Posts Tagged ‘Georges Lory’

Yves T’Sjoen. Afrikaanse literatuur in Franse vertaling

Wednesday, August 24th, 2016

Breyten1---Copy

 Breyten Breytenbach
.

Afrikaanse literatuur in Franse vertaling

La femme dans le soleil

La femme dans le soleil

De voorbije maanden kregen twee Zuid-Afrikaanse auteurs ruime en lovende persaandacht in Frankrijk en Franstalig België. Eerst verscheen de poëziebloemlezing La femme dans le soleil van Breyten Breytenbach, later Rivière fantôme van Dominique Botha. Dat laatste boek is opgenomen in het fonds van Éditions Actes Sud. Het debuut van Botha is uitgegeven in het Afrikaans en het Engels met als titel Valsrivier respectievelijk False River. Na gunstige reacties en literaire onderscheidingen in Zuid-Afrika ontvangt de schrijfster nu veel waardering in de Franstalige media. De schrijver en vertaler Georges Lory, voorheen onder meer diplomaat en directeur internationale uitzendingen van de radiozender France Internationale, liet eerder al vertalingen verschijnen met werk van de Zuid-Afrikaanse/Franse schrijver Breytenbach (o.a. Métamorphase, Grasset, Parijs, 1987). Verder vertaalde hij Adriaan van Dis naar het Frans alsook Zuid-Afrikaanse schrijvers onder wie Nobelprijslaureaat Nadine Gordimer, Antjie Krog, Kopano Matlwa en Deon Meyer. Lory vertaalt rechtsreeks uit het Afrikaans en het Engels. Als Franse vertaler van Breytenbach moet hier in elk geval ook Jean Guiloineau worden vermeld.

Het is bekend dat literaire teksten van enkele Zuid-Afrikaanse schrijvers in vertaling weerklank krijgen in het Nederlandse taalgebied. Met een modieuze cultuursociologische term spreekt men over de constructie van een imago: vertalers en recensenten dragen bij tot de beeldvorming van auteurs in een buitenlands/anderstalig literair landschap. De schrijvers zelf voegen met optredens en interviews een facet toe aan dat beeld. In dat geval spreekt de Zwitserse literatuurwetenschapper Jérôme Meizoz over een posture. In een anderstalig gebied orkestreren auteurs met specifieke uitspraken en schrijversoptredens een beeld dat op die manier niet hoeft samen te vallen met de perceptie in de eigen nationale literatuur of het taalgebied waarin de tekst is geproduceerd.

Zuid-Afrikaanse, meer bepaald Afrikaans-schrijvende, auteurs dringen niet altijd door tot de Angelsaksische wereld: hun werk wordt niet steeds vertaald naar of geconcipieerd in het Engels. Louise Viljoen heeft in een bijdrage in het vaktijdschrift Internationale Neerlandistiek dit gegeven toegelicht. Indien de literatuur via de Afrikaanse brontaaltekst wordt vertaald in het Nederlands, dan spreekt zij in de lijn van de onderzoekers Shu-mei Shih en Françoise Lionnet over een “laterale transnationale beweging” van een kleine taal in Afrika naar een middelgrote Europese taal. Wat een dimensie toevoegt aan de bestaande inzichten over laterale tekstbewegingen is de rol van de ‘transitzone’. Teksten van onder anderen Antjie Krog en Charl-Pierre Naudé zijn aanwezig in het Duitse taalgebied via de transitzone van het Nederlandse taalgebied. Beiden verbleven op uitnodiging van de Deutscher Akademischer Austauschdienst (DAAD) als ‘writer in residence’ in Berlijn en werk van hun hand is sinds kort in het Duits beschikbaar.

Georges Lory

Georges Lory

De vertalingen van Breytenbachs werk in het Frans vinden al langer een afzetmarkt. Georges Lory, goede vriend van de schrijver, en ook Jean Guiloineau hebben zich de voorbije jaren ingezet om de in Parijs verblijvende auteur een plek te geven in het pantheon van de Franse literatuur. “Son dernier recueil de poèmes”, zo zegt Kerenn Elkaim in de Belgische krant Le Soir (9-10 juli 2016), “est l’itinéraire poétique d’un homme que l’histoire a changé en oiseau migrateur”. La femme dans le soleil biedt een fraaie inkijk in en een introductie voor het Franse poëzieminnende lezerspubliek van het omvangrijke dichtwerk van Breytenbach. De receptieteksten die de voorbije maanden in de Franse media zijn verschenen, zijn sterk biografisch gekleurd. Breytenbach maakt trouwens gebruik van interviews (bv. in La Cité en Le Soir) om de actuele taalproblematiek en de geanimeerde discussie over het Afrikaans als schrijf- en wetenschapstaal onder de aandacht te brengen. Over de toenemende anglisering merkt hij op: “Nous allons arriver à la situation suivante: tout le monde parlera mal la langue commune, l’anglais, au lieu que chacun puisse parler la sienne. Le propos peut déconcerter ceux qui imaginent encore que l’anglais est la première langue parlée du pays. La réalité est pourtant toute autre. Les idioms les plus utilizés sont, dans l’ordre: le zoulou, le xhosa et l’afrikaans. Et la langue de Shakespeare alors? Elle arrive en quatrième position” (La Cité, mei 2016).

Dominique Botha

Dominique Botha

De bemiddelaarsrol van Breytenbach voor Zuid-Afrikaanse schrijvers in andere (Europese) taalgebieden komt aan bod in Le Soir. Op het einde van het vraaggesprek stelt de auteur: “Quand je lis votre roman [van Dominique Botha, yt], je me sens fier d’avoir aidé une nouvelle génération d’écrivains sud-africains à écrire. Cela m’aide à croire en l’évolution d’un monde meilleur”. Breytenbach treedt niet alleen op als mentor van Zuid-Afrikaanse auteurs. Hij attendeert vertalers op hun werk en in het geval van Botha raakt na een tip Georges Lory onder de indruk en produceert met veel métier en affiniteit een Franse vertaling bij een prestigieus uitgevershuis waarbij hij al vele jaren betrokken is.

Ook het feit dat Breytenbach en Botha samen enkele interviews gaven, versterkt nog de institutionele betekenis van de toeziende mentor. De schrijver neemt een actieve rol waar in de beeldvorming van jongere schrijvers in het buitenland. Overigens wordt Rivière fantôme in de Franse pers, door Hannah Kruithof in haar voortreffelijke scriptie (UGent) een “fictionele memoir” genoemd, overwegend gelezen als Bildungsroman en autobiografisch boek. De lezingen zijn sterk biografisch en politiek-ideologisch gekleurd. Stilistische en compositorische aspecten, die van Valsrivier een bijzonder boek maken, komen minder aan bod. In de Afrikaanstalige receptie is meermaals gewezen op de muzikaliteit en het ritme van Botha’s taal en ook in de masterscriptie komt de bijzonder poëtische kracht van Botha’s idioom ruim aan bod. Voor de Franse lezer staat Rivière fantôme vooral bekend als “triple hommage: à ses parents […], à ce frère aimé […], a cette terre riche et belle dans laquelle ils sont tous profondément enracinés” (Notes bibliographiques, 16 juni 2016). Sophie Joubert spreekt in L’Humanité over een “[r]oman d’apprentissage”. Alleen in Le matricule des anges signaleert recensente Julie Coutu de complexe genrekwestie: “Ci véritablement roman, ni précisément autobiographie, Rivière fantôme peut prétendre au titre de Mémoires, les souvenirs passés au prisme du subjectif et de l’oubli, filtrés par les années, soumis à la relecture imposée par le temps. Dominique Botha, auteur-narratrice-protagoniste, se refuse d’ailleurs à figer son texte dans un genre ou un autre”. Ook deze boekbespreker stelt dat de tekst een memoriaal is voor de overleden broer Paul.

Afgezien van de Franse receptie van Rivière fantôme, die zoals gezegd afwijkt van de Zuid-Afrikaanse lezing door recensenten en critici, gebruik ik deze casus om de intermediërende rol van Breytenbach in het transnationale vertoog over Afrikaanse literatuur toe te lichten. Niet alleen vertalers, subsidiënten, uitgevers en vertalers treden op als culturele bemiddelaars. Ook canonieke schrijvers, zoals Breytenbach, nemen een cruciale positie in de cultuurtransmissie waar. In Le Soir wordt hij geïntroduceerd als “grande figure des lettres sud-africaines” en bevestigd in die canonieke waardebepaling. Vertrouwd met de Franstalige literaire wereld introduceert Breytenbach Afrikaans-schrijvende auteurs in het buitenland en draagt hij op die manier bij tot de bekendmaking. Dominique Botha erkent die rol ruiterlijk in Le Soir: “Tous les Sud-Africains sont liés à Breyten Breytenbach. Il représente une bougie dans te tunnel”. De bijlichtende rol van schrijvende bemiddelaars verdient hoe dan ook meer aandacht in het onderzoek naar literaire actoren en transnationale relaties tussen taalgebieden en nationale literaturen.

© Yves T’Sjoen.

Martine Steyn: Onderhoud met Georges Lory

Monday, March 24th, 2014

 

Georges Lory gesels met Martine Steyn o.a oor sy vertalings Syllabe de Sang,

‘n keur uit die gedigte van Antjie Krog.


Antjie Krog en haar Franse vertaler, Georges Lory, het verskeie voorlesings in die Loire-streek van Frankryk (asook in Parys, Le Mans en Lyon) gedoen in Oktober en November 2013, op uitnodiging van die literêre vereniging Lettres sur Loire et d’Ailleurs. Hierdie literêre besoek was deel van die Frans-Suid-Afrikaanse seisoen. Dit het saamgeval met die verskyning van Syllabe de Sang, die Franse vertaling van ‘n keur uit haar gedigte, saamgestel en vertaal deur Georges Lory. Ek het met dié vertaler gesels oor sy liefde vir die Afrikaanse taal en sy werk as vertaler.

Ons ontmoet op ‘n fris wintersoggend by L’Empire, ‘n kafee in die middel van die sjiek en bourgeois 16de arrondissement van Parys. Die area se breë, boomryke lane en 19de eeuse woonstelgeboue maak dit die gunsteling tuiste van diplomate en suksesvolle sakemanne.

Met ‘n stewige handdruk en warm glimlag groet Georges Lory [63] my in vlot Afrikaans.

Dié bekwame Fransman – ‘n joernalis, diplomaat en vertaler – het altesame nege jaar in Suid-Afrika gewoon voor hy verlede September na Parys teruggekeer het na afloop van sy vier-jaar kontrak as direkteur van die Alliance Française in Johannesburg. Hy lyk dalk soos die deursnee intellektuele Europeër, maar Lory is ‘n oud Helshoogte-inwoner wat tussen 1974 en 1975 aktief deelgeneem het aan Stellenbosch se studentelewe.

“Na my studies in die regte en politieke wetenskap in Parys het ek ‘n behoefte gehad om te reis en die wêreld om my te verken. My belangstelling in Suid-Afrika en Afrikaans is al op skool geprikkel. Ons het “Ry maar aan, ossewa” geleer en die onderwyser het ons vertel van ‘n ”soort Nederlands” wat in Suid-Afrika gepraat word. As kind het my pa ook Rudyard Kipling se stories voorgelees, waarvan ‘n klomp in Suid-Afrika afspeel.

“Die deurslaggewende faktor was egter ‘n artikel in Le Monde Diplomatique in 1970, wat aangevoer het dat ongeveer 60% van Suid-Afrika se blanke bevolking Afrikaans praat. Ek besef toe dat ek heeltemal onbewus was van die belangrikheid van Afrikaans.”

Lory het op Stellenbosch ’n jaar lank navorsing in sosiologie gedoen as deel van ’n uitruilprogram. Dié program is twee jaar later afgestel weens die Soweto-opstande van 1976. Die beurs was R70 per maand, waarvan hy destyds goed kon lewe.

“Ek het nooit Afrikaans in ‘n akademiese konteks geleer nie. Ek was nooit juis ingestel op die letterkunde nie, behalwe dat ek nuuskierig was en met my aankoms in Suid-Afrika André Brink se “Kennis van die aand” gelees het, asook Olive Schreiner, John Miles, en ‘n klomp ander.

“Binne drie weke was ek reeds gemaklik met die taal, seker omdat ek in Vlaandere grootgeword het en op 14-jarige ouderdom reeds Frans, Nederlands, Duits en Engels kon praat. Maar Frans bly my moedertaal en ek was nooit ewe gemaklik in enige ander taal nie.”

Lory was twee jaar oud toe sy Franse familie na ‘n dorp net buite Brugge verhuis het. Parys se besoedeling was sleg vir sy pa se swak gesondheid, en daarbenewens was dit na die Tweede Wêreld Oorlog  moeilik  om behoorlike huisvesting in Parys te kry. Lory het toe Frans tuis, ABN (Algemeen Beschaafd Nederlands) op skool en West-Vlaams met sy vriende gepraat.

“Met my geboorte het my ouers in ‘n residensiële area net buite Parys gewoon. Die straatnaam was Rue Joseph Stalin! Ek dink dit het intussen verander… Maar ek het nooit Parys geken voor ek as ‘n jong student hierheen getrek het nie. Ek het toe die taalkundige voordeel van my tyd in België besef.”

Lory kla dat hy steeds grammatikale foute maak en verkies om nie voor ander mense Afrikaans te praat nie. Die toekomende en verlede tyd is moeilik, asook die uitspraak:

“Vir jare het ek Anchie gesê in plaas van Antjie. Dit is die enigste klank in Afrikaans wat nie  geskryf word soos dit gepraat word nie. En dit is steeds vir my moeilik om die taal voor ander mense te praat. Maar ek vind Afrikaans so buigbaar. Wanneer ek Breyten en Antjie vertaal, word ek getref deur die soepelheid van Afrikaans. Frans is heelwat strenger. Ons grammatika is swaar en die taal bied nie veel vryheid nie.”

Georges Lory en Antjie Krog by die Shakespeare & Company boekwinkel in Parys.

Une Syllabe de Sang is Lory se tweede keur uit Antjie Krog se gedigte. Die titel, letterlik “lettergreep van bloed”, kom uit ‘n versreël in die gedig “Land van genade en verdriet”: “almal gedoop in die lettergreep van bloed en hoort”.

“Dit is ‘n baie ryk gedig wat ook die oorsprong is van die titel “Country of my Skull”. Ek het laasgenoemde boek vertaal onder die titel “La douleur des mots” (letterlik, die pyn van woorde), maar dit was die uitgewer se keuse, want ‘n letterlike vertaling van “Country of my Skull” sou glad nie in Frans gewerk het nie.

“Ek het die gedigte gekies waarvan ek hou. Sommige van Antjie se gedigte is uiters filosofies en dus het ek hulle vermy. As jy die gedig nie self ten volle kan verstaan nie, kan jy dit onmoontlik in ‘n ander taal weergee. Die gedigte kom hoofsaaklik uit “Verweerskrif”, maar die bundel bevat ook nuwe gedigte wat sy in die afgelope jaar geskryf het (“dalk omdat Vrou Justitia destyds geblinddoek is” en “gesig van die ander”).”

Die vertaling van poësie is ‘n baie komplekse proses. Hoeveel vryheid het hy homself toegelaat in die vertaling en het hy geworstel met enige “onvertaalbare” versreëls?

“Die vertaling moet goed klink aan die Franse oor. Ek het probeer om die ritme te behou waar moontlik, maar daar is altyd iets wat verlore gaan. Soos hulle sê, “Traduttore, traditore” (om te vertaal is om te verraai). ‘n Vertaler kan nooit  alles vasvang nie, en poëties is dit nie altyd moontlik om so na as moontlik aan die bron teks te bly nie.

“Die Tafelberg-rondeau is vir my onvertaalbaar: die herhaling van “binne” en “buite”, “binneste buite” en “buitenste binne” werk nie goed in Frans nie. Ek sou moes skryf  “du dedans, du dehors”, waar die klank heeltemal verskillend is en nie dieselfde effek skep nie. In sulke situasies moet die vertaler soms plek maak vir iets heeltemal anders.

“Die onvertaalbaarheid van gedigte lê hoofsaaklik in die klanke en die gevoel wat die klanke oordra. Ek probeer gewoonlik konsentreer op die boodskap as ‘n geheel, al kan al die elemente nie altyd gelykertyd vasgevang word nie.”

Die bekende Franse digter en taalkundige, Henri Meschonnic, het aangevoer dat ‘n mate van “vreemdheid” in vertalings behou moet word om die geur van die bron teks te weerspieël. Wat is Lory se mening daaroor?

“Dit was die geval toe ek ‘n bundel van Breyten Breytenbach se werk in 1976 vertaal het, Feu froid. Mense het vir my gesê sy taalgebruik in Afrikaans is soms vreemd, en dat ek dus nie moes probeer om sy werk “normaal” te laat klink in Frans nie.

“Wanneer dit kom by gedigte kan jy jouself daardie vryheid toelaat. Die woorde hoef nie altyd te vloei nie en jy mag maar die taal manipuleer soos jy wil. Dit is egter anders met prosa: as jy te naby aan die bron teks bly, dink mense dit is ‘n slegte vertaling.”

Lory is een van bitter min vertalers wat uit Afrikaans na Frans werk. Behalwe vir haar Nederlandse vertaler, werk Krog se vertalers slegs uit Engels. Sy beskou dit as ‘n groot seëning dat Lory Afrikaans magtig is:

“Vertalers val nie oor hulle voete om uit Afrikaans te vertaal nie. Vanselfsprekend gedurende apartheid, maar veral na apartheid het jy die gevoel gekry mense dink: die boere het nou hulle kans gehad, óf ek wil nie gesien word dat ek Afrikaners of wit Afrikaanssprekendes vertaal nie. Enige vertaler uit Afrikaans in ‘n vreemde taal is ‘n seëning.”

Is daar vir Lory enige spesifieke uitdagings wanneer dit kom by ‘n vertaling uit Afrikaans na Frans?

“Ek moes ‘n paar keer by Antjie uitvind of sy skryf oor ‘n man of vrou, seun of dogter. In haar gedig “Depressie”, byvoorbeeld, moes ek weet of die kind ‘n seun of dogter is – ‘n dogter kry ‘n ‘e’ of ‘é’ by. Die Franse taal vereis duidelikheid. Verder het ek haar soms genader vir hulp met my vertaalkeuses; minder oor die betekenis van haar gedigte, en meer oor die verskeidenheid moontlike vertalings in Frans.”

Lory meen dat Krog ‘n paar sterk Franse aanhangers het wat belangstel in Suid-Afrika en die huidige toestand van die land. Sy het veral bekend geraak toe “Country of my Skull” hier vrygestel is.

“Haar werk word goed ontvang, alhoewel ek ‘n paar geskokte gesigte gesien het toe ek die menopouse gedigte voorlees!”

Daarvan gepraat, is dit nie problematies vir hom, as man, om te skryf oor menopouse en die agteruitgang van die vroulike liggaam nie (‘n sentrale tema in Verweerskrif)?

“Nee, want mans ervaar ook andropouse. Die simptome is dalk minder opvallend, maar hulle is nogtans teenwoordig! Ons generasie baby boomers kom nou almal by daardie ouderdom, so haar gedigte het my nie geskok nie, inteendeel vind ek hulle baie interessant.”

Krog is verbaas oor die positiewe Franse reaksie:

“Dit is nogal verstommend. Omdat ek nie kan Frans praat nie weet ek nie wáárom hulle so reageer nie. In Nantes het iemand vir my gesê, na ‘n hele 24 uur van digters wat lees: “Jy is al een wat iets te sê het”. Nou weet ‘n mens nie of dit is omdat jou goed direk oftewel kru duidelik is nie, en of dit is omdat jy beter as die ander voorlees nie, en of dit maar net is omdat die ander digters daar nie juis goed was nie, of dalk net een van die Franse strome volg, naamlik filosofiese poësie…”.

Lory gee toe dat die Franse poësie al sedert die sestigerjare neig om té filosofies en eenselwig te wees, alhoewel daar deesdae ‘n groter verskeidenheid digters en tendense is, naamlik digters met musikale begeleiding of wat ander mense by hul voorlesings betrek.

Al is die reaksie positief, verkoop poësie nie goed in Frankryk nie. So ‘n bundel verkoop gewoonlik nie meer as 300-400 kopieë nie, en daarom is dit moeilik om Franse uitgewers te vind.

Dit het hom ook verskeie jare gevat om ‘n Franse uitgewer te vind vir “Country of my Skull”, aangesien die uitgewers gevoel het die boek is te dik vir Franse lesers. Die vrystelling van die fliek het die proses egter ‘n hupstoot gegee.

Lory is ook ‘n skrywer in sy eie reg. Benewens twee Franse digbundels, is sy Afrikaanse gedigte gepubliseer in die bundel “Visier” wat in die mid-70’s deur Tafelberg uitgegee is.

“Met my terugkoms na Frankryk in 1975 het ek gevoel dat ek besig was om my Afrikaans te verloor, asook die Kaapse meisie op wie ek verlief geraak het. Ek het sowat 21 Afrikaanse liefdesgedigte aan haar gestuur. My bedoeling was nie om hulle te publiseer nie, maar ek het geen beswaar gemaak daarteen toe sy dit aan Tafelberg voorlê en sewe of agt van die gedigte deel geword het van “Visier” nie.

“Om in Afrikaans te skryf is bevrydend. ‘n Vreemde taal dra nie die gewig van assosiasies en verwysings wat ‘n mens in jou moedertaal het nie. Dit is soos ‘n skoon lei.

“Daar is natuurlik gepeuter aan my taalgebruik, en Tafelberg was onbeïndruk met my gebruik van die woord ‘tepels’. Hulle het gesê dat die woord slegs van toepassing is op koeie, en het voorgestel dat ons dit vervang met ‘lepels’, wat bloot nie sin maak nie!”

Het hy enigsins oorweeg om in Suid-Afrika aan te bly na sy jaar op Stellenbosch?

“Destyds is Europeërs ‘n fortuin aangebied om in die land te woon en werk. Ons is in ‘n klein hotel gehuisves en drie werksgeleenthede aangebied. As ons teen die derde werksaanbod steeds nie wou aanbly nie, sou ons teruggestuur word na ons land van herkoms.

“Ek het dit egter nie aanloklik gevind nie, want ek was sterk gekant teen apartheid. Dit is een ding om ‘n student of waarnemer te wees, maar ‘n ander om in die land aan te bly en tot ‘n mate aan die sisteem deel te neem.”

Lory het sy verhouding met Suid-Afrika op ‘n ander manier voortgesit: met sy terugkoms na Frankryk in 1975, was Breyten Breytenbach die eerste persoon wat hy gekontak en ontmoet het.

“Ek het nie op Stellenbosch spesifiek in poësie belanggestel nie, maar ek het geweet wie Breyten was en ek het geweet hy woon in Parys.

“Toe Breyten daarna in die tronk gegooi is, het ek die Breytenbach komitee (deur kunstenaars saamgestel) gekontak en sy werk begin vertaal. Hulle het gesê hy is die groot digter van sy generasie.

“Toe ek die volgende jaar aansoek doen vir ‘n visum om Suid-Afrika te besoek, het ek dit nooit gekry nie. Ek het vinnig besef dat ek persona non grata geword het, want ek het ook artikels oor Breyten geskryf en anti-apartheid manifeste geteken.”

Lory is mettertyd weer in die land toegelaat en het gewerk as kulturele adviseur by die Franse ambassade tussen 1990 en 1994.

Krog verduidelik hoe sy voordeel trek uit sy meerdere talente:

“Hy is ‘n wonderlike metgesel tydens my voorlesings in Frankryk. Hy raak meegevoer as hy lees, hy kan kort en kragtig inligting oor Suid-Afrika aanvul en hy is baie entertaining. Dit help natuurlik dat hy diplomatiese krisisse soos besope aanhangers of rassiste kan ontlont.”

Wat is Lory se huidige gevoel oor Suid-Afrika?

“Daar is baie meer energie in Suid-Afrika as in Parys. Daar is ook baie optimisme. Die mense in Suid-Afrika voel dat dit beter sal gaan met hulle kinders in die land, terwyl die Franse meer bekommerd is oor hulle kinders se toekoms in Frankryk.

“Kaapstad is die mooiste stad in die wêreld. Ek het al ses of sewe keer die Argus fietstoer gery. Ek sal graag ‘n huis in Oranjezicht wil hê…”

Op daardie noot bring die kelner die rekening en raak hy aan die gesels met Lory, duidelik ‘n local by L’Empire. Ons soengroet op die Franse manier, maar hy sê totsiens in Afrikaans.

(Onderhoud deur Martine Steyn,

Traduction, révision, sous-titrage, rédaction

Français/Anglais/Afrikaans, Parys)

Georges Lory se gedigte uit die bundel Visier (Agt nuwe digters), saamgestel deur Charles Fryer en Petra Müller. © 1984 Tafelberg-Uitgewers Beperk

 

MIELIEMELODIE  


Wanneer oorkant die groot rivier

die son oor Buenos Aires bloei

bots silwer golwe teen Kampsbaai

dan word proteas protessimbole vir die meiaand

duisende vlermuise verlaat Duiwelspiek

rigting ou Transvaal

waar Sarie onder haar familie ly

(daar by die vlei

loer ‘n groen doringoom)

duisend seeduiwe swerm

om my mielieliefie te sien swem

die leeu se kop staan stil

almal wag vir haar

en daar styg sy uit

haar lyfie blink soos olyfolie

o mieliemelodie

Helena

heeltemal alleen

loop na die maan

hardloop oor duine en golwe

agter die boomeranglady aan

en daar kom sy

met haar glimlag van die nag

en skenk my

saggies en stralend

haar sewe pragtige skulpe…

*

ANKER

Snaaks en tog waar

in ons agterplaas bloei

een roos

sy groei baie hoog om nét

oor die muur tussen palm en mango

‘n stukkie lagune te sien

sy sterf en bloei reëlmatig met die maan

‘n vuurtjie in die donker

rooi vlek op ‘n kleurlose skildery

baie name dra sy op haar skouers

rosa pança blokossensis

de Marfil y Riviera

ek weet ook sy is ‘n wang

‘n beker vir trane

en miskien herberg sy ‘n piranha in die lippe

sy fluister in die oggend as die dorp

– en natuurlik die bewaker – nog slaap:

die vrede is ‘n windjie vol geur

*

JOU HUISIE BY DIE SEE  


Moenie worry nie

die huis sal ek nie oorneem nie

ek speel net met woorde

terwyl andere na kos streef

en nog andere met moorde

voor my oë leef

ek speel net

en dis hoekom ek sterflik is

in ons ysterwêreld

ek speel met jou splinternuwe taal

springbokagtig en kinderryk

moenie worry nie

Rasputin het ek miskien verdolk

maar vinnig word ek herken

ontmasker:

ek brei

(jou huis sal ek nie oorneem nie)

ek brei soos ou swart askiesvoëls

op hul stoep

ek brei dun digbundels

vir jou

wanneer jou dae sal koel

koeler word

vir jou

want wie anders kan voel

wat ek in geen taal van Babel

kan uitdruk nie?

(©Georges Lory)

(‘n Gedeelte van hierdie onderhoud is in By (Die Burger) gepubliseer in Januarie 2014. /mj)