Posts Tagged ‘Eva Gerlach’

Janita Mona. Onder het vergrootglas (Eva Gerlach)

Thursday, February 16th, 2012

Eva Gerlach – Kluwen

Recensie door Janita Mona

Eva Gerlach

Eva Gerlach

Al gaan de deuren open, een warm welkom krijgt de lezer die de nieuwe bundel van Eva Gerlach openslaat niet. ‘Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden/ vraag wat je wilt.// Vluchten de levenden, ga ze/ achterna, slacht ze’.

Het leven wordt gevangen en op de slachtbank gelegd. ‘Ontleed’ is misschien een beter woord, want dat is wat er veelal gebeurt in het werk van Gerlach. Haar werkwijze houdt het midden tussen het onderzoekende van de bioloog en het secure snijden van de anatoom. Ze heeft in haar poëzie evengoed oog voor de wratten van padden als voor de onzekere puber die bang is dat hij uit z’n ‘giechel’ stinkt.

Kluwen is een poging om grip te krijgen op een van de meest ongrijpbare aspecten van het leven: het geheugen, de herinnering, wat bewaart wordt en vergeten.

De bundel is het eerste deel van wat de driedelige cyclus Ogen wijdopen moet worden, een motto, een regieaanwijzing gaat de bundel vooraf:

 

het labyrint

van tijd waarin we naar het midden lopen

of we willen of niet ogen wijdopen

 

Voor wie in Gerlachs labyrint verstrikt raakt, is geen weg terug; er is geen draad van Ariadne, maar een kluwen, waarin na elke knoop een nieuwe volgt. Want Gerlach is een onbarmhartig dichter, ze spaart niets, wil tot in de vezels doordringen. Als weinig andere dichters kan ze de zweep over de woorden te halen en zo elk sentiment en elk effect eruit te slaan. De eerste reeks ‘Stapvoets’ bijvoorbeeld, gaat over een oude, aftakelende dame, een moeder voor wie het einde nadert en van wie langzaam afscheid wordt genomen:

 

Ze is een open plek geworden, dood

spreidt zijn jas uit en schrijft ‘gereserveerd’

op oksel ooglid oorlel overal.

 

Toch is voor tranen geen plaats: het ongemak met de lichamelijke situatie van de oude vrouw en het aanschouwen daarvan wordt genadeloos weergegeven. Daarbij is nauwelijks onderscheid te maken tussen wat werkelijk is en wat droom, wat vroeger is en wat nu – indachtig ook het motto van Augustinus dat tijd voorstelt als een ‘uitgestrektheid van de geest’ en dat aan de gedichten vooraf gaat. Het krijgt vorm in zinnen die soms de adem benemen:

 

Droom: ik duwde je maar je wou zelf, de stoel

kiepte, je rookte liggend, vloekte, spoog

neptanden, vuur, kots, bloed, ik stond erbij

keek ernaar Vuil kolerelijf ik hang je

boven de trap ik voer je gif ik snij –

 

Gerlachs gedichten volgen geen rechte weg, maar zijn als een tocht in het labyrint: ze hebben een verraderlijke helderheid, en toch kun je er maar al te makkelijk in verdwalen. Haar zinnen zijn als paden die ineens doodlopen of een haakse bocht maken. Er zijn tal van sporen in te ontdekken, ook naar eerder werk.

 

Eerder maakte ze ook enkele bundels met gedichten voor kinderen. In de ruime bloemlezing die ze uit haar werk samenstelde, Het gedicht gebeurt nu, stonden die kindergedichten gewoon tussen het volwassen werk. Bijna kinderlijk eenvoudige vragen klinken ook in Kluwen. Op zoek naar de werking van het geheugen worden in de reeks ‘In een jas’ spullen verzameld om te bewaren. Het geheugen als een volgepropte jas:

 

Niets wegdoen nooit iets verplaatsen.

 

Kun je dan niets meer vergeten

of is het alleen maar dit dat je niet meer vergeet

 

de ene kleur rood de ene manier met de bal?

 

Ergens doet het denken aan wat ook K. Schippers doet, het verzamelen van momenten, ogenschijnlijk onbelangrijke dingen die gedoemd zijn te worden vergeten. Maar waar het Schippers in eerste instantie gaat om het verzamelen zelf, legt Gerlach het proces onder het vergrootglas: wat wordt gezien, wat vervolgens bewaard en hoe mengt zich dat in het dagelijks leven.

‘[H]erinnering is niks hoe helder ook’, schrijft ze ergens. Dat neemt niet weg dat Gerlach aan de hand van (herinneringen aan) kleine, concrete gebeurtenissen, zo banaal als een blauwe nagel door de klap van een autodeur, leven en dood, zijn en niet meer zijn, haarscherp aanschouwelijk maakt.

 

 

Draad

 

Ik loop op de weg die zich doorknipt, mijn been leest het zwart.

Al het zien zien zien, waar is het goed voor,

wat is er dat ik zie dat ik niet weet,

wat ik niet zie vul ik in, ik merk geen verschil.

Ik loop op de weg die zich doorknipt, ik dek één oog af.

Wat ik weet hoef ik niet te vergeten,

je hals, je hand met het vismes, je zilveren oksel

of je gekreukte ooglid, je korrelige oogwit.

Ik zie de richting alsof ik een draad door een naald steek.

Knipt de weg zich in tweeën, loop ik door op geenbeen.

 

 

Eva Gerlach – Kluwen. De Arbeiderspers. 104 pagina’s, € 18,95 ISBN 978 90 295 7597 3

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Luuk Gruwez. En in het bewaren begint meteen het verliezen

Monday, February 13th, 2012

DE SIRENE   In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

EN IN HET BEWAREN BEGINT METEEN HET VERLIEZEN

Eva Gerlach

Eva Gerlach

Er heerst veel snobisme in de wereld en ook in het domein van de poëzie praat een handjevol lezers maar al te vaak een handjevol lezers na. Velen vinden zo’n winkeldochter als een dichtbundel hoofdzakelijk vervelend of truttig. Misschien wel omdat zelfs de meest gerenommeerde dichters haast collectief lijken te investeren in de spoedige teloorgang van hun eigen genre. Betekent dit dat gedichten onmiddellijk de aandacht hoeven te capteren? In het geheel niet. Alleen moeten ze zich zien te bevrijden van hun wereldvreemdheid. En verder hoeven zij eigenlijk niets. Alleen: verbaasd hoeven zij niet te zijn wanneer straks niemand, behalve een verdwaalde poëzierecensent, een doctorerende neerlandicus of een puzzelende academicus ze nog leest. Ik moet toegeven dat dit een bedenking is die ik mij maakte na mijn eerste lectuur van de nieuwe bundel van Gerlach. Vanwege de hoge toegangsdrempel leek ‘Kluwen’ mij wel een heel toepasselijke titel.

Ik liet het niet bij die eerste bedenking. Al snel begon die titel mij te triggeren. Hij is namelijk erg geladen. Hij kan bijvoorbeeld refereren aan de bol garen die Ariadne meekrijgt om te ontsnappen uit het labyrint waarin de dreigende Minotaurus verblijf houdt. Aan de poging om zin te geven aan wat voor verwarring geschapen lijkt. Aan de hele ‘rataplan’, zoals de dichteres een van haar cycli betitelt, de rataplan die tot een boedelinventaris noopt: dat rommeltje waaruit geen mens nog wijs kan raken, is natuurlijk noch min noch meer het leven. En dan is er nog de cover van de bundel, een foto van een warrige, in zichzelf verstrengelde plant die zich waarschijnlijk laat identificeren als ‘tumbleweed’, ook al de titel van een van de cycli. De dichteres beschouwt het geheugen ten overvloede als een instrument om aan de warwinkel te ontsnappen en om – zoals zo vaak – orde te scheppen met assistentie van de poëzie: ‘(…) ik weet / niet wat ik zing tot het gezongen is.’ Het is het schrijven zelf dat het denken genereert. Weer eens is het lied slimmer dan de zanger.

Maar in de eerste plaats gaat het hier om ‘de dood, de dood en de dood’. Over wat er in onze herinnering al dan niet blijft van wie gestorven is. Over vergeten worden en vergeten zijn. ‘Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden (…)’: zo lezen wij al in het aanvangsgedicht. En ook in ‘Bloedbal’, de slotcyclus, reutelt het dat het een lieve lust is. De vele bespiegelingen over de dood impliceren natuurlijk ook een meditatie over de tijd. Een motto van Augustinus accentueert dit: ‘Zo ben ik gaan denken dat de tijd niets anders is dan een uitgestrektheid. (…) Het zou me verbazen als het geen uitgestrektheid was van de geest en van hem alleen.’ In die zin zijn de doden misschien niet echt dood, maar blijven zij, ontdaan van hun lichaam, juist springlevend in de geest. Want Gerlach heeft zo haar bedenkingen bij dat lichaam waarvan zij meermalen lijkt vervreemd.  

Deze bundel is opgezet als een met mathematische precisie geconstrueerde doolhof. Zo begint hij met acht samenhorende gedichten (om preciezer te zijn: één plus zeven), terwijl hij ook eindigt met een cyclus van acht. De tweede en de voorlaatste bevatten er vijf; de derde en de derde laatste acht; de vierde en de vijfde evenals de vierde laatste elf; en de zesde, de zevende en de achtste telkens drie. Het kan nauwelijks toeval zijn. De dichteres beweegt zich weloverwogen en als het ware spiraalsgewijs naar de kern toe. Dit centripetale streven is ook merkbaar in ‘Toba’, een van haar helderste gedichten. Het handelt over een meer op Sumatra dat is ontstaan door de uitbarsting van een supervulkaan zo’n vierenzeventigduizend jaar geleden. Gerlach laat dat meer in al zijn uitgestrektheid coïncideren met een tot in het oneindige uitdeinend lichaam: ‘Ik zal vinden wat ik wil, het meer en / meer, lichaam uitspanselwijd / over het volle oppervlak gespreid (…).’ Het is een essentiële ervaring die haar aan de tijd lijkt te kunnen ontrukken, maar die dra vergeten wordt wanneer zich om halfzeven ‘s ochtends de ontnuchterende realiteit met al haar teloorgang weer aandient. 

Die teloorgang. Het verwondert mij niet dat hier opvallend veel aandacht heerst voor ontlasting, zeg maar voor pis en poep, die bij uitstek verwijzen naar die dood: ‘pissend tegen de tijd’. Wat een mens uitscheidt, vestigt scherper zijn aandacht op dat definitieve afscheid. Er zit wel meer verval in Gerlachs bundel. De aftakeling van het brein, bijvoorbeeld, in ‘Stapvoets’, een cyclus die over een dementerende vrouw gaat en waarin een aardig contrast wordt opgeroepen met het motto van A. Roland Holst dat eraan voorafgaat: ‘Ik zag een vrouw die schreed alsof zij nooit zou sterven.’ De traagheid van mevrouw Stapvoets is namelijk van een heel ander allooi, ontbeert die gratie, heeft alles met verwarring te maken en met zichzelf niet langer in de hand hebben. Ook haar taal is in de war: ‘Rat! een walsje, ik klim op je voeten / kom hou me vast neem me mee, ik kan iedereen zijn’.

Het is de dichteres al vanaf haar eerste vers te doen om de grenslijn tussen leven en dood. Zij vraagt zich af op welk moment iemand nu eigenlijk niemand wordt. Zij citeert zelfs Odysseus, die haast onsterfelijke reiziger, wanneer hij zegt dat zijn naam Niemand is. De vraag is wat er aan het eind van ons overblijft? Er is het lichaam verpakt in een jas en de route die dat lichaam aflegt van ergens naar nergens, van thuis naar uithuizig. Die jas lijkt een metafoor voor het enige bestaan waarbij Gerlach lijkt te zweren: ‘Zeg: een jas is voldoende. / Meer dan in een jas past wil ik niet hebben.’ En verder schrijft ze: ‘Leg het hart van de dode naast alles / wat hij in zijn jas bewaard heeft.’ Wat wij in onze jas bewaren staat voor wat wij hier dag na dag realiseren. Is dit voldoende om het leven zinvol te laten wezen, dan slaag je er in zekere zin in te overleven: ‘Als alles gelijk is gebleven / begint in de verte de dode / voorzichtig te lopen.’ Maar Gerlachs opinie over de grenslijn tussen leven en dood blijft getekend door onzekerheid. Niets is herstelbaar. Je kunt de geheugenfunctie niet echt op reverse zetten en scherven kun je niet echt weer heel maken. ‘(…) in het bewaren begint meteen het verliezen,’ lezen we.

‘Kluwen’ is een dichtbundel waarvan de kwaliteit minstens evenzeer in zijn ingenieuze constructie ligt als in zijn losse gedichten, die niet altijd even bevattelijk zijn. Maar wie in deze tijd nog geduld voor poëzie wil opbrengen, wacht een royale beloning.  

 

Maak deuren open waardin, laat ze komen de doden

vraag wat je wilt.

 

Vluchten de levenden, ga ze

achterna, slacht ze, je krijgt

 

wat je wilt, vang hun bloed in een zak, steek een spons

op de plaats van hun hart, zeg de spreuk:

 

‘Onverzadigbaar hart, ga niet over rivieren!’

 

Geen van hen zal de Lethe oversteken.

Pis op wie tegenwerkt, sluit de deur weer en wacht.

 

Eva Gerlach

___________________

EVA GERLACH

Kluwen

De Arbeiderspers, 101 blz., 18,95 euro

 

AANTAL STERREN:

**** 

 

Teenstrydige generasies

Thursday, April 14th, 2011
Omslag

Omslag

By die Nederlandse uitgewery Meulenhoff het daar onlangs ‘n besonder belangrike bloemlesing, De tegenstrijdige generatie, onder redakteurskap van Yves T’Sjoen verskyn. Wat dié boek interessant maak, is dat T’Sjoen die versplinterde groeperings wat sedert die 1970s in bykans alle digkunste ter wêreld geld, ignoreer en terugval op die haas uitgediende generasie-groepering; sonder om tematiese en stilistiese verskeidenheid in berekening te bring: “In De tegenstrijdige generatie zijn belangrijke Nederlandstalige dichters bijeengebracht die debuteerden in de jaren zeventig. Deze dichters, geboren tussen 1944 en 1954, zijn inmiddels gevestigde namen. Maar voor oeuvrebouwers en geleidelijk tot wasdom gekomen stemmen in het hedendaagse poëzielandschap, bestaat steeds minder kritische (en volgehouden) aandacht. Met deze bloemlezing krijgen deze dichters de plek die ze toekomt.” 

Yves T'Sjoen

Yves T

In totaal word 16 uiteenlopende digters in hierdie bloemlesing byeengebring, te wete: Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent. 

Volgens die berig by De Contrabas het Yves T’Sjoen hom soos volg hieroor uitgelaat: “[Er was] de vraag onder welke vlag de expositie moest worden gepresenteerd. Er werd eerst gedacht aan ‘Een bescheiden generatie’, maar dat klonk nogal geringschattend, want de dichters die tussen 1968 en 1984 hun eerste stappen op het poëzieforum zetten, zijn allerminst bescheiden te noemen. Ze zijn dan wel geen ‘omroepers van oproer’, hun dichterschap kan beslist niet als low profile worden omschreven. ‘De tegenstrijdige generatie’ leek beter te passen. (…) De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen. Het is mijns inziens het begrip ‘generatie’ zelf dat in deze titel geproblematiseerd wordt.”

En waarskynlik is dit die voorlaaste sin hierbo, “(d)e gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen”, wat ook die problematiek van ons eie groepie tagtigers onderstreep, aangesien hulle hulself ook nog nooit as “groep” beskou of aangebied het nie, en na alle waarskynlikheid as gevolg daarvan ook nie juis prominent in ons eie literêre geskiedskrywing gereflekteer word nie.

Nietemin, ter wille van volledigheid: Yves T’Sjoen se De tegenstrijdige generatie staan tans natuurlik ook in die spervuur vanweë die name wat volgens se benadering wél kwalifiseer, maar nogtans onbreek; digters soos Gerrit Komrij (gebore 1944, debuteer 1968) en Rob Schouten (gebore 1954,  debuteer 1978) word veral voorgehou as beduidende afwesiges.

Vir ‘n omvattende bespreking en beskouing van die digters wat hierin opgeneem is, kan jy gerus Chrétien Breukers se artikel gaan lees. As leestoegif plaas ek graag Luuk Gruwez se gedig “God skryf ‘n brief“, soos dit deur Hennie van Coller in Afrikaans vertaal is, hieronder.

***

Sedert gister het Marlies Taljard ‘n gedig van haar eie geplaas, terwyl Andries Bezuidenhout ‘n stuk oor Paul Celan en sy ikoniese gedig Todesfuge gelewer het.

Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

God skryf ‘n brief

 

Ek het dit nie gedoen nie. Dit was iemand anders.

Ek was toe net besig met die miervreter, kopererts,

en al die visse

in die Atlantiese oseaan.

Dit was tog sekerlik nie ek nie.

 

Ek was nie daar nie, watter dag!

Pas het ek Saturnus en Uranus se mane klaar,

of sowaar, ek moes tyd en taal versin

en titels vir die meeste van my handewerk.

 

Ek was pootuit, vind nêrens rus,

want slaap was nog nie geskape nie.

My oeuvre het in omvang toegeneem.

Veral die vrou het vreeslik sorg geverg.

Sy moes nog skouers kry en ‘n kapsel,

verliefdheid, mymeringe, moederskap.

En erogene sones waarvan ek weinig weet.

 

Ek het geen tyd gehad, watter dag!

Daar’s van my verwag deur hulle wat toe nog nie was

dat daar ‘n oerknal sou wees in die heelal.

En dan die regte volgorde, ja dit veral:

die proefbuisbaba en die tandestokkie,

die boorplatform en ook ekself.

 

Eintlik wou ek net sê, liewe vriend:

dit was beslis iemand van ‘n ander oorde,

‘n konkurrent met meer talent,

wat iets so salig en sagaardigs

geskep het soos die dood.

 

© Luuk Gruwez (vertaling: HP van Coller, Bandelose gedigte, 2007: Praag Uitgewers)

 

 

Yves T’Sjoen Lees maar, er staat meer dan de tekst (8) Eva Gerlach

Friday, May 28th, 2010

De kracht van verlamming. Eva Gerlach en de beeldende kunst

 

Eva Gerlach

Eva Gerlach

 

In 1988 publiceerde Eva Gerlach de dichtbundel De kracht van verlamming. Zowel op het voorplat van deze uitgave (met een foto van de Franse fotograaf Willy Ronis) als op de titelpagina staat het woord ‘verlamming’ romein afgedrukt, in tegenstelling tot de andere (gecursiveerde) delen van de woordgroep. Het titelgedicht staat prominent vooraan in de bundel en krijgt aldus programmatische waarde (of toch minstens extra nadruk). Daarenboven heeft de auteur dit gedicht, naast vier andere, geselecteerd voor de verzamelbundel Voorlopig verblijf 1979-1990 (1999). Daarin is het op de accenten na (‘een’ > ‘één’) ongewijzigd overgenomen, ofschoon ‘[e]en aantal van de gedichten in deze bundel […] kleinere of grotere wijzigingen [heeft] ondergaan’. Ook de compositie onderging verschuivingen. Een variantenonderzoek levert releverende bevindingen op over de compositiemethodiek die Eva Gerlach in haar bundelpublicaties aanwendt. In dit opstel onderzoek ik evenwel niet de tekstwijzigingen in verschillende drukken van gedichten(reeksen), maar wel de betekenissen die kunnen worden toegekend aan het gebruik van peritekstuele elementen. De geïmpliceerde nadruk op ‘verlamming’ heeft poëticale relevantie. Eva Gerlach is zoals bekend gefascineerd door waarneming en de wijze waarop het waargenomene altijd weer andere vormen aanneemt. Plastische kunst en fotografie spelen in haar dichtwerk een belangrijke rol. Observeren is voor Gerlach onlosmakelijk verbonden met de processen van stollen en verdwijnen. Een centraal thema in de gedichten is het opslaan van wat is waargenomen, in het geheugen, op een doek of in een foto, en hoe het waargenomene niets anders kan dan vervluchtigen. In de memorie ondergaat het object van de observatie een continue metamorfose. Door de tijd en de omstandigheden wordt de waarneming onherstelbaar vervormd. Ze kan onmogelijk worden vastgehouden, evenmin in de foto, in het schilderij of in het gedicht. Dat is wat Gerlach ‘de kracht van verlamming’ heeft genoemd. Onze kijk op de werkelijkheid ‘als vreemde plaats’ (zoals omschreven in de prozabundel Losse bedrading, 2003) is aan beeldbepalende verschuivingen onderhevig. Beelden zijn vergankelijk, tot ze uiteindelijk aangetast door verlammingverschijnselen (en omvormingen of deformaties) verdwijnen. Wat we zien verdwijnt. Gerlach heeft het in de titel van een latere bundel over de waarneming van ‘wat zoek raakt’ (1994).

Gerlach en Dukat - Alles is werkelijk hier

Gerlach en Dukat - Alles is werkelijk hier

Gerlach en Aartsen - Jaagpad

Gerlach en Aartsen - Jaagpad

De verwondering over de waargenomen werkelijkheid heeft zij niet alleen in het scheppend werk (poëzie en kort proza) vormgegeven. Gerlach werkte samen met een fotograaf en een plastisch kunstenaar. Niet toevallig reflecteren deze kunstenaars evenzeer over de waarneming en de vormgeving van het (momentane) beeld. Voor Alles is werkelijk hier (1997) werkte Gerlach samen met de Moravische fotograaf Vojta Dukát. Bij de zwart-wit foto’s van Dukát componeerde zij een reeks gedichten, die bij uitstek geen illustraties bij de teksten willen zijn (of andersom). Ook bij (reproducties van) aquarellen en olieverfschilderijen van de Nederlandse graficus, schilder en beeldhouwer Marianne Aartsen, in Jaagpad (2003), schreef zij een reeks gedichten. Eerder al, in 2000, verscheen in de reeks ‘Zwarte reeks’ (Herik) een coproductie van Aartsen en Gerlach onder de titel Solstitium (ter gelegenheid van de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Eva Gerlach). Beide bundels, Alles is werkelijk hier en Jaagpad,  maken deel uit van het poëtische oeuvre. Gerlach liet zich inspireren door of voelde veeleer verwantschap met de wijze waarop Aartsen en Dukát hun visie op de werkelijkheid gestalte hebben gegeven. De observatie (of de beleving) van de picturale en fotografische kunst gaf aanleiding tot het schrijven van deze gedichten.

Het amalgaam aan periteksten dat Gerlach en beide kunstenaars in de respectieve bundels opnamen, bepalen in hoge mate de manier waarop we deze multidisciplinaire artistieke projecten, en meer in het bijzonder de compositie van Gerlachs poëzie, kunnen bekijken. Het artefact is weliswaar een eindproduct van de (in dit geval gezamenlijke) creatieve arbeid, toch kunnen ook semantische (en dus niet alleen materiële) sporen van het productieproces in het onderzoek naar het kunstwerk worden betrokken. In de Franse critique génétique worden hypothesen geformuleerd over het scheppingsproces en de mogelijke betekenissen daarvan. Dat proces wordt in vijf stadia onderverdeeld (de precompositionele en de compositionele fase, de fase van prepublicatie, publicatie en postpublicatie). Dirk van Hulle wees er in De kladbewaarders (2007) al op dat de eerste drie fasen, dus met inbegrip van de voorpublicatie in een periodiek of in een bibliofiele editie, door de Franse tekstgenetici tot de ‘avant-texte’ worden gerekend. Mijns inziens kan de auteursintentionele keuze voor de opname van een selectie periteksten – bijvoorbeeld motto’s bij afzonderlijke gedichten, gedichtenreeksen, cycli of de hele bundel – ook in die voorbereidingsfase zijn ontstaan en kunnen deze sporen van de tekstgenese als onderdeel van de ‘avant-texte’ worden beschouwd. Tekstelementen die volgens Genettes typologie weliswaar periteksten kunnen worden genoemd, maar die uiteindelijk deel gaan uitmaken van de tekst zelf (in de fase van (post)publicatie). In deze casus onderzoek ik enkele van deze specifieke tekstelementen en de wijze waarop ze bijdragen tot een verdieping van de thematiek van Gerlachs gedichten.

Naast de biografische gegevens die op de binnenflappen van de papieren bandomslagen en op de eerste pagina’s van Alles is werkelijk hier zijn afgedrukt, met inbegrip van een korte zelfimpressie van Vojta Dukát (‘Dukát over Dukát’), omvat de bundeluitgave eenentwintig gedichten en evenveel foto’s. De fotografische afdrukken zijn op de linkerpagina gezet, Gerlachs gedicht staat op de tegenoverliggende pagina. Elk gedicht vermeldt naast de titel (telkens een toponiem) tussen vierkante haken een jaartal. Deze elementen maken deel uit van de tekst. De aantekeningen waarmee de bundel afsluit, kunnen volgens Genettes begripsomschrijving als peritekstueel worden omschreven. Bij twee gedichten nam de dichter een annotatie op, met name ‘S. Bartolomeu do Mar [1977]’ en ‘Polen [1982]’. Het citaat ’de geest schuilt in het tastbare’ in het eerste gedicht wordt toegewezen aan Arthur Miller (ontleend aan een interview); de eerste vier regels van het tweede geannoteerde gedicht ‘zijn gebaseerd op Melchior de Wolff: De Osip Mandelsjtam van de fotografie, voordracht gehouden ter gelegenheid van de uitreiking van de Capi-Lux Alblasprijs 1997’. Beide aantekeningen lijken op het eerste gezicht uitsluitend een encyclopedische respectievelijk anekdotische relevantie te hebben: een gebruikt citaat wordt toegewezen aan een bekend Amerikaans toneelauteur en vier versregels zijn naar Gerlachs eigen zeggen geïnspireerd door een toespraak over (als modernistisch omschreven) fotografie. Het is an sich niet opmerkelijk dat Gerlach aantekeningen opneemt bij de bundelpublicatie van haar poëzie. Zo zijn bijvoorbeeld ook in De kracht van verlamming, in Wat zoekraakt en ook in Situaties (2006) telkens bibliografische gegevens vermeld: vertalingen uit Dantes Inferno, ontleningen aan John Donne en Max Frisch, versregels die putten uit de Grote Winkler Prins of woordverklaringen (‘Polyp’ in Wat zoekraakt en ‘Ars oblivionis’ in Situaties), en citaten uit T.S. Eliots Four Quartets en Paul Valéry’s De macht van de afwezigheid. Ook opdrachtgedichten (en hun concrete aanleiding) worden als dusdanig geregistreerd. De reeks ‘Grote fuga’ is in opdracht geschreven; de titel refereert aan Beethovens Grosse Fuge. Dat periteksten kunnen inwerken op een lezing van Gerlachs gedichten mag duidelijk zijn. De toelichtingen bieden immers méér dan een schijnbaar lukraak samengesteld lijstje van erudiete referenties. De selectie biedt op een expliciete manier inzage in de literaire en andere bronnen die Gerlach weten te boeien, waar ze affiniteit mee vertoont of waaraan zij haar pen (of blik) heeft gescherpt, en waarvan een impact merkbaar is in de respectievelijke teksten. Dat zij heeft geoordeeld de verwijzingen effectief op te nemen achterin de bundels, waar andere dichters bijvoorbeeld geen toelichting verstrekken, zegt de lezer iets over de betekenis die de auteur wenst toe te kennen aan dergelijke bronnenopgaven. De reminiscenties bieden in ieder geval de gelegenheid de vermelde bronnen op te zoeken. Ze laten de ijverige lezer toe de (eigenzinnige) wijze waarop Gerlach deze bronnen heeft geregistreerd, geselecteerd en eventueel van commentaar voorzien  in een zinvol verband te plaatsen met betrekking tot het zingevingsproces van de gedichten. Wat de toelichtingen in ieder geval aangeven, is dat Gerlach vanuit een veelzijdige belangstelling schrijft en bewust de verschillende literaire en niet-literaire bronnen tot onderdeel van haar boek maakt. Een bibliografische appendix kan natuurlijk worden beschouwd als een tegemoetkoming aan het lezerspubliek. Echter, datzelfde publiek kan zelf ‘polyp’ in een verklarend woordenboek opzoeken of er de referenties aan Dante op naslaan. Dat zij voor explicitering van bronnen opteerde, geeft aan dat de auteur wellicht toch nog iets anders heeft beoogd. Dat iets moet niet louter pragmatisch (of lezersgericht) worden ingevuld. De verzamelde bronnen reiken méér dan alleen een hand aan een weinig aandachtige, over citaten en ontleningen heen lezende lezer. Ze willen ook meer dan  louter aangeven dat de dichter zelf belezen is en voor het schrijven van een gedicht wel eens een woordenboek of een studieboek ter hand neemt. De referentiële vermeldingen (ook betreffende fotografie bijvoorbeeld) zijn alle teksten en dus talige constructies. Gerlachs gedichten zijn doorspekt met regels en woordgroepen die aan andere bronnen ontleend zijn. Dit zegt wellicht iets over de compositiemethode die aan de basis ligt van Gerlachs poëzie, waarvoor we aanwijzingen vinden in de verzamelde periteksten. De waarnemingsgedichten, geconcipieerd vanuit een averechtse kijk op de werkelijkheid, zijn alle associatief opgebouwd. Gerlachs formele preoccupatie, en dus de keuze voor de associatietechniek, is een manier om het vluchtende karakter maar ook de (per definitie) onvoltooide aard van de teksten scherp te stellen. Associërend wordt datgene wat is waargenomen in de loop van het gedicht telkens iets anders (de deformatie). De waarneming vervluchtigt tot het beeld in de witruimte na elke slotregel echt ophoudt (de verdwijning). De associatieve werkmethode laat toe intertekstuele verwijzingen in het fragmentarische tekstgeheel te integreren, waardoor uitspraken (of zienswijzen) van de vertelinstantie in Gerlachs gedichten geconfronteerd worden met of tenminste aangevuld worden door andere sporen van een registratie. Onze kijk op de dingen ondergaat onmiskenbaar transformaties, niet alleen door de tijd maar dus ook door de omstandigheden. Wat de ander ziet, en hoe het waargenomene in teksten, foto’s of op schilderijen is vastgelegd, vervormt voor de duur van het gedicht ook de kijk van de verteller in Gerlachs poëzie. De aantekeningen laten de auteur toe de inmenging van andere bronnen in de waarneming aanschouwelijk te maken. De blik wordt geleid en tal van factoren hebben in dat begeleidingsproces een (beeldbepalende, zo niet fixerende) stem. De periteksten laten ons toe inzage te verkrijgen in de manier waarop de observatie wordt gevormd. De keuze van Gerlach voor foto’s of tekeningen op het omslag van haar bundels preludeert al op de thematisering van de functies van het kijken in de poëzie.

Foto Willy Ronis

Foto Willy Ronis

Het kan vanzelfsprekend geen toeval zijn dat Gerlach met kunstenaars heeft samengewerkt in wier werk de waarneming en de idee van vergankelijkheid ook centraal staan. Vojta Dukát, zo luidt de flaptekst, ‘[laat] het mysterie van het ogenblik intact’ en hij is gebiologeerd door ‘een verdwijnende werkelijkheid’. Marianne Aartsen exposeerde beeldend werk in ‘Passages’ (Roermond, februari-juni 2003) – de titel alleen al wijst op het ‘vervluchtende’ karakter – en liet zich inspireren door drie verblijven in het West-Afrikaanse Mali. Bij de repro’s van Aartsens werk publiceerde Gerlach ook weer eenentwintig gedichten (‘Erotische voorstelling 2’ omvat twee genummerde luiken). Voorin de bundel Jaagpad worden de woorden ‘jaagpad’ en ‘jaagpaard’ verklaard (met Van Dale als bronvermelding). In deze bundelpublicatie is ook een motto opgenomen. Gerlach werkt wel vaker met motto’s die aan de gedichten voorafgaan: Verder geen leed (1979) heeft een Spaanstalig citaat van Quevedo en Dochter (1984) enkele regels van Thomas Blackburn.

 

 

 

 

Voor Een bed van mensenvlees (2003) haalde zij een fragment uit Het boek van de geheimen der alchemie van Khalid ibn-Jazid. Het motto in Jaagpad is ontleend aan de kort tevoren verschenen bundel Squarings (2003) van de Ierse dichter Seamus Heaney: ‘That day I’ll be in step with what escaped me’. Heaney’s reeks met achtenveertig genummerde gedichten – wellicht niet toevallig in het licht van deze casus – is uitgegeven samen met exact hetzelfde aantal tekeningen van Soll Le Witt. Het citaat sluit trouwens thematisch nauw aan bij de thema’s van stolling en vergankelijkheid in Gerlachs literaire werk. De gedichten zijn in taal gevatte waarnemingen, of beter: in verzen uitgedrukte sporen van Gerlachs observatie van Aartsens beeldend werk. De dichter is zich bewust van het idiosyncratische karakter van deze waarnemingen. De combinatie van beeldend werk en poëzie stelt de lezer in staat de waarneming van de taalkunstenaar en de wijze waarop de taal wordt aangewend om een interpretatie (een eigen waarneming) te verwoorden met elkaar te confronteren. De lezer ziet de dingen anders dan de schrijver, en hij kan op basis van de reproducties zijn waarneming confronteren met een zienswijze van de dichter. Op die manier, door de beeldbepalende rol van het perspectief te benadrukken, wordt een perpetuum mobile van steeds wisselende observaties en beelden in werking gesteld.

 

De samenwerking met andere kunstenaars, die resulteert in zogeheten crossmediale projecten (literatuur en schilderkunst, literatuur en fotografie), maakt Gerlachs poëzie uiteraard niet uniek. Zo thematiseren de gedichten van Willem van Toorn, een schrijver die net als Gerlach tot de mainstream van de Nederlandse poëzie wordt gerekend en een gelijkaardige helder geformuleerde anekdotiek hanteert, de waarneming van de werkelijkheid. Van Toorn componeert teksten als verdichte beschrijvingen van foto’s of grafische werken. In sommige gevallen worden die beeldende werken ook gereproduceerd in diens dichtbundels. Critici gewagen van gedichten als prenten of schilderwerken. Gerlach tracht echter niet zozeer de ondoorgrondelijkheid of de vervreemding van de werkelijkheid te vatten. Haar poëzie biedt een reflectie op de werking van de waarneming. Hoe wisselende perspectieven op de werkelijkheid andere inzichten opleveren. Hoe het waargenomene anders wordt verbeeld als de invalshoek – door de tijd – ander is. Hoe het geheugen het waargenomene steeds bijgekleurde invullingen geeft. Precies dat zogenaamde ‘vluchtende’ karakter van wat wordt geregistreerd, tracht zij formeel uit te drukken in haar poëzie. In de overtuiging dat ook taal moet verzaken aan haar vermeende conserverende functie. De inzet van aantekeningen is vanuit die optiek een strategisch aangewend semantisch middel om de kracht van de verlamming aanschouwelijk te maken. Objecten die blootstaan aan verlammingsverschijnselen staan keurig opgetekend achteraan de boekuitgaven, waar ze meer zijn dan een handvol handreikingen of verklaringsmodellen voor de gedichten zelf.

 

Eva Gerlach en Marianne Aartsen, Jaagpad. Glance-aside, Maastricht 2003.

Vojta Dukát en Eva Gerlach, Alles is werkelijk hier. De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1997.

Kortlys vir Paul Snoek Poëzieprys bekend

Thursday, March 4th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Die kortlys vir die Paul Snoek Poëzieprys, wat al om die derde jaar toegeken word, is pas bekend gemaak. Die ses genomineerde digters is: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje (Atlas, 2009), Eva Gerlach, Situaties (De Arbeiderspers, 2007), Peter Holvoet-Hanssen, Navagio (Prometheus 2008), Roland Jooris, De contouren van het verstrijken (Querido 2008 – foto), Bart Meuleman, Omdat ik ziek werd (Querido 2008) en Leonard Nolens, Bres (Querido 2007).

Die paneel beoordeelaars bestaan uit Bart Vanegeren, Yves T’Sjoen, Chrétien Breukers en Friedl’ Lesage. Die prys word op 25 April deur die stadsbestuur van Sint-Niklaas aangekondig en die prys geld beloop 4,000 euro.

Vorige wenners van dié gesogte prys is Joost Zwagerman, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Anneke Brassinga en Nachoem Wijnberg.

Wat vir Nuuswekker ‘n besonderse lekkerkry is hieromtrent, is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die pasaangestelde stadsdigter van Antwerp en bydraer tot hierdie webblad, Roland Jooris vanweë Yves T’Sjoen, nog ‘n gereelde medewerker, se bespreking van Jooris nuutste digbundel, Leonard Nolens vanweë my eie ongemak met die man se ego en natuurlik Chrétien Breukers, wat een van De Contrabas se vaste redakteurs is.

Nou ja, toe. Laat daar nie gesê word dat ons jou nie ingelig hou nie. Of hoe? Nietemin, vir jou leesplesier plaas ek vanoggend een van my gunstelingedigte deur Paul Snoek: die vyfde gedeelte van sy reeks Maria Magdalena.

***

Vanoggend is daar twee bydraes tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks, en toevallig is albei vanuit die ander halfrond: Marie-Alice Boshoff vertel van ‘n besonderse kunsprojek by die Poëziecentrum in Gent, terwyl Chris Coolsma vanuit Groningen skryf oor Billy Collins se gedig oor die kunsmuseum in Brooklyn. Ook is daar ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge geplaas.

Lekker lees en geniet die dag wat in jou hand gegee is.

Mooi bly.

LE

Gedichten voor Maria Magdaleen, V

Van je eerste tot je laatste lichaam,
liefste, laat mij al de minnaars zijn.
Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam,
die je speeksel zoekt en drinkt als wijn.

Later de gevreesde die zijn mieren
jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade.
Soms de sterke met verstilde spieren,
hemelsbreed van blijdschap en genade.

Laatst de vader die het zaad zal dragen,
van je vrucht de vruchteloze pijn,
en aan je lichaam zal vragen:
liefste, laat mij de geliefde zijn.

© Paul Snoek (uit:Gedichten voor Maria Magdalena, 1971: Spermalie Uitgewers)

 

Onderhoud met Alfred Schaffer

Monday, May 18th, 2009

Diversiteit in Nederlandstalige poësie

Alfred Schaffer in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Alfred Schaffer (1973) woon van 1996 tot begin 2005 in Kaapstad, waar hy sy doktersgraad behaal aan die Universiteit van Kaapstad by die Departement Afrikaans en Nederlands. Vir Beeld en Die Burger skryf hy rubrieke oor Nederlandse poësie en saam met Antjie Krog is hy samesteller van Nuwe Stemme 3. Hy debuteer in 2000, met sy digbundel Zijn opkomst in de voorstad, en sy sesde en voorlopig laaste bundel, Kooi, het in 2008 verskyn. Tans bly hy in Amsterdam, waar hy werk by die literêre uitgewery De Bezige Bij.

 

Alfred Schaffer

Alfred Schaffer

 

Alfred, vir ons hier in die ander halfrond lyk dit asof die Nederlandse digkuns een van die mees dinamiese digkunste in wêreldliteratuur is; nie net vanweë produksie nie, maar ook in terme van gehalte. Kan jy vir ons ’n idee gee van hoeveel digbundels (min of meer) per jaar by die gevestigde uitgewerye verskyn en wat die gemiddelde verkope per bundel is?

 

Die internasionale ekonomiese krisis ten spyt, lyk dit vir my asof daar nie juis minder digbundels verskyn in die Nederlandse taalgebied nie – ons praat nou van Nederland en België saam. Die Vlaamse digter en kritikus, Herman de Coninck, het in 1996 begin met die uitgee van die honderd beste gedigte van die lopende jaar. Die boek met die honderd beste gedigte van 2008 is saamgestel deur die digter en kritikus Rob Schouten. In sy voorwoord skryf hy dat daar in 2008 106 bundels by gevestigde uitgewers verskyn het, wat meer digbundels is as in 2007. Vir so ’n klein taalgebied is dit sekerlik baie gedigte vir een jaar. Die gemiddelde verkope is moeilik om vas te stel. Ek dink die meeste digters verkoop so om en by die tweehonderd, driehonderd boeke, dan is daar verskeie digters wat tussen seshonderd en ‘n duisend verkoop. Jy het natuurlik ook dié wat meer as tweeduisend of drieduisend verkoop, struktureel of insidenteel, maar hulle is tog skaars. Die gemiddelde lê, dink ek, iewers rondom vyfhonderd eksemplare. Gehalte is moeilik om vas te stel – hoe kan mens so iets meet? Smaak word bowendien kultureel bepaal. Sekerlik word daar mooi en baie poësie geskryf in Nederland, maar ons het nie regtig kandidate vir die Nobel-prys nie; veral nie na Hugo Claus se afsterwe verlede jaar nie. In Afrikaans is daar darem steeds Breytenbach en Antjie Krog. Tog dink ek dat ons hier ’n groot groep kwalitatief goeie digters het; onder elke tien digters tel ’n mens dalk sewe sterk digters. Maar dit bly alles maar growwe veralgemening; poësie is immers nie ’n sport waar ʼn mens hoef te kompeteer oor wie die beste is nie. 

 
 

 

In Suid-Afrika is daar jaarliks ’n beduidende hoeveelheid bundels wat nié by gevestigde uitgewers verskyn nie; dikwels met wisselende sukses. Bestaan daar dieselfde tendens in Nederland en hoe word hierdie bundels in die algemeen ontvang?

 

 

 

Daar is wel digbundels van digters wat nie by gevestigde uitgewers verskyn nie, maar jy sal hulle nie maklik vind in die deursnee boekwinkel nie. Meestal is die verspreiding maar deur websites en blogs, sowel as vriende en familie. So daar’s nie eintlik ’n ontvangs vir sulke boeke in terme van resensies of ander publikasies nie. Digters wat op die lang termyn in “eie beheer” uitgee, is eintlik per definisie nie baie interessant nie, sou ’n mens kon sê, anders sou hulle al ontdek gewees het deur gevestigde uitgewers – ek wed jou hulle het almal op ’n slag hul luck probeer by een. Ook sal jy sien dis dikwels mense wat veral digter wil wees, nie noodwendig wil dig nie. Dis poësie vol clichés en platgewalste emosies. As redakteur by De Bezige Bij sien ek sulke manuskripte elke week weer met die pos kom, die een nog slegter as die ander. Gaande oor hul eie werk, en begeleidende briewe (nogal in die derde persoon enkelvoud gestel, asof hulle reeds ’n flapteks skryf) waar jy lees dat hulle vriende en familie mal, mál was oor hulle skitterende gedigte. En wat jy dan vervolgens lees, is so onstellend sleg dat jy wonder of hulle ooit een gedig gelees het.

 

Ten einde ’n bepaalde digkuns dinamies uit te bou en lewenskragtig te hou, word besonderse inisiatiewe en projekte vereis. Kan jy dalk ’n paar van hierdie inisiatiewe noem wat die Nederlandse literatuur van ander – en meer spesifiek die Suid-Afrikaanse – onderskei?

 

Daar is genoeg aktiwiteite, sowel in Nederland as in Vlaandere. Party digters dink selfs daar is te veel; dat dit die poësie vervlak, aangesien dit bloot die entertainment element van die poësie belig, en die moeiliker en uitdagender soort verse en digter negeer. ʼn Mens kan dink aan die reeds genoemde boek wat elke jaar 100 gedigte uitlig van die afgelope jaar, ’n soort klein jaarlikse kanon. As só iets in Afrikaans uitgegee sou kon word, sou dit ’n groot stimulerende tradisie ook in die Afrikaanse poësie kon skep. Miskien ietwat minder as 100 gedigte, aangesien daar in Afrikaans nie so baie digbundels in ʼn bepaalde jaar verskyn nie. Dan was daar die aandag rondom die verkiesing van die “Dichter des Vaderlands”, met gepaardgaande tv-optredes en interviews met die benoemde digters. Voorts kry jy festivals en geleenthede soos Poetry International, de Week van de Poëzie, Gedichtendag, Koningsblauw en Saint Amour (beide in Vlaandere), de Nacht van de Poëzie, en jaarlikse geldpryse, soos die VSB Poëzieprijs (€ 25.000) en talle ander groot en kleiner pryse.

Daar is nog altyd baie literêre tydskrifte wat primêre werk publiseer en analiseer, al is die intekenare dikwels bitter min. Gevolglik verdwyn meer en meer tydskrifte, enersyds as gevolg van die kompetisie met die internet, en andersyds as gevolg van die afnemende belangstelling vir kuns en kultuur in die algemeen. En natuurlik is daar baie subsidies beskikbaar. Die NLPVF (Nederlands Literair Productie -en Vertalings Fonds) en Het Fonds voor de Letteren, wat geld gee vir projekte (vertalings, reise, besondere uitgawes), en skrywers en digters geld gee om ’n bepaalde bundel of roman te skryf, met bedrae tussen € 10.000 en € 60.000. Dan is daar natuurlik ook nog die Poetry Slams, op klein skaal in kafees en op groter skaal op festivals, en daar is groot literêre festivals deur die land waar poësie en letterkunde welkom is te midde van ander kuns-dissiplines (teater, musiek, beeldende kuns), soos De Wintertuin (Nijmegen), Crossing Border (Den Haag), Winternachten (ook Den Haag) en Geen Daden Maar Woorden (Rotterdam). Literatuur het nie meer so ’n groot plek in die Nederlandse onderwysstelsel soos 10 of 20 jaar gelede nie, so al hierdie inisiatiewe is ’n manier om aandag te vestig op poësie. Maar dikwels is dit veral spoken word wat mense aantreklik vind, gesigte en persoonlikhede; of dit egter die boekverkope bevorder, kan ons ernstig betwyfel.

Dit help juis ook nie wanneer koerante al hoe minder aandag aan poësie bestee nie; dis amper minagtend. Daar verskyn wel resensies op internet, maar die impak (status) en die gehalte van dié artikels is dikwels maar bedenklik.

 

Indien ’n mens kyk na die aantal Afrikaanse digters wat die afgelope jare genooi is na Poësie-feeste in Nederland, asook die toenemende teenwoordigheid van Afrikaanse poësie in vertaling, wil dit voorkom asof daar ’n groeiende belangstelling in Afrikaanse digkuns daar in die noorde bestaan. Is dit ’n korrekte afleiding en indien wel – wat sou jy sê is die rede(s) hiervoor?

 

Daar is steeds belangstelling in die  Afrikaanse poësie, ja. Veral Gert Vlok Nel en Antjie Krog is regtig populêr, soos ook Ingrid Jonker. Gert Vlok Nel (‘Beautiful in Beaufort-Wes’) en Jonker (‘Korreltjie niks is my dood’) het hier gewild geraak deur dokumentêre-films op tv wat die Nederlanders aangrypend gevind het. Daarna het hulle poësie begin verkoop. En Antjie maak opslae deur middel van haar optredes en voordrag. Die mense is gaande oor haar skitterende gedigte ook, en dit werk baie goed saam met haar persona op die verhoog, en haar gedurfde en intense lees. Sy verkoop seker meer gedigte as die meeste Nederlandse digters. So, die Afrikaanse poësie is goed verteenwoordig, met die name wat tel daar in Afrikaans – Breytenbach en Stockenström is ook al in Nederlands vertaal. En dan is daar die besonderse geval van Elisabeth Eybers, wat op ’n manier ook ’n bietjie ’n Nederlandse digter geword het. Andersom is daar ongelukkig min belangstelling vir wat hier in Nederland en Vlaandere aan die gebeur is. De Coninck en Gruwez is vertaal, ja, en selfs Stef Bos se ‘gedigte’ word uitgegee in Afrikaans, maar dit is nie eintlik die digters wat régtig tel nie, en daar is genoeg, soos: K. Michel, Tonnus Oosterhoff, Astrid Lampe, Leonard Nolens, Hans Verhagen, Miriam Van hee, Mustafa Stitou, Esther Jansma, Arjen Duinker, Eva Gerlach, Peter Verhelst, Menno Wigman, Nachoem Wijnberg, you name it. Dit is asof die Afrikaanse leser tog veral iets wil lees wat nie te uitdagend is nie; iets wat maar net lekker gevoelens verwoord. Dalk het dit ook te doen met die behoudende smaak van die Afrikaanse vertalers wat uit Nederlands na Afrikaans vertaal. Ek het dit byvoorbeeld weer besef toe ek in Berlyn met Antjie gesels en haar vertel het van Harry ter Balkt. Dis een van die grootste lewende digters in Nederland. Ek het toe later van sy werk vir haar gestuur en sy was gaande daaroor, heeltemal oorrompel, geskok, omdat sy dit nie geken het nie. Daar is baie belangriker en kragtiger Nederlandstalige poësie as wat nou in Afrikaans beskikbaar is.

 

Is dit moontlik vir jou om ’n paar opmerkings rakende ooreenkomste en verskille tussen die Afrikaanse en Nederlandse poësie te maak? Vir my wil dit byvoorbeeld voorkom asof daar tans in die Nederlandse digkuns ’n voorkeur is vir meer kriptiese, serebrale verse terwyl daar in die Afrikaanse digkuns die afgelope jare ’n sterk neiging tot vertelverse met ’n meer anekdotiese inslag is. Ek besef dat hierdie ’n gruwelike veralgemening is, maar dit is tog ’n wesenlike verskil, is dit nie?

 

Ek dink die grootste verskil met die Afrikaanse digkuns is dat daar maar net méér gehalte digters is, omdat daar in totaal méér digters is wat publiseer in Nederlands. Dis bloot ’n kwessie van kwantiteit. Ek dink ook die poëtiese diversiteit is groter in die Nederlandstalige poësie. Jy kry hier praatverse, of konseptuele anekdotiek (K. Michel, Tjitske Jansen, Mustafa Stitou) tot hardcore eksperimentele poësie, wat in Afrikaans selde verskyn of geskryf word. By ons is daar byvoorbeeld die gedigte van die Vlaamse digters Paul Bogaert en Dirk van Bastelaere, en in Nederland Tonnus Oosterhoff (www.tonnusoosterhoff.nl), of Astrid Lampe, Nachoem Wijnberg, Arjen Duinker en F. van Dixhoorn. 

 Alhoewel die eksperimentele gehalte in Nederland en Vlaandere self nie te opvallend is nie, is dit wel so dat die eksperiment baie meer hoofstroom is hier as in Afrikaans. Duinker, Wijnberg, Bastelaere, Lampe, Oosterhoff; ek ken nie eintlik soortgelyke digters wat prominent in Afrikaans aanwesig is nie, behalwe Breytenbach miskien. Aan die ander kant is die Afrikaanse poësie baie meer betrokke by sy omgewing, sowel die politieke as die natuur. Die Westerse individualisme is by baie Afrikaanse en Suid-Afrikaanse digters sterk vermeng met protes, politiek en algemene betrokkenheid. Jy sien dit ook by die Suid-Afrikaanse digkuns in die breë, met name soos Tatamkhulu Afrika, Gabeba Baderoon, Keorapetse Kgositsile of Rustum Kozain. Hulle is vertellers, nie digters wat nuwe taalkonsepte uitdokter nie. Digters soos Antjie Krog en Gert Vlok Nel – en nou byvoorbeeld Ronelda S. Kamfer weer, of selfs Charl Pierre Naudé, is regtig anders, ‘Afrika’ digters – dit is waarskynlik hoekom hulle so gewild is hier. Hulle beskryf nie net wêrelde wat ons nie in Europa ken nie, hulle is inderdaad die beliggaming daarvan. 

 

Ons vra om verskoning vir die feit dat die laaste gedeelte van Alfred Schaffer se antwoord hier bo, beginnende met “Alhoewel …”, met die aanvanklike plasing van die onderhoud nie die oordrag van dokument na webblad meegemaak het nie.

 

 

 

 

 

Gedig deur Alfred Schaffer

IMPASSE

Vertier in wissewasjes zoeken, zo blijft een mens overeind.

Toonladders oefenen. Eindeloos van iemand houden. Maar,

wat een afknapper is de mens, dweepziek, een slaaf van zijn

agenda, en zint hem iets niet, dan verbreekt hij de verbinding.

 

Je ruikt hoe ik bederf, ook al ben ik er niet, je ligt, zo stel ik

me voor, verrukt te staren naar een monitor, naar de eerste

bewijzen van leven op Mars, daar beweegt iets onschuldigs,

iets wat kans van slagen heeft, en zonder je blik af te wenden

 

grijp je mijn hand – die er niet is, druk doende dit alles alvast

neer te krabbelen, ergens waar ik pelgrimstochten onderneem

naar hooggelegen gebouwen, ver voor Christus opgeleverd.

 

Mijn sleepdraad is geknapt, ik krijg me niet aan land gehesen.

Als straks het stadsgeluid bezinkt, zou ik met deze nachtkijker

meer moeten zien. Voor alle zekerheid. Maar meer is er niet.

 

(Uit: Kooi, De Bezige Bij, 2008)