Posts Tagged ‘Frank Koenegracht’

Janita Monna. Een onbegrijpelijk gekkenhuis

Monday, December 12th, 2011

Frank Koenegracht – Lekker dood in eigen land

Nog altijd zijn er te weinig mensen die de gedichten van Frank Koenegracht kennen. Terwijl hij toch al een behoorlijk oeuvre op zijn naam heeft staan, er met Vroege sneeuw (2003) een tussentijds verzameld werk verscheen, en hij ook meermaals werd bekroond. Jammer ook voor al die lezers, want er is in Nederland maar weinig poëzie waar je zo van in de lach schiet als die van Koenegracht. Hij is de auteur van schrijnend hilarische (geheim-)klassiekers als ‘De verdwijning van Leiden’, een bijna surreëel en geestig gedicht over Leiden dat op een ochtend met het optrekken van de mist verdwenen lijkt; of van ‘Vroege sneeuw’ een hartverscheurend vers over een vuurpeloton dat de gevangene verwijt hem te moeten doodschieten; en van ‘Gedicht dat goed afloopt’ – een nogal zwart gedicht dat in de slotregel, als redder in nood, ‘Je vrolijke vriend Frank’ tevoorschijn tovert.

Koenegrachts oeuvre staat op zichzelf. Het schurkt in zijn humor aan tegen dat van Komrij, maar zonder diens ironie; het heeft iets van Camperts nonchalance, maar is veel wranger is; en het neigt in z’n absurditeit wel naar Toon Tellegen, maar is veel aardser en harder.

Om zijn eigen woorden te gebruiken. ‘De wereld van Frank Koenegracht is niet vrolijk, maar er valt gelukkig wel veel te lachen.’

Alleen al de titel van zijn nieuwste bundel demonstreert dat motto weer treffend: Lekker dood in eigen land. Natuurlijk roept die titel de uitgaantips op van Meta de Vries (inmiddels overleden), ‘Lekker weg in eigen land’, op zondagochtend altijd te horen op de radio. Een apparaat overigens waar Koenegracht ooit voor waarschuwde (‘Ga weg bij de radio/ want anders hoor je de filosoof André Klukhuhn’).

Op een of andere manier zou je ook de gedichten van Frank Koenegracht een soort ‘tips’ kunnen noemen. Al zijn ze een stuk minder opgewekt dan de uitgaantips van de radio. Of misschien is het meer een soort houding die uit de gedichten van Koenegracht spreekt – een van ‘het is niks, dus we lachen er maar om’. Zoals in het ‘Epigram voor Leen Joele’:

 

Aan de grenzen van de stad

waar het altijd waait

wonen de meisjes met de gezichtjes

en de ronde ogen, amandelvormige

 

en vooral de rustige ogen.

Tussen hen woont de heer Leeuwerik

van het ministerie

die ook niet weet waar dagen voor zijn.

 

Het lijkt aanvankelijk een wat feëriek en landelijk natuurgedicht te worden, waarin de overbodige mededeling dat meisjes gezichtjes hebben je enigszins op je hoede maakt. Het trieste leven van meneer Leeuwerik contrasteert pijnlijk met die landelijke sfeer: hoe zit je met je leven omhoog als je niet weet waar dagen voor zijn? Het epigram is een vertrouwde Koenegracht-vorm, en hij gebruikt die op geheel eigen wijze, wat nu eens resulteert in een kort, en dan in een paginalang vers.

In Lekker dood in eigen land staan veel hernemingen van oude Koenegracht-thema’s. Gekken, moeders, vaders, sneeuw, collega-schrijvers, (gruwelijke) dood passeren alle de revue. Bijvoorbeeld in het kleine schetsje als het ‘Epigram voor Rudy’, waar Koenegracht in een paar regels de onbevattelijke dood en de futiliteiten van het leven naast elkaar plaatst:

 

Als je dood bent op een dag

blijven de lampen rustig in hun fittingen

en ook de wc kan je gewoon doortrekken.

 

Met kleinoden als deze maakt Koenegracht je steeds maar weer duidelijk wat een onbegrijpelijk gekkenhuis het leven eigenlijk is.

En dat er in de bundel dan ook een paar mindere, wat flauwe en vooral woordspelige gedichten tussen staan, doet daar verder niet veel aan af.

Een aangename verrassing staat in het hart van deze bundel: een selectie van Koenegrachts beeldend werk. Aan Lucebert, aan CoBrA herinnerende tekeningen van Gerrit Komrij als een rokende groene ballon op een steeltje, of van ‘Collega Freud’ met een hoofd vol rondborstige dames – Koenegracht is ook psychiater.

De tekeningen zijn krachtig en kwetsbaar, helder, grimmig en vol humor – zoals ook zijn poëzie dat is.

 

 

Lekker dood in eigen land

 

In de trein zitten twee heren die elkaar

vasthouden.

 

Als de trein de tunnel in rijdt

snijden zij elkaar de polsen door

 

en zeggen daarbij ‘pardon’,

 

Maar jullie, bloeddruppeltjes, die uit

het raam waaien, jullie zijn vrij.

 

 

 

Frank Koenegracht – Lekker dood in eigen land. De Bezige Bij. 56 pagina’s, 19,90 euro, ISBN 9789023469445

Zie ook Koenegrachts voordracht van ´Brief aan mijn moeder´

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Teenstrydige generasies

Thursday, April 14th, 2011
Omslag

Omslag

By die Nederlandse uitgewery Meulenhoff het daar onlangs ‘n besonder belangrike bloemlesing, De tegenstrijdige generatie, onder redakteurskap van Yves T’Sjoen verskyn. Wat dié boek interessant maak, is dat T’Sjoen die versplinterde groeperings wat sedert die 1970s in bykans alle digkunste ter wêreld geld, ignoreer en terugval op die haas uitgediende generasie-groepering; sonder om tematiese en stilistiese verskeidenheid in berekening te bring: “In De tegenstrijdige generatie zijn belangrijke Nederlandstalige dichters bijeengebracht die debuteerden in de jaren zeventig. Deze dichters, geboren tussen 1944 en 1954, zijn inmiddels gevestigde namen. Maar voor oeuvrebouwers en geleidelijk tot wasdom gekomen stemmen in het hedendaagse poëzielandschap, bestaat steeds minder kritische (en volgehouden) aandacht. Met deze bloemlezing krijgen deze dichters de plek die ze toekomt.” 

Yves T'Sjoen

Yves T

In totaal word 16 uiteenlopende digters in hierdie bloemlesing byeengebring, te wete: Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent. 

Volgens die berig by De Contrabas het Yves T’Sjoen hom soos volg hieroor uitgelaat: “[Er was] de vraag onder welke vlag de expositie moest worden gepresenteerd. Er werd eerst gedacht aan ‘Een bescheiden generatie’, maar dat klonk nogal geringschattend, want de dichters die tussen 1968 en 1984 hun eerste stappen op het poëzieforum zetten, zijn allerminst bescheiden te noemen. Ze zijn dan wel geen ‘omroepers van oproer’, hun dichterschap kan beslist niet als low profile worden omschreven. ‘De tegenstrijdige generatie’ leek beter te passen. (…) De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen. Het is mijns inziens het begrip ‘generatie’ zelf dat in deze titel geproblematiseerd wordt.”

En waarskynlik is dit die voorlaaste sin hierbo, “(d)e gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen”, wat ook die problematiek van ons eie groepie tagtigers onderstreep, aangesien hulle hulself ook nog nooit as “groep” beskou of aangebied het nie, en na alle waarskynlikheid as gevolg daarvan ook nie juis prominent in ons eie literêre geskiedskrywing gereflekteer word nie.

Nietemin, ter wille van volledigheid: Yves T’Sjoen se De tegenstrijdige generatie staan tans natuurlik ook in die spervuur vanweë die name wat volgens se benadering wél kwalifiseer, maar nogtans onbreek; digters soos Gerrit Komrij (gebore 1944, debuteer 1968) en Rob Schouten (gebore 1954,  debuteer 1978) word veral voorgehou as beduidende afwesiges.

Vir ‘n omvattende bespreking en beskouing van die digters wat hierin opgeneem is, kan jy gerus Chrétien Breukers se artikel gaan lees. As leestoegif plaas ek graag Luuk Gruwez se gedig “God skryf ‘n brief“, soos dit deur Hennie van Coller in Afrikaans vertaal is, hieronder.

***

Sedert gister het Marlies Taljard ‘n gedig van haar eie geplaas, terwyl Andries Bezuidenhout ‘n stuk oor Paul Celan en sy ikoniese gedig Todesfuge gelewer het.

Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

God skryf ‘n brief

 

Ek het dit nie gedoen nie. Dit was iemand anders.

Ek was toe net besig met die miervreter, kopererts,

en al die visse

in die Atlantiese oseaan.

Dit was tog sekerlik nie ek nie.

 

Ek was nie daar nie, watter dag!

Pas het ek Saturnus en Uranus se mane klaar,

of sowaar, ek moes tyd en taal versin

en titels vir die meeste van my handewerk.

 

Ek was pootuit, vind nêrens rus,

want slaap was nog nie geskape nie.

My oeuvre het in omvang toegeneem.

Veral die vrou het vreeslik sorg geverg.

Sy moes nog skouers kry en ‘n kapsel,

verliefdheid, mymeringe, moederskap.

En erogene sones waarvan ek weinig weet.

 

Ek het geen tyd gehad, watter dag!

Daar’s van my verwag deur hulle wat toe nog nie was

dat daar ‘n oerknal sou wees in die heelal.

En dan die regte volgorde, ja dit veral:

die proefbuisbaba en die tandestokkie,

die boorplatform en ook ekself.

 

Eintlik wou ek net sê, liewe vriend:

dit was beslis iemand van ‘n ander oorde,

‘n konkurrent met meer talent,

wat iets so salig en sagaardigs

geskep het soos die dood.

 

© Luuk Gruwez (vertaling: HP van Coller, Bandelose gedigte, 2007: Praag Uitgewers)