Posts Tagged ‘Francis Galloway’

Francis Galloway. Aardedag [Breyten Breytenbach]

Friday, April 22nd, 2016

images 

Aardedag

Francis Galloway

 

Vanoggend het ek wakker geword met reën op die dak en ʼn vae herinnering aan ʼn Aardedag-gedig van Breyten Breytenbach. Na ʼn kort soektog in die boekrak vind ek die gedig, “paradys, ʼn pruimboom”, in een van my gunsteling Breytenbach-bundels. Die gedig is in 1993 gepubliseer in die bundel nege landskappe van ons tye; dit staan in die sesde afdeling, “al lê die berge nog so blou. HERINNERING IS VERBEELDING”. Tom Gouws skryf in sy resensie oor hierdie bundel: “ Selde in enige taal verskyn ‘n bundel soos hierdie. Al die clichémuntings van literêre kwaliteit wat ons ken: grootsheid van omvang en opset, deurgekomponeerdheid, hegtheid, reikwydte, noem maar op, laat nie reg geskied aan hierdie meesterlike teks nie.” Die bundel is in 1996 met die Helgaard Steyn-prys bekroon.

In 1997 was ek as uitgewer werksaam by J.L. van Schaik Akademies en gemoeid met die baanbrekende publikasie van Johann Lodewyk Marais en Ad Zuiderent: Ons klein en silwerige planeet. Afrikaanse, Nederlandse en Vlaamse gedigte oor die omgewing. Breyten het toestemming gegee dat hierdie gedig in die omgewingsbundel opgeneem kon word. En ook dat dit nou op Versindaba geplaas kan word:


paradys, ʼn pruimboom

 

ek sê ek is die Verbeelder van Urd

nou ontvleesde krygers sit kopknik in die aarde

met klerevodde die geskiedskrif  ʼn vryheidstryd

om lángs die vreeslikheid van die werklike te mag lewe

 

ons planeet so manjifiek met glansende pieke

en skeure wat etter die maan ʼn magneet

vir ou stukke dwars taal die engele se wieke

deurweek in ʼn swartreën woorde

meet ons die weet aan verlange en innering

 

in hierdie dae skryf ek vir jou ʼn liefde

soos ʼn landskap van ink oorspoel

en ʼn raaf wat ark! ark! kraak

in die takke van die kurkeik

omdat hy in die spieël moes droom

van ontblote geheime gebiede

 

sê nou maar, sê nou maar

die vrou se sekspel is ʼn snouende teef

en die man het ʼn slang glad soos ʼn gedagte

skreef-gaande tussen dye, en die dood

 

is daardie Grootbeer wat jy voer

met visse uit die kuil vir die opsy

se hou solank musiek nog huil

 

totdat hy met hónd se harige gedagte

jou omhels vir die vrymaakdans

en sy stink asem kwyl oor jou gesig

 

ek sê die pruimboom is ʼn bruilofslied van sneeu

 

hier benede bors paddas statig uit die nate

en houtsterre word gloeiend gekool

oor die swart vloer van ewigheid

waar visgrate die maat in en uit moet spel

 

ounag vertel ʼn nagtegaal nog verhale van wegsteek

maar aans word dit somer wanneer ander voëls

diktong om genade gaan sing

terwyl ou Grootbeer met ʼn rooi oog

die viool kom ontderm

 

en in hierdie tye skryf ek vir jou ʼn liefde

my donker dame, van die pruimboom

se brommende vrugte geswel soos harte van huweliksgaste

 

as ek bloeisel-lig dans by wyse en wysie

van die temmer

sodat jy lieflik verder mag lewe

onderweg na die bruidegom

 

22 April, Aarddag

 

© breyten breytenbach. 1993. Nege landskappe van ons tye bemaak aan ʼn beminde. Groenkloof/Somerset-Wes: hond/intaka

 

 

 

Yves T’Sjoen. Dichters des Vaderlands in de West-Kaap

Monday, September 21st, 2015

cats

Dichters des Vaderlands in de West-Kaap

Onder de kop ‘Breyten Breytenbach: “Ope gesprek oor taal nodig”’, gepubliceerd in Die Burger van 21 september, neemt Willem de Vries het volgende citaat op: “Maak mekaar sáám anders met Afrikaans”. Het krantenartikel refereert aan het gesprek dat Francis Galloway met de schrijver voerde tijdens de vierde editie van Tuin van Digters in Wellington (19-20 september 2015). Behartigenswaardige uitspraken zijn: “Ek praat van kreolisering, ek praat van saam mekaar anders maak. En Afrikaans ís dit” en ook: “[…] ons is besonder bevoorreg met hierdie taal wat ontstaan het uit tale wat op mekaar ingepraat en saam ’n ander taal geword het. Dit is die manier waardeur jy jouself leer ken. Dis ’n taal wat die wysies en deuntjies van ander tale in hom opneem en ook die textuur van ander tale”. Breytenbach spreekt over taal als een levend organisme, een levensbepalend medium dat zoals het menselijke bestaan en de natuur zelf voortdurend aan verandering onderhevig is en invloeden van andere talen en culturen ondergaat. Afrikaans wordt wel eens de zuster- of dochtertaal van het zeventiende-eeuwse Nederlands of Zeeuws-Vlaams genoemd. Die klemtoon is reductionistisch en doet geen recht aan de rijkdom van het Afrikaans. Het is, zoals Breytenbach stelt, een gecreoliseerde taal met tal van inheemse en buitengaatse invloeden. Afrikaans is, zoals elke levende taal, inderdaad “’n taal wat die wysies en deuntjies van ander tale in hom opneem en ook die textuur van andere taal”.

Dezer dagen zijn de Dichters des Vaderlands van Nederland en België te gast in de West-Kaap. Hun aanwezigheid is in menig opzicht niet onbelangrijk voor het contact tussen talen en schrijvers in die verschillende talen. Maar misschien zet hun passage in Wellington, Stellenbosch, Bellville en Kaapstad landelijke culturele instituten en personen, zoals de Akademie vir Kuns en Wetenskappe, aan het denken. Misschien kan een nieuw initiatief worden genomen in deze roerige tijden. Niet dat de wereld er in Zuid-Afrika spectaculair anders door wordt, maar het kan een daad van symbolische waarde zijn.

Met steun van het Nederlandse Letterenfonds en de Vertegenwoordiging van de Vlaamse regering in Zuid-Afrika namen Anne Vegter en Charles Ducal afgelopen weekend deel aan Tuin van Digters. Beiden lazen voor uit eigen werk, ook uit de gedichten die zij van ambtswege hebben geproduceerd, en zij zijn bij die gelegenheid in gesprek gegaan met respectievelijk Antjie Krog en Alfred Schaffer. Dat leverde interessante dialogen en kruisbestuivingen van ideeën en klankkleuren op. Ik denk bijvoorbeeld aan raakvlakken tussen Vegters en Krogs poëzie (in Mede-wete, 2014) die ik eerder onmogelijk kon opmerken en waar ook de Nederlandse schrijfster van te kijken stond. Daarnaast presenteerde Anne Vegter op uitnodiging een poëzieworkshop bij UWK in Bellville en op vrijdag 18 september een bijeenkomst over sexual abuse in de literatuur. Op maandagochtend 21 september waren Vegter en Ducal te gast in het college van Alfred Schaffer waar zij voor studenten Nederlands en Afrikaans uit eigen werk voorlazen en met de docent in gesprek gingen. Ook SAVN en UWK, op uitnodiging van Anastasia de Vries, zijn instituties waar de dichters uit Nederland en België hun opwachting maken.

De Wellingtonse uitspraak van Breytenbach in gedachten moet het postkoloniale contact tussen schrijvers uit het Nederlandse taalgebied en het Afrikaans van cruciaal belang worden genoemd. Niet uit misplaatste neokoloniale of melancholisch politiek-ideologische overwegingen, evenmin om linguïstisch-historische redenen (‘zuster- of dochtertalen’). Het transnationale gesprek, met auteurs uit verschillende taalgebieden, dus ook Afrikaans en Nederlands, is van grote betekenis voor een taal die weliswaar door de perverse taalideologie van apartheid is aangetast maar vooral steeds, ook vandaag en morgen, nieuwe impulsen ondergaat. Afrikaans en Nederlands hebben zoals alle zwarte inheemse talen veranderende texturen, eigen “wijsies en deuntjies”, die tot klinken moeten worden gebracht in een multiculturele omgeving. Het gebruik van de eigen moedertaal in het gesprek met de ander niet minder dan een mensenrecht. Breytenbach verwerpt de blinde anglificering en de markteconomische nivellering, niet alleen in Zuid-Afrika maar in globaal perspectief. De schoonheid en de rijkdom van Zoeloe en Xhosa, om me te beperken tot deze talen, zijn van onschatbare waarde. Ze bezitten een even rijke textuur en klankkleur als bijvoorbeeld het Afrikaans. Waarom zouden we dan met zijn allen (slecht) Engels spreken? Deze taalvariëteit, maar dan van het Nederlands, kwam helemaal tot uitdrukking tijdens de publieke optredens van Anne Vegter en Charles Ducal. Vlaams is de geuzennaam die men heeft bedacht voor het Nederlands dat ten zuiden van de Moerdijk wordt gesproken. Ook dit een teken van taaldiscriminering maar dan in het Nederlandse taalgebied.

Het ambt van Dichter des Vaderlands wordt in Nederland en België uiteenlopend ingevuld en heeft een heel andere geschiedenis. In Nederland introduceerde Gerrit Komrij naar Anglo-Amerikaans model de functie van Poet Laureate. Later namen ook Ramsey Nasr, Driek van Wissen en sinds kort Anne Vegter het mandaat op. In de historiek van het Vaderlandse Dichterschap ondergingen de spelregels in Nederland wel eens wijzigingen. De Nederlandse dichter wordt verondersteld teksten te ontwerpen die met de actualiteit zijn verbonden en die vervolgens in NRC Handelsblad worden afgedrukt. In tegenstelling tot Nederland is het Belgische Dichterschap des Vaderlands, pas een jaar geleden geïnitieerd, een literair initiatief dat door Poëziecentrum (Gent), Vonk & Zonen (Antwerpen) en het Maison de la Poésie (Namen) is ondernomen. Het is geen politieke maar een culturele daad. De Franstalig Belgische schrijfster Laurence Vielle neemt vanaf januari 2016 de fakkel van Charles Ducal over. Tegelijk wordt met ambassadeurs gewerkt: vandaag is de Waalse auteur Ducals vertegenwoordiger in Franstalig België en vanaf januari neemt Ducal die rol waar voor de nieuwe Dichter des Vaderlands. Charles Ducal lichtte in Wellington en Stellenbosch toe welke de doelstellingen zijn van het dichtersambt. Naast het slechten van de muur tussen taal- en cultuurgemeenschappen (in België gaat het over Nederlands, Frans en Duits) wil de Dichter des Vaderlands thema’s aansnijden die “zo veel mogelijk Belgen relevant vinden, wat de publieke opinie beroert”. Daarenboven wil hij of zij mensen dichter bij elkaar brengen en een tegengewicht bieden voor het neo-liberale rechtse discours dat vandaag het maatschappelijke leven in België domineert. Wat vooral van belang is: het is een manier voor Vlamingen de Franstalige dichters in België te leren kennen en andersom. Ten spijte van het culturele verdrag tussen de Nederlandse en Franse cultuurgemeenschappen bestaat veel onkunde en een stuitend gebrek aan belangstelling voor literatuur aan de andere kant van de taalgrens. Het aanstellen van ambassadeurs draagt er aanzienlijk toe bij dat er makkelijker toegang mogelijk is tot elkaars literaire netwerken en culturele organisaties. Wat ook anders is ten opzichte van de Nederlandse ambtsinvulling is dat de productie van de Belgische dichter steeds in drie talen bekend wordt gesteld. Door de teksten in de krant te publiceren is het de betrachting een zo breed mogelijk maatschappelijk veld te bereiken.

Ik keer terug naar de uitspraken van Breytenbach die door Die Burger zijn geciteerd. Aandacht voor onze medemens, voor elkaars cultuur en taal, zal bijdragen tot een verrijking van en meer cohesie in het sociale weefsel waarin we als individu bestaan. Tot een meer leefbaar bestaan. Vandaag staat de bevoorrechting en dus de status van het Afrikaans in Zuid-Afrika, en in het bijzonder op de universitaire campus van Stellenbosch, ter discussie. Vasthouden aan en verwijlen in het verleden is een slechte raadgever. Niet dat het Afrikaans als taal moet worden bestreden. Ze bloeit als nooit tevoren indien we het werk van zo vele interessante Zuid-Afrikaanse schrijvers lezen. Ze is even rijk, vitaal en ritmisch als alle andere inheemse talen. Breytenbach pleit vooral voor het behoud van de meertaligheid, voor een wereld in en van talen, met naast het Afrikaans prachtige zwarte talen die ook de moedertaal zijn van miljoenen mensen. Het gesprek tussen de talen moet worden bevorderd en zal vanuit dat respect en die aandacht van Zuid-Afrika een betere leefomgeving maken. Het is misschien een idee, zoals Alfred Schaffer opmerkte, ook in Zuid-Afrika een Dichter des Vaderlands aan te stellen en daar een werkbare formule voor te verzinnen. Misschien moeten enkele organisaties daarover eens samenzitten. Waarom zouden de teksten van die aan te duiden schrijver niet in de tien andere inheemse talen kunnen worden vertaald? Als dat lukt met een grondwet, dan ook met de poëzie. Transformatie, het woord dat vandaag om de haverklap in verhitte discussies valt, is inderdaad niet de omzetting van wit in zwart. Breytenbach spreekt over een geleidelijk proces waarbij inclusiveness en privileges vooral obstakels zijn. Hoewel de Belgische politieke en sociale context met drie taalgemeenschappen onvergelijkbaar is, kan de symbolische waarde van het Dichterschap des Vaderlands ook in Zuid-Afrika misschien gelden als antidotum. Een tegengewicht voor het conservatieve denken en de retrospectieve blik die de geesten verlamt. Het kan de kloof tussen mensen, zoals door een bepaald politiek discours uitvergroot, dichten en de aandacht voor de anderen aanscherpen. Ik ben nieuwsgierig welke schrijver in het complexe en door het verleden ontwrichte Zuid-Afrika moet worden voorgedragen als eerste Dichter des Vaderlands.

Francis Galloway se onderhoud met Breyten Breytenbach op LitNet

Thursday, April 25th, 2013

‘n Uiters belangwekkende onderhoud oor die digkuns en vertalings in die algemeen, asook hoe dit meer spesifiek in die komende Dansende Digtersfees neerslag gaan vind, is die onderhoud wat Francis Galloway met Breyten Breytenbach vir LitNet gevoer het. Die onderhoud is gister, 24 April 2013, geplaas.

By wyse van lusmaker plaas ek graag twee uittreksels uit die onderhoud:

 “Maar met ‘alle poësie is plaaslik’ bedoel ek slegs die voor die hand liggende: dat die gedig se habitus altyd in die teenswoordige is. Poësie as ‘n universele vergestalting van die menslike kondisie is by uitstek die paradoksale verskynsel van plaaslikheid (ek praat nie van die gemoedelik-lokale of die gemeenplaaslike nie) – want dit ‘verskyn’ net, meld haar net aan, kom alleen na die oppervlak van hier-wees by die lees van die ding. Die gedig trek die baadjie van woorde aan, van die taal wat aan jou bekend is, om herken en geëien te word deur die leser by die troue en vertroue van lees. (Of luister.) Ongeag waar dit vandaan kom, uit watter kultuurtyd. Die gedig is plek.”

***

“Ek weet nie of my eie siening en ervaring van tale veel ter sake is nie. Punt nommer een is dat ‘n gedig – enige gedig – vir my uit veel meer as taal bestaan. Of dan, dat die tekstuur en die ritme en kleur van die taal waarin dit geskryf is, of vertaal word, daarvan ‘n objek maak amper nog voor die plek-spesifisiteit en historiese kondisionering van die taal ter sprake kom. Want elke taal is draer van ‘n unieke geskiedenis en kennis wat in die woordeskat en metafore weerspieël word, maar ook in die “gebruike” van die gegewe taalgemeenskap. Mens verlaat jou tog redelik instinktief op gedeelde kennis. Maar ‘n gedig het ‘n eie organiese lewe, ‘n binnelewe wat onder andere gaan bepaal watter woorde toegelaat word om saam te bestaan binne daardie ruimte.”

 ***

 Gaan lees gerus die volledige onderhoud op LitNet.

 

Francis Galloway. Die verskyning en ontvangs van Voetskrif deur Breyten Breytenbach

Monday, August 29th, 2011

 Die verskyning en ontvangs van Voetskrif

(Uittreksel uit Hoofstuk 6 van Breyten Breytenbach as openbare figuur. 1990. HAUM-Literêr)

Francis Galloway

Vroeg in 1976 verskyn Voetskrif, die bundel  wat Breytenbach in aanhouding geskryf het. Later die jaar word ‘n Seisoen in die paradys, wat reeds in 1973 geskryf is, gepubliseer. Die reaksie op hierdie tekste staan in die teken van Breytenbach se “bekering” tydens die hofsaak. “Wat Perskor betref, is Breyten Breytenbach die verlore seun wat teruggekom het”, het mnr. Schalk van der Merwe, hoof van Perskor Boeke op 20 Februarie 1976 in Johannesburg gesê toe hy Voetskrif, wat opgedra is aan Yolande en die ondersoekbeampte Kolonel Broodryk, aan sowat twintig mense bekendgestel het (Hoofst., 21.2.76).

Terwyl die verskyning van Voetskrif by die uitgewery Perskor, die opdrag aan Kolonel Broodryk en die bundel se bekroning met die Perskorprys Breytenbach in diskrediet bring by sy (radikale) vriende wat reeds verwar is deur sy belydenis van “opregte berou” (sien hieroor Ena Jansen in De Volkskrant, 6.12.82 en Adriaan van Dis in NRC Handelsblad, 7.12.82), word die bundel as’t ware met trompetgeskal verwelkom in die Afrikaanse pers en geloof deur kritici.

Die Transvaler (16.2.76) glo dat “‘n nuwe Breyten Breytenbach gebore is uit die skokervaring wat (hom) te beurt geval het met sy inhegtenisneming, aanhouding, verhoor en vonnis van nege jaar tronkstraf” en gee sy lesers “‘n kykie in die diepste en teerste emosie” van die skrywer in aanhouding deur van die verse uit Voetskrif te plaas (dit val saam met ‘n reeks artikels oor Breytenbach waarin sy broer Cloete sê dat “‘n opregte bekering” by die digter plaasgevind het – Tv., 16-23.2.76). In hierdie tyd hef die SAUK ook sy verbod op Breytenbach op nadat sy naam vir jare nie gebruik is of sy werk nie genoem is nie – en dit met ‘n bespreking deur F.I.J. van Rensburg wat Voetskrif aanprys as “nie net een van die mees besondere bundels in Breytenbach se poësie nie, maar in Afrikaans” (Rap., 29.2.76).

Die verskyning van Voetskrif lok ook kommentaar uit van die publiek. Mees omstrede hiervan was die reaksie van dr. Koot Vorster, assessor van die Algemene Sinode van die NG Kerk en broer van die eerste minister, by die opening van ‘n vrouediensbyeenkoms van die NG Kerk vir Noord- en Wes-Kaapland. Hy beskou dit naamlik as ‘n “tragedie” dat, “terwyl ons seuns aan ons grense sterf”, Breytenbach in die gevangenis sit en skryf. “Die ink is skaars droog dan word dit deur die pers gejaag en terwyl die drukkersink nog nat is, word hierdie onsin deur groot letterkundiges as kuns uit die boonste rakke opgehemel” (Beeld, 11.3.76). Vir Vorster is die feit dat ‘n “volksvyand” se “snert” aan “ons seuns en meisies aan ons universiteite” opgedis word as goeie letterkunde, deel van die “stryd om ons bloed”: Op maatskaplike gebied en letterkundige terrein, op politieke vlak en op kerklike erf, word alles in die stryd gewerp om ons van ons eiendom te beroof en ons tot een groot vaalgrys massa slawe, volgens die resep van die Kommunisme ‘een volk, een kerk en een wêreldregering’ te maak” (ibid). Teenoor Rapport (14.3.76) erken Vorster dat hy nie self Voetskrif gelees het nie en ook nie van plan is om dit te doen nie; hy grond sy aanval op die resensie van F.I.J. van Rensburg wat hy oor die radio gehoor het. In ‘n brief in Rapport (21.2.76) verdedig Vorster sy sienswyses verder en stel hy dit dat hy die boek nie hóéf te lees nie, maar kan beoordeel “in die lig van die getuienis wat in die hof uitgekom het”; hy wil hom immers nie uitspreek oor “letterkundige gehalte” nie.

F.I.J. van Rensburg (Rap., 28.3.76) beskou só ‘n stelling as “onhoudbaar”. Hy wys weer eens (soos ná afloop van die verhoor) daarop dat hy self nog altyd “gepleit het om nugterheid teenoor Breytenbach se werk”, in plaas van “matelose verering” of “blinde verguising”. Alhoewel die digter se politieke optrede vir Van Rensburg “van redelik vroeg af verwerplik” was en hy dit volkome aanvaarbaar vind dat hy in die tronk is, het hy waardering vir ‘n “groot deel van sy werk” – bowendien staan Voetskrif vir hom in die teken van “berou en ommekeer”. Vir Van Rensburg lê die groot verskil tussen homself en Vorster daarin dat laasgenoemde “glo dat ons op die oomblik net een taak het: om skanse op te rig”; hy self glo “dat agter daardie skanse ons geesteslewe moet voortgaan”. Die Afrikanervolk kon dit immers nie bekostig dat daar “‘n breuk in sy geestestradisie ontstaan nie”; militêre paraatheid en skeppinglewe moet in ‘n “sowel-as”-verhouding staan: “Elke goeie ding wat in Afrikaans geskryf word, is net so ‘n bevestiging van die Afrikanervolk se reg op voortbestaan in hierdie land en in die wêreld as watter ander onderneming ook al”. Van Rensburg se mikpunt is dus net soos dié van Vorster gerig op die “voortbestaan van die Afrikanervolk” – al vertrek hy vanuit ‘n ander hoek.

J.A. Loader van die departement Semitiese Tale, Universiteit van Pretoria, voel dit sy plig om op Vorster se uitlatings te reageer, veral omdat laasgenoemde se sienswyses vertolk kan word as verteenwoordigend van kerklike opinie in die algemeen – ‘n indruk wat kan bydra tot die reeds bestaande wrywing tussen kerk en kunstenaar (iets wat bevestig word deur Jeanne Goosen in die rubriek “Straat af” in Hoofst., 13.4.76). Loader meen die prinsipiële grondslag van Vorster se verdediging (in Rap., 21.3.76) skep ‘n verleentheid vir die kerk en teologie en kan nie teenoor denkende mense verantwoord word nie. Loader se kritiek is gerig teen die idee dat oordele gevorm kan word aan die hand van tweedehandse inligting en dat Vorster se redenasie stry teen die prinsipes van die eksegetiese wetenskap wat berus op die interpretasie van literêre produkte: Die gebeurtenisse en omstandighede rondom ‘n literêre werk kan nie as uitgangspunt vir beoordeling geneem word nie; die teks moet sentraal staan. Eers moet die vorm en inhoud daarvan ontleed word voordat dit in verband met historiese omstandighede gebring word. Die onaanvaarbaarheid van die persoon van die kunstenaar kan nie as kriterium vir teksoordeel gebruik word nie. Vorster se optrede is “‘n teksboekvoorbeeld van die selfgenoegsaamheid wat vervat is in ‘n geslote sisteemdenke waar die vermoë ontbreek om klanke in die wêreld rondom hom ernstig te neem en te interpreteer – dit verteenwoordig ‘ verstarde wysheid wat die betrekking met die werklikheid en aktualiteite van die wêreld verloor het” (Rap., 11.4.76).

Wat betref die ontvangs van Voetskrif deur ingeligte lesers (kyk Bibliografie C vir verwysings) is dit opvallend dat sommige lesers – wat in 1975, toe Breytenbach in diskrediet was en die Afrikaanse letterkunde daardeur “skade berokken is”, so aangedring het op die skeiding van kuns/werklikheid en kunstenaar/mens – nou die “agtergrondgeskiedenis” van die bundel en/of Breytenbach se “bekering” in berekening bring of laat meespreek in hulle waarde-oordele. (‘n “Bekeerde” Breytenbach hou immers nie gevaar in vir die status quo aan die een kant of vir die saak van “betrokke” skrywers aan die ander kant nie.)

Annari van der Merwe skryf die groot belangstelling waarmee daar op hierdie bundel gewag is, toe aan redes wat “uit die aard van die digter se oënskynlike politieke ommeswaai ten tye van die verhoor, nie suiwer literêr kan wees nie”; as lesers egter op “belydenispoësie en verduideliking gehoop het, was dit tevergeefs”. Vir sommige lesers bevestig die bundel egter wel “dat sy betuiging van berou in die hof geen leë gebaar was nie” en die bundel word gesien as ‘n geleentheid vir Breytenbach “om hom deur sy skryfwerk te rehabiliteer en te regenereer” (komende van F.I.J. van Rensburg wat, soos vroeër aangetoon, die bundel hoog aanslaan – Rap., 28.3.76). Ander lesers formuleer dit versigtiger en betrek nie soseer die skuldbelydenis nie, maar die gevangeniservaring. P.D. van der Walt meen byvoorbeeld dat die “agtergrondgeskiedenis” bydra tot die leeservaring en aan die gedigte van onthou en verlang ‘n dringendheid en intensiteit verleen wat die bestes ‘n ontroerende leesgebeurtenis maak. Gerrit Olivier beklemtoon dat die bundel méér is as ‘n “kuriositeit van biografiese belang”, maar ontken nie dat Voetskrif die “resultaat is van Breytenbach se resente ervaringe” nie. Abraham H. de Vries waarsku egter teen die “gevaar” van die gebruik van die agtergrondgeskiedenis by die beoordeling van Voetskrif.

Hoewel kritici daarop wys dat Voetskrif nie soseer opvallende “vernuwing” in Breytenbach se poësie bring nie (Brink, Cloete, Olivier, Van der Merwe) word die bundel entoesiasties ontvang as ‘n “nuwe hoogtepunt” in Breytenbach se oeuvre – veral ná die “insinking in sy vorige twee bundels” (Cloete, Olivier, Johl). André P. Brink sien Voetskrif in sy geheel as ‘n “indrukwekkende toevoeging tot ‘n indrukwekkende digterskap”, maar meen dat ‘n finale oordeel teruggehou moet word tot al die feite om die publikasie daarvan opgeklaar kon word.

Twaalf jaar ná die Afrikaanse Pers-Boekhandel sy eerste omstrede prystoekenning aan Breytenbach gemaak het, sorg hy weer vir nuus deur Voetskrif te bekroon. Tydens die informele oorhandigingsgeleentheid het Elize Botha, sameroeper van die beoordelaarspaneel, wat verder bestaan het uit W.E.G. Louw en Ernst van Heerden, ‘n kort motivering gegee vir die eenparige bekroning van Voetskrif. In sy reaksie op die toekenning sê Brink dat dit bewys dat daar by die keurkomitee “slegs suiwer literêre oorwegings gegeld het en nie aan die man agter die boek gedink is nie” (Ogb., 2.3.77). Anita Lindenberg glo die werk is die bekroning absoluut werd, maar vind dit jammer dat Breytenbach “nou eers begin pryse wen, aangesien hy beslis Suid-Afrika se sterkste jong kunstenaar is” (ibid.). A.P. Grové sê die feit dat “‘n baie goeie keurkomitee die beoordeling gedoen het”, bewys dat dié werk wel die heel beste was (ibid.). Hoe “suiwer literêr” hierdie besluit egter wel was, sou moeilik vasgestel kon word; ‘n mens moet immers in ag neem dat die aanbeveling gemaak is in ‘n tyd toe die Afrikaanse literêre establishment nog diep onder die indruk was van Breytenbach se “bekering”.

Die bedenkinge wat Brink in sy 1976-resensie gelug het, word bevestig toe nuwe feite oor die publikasie van Voetskrif tydens die tweede Breytenbach-verhoor op die lappe kom. In ‘n gesmokkelde brief aan Brink, wat tydens die hofsaak as getuienis voorgelê word, noem Breytenbach Voetskrif  ‘n “slapgat” bundel wat in ‘n maand geskryf is en wat hy nie kon hersien of korrigeer nie. Die “opdrag”, afgesien van dié vir Yolande, “was op dringende” versoek (Welz, 1977:142; Viviers, 1978:103; NRC Handelsblad, 11.12.82). In Confessions skryf Breytenbach soos volg oor die aandeel van kolonel Broodryk (“Huntingdon”) in die publikasie van die bundel:

The very existence of this volume was exploited by Huntingdon.He saw herein one more way to manipulate me and simultaneously to improve his image and, he hoped, his acceptability to the literary community among the Afrikaners. He did not want to be known as a cultural barbarian, and in any event he was intuitive enough to understand that the real threat to the Afrikaner would come from within their own ranks – so, farsighted, he already had to lay the first lines of infiltration into the ranks of the Afrikaner writers from whom he suspected subversive ideas or rebellious noises in time to come. He insisted quite brazenly that the volume of verse should be dedicated to him. It was a naked instance of horsetrading: you dedicate this to me and I allow you to have it published. (1984a:138)

 

Volgens Breytenbach was die res van die bundel ook gesensor deur Broodryk self (Welz, 1977:142); Viviers, 1978:103) – die “grappigste weglating” was ‘n vers getiteld “Help” waarvan die teks bestaan het uit “help!”. Breytenbach sien dit as ironies dat “my nemesis, the man who was – however insiduously – trying to have my guts and to flip me inside out, at the same time acted as my literary agent – in fact creating or giving me the possibility of survival” (1984a:138).

“Die jaar 1976 het begin met die publikasie van Breyten Breytenbach se digbundel Voetskrif; sowat die laaste publikasie van literêre betekenis uit dieselfde jaar is sy ‘reisboek’ ‘n Seisoen in die paradys; as mens in terme van literêre pryse dink, dan het hy hier min of meer ‘n wenkombinasie soos laas in 1964 met Katastrofes en Die ysterkoei moet sweet (André P. Brink, Rap,. 23.1.77).

 

‘Zou de wereldbol een beetje aan het leeglopen zijn?’

Wednesday, January 20th, 2010

Herman de Coninck aan de Kaap over taal en cultuur

Yves T’sjoen

 

Herman de Coninck

Herman de Coninck

Naar de expliciete opvattingen van Herman de Coninck (1944-1997) over Afrikaanse taal en politiek, en meer specifiek over maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in Zuid-Afrika na de democratische verkiezingen van 27 april 1994, is nog maar weinig onderzoek verricht. Nochtans heeft De Coninck in enkele autobiografische prozafragmenten, gebundeld in De cowboybroek van Maria Magdalena en andere reisverhalen,[i] zijn zienswijze geformuleerd op de levensvatbaarheid van de zogeheten Regenboognatie, en de perspectieven van het Afrikaans als een van de elf officiële ambtelijke talen van Zuid-Afrika. De Conincks beeld van het land is een constructie die tot stand is gekomen naar aanleiding van vier bezoeken en die gebaseerd is op gesprekken en een confrontatie met de hedendaagse Afrikaanse poëzie. Uiteindelijk hebben de contacten met Afrikaanstalige schrijvers, wat we vandaag interculturele networking noemen, geleid tot een vertaling van een bloemlezing uit De Conincks poëzie in het Afrikaans. En ook andersom heeft de Vlaamse schrijver, in zijn rubriek ‘De vliegende keeper’ in de krant De Morgen en in het Nieuw Wereldtijdschrift, waarvan hij stichtend redacteur was, aandacht gevraagd voor het Afrikaans en de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika.

De eerste aanblik van Zuid-Afrika geschiedde voor Herman de Coninck uit ‘het oog’ van een vliegtuigraampje.[ii] Hij schreef, na de belevenis van de spectaculaire bocht die het vliegtuig over de Atlantische oceaan bij het naderen van Kaapstad maakt: ‘Het eerste wat je vanuit het vliegtuig ziet is de Tafelberg, een altaar voor de goden. Het eerste wat ik denk is: het land is alvast mooi. Helemaal een klootzak kan die Jan van Riebeeck niet geweest zijn, dat hij uitgerekend hier aan land kwam. Vaak hangt er een wolk boven de berg. Die heet: tafelkleed. Het tweede wat ik dus denk is: ook de taal is alvast mooi. Maar mag je dat wel denken?’[iii] Aan de ethisch gefundeerde bedenkingen van De Coninck zal ik in dit opstel enkele beschouwingen wijden.

Kristien Hemmerechts

Kristien Hemmerechts

In het voetspoor van Herman de Coninck, en terloops in deze bijdrage ook van zijn toenmalige echtgenote Kristien Hemmerechts,[iv] tracht ik op basis van de verspreid gepubliceerde en gebundelde opstellen over Zuid-Afrika te achterhalen welke uitspraken De Coninck heeft gedaan over het land en meer specifiek over het Afrikaans. Ik volg een traject dat zal leiden naar enkele Afrikaanse dichters en naar de linguïstische smeltkroes die het Afrikaans is. De Coninck heeft van zijn dominante institutionele positie in het literaire veld van Vlaanderen (en Nederland) gebruik gemaakt om het werk van dichters in Zuid-Afrika ook in het Nederlandse taalgebied onder de aandacht te brengen en/of te promoten. Vroeger dan Gerrit Komrij, met de ruime bloemlezing uit de Afrikaanse poëzie,[v] heeft de Vlaamse schrijver en criticus een lans gebroken voor de Afrikaanstalige literatuur van Zuid-Afrika. Mede op zijn instigatie is Afrikaanse poëzie naar het Nederlands vertaald en ontstond in de post-apartheidperiode belangstelling voor ontwikkelingen in het literaire landschap van Zuid-Afrika.

Reisimpressies van Zuid-Afrika

De Coninck heeft zijn herinneringen aan twee verblijven in Zuid-Afrika, in oktober 1994 (een half jaar na de verkiezingen van 27 april) en in 1995, te boek gesteld in de bundel De cowboybroek van Maria Magdalena (1996). De uitgave is een van de laatste boekpublicaties van De Coninck. Een jaar later overleed hij in Lissabon. Ik voeg er nog aan toe dat hij ook in oktober 1996 in het land was, zoals verderop nog zal blijken uit enkele overgeleverde brieven aan zijn toenmalige echtgenote Kristien Hemmerechts.

Hemmerechts heeft op haar beurt reisherinneringen in een tekst verwerkt, getiteld ‘Stemmen van Zuid-Afrika’ en een jaar eerder opgenomen in de bundel Amsterdam retour (1995). Een vergelijkende lectuur van beide bundels levert weinig spectaculairs op. Herman en Kristien reisden samen en doen in hun beschrijvend proza verslag van hun gedeelde reiservaring. Anekdoten en beschouwingen, gesprekken, herinneringen aan personen en gebeurtenissen echoën in beider egogeschriften. Zo lees ik bij Hemmerechts over een bezoek aan Witsand, het idyllische dorpje geborgen in een oogverblindende witte duinenmassa in de branding van de Indische Oceaan.[vi] Hemmerechts zelf schreef trouwens een roman Wit zand, genoemd naar het toponiem Wissant in Frans-Vlaanderen. Daar verwijst ze ook nadrukkelijk naar in haar ‘Stemmen van Zuid-Afrika’. Ook het autobiografische verhaal van De Coninck over hun gezamenlijk verblijf in de buurt van het natuurreservaat De Hoop, in het Oosten van de West-Kaapse provincie, heet ‘Wit zand’. In dit prozafragment stelt de verteller drie plekken centraal die luisteren naar diezelfde naam.

De anekdote over ‘Lawaaiwater’ (of dus Witsand) aan de ‘zuidkust van Zuid-Afrika’, op weg naar Grahamstad en Port Elisabeth in de Oost-Kaap, is gedeeltelijk ook mijn verhaal. Ik had in augustus 1996, naar aanleiding van een gastdocentschap aan de universiteit van Stellenbosch en op weg naar de Rhodes University in Grahamstown, de gelegenheid in het Godverlaten Witsand te verblijven. Achteraf bekeken, na lectuur van De cowboybroek, was dat ruim een jaar nadat De Coninck en Hemmerechts in hetzelfde huisje van de familie Van Zyl hebben verbleven. Als ik me niet vergis, verbleef de moeder van Wium van Zyl in het andere gedeelte van het pand. Ik citeer het verhaalfragment van De Coninck, dat niet toevallig begint met een aftelrijmpje van de hand van de dichter Van Zyl:

[…] Op reis in Zuid-Afrika ontmoetten we de dichter Wium van Zyl en zijn vrouw Dorothea. Wium is de auteur van het in Zuid-Afrika zeer beroemde versje ‘Sout-en-peperpotjies’:

Ons twee is maatjies

presies eenders

buiten ons gaatjies.

Witsand

Witsand

Ze hadden een buitenhuisje in Witsand, zuidkust Zuid-Afrika, waar de Brede Rivier uitmondt in zee. Ze zouden zeer verguld zijn als we daar een lang weekend wilden doorbrengen, de enige tegenprestatie die ze vroegen was dat Kristien voor de wegwijzer naar Witsand zou poseren met haar boek Wit Zand. Het werd het heuglijkste weekend van de hele reis. Het huisje bleek ‘Lawaaiwater’ te heten: dat moest wel een vondst van Wium zijn. Of van het water zelf, want de Brede Rivier komt hier aangestormd om terecht te komen in de remstrook van haar zeemonding: zee die de rivier in wil, rivier die de zee in wil, het zorgt voor een luidruchtige stilstand. Onze slaapkamer heeft een balkon, en dat balkon een schommelstoel, en daarin bezit ik ten zeerste mezelf. Zo hoort de wereld te zijn, er bestaan plekken waar de wereld dat gesnapt heeft. Het is september, walvissenseizoen. En jawel, zelfs vanaf het balkon zie je ze, nog geen vijftig meter zee-inwaarts, eerst een fonteintje, dan een vin of een staart: walvissen, kleine, drie à vier meter, ontroerende speelvogels, speelvissen, van een groot geslacht. De zee is roestkleurig, vanwege ijzermineralen vermoed ik, pas veel verder probeert ze haar blauwen uit. Het zand is zo wit als beloofd. Duinen met rillerige ruggengraatruggen. Daarachter hard-groen kleinhout. Het strand wemelt van de strandpipers en de witgatspreeuwen. De namen van de dingen zijn hier bijna zo mooi als de dingen zelf. Tegen de avond zie ik op het strand een man met een soort fietspomp bezig. Het lijkt alsof hij de aarde aan het oppompen is. Hij zwoegt er bij. Nu je het zegt, het loopt hier zo zacht, zou de wereldbol inderdaad een beetje aan het leeglopen zijn? Nee, zegt de man, hij is op zoek naar mud prawns, moddergarnalen als aas om morgen mee te vissen.

Later het Zuiderkruis tegen de achtergrond van de helderste melkweg ooit gezien, een hemel met een soort roodvonk, lijkt het wel, geelvonk. Het te grote en het te kleine en hoe dat hetzelfde is: kijken naar schelpen, kijken naar de melkweg. Ik ben een zandkorrel in het diepst van mijn gedachten.[vii]

Het verhaal, waaruit ik dit fragment putte, is gelardeerd met poëtisch geformuleerde anekdotische beschrijvingen zoals wel meer voorkomen in reisimpressies van deze romantische schrijver. De verteller vergaapt zich aan ‘ontroerende speelvogels’ en ‘duinen met rillerige ruggengraatruggen’. Hij staat in bewondering voor de ‘helderste melkweg’ en mijmert vanuit een eurocentrisch perspectief over de wonderen van de Zuid-Afrikaanse natuur.

Een onbestaand gedicht van Breytenbach

Interessanter dan een beschouwing te wijden aan dergelijke reisreportageachtige fragmenten, of het autobiografische gehalte van De Conincks verhalend proza te onderzoeken,  is te peilen naar diens meer geïmpliceerde of uitgesproken standpunten over Zuid-Afrika. ‘Charisma in de uitverkoop’ en ‘Cultuur als besmetting’ zijn wat dat betreft revelerende teksten waarin de schrijver zijn bedenkingen over de tragiek van het politieke systeem en over de schoonheid van de mensen en de landschappen heeft verwerkt, maar ook zijn visie op het Afrikaans.

Het eerste verhaal van De Coninck in De cowboybroek begint als volgt: ‘Ik ben twee keer in Zuid-Afrika geweest, in 1994, volop in de euforie van Mandela, en in 1995, toen een verbitterde blanke taxichauffeur me vertelde dat er spoedig een burgeroorlog zou losbarsten tussen Zoeloes en Xhosa’s, en na enig bloedvergieten zou men opnieuw de blanken nodig hebben als strenge opzichters, hoopte hij. In mijn kop en in dit verslag waaien 1994 en 1995 door elkaar’.[viii] De eerste reis waaraan de schrijver hier refereert, had zoals gezegd plaats in oktober 1994. De aanleiding voor een tweede verblijf, begin augustus 1995, was een lezingentournee die De Coninck bracht op een neerlandistiekcongres in Bloemfontein en in Potchefstroom (‘het ergste van het ergste, of het witste van het witste’[ix]). Aansluitend, na zijn publieke optreden aan de universiteiten en in culturele centra van beide steden, ondernam hij naar eigen zeggen in opdracht van een Belgisch radioprogramma een autotocht naar de Drakensbergen. Over deze tweede reis, die hem toen niet naar de Kaap bracht, schreef hij een brief aan de Afrikaanse dichter, bloemlezer en vertaler van zijn poëzie Daniel Hugo.

Daniel Hugo

Daniel Hugo

Hugo heeft met Liefde, miskien (1996) een voor het Afrikaanse publiek beeldbepalende bloemlezing uit De Conincks poëzie naar het Afrikaans samengesteld.[x] Dat De Coninck überhaupt een tweede reis naar het zuidelijk halfrond heeft ondernomen, was blijkens onderstaande brief helemaal niet zo evident.

[…] Ik zie daar zeer tegenop. 1/ Kristien gaat niet mee. 2/ Zonder haar ben ik helemaal geen dapper reiziger. 3/ Ik heb gisteren mijn rib gebroken: gewoon thuis van de trap gevallen, uitgegleden op mijn kousen. Alles wat ik met mijn linkerarm doe, doet pijn. In Zuid-Afrika moet ik met die arm schakelen met de auto. 4/ Ik moet ten laatste 13 augustus terug in België zijn, dus ik heb geen tijd om jullie in Kaapstad te bezoeken. Vooral dat laatste vind ik jammer. […][xi]

Nog vóór beide excursies waarover hij rapporteert en fictionaliseert in De cowboybroek, toen hij naast Bloemfontein en ‘Potch’ ook het ‘Britse’ Durban heeft bezocht, had De Coninck zijn belangstelling voor Zuid-Afrika al meermaals laten blijken. Meer bepaald op het moment dat het verscheurde land de nadagen van het apartheidsregime doormaakte en de toekomst bijzonder onzeker oogde. De Coninck heeft ook enkele keren zijn waardering, zo niet zijn fascinatie, voor het literaire werk van schrijvers als J.M. Coetzee, Nadine Gordimer, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach uitgesproken. Aan die laatste ‘verzetsfiguur’, schrijver in de diaspora, heeft hij overigens ook een gedicht gewijd. De genese van het gedicht moet worden gedateerd nadat Breytenbach in 1992 mee het Gorée Institute. Centre for democracy, development and culture heeft opgericht (met een verwijzing naar het slaveneiland Gorée voor de kust van Dakar, Senegal). Het instituut streefde ernaar het contact tussen intellectuelen en democratische instellingen in Afrika te bevorderen, en de democratie op het continent te stimuleren.[xii] De bemiddelaarsrol die Breytenbach vervulde, en zich dus ook institutioneel aantrok, zit mee verwerkt in het gedicht. De tekst van De Coninck is niet opgenomen in een dichtbundel, maar kan wel worden teruggevonden in het essayboek De vliegende keeper (1995). Het gedicht bestaat uit door De Coninck vertaalde (en tussen aanhalingstekens geplaatste) regels uit (eigen en vertaalde) poëzie van Breytenbach.

 

‘Wanneer een oude man sterft in Afrika,

brandt er een bibliotheek af.’

 

Ik kom uit het niets en zal tot niets komen,

maar ik neem er wel de tijd voor.

De wereld waarin ik thuis ben is Afrika.

Het is de enige uitweg die ik heb om gebruik

te maken van al mijn zintuigen en vermogens.

Deze aarde was de eerste die sprak.

Zij heeft mij voor eens en altijd uitgesproken.

 

De zuidooster stuift door de straten van de stad,

verandert het geslacht van honden.

De zon valt als een koffiezakje in de ketel

en al spoedig is de nacht zwart doorgelopen.

Heiligen storten in de leegte, niets achterlatend

dan een kreet als een serpentine in de lucht.

 

‘Liefde is niet maken, maar vergezellen’.[xiii]

 

Breyten Breytenbach

Breyten Breytenbach

Over dit romantisch getoonzette maar evenzeer politiek-ideologisch geladen gedicht (Breytenbach als ‘alerte politieke verslaggever’), dat tegelijk ook als programmatisch voor De Conincks eigen poëticale opvattingen at that time kan worden gelezen (met als sleutelbegrippen ontregeling en troost),[xiv] tekende hij nog het volgende op:

[Dit] gedicht is een onbestaand gedicht van Breytenbach. Zijn poëzie vind ik moeilijk, maar ik zou er eens beter mijn best op moeten doen. Zijn verslag Terugkeer naar het paradijs vind ik gedreven, soms zijn het overhaaste kladnotities, meestal is het buitengewoon knap. Het voordeel van Breytenbach is dat hij ook veel weet, en dat je tussen zijn erudiete verslaggeverij ineens een zin pure poëzie aantreft, waarna hij gelukkig weer tot de orde van de dag overgaat. Zo hoort poëzie te functioneren, in een prozatekst: ontregelend. Het proza regelt het dan wel verder. Zo lees je het verslag van de dood van iemands vader, heel accuraat, waarna de regels: ‘Wanneer een oude vrouw sterft is de wereld vol vlinders, wanneer de ogen van een oude man breken, worden de bomen donker.’ Waarna nieuwe alinea, andere levens, want er zijn er genoeg. De scrupuleloze commerçant bijvoorbeeld: ‘een vogel die schijt in alle bomen’. Breytenbach heeft het oog van de alerte politieke verslaggever, gecombineerd met de taalwijsheid van de Toearegs. In zijn inleiding schrijft hij in elk geval dat hij troost vindt bij gezegden als: ‘De dood is niet iets als thee-drinken.’

Ik heb een gedicht gemaakt, uitsluitend bestaande uit regels van Breytenbach – en van anderen  die hij citeert […]. Ik vind het een erg mooi Breytenbach-gedicht. Alleen heeft hij het nooit zo onder elkaar opgeschreven. En als je Afrika vervangt door Vlaanderen, zou ik er zelf wel voor willen tekenen […].[xv]

De Coninck blijkt gecharmeerd door de ‘scrupuleloze’ versregels van Breytenbach die onder meer ontleend zijn aan ‘de taalwijsheid van de Toearegs’.[xvi] Het is met name de combinatie van erudiete en politiek geladen passages én ‘de wijsheid’ van primitieve volkeren die voor De Coninck de overtuigingskracht van deze schriftuur bepaalt. Het is evenwel niet de poëzie an sich (‘de pure poëzie’) die de Vlaamse schrijver in de ban hield. Hij heeft het expliciet over ‘de verslaggeverij’. Versregels fungeren als deraillerende elementen in een prozatekst; ze zorgen voor verdieping, voor een brok levenswijsheid die je op dat moment in de verslaggeving niet verwacht. Dat is wat hij noemt de registerwisseling tussen het proza van Breytenbach en het taaleigen van het Noord-Afrikaanse nomadische Berbervolk.

De Coninck mag dan wel zijn eigen Breytenbach-gedicht hebben gecreëerd met vertaalde regels die de Zuid-Afrikaanse schrijver zelf zou hebben ontworpen of die hij in vertalingen ontleende aan andere schrijvers (de Toearegs). Hij noemt het eclectisch samengestelde gedicht vooral ‘erg mooi’, en hij besluit veelzeggend: ‘als je Afrika vervangt door Vlaanderen, zou ik er zelf wel voor willen tekenen‘ (mijn cursivering). Het is ongetwijfeld de wijze waarop Breytenbach zijn liefde voor Afrika belijdt (‘De wereld waarin ik thuis ben is Afrika’), door gebruik te maken van beelden ontleend aan teksten van inheemse Afrikaans volkeren, die De Coninck weet aan te spreken. De transparantie van het taalgebruik, de parlandistische toon, de van ‘levenswijsheid’ vervulde beeldentaal zijn de ingrediënten van een poëzie die ook hij in het eigen scheppende oeuvre voorstond.    

Overigens, naast deze poëticaal te lezen Breytenbach-compilatie – Breytenbach à la manière de De Coninck – heeft hij in hetzelfde opstel in De vliegende keeper ook een gedicht voor Czesław Milosz geconcipieerd, met regels ontleend aan het dichtwerk van de Poolse Nobelprijswinnaar.

Politieke stellingname in Nieuw Wereldtijdschrift

Nieuw Wereldtijdschrift

Nieuw Wereldtijdschrift

Herman de Coninck was niet alleen dichter en poëziecriticus. Hij was ook tijdschriftredacteur. In 1984 is in Vlaanderen uit de erfenis van het vrijzinnige Nieuw Vlaams Tijdschrift (1944-1983) het glossy, op glanzend papier gedrukte Nieuw Wereldtijdschrift opgericht. In dit literair-journalistieke magazine vroeg hoofdredacteur De Coninck meermaals aandacht voor markante teksten uit de Zuid-Afrikaanse literatuur. In het jaar van zijn Breytenbach-gedicht verscheen een speciaal aan Zuid-Afrika gewijde aflevering van het NWT (mei-juni 1995), met bijdragen van (in volgorde van verschijnen) Etienne van Heerden, Henk van Woerden, André Brink, Stephen Watson (in een vertaling van Eva Gerlach), Antjie Krog, Riana Scheepers, Damon Galgut, J.M. Coetzee en Chris van Wyk; van Koen Wessing is een portfolio met foto’s in de townships opgenomen. De Coninck, samensteller van de aflevering, leidde ook in, en was wellicht verantwoordelijk voor de leads bij de respectieve bijdragen. In het woord vooraf benadrukte hij, als het ware om het initiatief in de lage landen te legitimeren, de ommezwaai die zich na de vrijlating van Mandela en daarna na de verkiezingen van 1994 in het land had voltrokken. De Coninck formuleert zijn kritische kanttekeningen bij de manier waarop de culturele boycot ten tijde van de alleenheerschappij van de Nasionale Party is gevoerd. Uiteindelijk hebben die drastische maatregelen zich gekeerd tegen de Afrikaanse literatuur en ‘de progressieve Afrikaanse schrijvers’, zo stelt De Coninck, en niet diegenen getroffen die in hun handelen en mentaliteit gruwelijke feiten hebben gepleegd.

De tijd is voorbij dat wij Zuid-Afrika op z’n nummer wilden zetten. Dat ging soms hard. Ik herinner me een “Nacht van de Poëzie” in Utrecht waarop Willem Frederik Hermans was uitgenodigd, die toen pas naar Zuid-Afrika was geweest. De zwarte dichter Julian With dreigde toen met een rel. Waarop Hermans bedankte.

Wium van Zyl

Wium van Zyl

Andersom vertelde de Afrikaanse dichter Wyum [sic] van Zyl me hoe hij begin jaren tachtig in Nederland aan zijn doctoraal over Hermans zat te werken en hoe hij zich voortdurend opgejaagd voelde: men had hem eens op heterdaad moeten betrappen, dan was hij meteen het land uit gezet.

Nee, een economische boycot is uitstekend, maar niemand houdt zich eraan. Maar met een culturele boycot ontzeg je juist de progressieve Afrikaanse schrijvers de solidariteit die ze in hun eenzaam geschrijf zo nodig hebben. En de voorstanders van de apartheid? Juist hen hadden we onze geschriften niet moeten onthouden. We hadden hen ermee moeten bombarderen. Cultuur is een wapen.

Kortom, dit Zuid-Afrikanummer komt tien jaar te laat. Het kan geen aanspraak meer maken op moed.

Maar misschien kan het nog interesse wekken, want Zuid-Afrika heeft een knappe literatuur.

We hebben geen enkele poging gedaan om een politieke status questionis te maken. Maar in zijn totaliteit, in de samenstelling van zijn tekorten, geeft het nummer toch een goed beeld, hopen wij, van een onoplosbaar land, dat zichzelf, althans in dit nummer, op een inspirerende manier tegenspreekt en aanvult.[xvii]

Gelijkaardige passages over de functies van cultuur en de betekenis van de Afrikaanse literatuur heeft De Coninck ook verwerkt in ‘Cultuur als besmetting’ (in De cowboybroek). Taal en politiek: ze grijpen volgens onze auteur in een land als Zuid-Afrika immer en altijd in elkaar. Taal heeft er per definitie een ideologische laag die niet los kan worden gezien van maatschappelijke en politieke gebeurtenissen. In het volgende fragment worden de schoonheid en de disparaatheid van het Afrikaans bezongen. De taxatie van het Afrikaans, die trouwens aansluit bij vaker geregistreerde uitspraken van Nederlandssprekenden over de speelsheid en zangerigheid van het Afrikaans, nog vóór De Coninck in 1994 een eerste keer de Zuid-Afrikaanse bodem betrad en het Afrikaans van native speakers aanhoorde, is klaarblijkelijk louter en alleen gebaseerd op jeugdsentimenten. Meer bepaald op zijn eerste kennismaking op de schoolbanken met de Afrikaanse literatuur. De herinneringen gaan terug op schoolbloemlezingen, zoals Zuid en Noord, die op de lectuurlijst stonden van het katholiek middelbaar onderwijs in België. Daarover schreef hij: ‘[deze schoolboeken] eindigden altijd met een sectie Afrikaanse poëzie. Van W[y]k Louw stond er nog in, en een enkele keer ging men zelfs tot Elisabeth Eybers. Ik vond het een buitengewoon poëtische, licht amusante taal’.[xviii] Overigens, in later verschenen anthologische schoolboeken als De dubbelfluit, samengesteld door de Vlaamse priester-dichter en Groot-Nederlands denkende Anton van Wilderode, komen nog Afrikaanse schrijvers als Eybers en Opperman voor. Aan de taal van deze dichters, het Afrikaans, betuigt De Coninck zijn liefde. Ik citeer het fragment in extenso, ook al gezien de politieke relevantie van de uitspraken die de schrijver doet en de visie die hij in de openingsalinea op het ontstaan en de eigenheid van het Afrikaans naar voren schuift.

[…] Uit [een] ingewikkelde haat-liefde moet het Afrikaans ontstaan zijn. Zal ik eens iets gedurfds proberen? Haat-liefde: zou het dan kunnen dat de apartheid uit haat is ontstaan en het Afrikaans uit liefde? Zou het kunnen dat deze taal, het Afrikaans, mee van het beste is wat dit land te bieden heeft? Al wat de Afrikaners in hun apartheidspolitiek niet konden gedogen, rassenvermenging, hebben ze in hun taal wel toegelaten. Met zijn dubbele ontkenning is het een soort oud West-Vlaams dat zich met alle graagte heeft vermengd met Engels en Zoeloe en Xhosa, dat zijn calvinisme heeft doorspekt met zwarte lekkerheden, dat zijn reglementen mee heeft laten genieten van zonde. Het is taalkundig gezien de meest overspelige taal die ik ken. Pas nu begrijp ik waarom Breyten Breytenbach er nog altijd niet in slaagt zich Europeaan te noemen. Hij is een zoon van de landschappen van de Karoo, van schraalte en onmetelijkheid en dubbele wolkenvelden: lagere wolken waardoorheen je de hogere ziet. (Niet het proza is hier gelaagd, maar de hemel.) En bovenal: hij spreekt de zeer besmette taal die het Afrikaans is. Hij bepleit zelfs die besmettelijkheid, het kan niet besmet genoeg, cultuur is besmetting.

‘De taal is gansch het volk’: was dat hier maar waar geweest.

Taalmonument

Taalmonument

Er is voor deze taal zelfs een monument opgericht, in Paarl. Het enige taalmonument ter wereld. Volgens Tom Lanoye is het een geërecteerde fallus met drie ballen – maar de fallus is hol, je kunt er onderaan in, en dan merk je bovendien dat hij bovenaan besneden is, je kijkt naar een topje blauwe lucht, zodat je je helemaal een spermatozoön voelt, onder de indruk van de lange weg die het Afrikaans nog te gaan heeft. Maar het is wel bereid zich het zwerk in te schieten. Mandela heeft het monument laten staan. Waarschijnlijk tot de dag dat de tien andere talen ook hun monument eisen. Ik voel me een beetje IJzerbedevaartachtig. Maar ik lees ook bij de entree een versteend citaat van de dichter Van Wijk Louw, die de hoop uitspreekt dat deze verbasterde taal, net dankzij haar verbastering, iets van Europa én van Afrika zal kunnen huisvesten. Het is niet deze taal waar iets mis mee is.

Zal het Afrikaans overleven? Ja, denkt J.M. Coetzee, maar niet het deftige Afrikaans van de blanken, maar het nog veel verbasterder dialect dat de bruinmense spreken. In André Brinks boekje 27 april.[xix] Een jaar later staan een paar voorbeelden van dit taaltje. Helaas ook een paar voorbeelden van verbittering na één jaar Mandela [citaten van Jan Rabie en Adam Small, yt] […] In een stuk in de NRC van vorige zomer maakt Henk van Woerden zich vrolijk over de pogingen die zowat alle Afrikaanse neerlandici nu doen om hun taal, met subsidie van de Nederlandse Taalunie, met rugdekking van het prestigieuzere Nederlands, van de vergetelheid te redden. Maar het gaat niet om een taalstrijd, maar om een klassenstrijd binnen die taal, zegt hij.

Ik heb zelf aan zo’n congres voor neerlandici meegedaan, in Bloemfontein. Ik wil daar graag iets op terugzeggen. Dat de Taalunie het Afrikaans steunt: beter laat dan nooit. Het is meer Wiedergutmachung dan steun. De economische boycot was zeer terecht, en die heeft gewerkt ook. Maar juist de culturele boycot van Nederland heeft het prestige van zowel het Nederlands als het Afrikaans ondermijnd. Aan de universiteiten werd dat zo verschrikkelijk gelijkhebberige Nederlands gehaat. Die afkeer heeft bijgedragen tot de snelheid waarmee het Afrikaans verbasterde. (Ik lees in een hotelkamer in een bijbel van het begin van de eeuw. Dat Afrikaans is voor mij woord voor woord verstaanbaar. Bij één alinea van Adam Small heb ik vijftig voetnoten nodig.)

Het was vooral grotesk. Dichter en hoogleraar Wium van Zyl, die in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek kwam werken aan zijn doctoraal over W.F. Hermans, zat daar in de voortdurende vrees dat hij ontmaskerd zou worden en over de grens gezet. Francis Galloway, die eind jaren tachtig doctoreerde over Breyten Breytenbach, werd de toegang tot het huis van de Anne Frank-stichting ontzegd. Tegelijkertijd zou W.F. Hermans – die toen pas was ingegaan op een uitnodiging om Zuid-Afrika te bezoeken, ondanks het feit dat hij met een kleurlinge was getrouwd – komen voorlezen op de Nacht van de Poëzie in Utrecht. De zeer donkerzwarte dichter Julian S. With, die niet alleen zijn naam tegen heeft maar helaas ook zowat al zijn poëzie, dreigde toen met een rel. Waarop Hermans bedankte.

Het meest absurde was dat het blanke protest in Zuid-Afrika zich juist in die culturele sector afspeelde: door de boycot werd uitgerekend aan het progressieve blanke protest onze solidariteit ontzegd. En de voorstanders van de apartheid? Juist hun hadden we onze geschriften niet moeten onthouden, zegt André Brink, we hadden hen ermee moeten bombarderen.

Verder ben ik als Vlaming, weet hebbende van taal- en klassenstrijd, geneigd te denken dat taal zijn dialecten mag hebben, want daar heerst nogal wat vindingrijkheid – maar dat het toch goed is dat de dikke Van Dale het een beetje bij elkaar houdt, anders gaan die dialecten al te gauw hun eigen leven leiden. Zuid-Afrika zit al opgescheept met elf officiële talen. Ik zie er het nut niet van in dat ook het Afrikaans zich nog eens zou opsplitsen in een dialect of drie. Het blank en bruin en het zwart Afrikaans (want ook dat laatste bestaat) hebben elkaar nodig. Taalpolitiek is geven en nemen. Tot er – ik zeg maar wat – een bruinmens-Multatuli opduikt. En dan is taal krijgen. […][xx]

Opmerkelijk is dat De Coninck in deze uitvoerige passage de courant gemaakte associatie tussen de rassenpolitiek van de Nasionale Party (1948-1994) en het Afrikaans niet legt. De officiële taal zelf is in de tijd van het verwerpelijke apartheidssysteem en de segregatiepolitiek van de blanke minoriteit in verband gebracht met deze politieke ideologie. Afrikaans, zo was de mening in landen die het regime boycotten, stond gelijk aan (de taal van) de verdrukker, van het fascistoïde en door etnische presupposities gedomineerde gedachtegoed. De Coninck, die cultuur als wapen zag, vereenzelvigt de taal net niét of onproblematisch met een ideologische stellingname. Het Afrikaans is een smeltkroes, een kruispunt van diverse talen, en wordt gesproken door meer mensen dan alleen de conservatieve ‘witmense’. Breytenbach, zo stelt onze schrijver, adoreerde deze ‘overspelige taal’, die invloeden van het Engels, Hollands, Frans, Zoeloe, Xhosa en nog enkele andere talen heeft ondergaan. In die zin is Afrikaans voor Herman de Coninck een ‘zeer besmette taal’. Waar hij Breytenbach om benijdt, is precies diens beheersing van het Afrikaans (en meer in het bijzonder voor de keuze voor een literair oeuvre in het Afrikaans en in het Engels). Het Afrikaans wordt voorgesteld als een slagader van een literair oeuvre dat Breytenbachs roots in de Karoo verbindt met ‘Afrika’.[xxi] In Paarl, in de buurt van Stellenbosch en Franschhoek, staat het enige monument in de wereld dat specifiek voor een taal is opgericht. Beeldend is De Conincks beschrijving van het monument dat als een signaal van de verdere dynamische ontwikkeling van het Afrikaans wordt verzinnebeeld. Zijn besluit is taalpolitiek te lezen: het Afrikaans verenigt in zich Europa en Afrika. Het is net die verstrengeling van beide continenten die hij in zijn Breytenbach-gedicht probeerde scherp te stellen. Breytenbachs fascinatie voor de taal van de nomadische Toearegs, ‘de wereld waarin ik thuis ben is Afrika’, maar dus ook voor het Afrikaans van de Karoo (en zijn landelijke geboortegrond), maar ook diens onverzettelijkheid, is wat De Coninck zo aantrekt in de literaire persoonlijkheid en de cultuurpolitieke houding van de auteur van Terug naar het paradijs. Een Afrikaans journaal (1993).[xxii]

In de tweede alinea van bovenstaand citaat reflecteert De Coninck over de toekomst van het Afrikaans in een post-apartheid era. Hij lijkt Coetzee’s visie te onderschrijven dat alleen het verbasterde Afrikaans, niet de taal van de blanke eurocentrische elite maar die van ‘de bruinmense’, zal overleven. Hij put daarvoor uit zijn eigen beperkte ondervinding op een neerlandistiekcongres in Bloemfontein. De culturele boycot van Zuid-Afrika, vooral in Nederland (ook door de Nederlandse Taalunie), wordt – zoals al eerder bleek uit een voorwoord in Nieuw Wereldtijdschrift – betreurd. Precies deze boycotmaatregelen noemt hij als een van de redenen waarom het Afrikaans in ijltempo verbastert. Het Nederlands was door de politieke houding van menig regeringsleider voor vele Afrikaanssprekenden de taal van de moreel superieure betweters in Den Haag en Amsterdam. Hij schetst enkele concrete voorbeelden van aanvaringen, van een sfeer van achterdocht en geestelijke terreur die in Nederland ten aanzien van Afrikaners bestond. Het was vooral in de culturele sector dat de onmogelijkheid nog samen te werken tussen Zuid-Afrika en Nederland/Vlaanderen, tussen academici en schrijvers, is gecontesteerd. In casu op een moment dat, volgens De Coninck, vooral de steun vanuit Nederland en Vlaanderen cruciaal was. Die afwijzende houding heeft zich tegen het Afrikaans gekeerd, luidt zijn conclusie. Net op het ogenblik dat de blanke progressieven in Zuid-Afrika, die het systeem met protestacties en literaire teksten ondermijnden, alle steun konden gebruiken, bleven zij door een algemeen uitgevaardigde boycot in de kou staan en verkeerden zij in een volstrekt isolement. Op het moment dat het democratisch denken alle Europese steun kon gebruiken, is een dam rond het Afrikaner nationalisme gebouwd. Een cocon waarin het nationalisme op zichzelf terugplooide ten koste van al wie in het land vooruitstrevende denkbeelden had en open minded was. De Coninck bepleit een gestandaardiseerde Afrikaanse taal, waarin ruimte is voor taalvariatie, maar waarbij ook moet worden gedacht over de taalpolitieke functie van een sterke eenheidstaal. Hij stapt in zijn conclusie uiteraard voorbij aan een Afrikaanse literatuur die ook door ‘bruinmense’ en door ‘swartmense’ wordt geschreven. De ‘bruinmens-Multatuli’ is misschien al opgestaan; uit de ‘Multatuli’ in de woordsamenstelling spreekt tegelijk een paternalistische houding die de Nederlandse literatuur hoger aanschrijft dan wat ‘bruinmense’ zouden vermogen. Herman de Conincks apologie voor het Afrikaans is mede ingegeven, behalve door de Vlaamse ‘taal- en klassenstrijd’, door een reductionistisch beeld van de literatuur die in het Afrikaans wordt geschreven en de bonte mengeling van taalgebruikers. Dat de ‘bruinmens-Multatuli’ opstaat, lijkt voor hem nog ver in de toekomst te liggen. Vandaar dat de Afrikaanssprekenden er goed aan doen de rangen te sluiten, zo decreteert de taalpoliticus in De Coninck. Zij zouden er beter aan doen voor een doelgerichte taalpolitieke strategie te opteren waarbij standaardisering hoog op de agenda moet staan. De realiteit heeft een dergelijke zienswijze intussen achterhaald.

Eybers, Krog en het Nieuw Wereldtijdschrift

Omslag

Omslag

Uit de nagelaten brieven, zeven jaar na zijn dood onder de titel Een aangename postumiteit verschenen, blijkt dat Herman de Coninck als hoofdredacteur van het NWT in de beginjaren van het tijdschrift (de jaren tachtig dus) verscheidene keren heeft geprobeerd Elisabeth Eybers (1915-2007) te vermurwen mee te werken aan het blad. Hij wou graag een interview met de in Amsterdam gedomicilieerde Eybers, een genre waarvoor zij zich nog niet eerder had laten strikken. Het is de enige brief aan Eybers die in het brievenboek voorkomt. Er spreekt een opmerkelijk bewonderende, bijna adorerende, maar ook wel een zeer nederige houding uit. Tegelijk spreekt De Coninck, op dat ogenblik de auteur van vier dichtbundels (De lenige liefde, Zolang er sneeuw ligt, Met een klank van hobo en De hectaren van het geheugen) en van de verzamelbundel Onbegonnen werk. Gedichten 1964-1982 (1985), en dus niet gehinderd door enige bescheidenheid, van niet minder dan ‘gevoelsverwantschap’.

 

11.6.85

Geachte Mevrouw,

Separaat stuur ik u het laatste nummer van het NWT, hopend dat u het mooi genoeg vindt om er ooit eens gedichten aan af te staan.

Bovendien zou ik graag, ter gelegenheid van het verschijnen van uw nieuwe bundel [Drijfsand of Gedigte 1962-1982, yt], een interview met u maken.

Ik weet dat u dat gewoonlijk weigert. Ik heb althans nog nooit een vraaggesprek met u gelezen. Maar misschien juist daarom vraag ik het: het zou des te unieker zijn voor ons.

Ik weet verder niet goed wat daaraan toe te voegen.

Helpt het u als ik u ook een dichtbundel van mezelf toestuur, zodat u enige gevoelsverwantschap kunt constateren? Of is dat juist opdringerig? Ik doe het dan toch maar, je weet nooit.

Met hartelijke, bewonderende groet,

Herman De Coninck[xxiii]

 

Er is geen interview met de door de Vlaamse dichter bewonderde Elisabeth Eybers in het NWT verschenen.

Een andere, aanzienlijk jongere maar al even spraakmakende journaliste/dichter die De Coninck bijzonder hoog inschatte, is Antjie Krog. In het voorwoord van het NWT-nummer, dat integraal is gewijd aan Zuid-Afrika, had De Coninck al de lof gezongen van de politiek actieve en maatschappelijk geëngageerde Krog en van het periodiek Die Suid-Afrikaan. Hij zou daar later in een persoonlijke brief, gedateerd op 20 mei 1996, nog verder op ingaan. In NWT, mei 1995, lees ik onder meer:

Antjie Krog

Antjie Krog

Antjie Krog is dichteres, een paar jaar geleden nog te gast op Poetry International, en ‘uitvoerend redakteur’ van Die Suid-Afrikaan, een blad dat misschien wel graag een soort Nieuw Wereldtijdschrift zou willen zijn, maar het daar politiek te druk voor heeft. Die Suid-Afrikaan is een tweeëneenhalf-talig blad: Afrikaans en Engels door elkaar, een enkele keer mag ook Xhosa. Literatuur is de bedoeling, maar politieke pamfletten zijn dringender. Antjie Krog schrijft daar gedreven voorwoorden bij, die meestal eindigen met de formule ‘groetnis en genade’. Dat laatste smeekt ze de gekleurde bevolking af, omdat ze zo haar best doet. Dat klopt ook. Welke filosoof was het ook weer, die, gewezen op zijn ijzeren inconsequentie, zei dat hij dan wel als een wegwijzer de juiste richting aanwees, maar gezien zijn functie toch maar beter zelf ter plaatse kon blijven? Zo niet Antjie Krog. Ze legt zelf alle kilometers af die ze aanwijst, in alle richtingen.[xxiv]

De brief die De Coninck haar stuurde voorjaar 1996, over het functioneren en de maatschappelijke impact van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, waar Krog korte tijd later het getuigenisboek De kleur van je hart (oorspronkelijk Country of my skull) aan heeft gewijd, kan ik hier gezien de lengte niet integraal citeren.[xxv] Het is voor beide auteurs in menig opzicht een belangrijke brief. De Coninck had Krog gevraagd over de confronterende hoorzittingen van de door aartsbisschop Desmond Tutu voorgezeten Truth and Reconciliation Commission verslag uit te brengen in het NWT. Aldus kondigde De Coninck de reeks aan:

Vanaf dit nummer begint Antjie Krog, dichteres en journaliste, met een tweemaandelijkse brief uit Kaapstad. Daar gebeuren buitengewoon boeiende dingen die hier nauwelijks het nieuws halen omdat er niet genoeg doden bij vallen. Die zijn al gevallen en het gaat er nu juist om hoe Zuid-Afrika daarmee probeert om te gaan. Sinds kort is er een waarheidscommissie bezig met het onderzoek naar ‘oorlogsmisdrijven’ tijdens de apartheid. Die misdrijven kunnen aangeklaagd worden en bestraft – maar ook vergeven. Dat geldt met name voor ideologische misdaden. Het gevolg is alvast dat Eugène Terre’Blanche zich nu probeert te profileren als ideoloog: hij heeft nooit tegen de zwarten gevochten maar tegen het communisme. Ant[j]ie Krog is hoofd van het clubje radiojournalisten dat hierover rapporteert, met verontwaardiging en woede en schaamte en slapeloze nachten.[xxvi]

In totaal schreef Krog voor het NWT zes afleveringen in de rubriek ‘Brief uit Kaapstad’ (in 1996, afl.4, 5 en 6; in 1997, afl. 1, 2 en in het dubbelnummer dat aan de kort tevoren overleden De Coninck is gewijd: 5/6).[xxvii] De ‘Brief uit Kaapstad’ was trouwens de concrete aanzet voor het schrijven van De kleur van je hart (2001). Het spreekt voor zich dat zowel De Conincks invitatiebrief als de zes bijdragen van Krog in NWT nader onderzoek verdienen.

Twee late gedichten

Voor de epiloog van deze verkennende beschouwing over de relaties tussen Herman de Coninck en Zuid-Afrika keer ik terug naar de poëzie. Een derde verblijf in Zuid-Afrika, na de bezoeken in 1994 en in 1995, had plaats in oktober 1996. Mogelijk was het echtpaar De Coninck er ook al in april van dat jaar geweest. We lezen over die Kaapse reis, toen de dichter onder meer te gast was bij Riana Scheepers en Daniel Hugo, in twee brieven die hij richtte aan zijn vrouw op het thuisfront in Berchem (Antwerpen). De reis was opgezet als een promotietoer, ter gelegenheid van de uitgave van Daniël Hugo’s vertaling van gedichten van De Coninck. Hij ontmoette tijdens dat verblijf ook de Vlaamse collega-schrijver Tom Lanoye, die al sinds enkele jaren een eigen appartement bezat in Kaapstad (en de buurman is van Antjie Krog).[xxviii] Op 13 oktober 1996 had een ontmoeting plaats met de Afrikaanse dichter en arts Phil du Plessis. Aldus hangt De Coninck een hilarisch maar ook tragisch portret van Du Plessis op:

Hij is 52, homo, arts, en een soort renaissance-mens, uomo universale. Weet alles van artsenij, psychoanalyse, architectuur, schilderkunst, poëzie. Drinkt vanaf ‘s ochtends witte wijn. Rookt als een Turk, zelfs terwijl hij eet. Gaat nooit op invitaties in van mensen bij wie hij niet mag roken. Heeft een prachtig huis aan zee, zijn veranda lijkt wel een badhuisje, zo vlakbij. Heeft een kunstcollectie van 10 miljoen BF [250.000 euro, yt], en een platencollectie van 1 miljoen, waaronder nog 78-toerenplaten, en twee zelf aan te zwengelen 78-pick-ups. Daarop laat hij dan zowel jiddische jazz horen, als de eerste opname van King Creole, van Elvis Presley. Hij is vroeger al eens in een droogdok van 10 meter diep gegooid door een recalcitrante gigolo (5 breuken). Nu is hij smoor op een macho-fotomodel van 26, maar platonisch, want zodra hij naar hem een vinger uitsteekt, krijgt hij op zijn smoel. […].[xxix]

Du Plessis duikt vervolgens ook op in een brief van De Coninck aan Daniel Hugo. In de verzamelde opstellen heb ik geen verwijzingen naar de poëzie van Du Plessis aangetroffen. In diezelfde brief aan Hugo polst De Coninck naar de receptie van Liefde, miskien in de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek. Met de kritische ontvangst bleek het nogal mee te vallen. Op 9 januari 1997 voegt hij in een volgende brief aan Hugo een net geschreven gedicht toe, dat later (postuum) is gebundeld in Vingerafdrukken (1997). De anekdotische laag (‘Zo schrijft de werkelijkheid soms/een strofe of twee voor me op’) verwijst naar de al eerder vermelde schrijverstournee die De Coninck, op instigatie van Van Zyl en onder meer in aanwezigheid van Simon Vinkenoog, naar de Atlantische kust bij Kaapstad heeft gebracht. Het gedicht refereert expliciet aan het reisproza in De cowboybroek. In de verantwoording van de dichtbundel noteerde De Coninck:

Enkele reisgedichten uit de afdeling “Ginder” zijn oorspronkelijk als proza gepubliceerd, o.a. in De cowboybroek van Maria Magdalena, maar waren daar niet tevreden mee, wilden uit hun context, wilden regels kwijt en er andere bij. (Zo werkt poëzie: sommige regels zijn vragende partij).[xxx]

 

Ewewig

 

Simon Vinkenoog over de zee nabij Kaapstad:

‘Ongelofelijk hoe waterpas, hè!’

‘En zo weinig scheepjes!’

‘Jamaar, ‘t is zondag!’

 

Later vertelt Phil du Plessis hoe zijn grootvader

metselaar was, viool speelde, en een glazen oog had.

Om te zien of een muur waterpas stond, legde hij zijn glazen

oog erop, begon viool te spelen, en als het oog bleef liggen

 

was de muur waterpas. Zo schrijft de werkelijkheid soms

een strofe of twee voor me op en begint viool te spelen,

omdat het zondag is.[xxxi]

 

In dezelfde afdeling in Vingerafdrukken, ‘Ginder’, komt ook een tweede gedicht voor waarin Zuid-Afrika de setting is, met name ‘Hotel in Durban’.

 

Hotel in Durban

 

Rond halfzes gaat zon onder, komt zee boven.

Gooit haar zilverigheid in het rond, komt aanrollen

op haar breedste alexandrijnen van schuim,

op haar twaalfkilometers.

 

Mijn balkon is een groot televisiescherm waarop zee.

Overdag zijn er honderd soorten lawaai. ‘s Nachts twee: zee

die zich luidruchtig opgraaft uit de mijnwerkerij van zichzelf,

en krekels. Wat krekels doen is zoiets als vioolspelen op die ene

 

zenuw waaraan je tandpijn hebt. Tuinman spuit ‘s ochtends

voor het hotel de struiken schoon: uit één plant schieten er

miljoenen weg. Ik heb maar honderd woorden.

 

Daarin ontstaat een groot zeggen

waarin de zee zich één voor één voor één voor één

wil nederleggen.[xxxii]

 

Slot: ‘Zonder de townships was er een oplossing’

Over de plaats van Zuid-Afrika in De Conincks leven en werk is het laatste woord niet gezegd. Deze bijdrage is het resultaat van een poging een eerste overzicht van tekstplaatsen in poëzie, reisproza, poëziekritieken en in brieven te geven. De beschouwing besluit ik met een laatste fragment uit een brief, die in april 1995 moet worden gesitueerd. Na de eerste reis naar Zuid-Afrika, in oktober van het vorige jaar, schreef De Coninck aan zijn vriend Jan van Bilsen:

Ik ben […] vorig jaar oktober [in Zuid-Afrika] geweest, en er is een goede kans dat ik er binnenkort opnieuw naartoe ga. Ook daar is de hele situatie hachelijk, en zelf ben ik uitermate pessimistisch, maar de mensen die ik ginder ontmoet heb, zijn allemaal buitensporig bereid tot political correctness. Alleen zegt iedereen erbij: ik hoop dat Nelson Mandela nog lang mag leven. Want het ANC heeft nu wel de macht, maar ze moeten nog gaan ontdekken dat ze niet meer geld hebben dan de vorige regering. Het geld is opgesoepeerd [sic] in de oorlog met Angola. Ik heb de townships bezocht. Ik had dat beter niet gedaan. Zonder de townships was er een oplossing. Maar met de townships, nee. Miljoenen mensen die daar in gods natuur zitten te kakken en die dat wonen noemen. Wat moet je eerst subsidiëren, een put onder hun gat of een dak boven hun kop?

En toch heerst daar momenteel wereldoptimisme. De onwaarschijnlijkheid van verdraagzaamheid. Zo lang het duurt. En het duurt nooit lang. […][xxxiii]

Khayelitsha

Khayelitsha

Over het ontnuchterende bezoek aan de townships, ‘de nieuwste en grootste township Khayelitsha’ in de omgeving van Kaapstad, en hoe taal en politiek in Zuid-Afrika altijd weer verankerd zijn, heeft De Coninck in ‘Charisma in de uitverkoop’ geschreven. Het kan het fundament zijn voor een meer uitgewerkte studie van De Conincks beeldvorming van Zuid-Afrika en het Afrikaans.[xxxiv]

 

 


[i] H. de Coninck, ‘Het niets tussen twee plekken’, in De cowboybroek van Maria Magdalena en andere reisverhalen, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1996, p. 107-134. Ook opgenomen in: H. de Coninck, Het proza (deel 2). P. de Wispelaere en J. de Preter (ed.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2000, p. 541-682, i.h.b. p. 649-682. In totaal betreft het vijf genummerde prozateksten. De citaten in deze bijdrage zijn ontleend aan de oorspronkelijke bundelpublicatie.

[ii] De matefoor is ontleend aan een gedicht van Breyten Breytenbach.

[iii] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 111.

[iv] K. Hemmerechts, ‘De stemmen van Zuid-Afrika’, in Amsterdam retour, Atlas, Amsterdam/Antwerpen 1995, p. 45-66.

[v] G. Komrij, De Afrikaanse poëzie in duizend en enige gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 1999.

[vi] K. Hemmerechts, Amsterdam retour, p. 61.

[vii] H. de Coninck, ‘Wit zand’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 118-122, citaat op p. 118-119.

[viii] H. de Coninck, ‘’Charisma in de uitverkoop’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 107-110, citaat op p. 107.

[ix] Het citaat komt uit een brief van De Coninck aan Daniël Hugo (dd. 27 juli 1995). Zie H. de Coninck, Een aangename postumiteit. Brieven 1965-1997. B. Barnard, K. Hemmerechts, P. Piryns en A. Schreuder (red.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2004, p. 614.

[x] H. de Coninck, Liefde, miskien. Daniel Hugo (samenstelling en vertaling). Queillerie-Uitgewers, Kaapstad 1996. Daniel Hugo selecteerde de gedichten uit H. de Coninck, Onbegonnen werk. Gedichten 1964-1982, Manteau, Antwerpen 1984 [vierde druk, 1992]. Op het achterplat staat vermeld dat uitsluitend uit De lenige liefde (1969), Zolang er sneeuw ligt (1975) en Met een klank van hobo (1980) is gekozen. Ook de volgende typering, vermoedelijk geschreven door samensteller Hugo, van De Conincks poëzie komt daarop voor: ‘Kenmerke van sy werk is die alledaagse tema, die verrassende gesigshoek, die praatstyl, die oorspronklike beeldspraak en die versagtende ironie’. In 2009 vertaalde Daniel Hugo ook De Conincks debuut De lenige liefde naar het Afrikaans (Protea Boekhuis, Pretoria).

[xi] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p. 614.

[xii] [Auteurscollectief], Breyten Breytenbach uit de eerste hand. Schilderijen, tekeningen en essays, Frans Hals Museum/Meulenhoff, Haarlem/Amsterdam 1995, , p. 75. Het boek verscheen ter gelegenheid van de uitreiking van de Jacobus van Looyprijs aan Breytenbach (16 september 1995).

[xiii] H. de Coninck, ‘Twee gedichten’, in De vliegende keeper, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1995, p. 32-35, citaat op p. 34-35.

[xiv] Herman de Coninck publiceerde in totaal vier essaybundels die integraal aan literatuur zijn gewijd. De eerste boekpublicatie is getiteld Over de troost van pessimisme (1983).

[xv] Ibidem, p. 34.

[xvi] Ik wist na uitvoerig speurwerk in de gebundelde poëzie niet te achterhalen aan welke gedichten de regels zijn ontleend die aan Breytenbach worden toegeschreven.

[xvii] [H. de Coninck], ‘Voorwoord’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1995/3 (mei-juni), p. 3.

[xviii] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 112.

[xix] André Brink (samenst.), 27 April. One year later/Een jaar later, Queillerie, Pretoria/Kaapstad1995.

[xx] H. de Coninck, ‘Cultuur als besmetting’, in De cowboybroek van Maria Magdalena, p. 111-117, citaat op p. 114-117.

[xxi] Breytenbachs poëzaie is doorspekt met dergelijke verwijzingen. In Die Huis van die Dowe (Human & Rousseau, Kaapstad/Pretoria 1967) streepte ik onder meer deze regels in het gedicht ‘In julle hoede’ aan: ‘Jy is my taal, die saad/van my bevrugting, jy is die woord/waarin ek drome kan stort’ (de jij kan hier refereren aan een vrouw maar ook aan de taal en het land).

[xxii] Voor een beschouwing over onder meer Terug naar het paradijs. Een Afrikaans journaal, zie H.C. ten Berge, ‘De grillige lijn. Een verkenning van Breyten Breytenbachs geschreven werk’, www.litnet.co.za (25 november 2009).

[xxiii] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p.214.

[xxiv] A. Krog, ‘Fragmenten van een lafaard’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1995/3 (mei-juni), p.30-35. In een vertaling van Robert Dorsman.

[xxv] H. de Coninck, Een aangename postumiteit, p. 672-675.

[xxvi] [H. de Coninck], ‘Voorwoord’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1996/4 (juli-augustus), p. 3.

[xxvii] De afleveringen verschenen onder de volgende titels: ‘Ubuntu en amnestie’ (NWT 1996/4, p. 38-41), ‘Zwart tegen zwart, blank tegen blank’ (NWT 1996/5, p. 42-45), ‘Nog een pakkend stukje’ (NWT 1996/6, p. 48-51), ‘Biecht zonder vergeving’ (NWT 1997/1, p. 62-65), ‘Ruzie over de verzoening’ (NWT 1997/2, p. 56-57) en ‘Een oneindige, vijandige nacht…’ (NWT 1997/5-6, p. 116-120). Robert Dorsman maakte de vertalingen.

[xxviii] Tom Lanoye heeft enkele columns gewijd aan de politieke omwentelingen in Zuid-Afrika in 1994. De teksten zijn gebundeld in T. Lanoye, ‘Kaap de Goede Hoop’, Maten en gewichten, Prometheus, Amsterdam 1994, p. 162-208.  Ook opgenomen in T. Lanoye, Vitriool voor gevorderden 1994-2003, Prometheus, Amsterdam 2004, p. 92-142.

[xxix] Ibidem, p. 727-729, citaat op p. 727-728.

[xxx] H. de Coninck, ‘Nawoord’, in Vingerafdrukken, De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1997, p. 65-66. Vingerafdrukken is opgenomen in H. de Coninck, De gedichten (deel 1). H. Brems (ed.). De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 2000, p. 391-444.

[xxxi] H. de Coninck, Vingerafdrukken, p. 41. In het ‘Nawoord’ achterin de bundel legt de dichter uit ‘[v]oor wie dat niet zou hebben beseft’ dat ‘ewewig’ Afrikaans is voor ‘evenwicht’.

[xxxii] Ibidem, p. 42.

[xxxiii] Ibidem, p. 590-593, citaat op p. 591-592.

[xxxiv] Voor dat onderzoek moet onder meer rekening worden gehouden met enkele publicaties van De Coninck die in deze beschouwing niet zijn meegenomen. Zie o.a. ‘Een vredig gangsterisme’, in Nieuw Wereldtijdschrift 1997/2, p. 46-53. De bijdrage is een recensie van de foto’s van Jürgen Schadeberg, Sof’town Blues. Images from the black ‘50’s en ‘de zwarte journalistiek’ van het blad Drum.

Johann Lodewyk Marais. SENSAL se teleurgang

Sunday, July 5th, 2009

Hoe lyk die situasie in Suid-Afrika ten opsigte van erfenisbewaring (en dus ook die bewaring van bronne vir die bestudering van die Afrikaanse poёsie)? Ek wil enkele fasette aanraak in die lig van my eie ervaring by die destydse Sentrum vir Suid-Afrikaanse Letterkundenavorsing (SENSAL) van die Raad vir Geesteswetenskaplike Navorsing (RGN) waar ek van 1983 tot 1990 ’n navorser was. Die rede daarvoor is dat daar tot dusver min gedoen is om ’n bestekopname te maak van SENSAL se rol veral gedurende die 1980’s, en om sekere fasette van die instelling se bestaan krities te beskou.

 

Toe SENSAL in 1981 met dr. Charles Malan as hoof tot stand gekom het, het die Sentrum weliswaar ’n voorloper gehad. Dit was die Dokumentasiesentrum vir Afrikaans, wat in 1970 binne die Instituut vir Taal, Lettere en Kuns onder leiding van prof. P.J. Nienaber geskep is en hoofde soos drr. P.G. du Plessis en Pirow Bekker aan die roer gehad het. Prof. Nienaber se privaat versameling Afrikaanse boeke het aanvanklik die ruggraat van die Instituut gevorm, terwyl hy ook ’n Bibliografie van Afrikaanse boeke en ’n Bronnegids by die studie van die Afrikaanse taal en letterkunde opgestel het om die wêreld van die Afrikaanse boek te karteer. Prof. Nienaber het egter groter planne gehad en NALN in 1973 in die hartjie van Bloemfontein tot stand gebring om as museum met uitstalruimte en as navorsingsentrum vir die Afrikaanse letterkunde te dien.

 

Veral onder dr. Du Plessis se leiding het die Instituut vir Taal, Lettere en Kuns ’n redelike profiel as bewaringsinstelling vir die Afrikaanse literatuur gehad. Sedert die stigting van SENSAL onder dr. Malan het die navorsingsprofiel egter enorm vergroot en is geywer om ’n leidende inset te lewer tot die stimulering en koördinering (’n geliefde SENSAL-oriëntasie waarvoor iemand soos prof. Merwe Scholtz geen ooghare gehad het nie) van veral literêrsosiologiese navorsing oor die Suid-Afrikaanse literature. Waar SENSAL nie self oor die kapasiteit beskik het om hierdie navorsing te doen nie, is van kundiges buite die Sentrum gebruik gemaak. ’n Ambisieuse én suksesvolle uitvloeisel van hierdie inset was die reeks van ses literêre jaaroorsigte, getiteld SA literature/literatuur, saamgestel deur dr. Francis Galloway.

 

Benewens vir literêrsosiologiese navorsing is ook ruimte geskep vir die bestudering van progressiewe Sestigerskrywers soos Etienne Leroux, Bartho Smit en Breyten Breytenbach. Gedurende hierdie jare was daar byvoorbeeld publikasies oor die esoteriese Leroux, waaraan ’n hand vol “uitgelese kenners” eksklusief meegewerk het, wat tot die hemelhoë kanonisering van dié skrywer se werk gedurende die 1980’s bygedra het. (Toe die Universiteit van die Vrystaat enkele jare gelede ’n seminaar oor Leroux aangebied het, is die vraag gestel of hy intussen vergete geraak het.)

 

Op 1 Oktober 1990 het SENSAL ophou bestaan en ’n jaar later is die dokumentasie wat intussen in die Suid-Afrikaanse Sentrum vir Kunste-inligting bewaar is na die Staatsargief oorgeplaas, waar dit sedertdien geen verdere aandag gekry het nie. In hierdie tyd het formele navorsing oor die Suid-Afrikaanse letterkunde en die befondsing daarvoor in die RGN tot ’n einde gekom. Die einde van SENSAL, waaroor géén literêre haan gekraai het nie, het gekom toe dr. Tjaart van der Walt president van die RGN was en die organisasie te midde van snelle politieke hervorming en die meegaande navorsingstendensies ’n dramatiese koersaanpassing gemaak het.

 

Van die ideale tydens die RGN se herstrukturering was om groter legitimiteit te verkry (in daardie jare bykans ’n onbereikbare ideaal) deur navorsing te doen wat deur kliënte van buite befonds word. Terloops, indien genoeg geld vir letterkundige navorsing van buite die RGN beskikbaar was, sou dit moontlik gewees het om hierdie navorsing voort te sit. Weliswaar sou kunstenavorsing wat nie ’n sterk dimensie van gemeenskapsbetrokkenheid gehad het nie (iets soos dr. Gerard Hagg se kunstesentrums) voortaan met groot wantroue bejeën word.

 

Hierdie agtergrond is myns insiens belangrik wanneer na besluite gekyk word wat by SENSAL (en die RGN) ten opsigte van erfenisbewaring geneem is. In die lig van die groot klem wat op navorsing van ’n literêrsosiologiese aard gelê is, het SENSAL gou afskeid geneem van ’n navorser soos me. Rothea Olivier (iemand wat vergelykbaar is met NALN se me. Erika Terblanche), wat vir die aanwins en hantering van die dokumenteversameling verantwoordelik was. Me. Olivier (1983) se verhandeling oor onder andere die skryfster M.E.R. (onder studieleiding van prof. Elize Botha) en haar boek oor Jochem van Bruggen is as uit pas met die nuwe rigting in SENSAL beskou, terwyl die oorblywende deel van die Nienaber-boekery as van min waarde beskou is.

 

Gedurende my tyd is min navorsing oor die dokumente in SENSAL se besit gedoen en skenkings (soos dié van Bartho Smit, Henk Rall en Koos Prinsloo) kon nie meer tot hulle reg kom nie. Buite SENSAL is min opleiding aan studente gegee om hulle voor te berei om argivale navorsing te doen en talle verhandelings en proefskrifte is gekenmerk deur blootstelling aan nuwe teoretiese benaderings (onthou dit was ’n era van paradigmawisseling) en pogings om dit op aanvaarbare tydgenootlike skrywers se werk “toe te pas”. Dat figure soos proff. Nienaber en Jacques P. Malan (laasgenoemde die hoofredakteur van die vierdelige Suid-Afrikaanse Musiekensiklopedie) minder aanvaarbaar geword het en mettertyd binne die RGN as dinosourusse uit die verlede beskou is, was ’n logiese gevolg van hierdie aanpassings.

 

Boeke met Nienaber se ex libris voorin en Africana-boeke wat kort vantevore nog onder spesiale omstandighede bewaar is, het mettertyd vir R1 stuk op die RGN se uitverkopingstafel beland. Dit wat ons in Karel Schoeman se Afskeid en vertrek (1990) en Ingrid Winterbach se Die boek van toeval en toeverlaat (2006) oor die devaluasie van biblioteekversamelings gelees het, het in die wêreld daarbuite gestalte gevind. Dit wat binne enkele dekades tot stand gebring is, is “laat sterf”, om J.C. Steyn se woorde in die gedig “Vrede” in Die grammatika van liefhê (1975) te gebruik. Dit is beslis nie net die nuwe regering wat vir hierdie tendens verantwoordelik was nie.

Johann Lodewyk Marais. Die dinge as sodanig

Tuesday, June 30th, 2009

Die veelduidige betekenis van die palimpses het eers tot my deurgedring nadat ek geruime tyd al aan die manuskrip van Palimpses (1987) gewerk het. Veral gesprekke met dr. Francis Galloway, my destydse kollega by die RGN, en die kunstenaar John Clarke, aan wie Francis my in die helfte van 1987 voorgestel het, het my nuwe betekenismoontlikhede laat insien. Die palimpsistiese aard, wat as ’t ware op ’n natuurlike wyse tydens die skryf van die bundel tot stand gekom het, is toe aansienlik versterk. Ek vertel graag dat ek ná my kennismaking met John ’n stuk of sewe nuwe gedigte vir die bundel geskryf het.

 

Ek wil nietemin nog steeds glo dat dit eintlik die Oos-Vrystaatse landskap en die geskiedenis (o.m. my eie familiegeskiedenis) was wat ’n “gelaagdheid” aan my bekend gemaak het. Daarvan het ek reeds as kind bewus geword. Landskappe hou aan om my te inspireer, terwyl my historiese bewussyn, glo ek, al sterker word. Benewens die Oos-Vrystaat het daar ook ander plekke en tye bygekom. Maar Palimpses was ’n goeie plaasleerskool … en hou selfs aan om dit te wees.

 

My belangstelling in omgewingskwessies het eers ná Palimpses ontwikkel, maar die landelike agtergrond het wel ’n rol gespeel. Later het die Darwinisme en ’n spesifieke biologiese belangstelling ook bygekom. Dit is daarom heel ironies dat ek uiteindelik in ’n kantoor op die agt en twintigste verdieping van ’n gebou in die middestad van Pretoria beland het!

 

Tans werk ek sporadies aan (o.m.) ’n bundel gedigte oor die see waarin daar ’n sterk marinebiologiese bemoeienis is. So ’n projek dwing my om heelwat oor die lewe in en om die see te lees en bied ’n verskoning as ek van tyd tot tyd nog ’n mooi boek oor visse, skulpe en dergelike onderwerpe koop. (Ek gaan tog gedigte daaruit haal!) Ek het egter nooit nét literêre oogmerke nie; die projek moet my meer oor (bv.) ’n faset van die natuur leer. Toe ek gewerk het aan Aves (2002), wat in die geheel aan voëls gewy word, het ek voëlkursusse bygewoon, jare lank agter voëls aangeloop en baie oor die onderwerp gelees. Die uitbreiding van my kennis oor voëls het my groot plesier verskaf.

 

Die ding of dinge as sodanig interesseer my.