaanzinnig was: ‘Ze boende een vloek uit mijn mond, dit dacht ik verbeten/ wat hier achterblijft, wat aan de zeep ontsnapt// schuimbekkend zingende lastering hierbinnen, (…) dit happen naar lucht dit is/ wat ervan komt, nu zal het beginnen’. Misschien kreeg hij in zijn jeugd een tik van de molen, die hem uiteindelijk in de nor deed belanden? Vast staat het niet.
Perquins Celinspecties zijn een vorm van verdwijnkunst. Kruipen in andermans levens geeft de mogelijkheid in en buiten het gevang te verkeren en behalve het pak van gevangene, ‘ondertussen buiten’ de geliefde te zijn, of het uniform van bewaker aan te trekken. Dan klinkt het sadistisch: ‘Op een luchtplaats laten lopen en af en toe het geluid/ van een geweerschot maken.’
Het levert een buitengewoon intrigerende bundel op, met kijkjes in soms inktzwarte levens. Dit bijvoorbeeld, van een man, die na eindeloos brieven schrijven op bezoek gaat bij een vouw buiten de gevangenis en zich realiseert dat hij zijn verleden beter kan verzwijgen: ‘Je jeugd alleen/ zou vlekken maken op haar vloer.’ Dat komt aan als een stevige linkse.

Frederik C.
De straf hangt af van hoe je het zegt. De man in het zwart is
een stemming in pak en zijn nachtrust, zijn vrouw, zijn ontbijt,
de kwaliteit van de koffie ter plaatse: allesbepalend.

Jou rest niets dan hooguit één zin waar hij straks de vinger op legt.
Zorg dus voor het hele verhaal – ontzie jezelf niet te veel maar
schuif uit beeld, langzaam aan. In plaats van moordenaar
kies je ‘dader’. Ruimtelijker. Minder beladen.

Begrijp me goed, wanneer het nodig is: zeg het hard.
Hard als de handel in vlees, wees ferm, zeg hoe snel je toen sneed
en koud moest maken, handzaam als een diepvrieskip.

Alleen als het anders kan zeg je: ik deed hem de das om. Geen taal
die je zo van verzachting voorziet. Ook die man in het zwart
is jong geweest, ook hij ziet je graag iemand
beetnemen, opwarmen, aankleden.

Ester Naomi Perquin – Celinspecties. Van Oorschot, 72 blz. 14,50 euro, ISBN 978 9028241954.
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Ester Naomi Perquin Rotterdam se nuwe stadsdigter

Tuesday, January 18th, 2011
Ester Naomi Perquin. Foto:

Ester Naomi Perquin

Vir Ester Naomi Perquin, een van die gereelde medewerkers aan Wisselkaarten, het die nuwe jaar omtrent op ‘n hoogtepunt begin aangesien Radio Rijnmond dit die naweek bekend gemaak het dat sy pas as die nuwe stadsdigter vir Rotterdam aangewys is. Hierin volg sy Jana Beranová op.

Perquin, wat in 1980 in Utrecht gebore is, woon die afgelope paar jaar al in Rotterdam. Uit haar pen het daar twee bekroonde bundels verskyn, te wete Servetten halfstok (2007) en Namens de ander (2008). Vir eersgenoemde het sy in 2007 die debuutprys Het Liegend Konijn ontvang en in 2008 die Eline van Haarenprijs. In 2008 is haar tweede bundel Namens de ander met die Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs bekroon.

In Nederland (en Vlaandere) is die posisie van stadsdigter natuurlik ‘n amptelike aanstelling wat aan die ampsdraer nie net ‘n bepaalde aansien verleen nie, maar ook ‘n vaste inkomste. As teenprestasie moet die digter gedigte skryf in opdrag van die “gemeentebestuur”. Eweneens moet daar op poëtiese wyse kommentaar gelewer word op bepaalde gebeurlikhede in die bepaalde stad.

En met Rotterdam as gasheer van die jaarlikse Poetry International-fees – wat allerweë beskou word as een van die héél belangrikste poësiefeeste ter wêreld – gaan sy omtrent haar werkskedule tot oorlopens toe vol moet laai.

Maar nou ja, ‘n mens kan nie anders as om uit te sien na haar bydraes oor hierdie aangeleentheid nie.

Veels geluk, Ester! Ons is saam met jou verheug …

As leestoegif volg ‘n gedig, “Scheppingsverhaal“, onder aan vanoggend se Nuuswekker. Graag fokus ek ook jou aandag op die onderhoud wat Andries Visagie in 2009 met Perquin gevoer het toe sy op besoek aan Suid-Afrika was.

***

Sedert gister het daar net een nuwe bydrae bygekom en dit is Andries Bezuidenhout wat skryf oor die gemeenskappe van Goedverwacht en Wittewater; meer spesifiek die onderskeie kerktorings.

En dan moet jy nie vergeet om vanaand om 22:00 te luister na “Vers & Klank” op RSG nie. Daniel Hugo lees dan sy vertalings van Rutger Kopland se gedigte voor.

Mooi bly.

LE

 

Scheppingsverhaal

 

Mooie geliefden waren we niet, tussen
stoffige dekens in een halfvreemd bed,
moe van de vlucht terug naar huis,
ondankbaar, vastbesloten
tot eten, drinken, elkaar.

Toch lagen we dicht
bij de ruimte waarin toen een
speldenknop, microscopisch land,
een nader uit te werken plan.

Leg je hand in mijn hand, je hart
in mijn hart, weet je slagen geteld.
Ken de oorzaak daarvan.

Je werd die nacht verondersteld
zoals dat heet, of liever toch bedacht.

Aan het einde van de slaap bleef
jij nog maanden duren.

 

(c) Ester Naomi Perquin (Uit: Servetten halfstok)

 

 

Ester Naomi Perquin – Puntje puntje puntje

Wednesday, December 29th, 2010

Welke poëzie neem je mee naar een onbewoond eiland, als je niet weet hoe lang je er zult blijven? Poëzie die je warm houdt als je slaapt. Poëzie waar je een goedgevulde maag aan overhoudt of waar je liederlijk dronken van wordt. Dat lijkt me wel wat. Of een bundel die flink met je in discussie gaat, ter bestrijding van de zelfgenoegzaamheid. Ook handig: poëzie die licht geeft, zodat je passerende schepen kunt waarschuwen (dat wil zeggen: áls je gered wenst te worden, wat nog helemaal niet zeker is). Allemaal onzin natuurlijk: waarschijnlijk bestaan de meest indrukwekkende effecten van poëzie uitsluitend in het hoofd. Een paar mooie regels kunnen je eigen bovenkamer dan wel in lichterlaaie zetten – de aandacht van een kapitein zul je daar niet mee trekken. Die heeft wel iets beters te doen (die is niet voor niets kapitein geworden).

Ik mocht eind november een weekje vrijwillig in ballingschap op een lief, onbewoond eilandje – toch nam ik geen poëzie mee. Ik had al een poosje helemaal geen zin meer in gedichten. Niet in die van anderen en al helemaal niet in die van mezelf. Dat soort periodes maak ik wel vaker door, vooral wanneer het leven flink in beweging is. Als mensen die gelukkig horen te zijn plotsklaps heel ongelukkig worden. Als geliefden die je onafscheidelijk had gedacht zich van elkaar los moeten scheuren. Als mensen die nog lang niet dood mogen vreselijke ziektes krijgen. Als de relativiteit der dingen in volle glorie opduikt, als een enge man in een zonnig park. Dan hoef ik even geen gedichten. Dan wil ik dokters zien rennen, statistieken zien omtuimelen en wonderen zien gebeuren. En ter afleiding klamp ik me nog liever vast aan een luidruchtige vechtfilm met een volstrekt ongeloofwaardige verhaallijn waarin de goede man wint en de slechte ten onder gaat. Soms helpt popcorn beter dan poëzie.

In mijn koffer zaten twee romans, twee essaybundels en een schitterend boek van Douwe Draaisma, over het vergeten. Met name dat laatste leek me erg nuttig op een onbewoond eiland – het boek klonk als een praktische zelfhulpgids, vond ik. En altijd heb ik gedroomd van doelgericht vergeten. Op het eiland zou ik eindelijk de tijd hebben dat onder de knie te krijgen. Weg met die zoete spookbeelden, die onvergetelijke gezichten, die weemoedig stemmende herinneringen aan vervlogen nachten. Opgeruimd staat netjes. Maar het Vergeetboek bood in dat opzicht geen soelaas. Vergeten is lastig te sturen, zoveel is duidelijk. Wel was er een zin die mij weer hoopvol stemde: ‘Vergeten is door onze herinneringen gemengd, als gist door deeg.’ (Ik vermoed dat Douwe Draaisma eigenlijk een dichter is).

Emma Crebolder publiceerde in maart van dit jaar een dichtbundel over het vergeten. Boven elk gedicht staat, bij wijze van titel, een aantal puntjes: de letters van het ontschoten woord. Het zijn gedichten over wat er niet is en waar naar gezocht wordt. Het werkt heel aanstekelijk om zulke gedichten te lezen – voor je het weet schieten je woorden te binnen die je zelf al heel lang kwijt was. Of omgekeerd: er ontvallen je begrippen die je dacht nooit te zullen verliezen. Het zou een mooie bundel kunnen zijn om mee te nemen naar een onbewoond eiland – zelfs als je geen zin hebt in gedichten. Je zou je dan bezig kunnen houden met de titels en, al wordt je daar geen betere vergeter van, met de invloed van een stel piepkleine puntjes op een mensenleven. (Puntjes: de lege dagen in de agenda van wie niet meer naar buiten wil, het overgaan van de telefoon als de verlaten geliefde belt, de apparatuur naast het ziekenhuisbed). Het zou me niets verbazen als het tot verrassende inzichten leidt: lezen wat vergeten werd. De zalige leegte van het ontbreken. En dan maar hopen dat niemand je komt redden.  

[..]

 

We weten soms niet of het rechts-

of linksaf was. Na een licht wervelen

herstelt zich dat. We vallen wel eens

op ons schouderblad dat we steeds

als schild tegen erger hieven.

We weten soms niet waarom of

waartoe. We schuiven als paar in

elkaar tot de oogbol verschiet. Terwijl

het nog zacht nasneeuwt onder ons vel

ligt het juk al klaar. Misleid zijn we wel.

 

 

 

Uit: Vergeten van Emma Crebolder, uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2010.

Ester Naomi Perquin. Niet op volgorde

Friday, October 15th, 2010

Mogelijke problemen, soortgelijke oplossingen

I

Tien jaar geleden kwam ik aan in de stad. De plek waar ik was opgegroeid en het huis waar ik had samengewoond had ik achter me gelaten. De aftocht was haastig geweest. Ik was net twintig en eigenlijk wist ik nauwelijks wie ik precies zou moeten zijn, in mijn eentje. Een deel van mijn spullen zat in vuilniszakken, opgestapeld in een verder lege logeerkamer. Ik besloot ze niet open te maken zolang ik niets miste. Maandenlang stonden ze daar. Ik had mijn kleren in de kast gehangen, mijn boeken uitgepakt, mijn keuken ingericht en mijn foto’s en brieven gesorteerd. Ik miste niets. Ik begon me af te vragen waarom ik de vuilniszakken überhaupt mee had genomen. Wat er ook in zat – het was overbodig geworden. Toch kwam ik er niet toe ze op te ruimen. Ik had er geen reden toe. Ze stonden me niet in de weg, het huis was groot genoeg en er kwam nooit niemand logeren. Uiteindelijk heb ik ze, toen ik opnieuw verhuisde, aan de kant van de straat gezet.

Ik herlas onlangs de bundel Toespraak in een struik van Victor Schiferli, verschenen bij de Arbeiderspers in 2008. Bij het gedicht Blokkade moest ik, vanzelfsprekend, aan die vuilniszakken denken.

 

Blokkade

 

Je begon met een plastic tasje

maar inmiddels is de gang

gevuld met vuilniszakken.

 

De buren hebben geklaagd,

vanwege de brandveiligheid

moesten ze melding maken.

 

Je leven zit in die zakken

maar niet op volgorde,

en daar kom je niet aan toe

 

zolang die verzameling

de gang blokkeert. De politie

kan er niet door, de brandweer

 

is niet gekomen, je ouders

staan in de file, je vrienden

zijn nog jaren met vakantie.

 

Zo denk ik de laatste dagen aan alle vuilniszakken die zich elk moment ongezien opstapelen in gangen, voorkamers, slaapkamers. En aan de mensen die ze laten staan, die er niet aan toe komen die zakken open te maken. Blokkade is een gedicht dat laat zien hoe huiveringwekkend efficiënt de eenzaamheid te werk gaat. Hoe geduldig. Iets schuift langzaam dicht, iets gaat de voordeur blokkeren. Eerst is er nog wat gedoe, halfslachtige bemoeienis. Dan schikt men zich en wordt het stil. Je vrienden zijn nog jaren met vakantie. 

 

 

 Vuilniswagen met regel van Achmatova

 

 

II

Sinds een paar jaar wil ik naar het platteland. Ik stel me er veel vriendelijk groeten bij voor en een dorp waarvan je de meeste inwoners bij naam kunt noemen. De mensen zijn er nuchter en ruimdenkend. Ze verbouwen hun eigen groenten en wisselen recepten uit. Plotsklaps kan ik heerlijk koken. Ook heb ik een heleboel vrienden, als ik daar eenmaal woon. Lieve, attente vrienden die onverwacht voor de deur staan en blijven slapen in één van de grote, warme kamers. Stuk voor stuk vertellen ze interessante verhalen. We halen herinneringen op, terwijl we in de achtertuin zitten en uitkijken over de weilanden en het bos in de verte. Vaak staat er warm brood op tafel, in grove hompen gebroken. We drinken zelfgemaakte citroenlikeur die iets te sterk is uitgevallen en we lachen. Ik heb een hond die nooit sterft en koppig zijn eigen gang gaat. Vaak wandel ik dwars door de vlakke landerijen om het dorp heen, zonder specifieke bedoelingen. Er gebeurt niet zoveel. Nooit wordt er een snelweg gepland die het dorp in rep en roer brengt, nooit zijn er verkiezingen of verkrachtingen. Hooguit is er af en toe onenigheid over een onbetaalde rekening in het dorpscafé. Soms moet ik dan voor rechter spelen, omdat men vertrouwen in mij heeft. Ik bedaar de gemoederen zonder iemand tegen me in het harnas te jagen – maar ik ben principieel en rechtvaardig. Mijn tuin is groot genoeg om wat geiten en kippen rond te laten lopen. De kippen slacht ik nooit, al zou ik heel goed weten hoe. Mijn buren, die een grote boerderij hebben, kijken niet neer op mijn stedelijke achtergrond. Integendeel. Zo nu en dan wordt ik gevraagd te helpen bij de bevalling van een koe. Ik ben namelijk een erg robuust iemand, ik schrik niet van poep of bloed. Ook zit mijn haar altijd prachtig en kan ik eten wat ik wil zonder aan te komen. In twee lessen leer ik autorijden. Ik doe vrijwilligerswerk voor de plaatselijke bibliotheek. Soms lees ik gedichten voor aan slechtziende bezoekers, die met een wat nukkig gezicht komen luisteren. Ik kies dichters die ik zelf graag hoor en men laat mij mijn gang gaan. Zo word ik erg oud, al blijven mijn gewrichten soepel en hoest ik zelden. Als ik doodga is dat alleen maar omdat ik uit wil rusten. In het dorp zullen ze de klokken luiden en een borrel drinken en dat was dat. Alleen de hond blijft dagenlang in de buurt van mijn graf.

 

Ester Naomi Perquin

Ester Naomi Perquin – Verzoek om beweging

Friday, August 27th, 2010

 Verzoek om beweging

 

 In de krant stond twee maanden geleden een klein artikeltje van één kolom, dat ondanks die geringe afmeting nogal in het oog sprong. Erboven stond namelijk één van de mooiste koppen in de geschiedenis van het Kleine Nieuws: ‘Naakte man stapt in politieauto voor lift naar paradijs’.

Nu moet ik wel even vertellen dat ik behoor tot het chaotische type, als het om kranten lezen gaat – ik blader wat, pluk hier en daar schaamteloos een alinea uit een zorgvuldig opgebouwd artikel en laat me bij een belangrijk interview afleiden door de foto die ernaast staat (‘is dat nou een draakje, dat embleem op zijn poloshirt?’) Tenslotte verdwijn ik in nogal eens in de contactadvertenties. (Daar zoek ik al jaren naar een leuke man voor mijn moeder, die helemaal geen man wil, geloof ik, laat staan een leuke.) Zo kwam het dat ik, nog voor ik aan het genoemde bericht kon beginnen, een blik wierp op de pagina ernaast. Daar stond een beschouwing over wielrenners, waar ik doorgaans weinig interesse in heb, maar waar ik onwillekeurig een halve zin uit mee pikte: ‘….pas als alles in beweging komt’. Zoiets onthoud ik dan nog even, terwijl mijn blik al weer verspringt.

‘Naakte man stapt in politieauto voor lift naar paradijs’. In het krantenbericht staat dat de politie in het holst van de nacht een melding binnenkreeg over ‘een naaktloper op de Duindoornstraat in Nijmegen’. Een melding, denk ik, ja natuurlijk. Maar van wie? Van een vrouw die wacht op het geluid van een brommer, een sleutel in het slot, de stem van haar zoon. Ze hoort iemand zingen, ze schuift het gordijn opzij en ziet een poedelnaakte man. (Er stond weliswaar niet dat de naaktloper zong, maar in krantenberichten worden wel vaker cruciale zaken weggelaten en ik kan me zo indenken dat een naakte man reden heeft om te zingen.) Het kan ook zijn, dacht ik, dat de melding kwam van een weduwnaar met een hondje. Zo’n wat oudere heer die een laatste blokje om is geweest en dan, voor het slapengaan, op de stoel voor het raam nog een borrel drinkt. Het is gemakkelijk in te denken dat hij naar buiten kijkt en een blote, door maanlicht beschenen man ziet lopen. (Ik moet denken aan de eerste keer dat ik een kangaroe zag. Ik kampeerde in een van de National Parks van New South Wales. Het was ochtend, nog donker en nevelig. Die kangaroe stak met uiterst trage bewegingen een grasveld over, zo geruisloos dat het leek of hij zweefde. Zo’n magische verschijning zou ook de naaktloper kunnen zijn geweest.)

 

De patrouillewagen trof de man aan op de Muntweg. Ik citeer: ‘Zodra de wagen stopte, opende de naakte man het achterportier, stapte in en deed de gordel om. In een mengeling van Duits en Engels vroeg hij de agenten om hem naar het paradijs te brengen.’ Mijn hemel, denk ik, een gedicht zonder dichter – en het is al gepubliceerd, niet meer in te pikken, nooit meer toe te eigenen. Ik verlang te weten wat er gebeurde, vóór het bericht ontstond, vóór die politieagenten opdoken, vóór de beweging van de naaktloper de aandacht trok.

Dat is, buiten al het andere, iets dat poëzie in mijn hoofd blijkbaar doet, en wel op de meest aangename manier: het beperkt mijn zicht. Tijdens het lezen van een gedicht bekruipt me soms het gevoel door een piepklein raam naar een heel wijds landschap te moeten kijken. Ik zie een fragment, ingekaderd, afgemeten – maar ik wéét dat er meer is. Dus moet ik zelf aan de slag, desnoods de muur om het raam heen beschilderen, lijnen aanvullen, beelden tevoorschijn halen.

Zo werkt het bij het lezen over de man die naar het paradijs wilde. Ik denk aan de mogelijke melders, aan de oudere heer voor het raam, aan de moeder die op haar zoon wacht. Ik denk aan de agenten, aan de manier waarop ze de melding doorkregen (lacherig, streng, zakelijk?) Ik denk aan de naaktloper zelf, aan zijn leven vóór hij zijn kleren uittrok en door de Duindoornstraat in Nijmegen begon te lopen- aan hem denk ik nog het meest. De zin uit het naastgelegen wielrennersartikel mag dus ook nog even meedoen: pas als alles in beweging komt. En dan weet ik ineens wat de naaktloper moet hebben gedacht (en wie weet zelfs gezongen) vóór alles in beweging kwam. Wat hij moet hebben gedacht vóór het in hem opkwam om een lift te vragen. Dat was dit gedicht van Joost Baars namelijk, dat in april verscheen in poëzietijdschrift Het Liegend Konijn – en dat op de een of andere manier zoveel lijkt te verklaren.

 

 

Stilstand

 

alles gaat altijd vooruit zo is het nu

eenmaal denk je dat er iets valt

 

te kiezen voor wind

geldt wat opgaat

 

voor water voor auto’s voor dagen

voor taal en als je probeert

 

dit te zeggen zeg je

 

dit en je kijkt naar de straat

dit en je kijkt naar de mensen

 

en de mensen lopen voorbij

zelfs al lig je met pijn in de borst

 

langs de kant van de stoep dan

is alles wat je kan redden

 

kijken –

 

dit en je kijkt naar de straat

dit en je kijkt naar de mensen

 

en de mensen lopen voorbij

alles onder hun armen altijd

 

altijd vooruit.  

 

 

P.S.

De agenten bij wie de naaktloper in de auto stapte, vonden het, zo vermeldt het bericht tot slot ‘verstandiger hem eerst mee te nemen naar het politiebureau.’ Ik moest die zin wel drie keer lezen – maar het stond er echt. Eerst. Ik weet niet precies hoe een en ander is afgelopen en of de man ooit op zijn bestemming aankwam – maar zo’n woord stemt me hoopvol.

Ester Naomi Perquin

 

 

 

 

Afbeelding: Het paradijs, Roelant Savery, 1626, Gemäldegalerie der Staatlichen Museen, Berlijn

Ester Naomi Perquin – Zo ben ik nergens

Wednesday, July 28th, 2010

Omdat het de laatste weken veel warmer is geweest dan het hoofd aan kan, ligt de werkkamer er tamelijk veronachtzaamd bij. Ik zet er overdag nauwelijks een voet over de drempel. Hooguit kom ik er ’s avonds laat, om een sigaret te roken en na te denken over wat ik had willen schrijven, als ik het zou kunnen. Er ligt één boek (is dat wel een boek?) dat eigenlijk af moet. Een ander boek (zeker geen boek) dat nog moet beginnen. De stapel aantekeningen en briefjes en kassabonnetjes met mogelijke dichtregels probeer ik niet te zien. In de oude veilingkisten die zijwaarts tegen de muur staan opgestapeld bij wijze van dossierkast, liggen vergeelde kranten, oude én nieuwe exemplaren van literaire tijdschriften en dichtbundels die ik ergens voor nodig dacht te hebben en die ik niet heb teruggezet. Er staan ook wat lege flessen, een kruikje sterk ruikend spul dat ik niet lust en een strijkplank waar ik al maanden een essay over wil schrijven.

Vorige week dinsdag kwam er ondanks de tropische temperatuur een aardige meneer met een camera langs om te filmen hoe ik werk. Dus deed ik alsof ik werkte, keek naar een willekeurig geopend bestand (een gedicht dat ik nauwelijks herkende) en verplaatste wat letters. Het is altijd een beetje komisch en ongemakkelijk, zo’n toneelstukje dat twee mensen, die elkaar nauwelijks kennen, samen staan op te voeren. (“Dan deed jij of je schreef en dan deed ik alsof ik een onzichtbaar oog was.”) Er zijn mensen die hun werkkamer van te voren opruimen als er gefilmd zal worden. Mensen die de werkkamer niet opruimen of die de werkkamer wel opruimen maar daar spijt van krijgen. Een aantal mensen dat de werkkamer ontdoet van al te persoonlijke zaken óf de werkkamer juist aanvult met attributen die er normaalgesproken helemaal niet staan. (‘Ja, dit beeldje van de Heilige Antonio kwam ik onlangs tegen en het toeval wil dat ik net begonnen ben aan een cyclus over…’)

Ik ben, geloof ik, iemand die eígenlijk op wil ruimen om een beetje georganiseerd over te komen maar het uiteindelijk niet doet en zichzelf dan eerlijker vindt – maar ook wat lui. Dat is erg oninteressant, erg veelzeggend. Bij uitstek iets om over na te denken wanneer je doet alsof je werkt. Dus tikte ik ‘we doen alsof we niet worden bekeken’ op het scherm en verwijderde dat weer. De aardige meneer filmde in stilte. Na een minuut of wat zei hij dat hij klaar was. Er rolden zweetdruppels van zijn voorhoofd. Ik ging hem voor naar boven en we dronken een glas water op het dakterras, waar het tenminste nog af en toe waait. We keken naar het water, achter mijn huis, waar halfnaakte tieners met dubbele namen in dure sloepen lagen te zonnen. Af en toe vloog er een meeuw over, je ziet ze hier steeds vaker.

Pas ’s avonds, toen het af begon te koelen, bedacht ik dat ik op reis zou moeten, ergens heen, weg van die werkkamer, weg van de bijgedachten, het huis uit. Gewoon een tafel, dacht ik, in het gras. En wat mensen. Een flesje wijn erbij. Duidelijker dan dat werd het niet – het leidde ook niet tot iets concreets. Wel schoot me een gedicht te binnen. Of liever gezegd een beeld waarvan ik dácht dat het uit een gedicht kwam: gerommel met papieren, in de rij voor een loket – en dus moest ik die verdraaide werkkamer toch nog in, op zoek naar de bundel waar dat gedicht uit kwam. Onder een opengeslagen Bijbel en twee stripboeken, na een half uur zoeken: Een vrouw op het zuiden van Kees van Domselaar. Met daarin het gedicht dat ik me meende te herinneren, hoewel er in letterlijke zin natuurlijk helemaal geen rij te bekennen viel. Wat past er toch altijd een boel taal en leven in slechts een regel of wat. Het hele gedicht is zo klein dat je het tot postzegelformaat op kunt vouwen en bij je kunt dragen. Gemakkelijk kwijt te raken ook, per ongeluk natuurlijk of omdat je mensen over de vloer krijgt – maar dat is niet erg. Je onthoudt het wel. Dat vind ik mooi aan dit gedicht: het past precies in één van die talloze kieren in je hoofd. Bijvoorbeeld in de ruimte tussen de vraag waar je heen moet en het vermogen daar geen antwoord op te hebben. Praktischer dan een paspoort.

  

Op reis

 

Bij lange na niet de wakkere, ik ben vaak

zijdelings als ik vertrek en waar ik aankom

met mijn koffer mis ik soms mijn hoofd

en dan red ik het met mijn papieren

en krijg het stempel, dat ik volg

zo ben ik nergens en daartoe

zeer bereid.