Na maande waartydens ek deur werksdruk en ander vreugdes onderwater gesleep is, kan ek uiteindelik darem weer kop optel en na die berge kyk. Uiteraard het bepaalde dinge agterweë gebly en is daar berigte en/of gebeurlikhede wat ek so soort van agterna sal moet byhaal; soos die berig oor Gerrit Komrij, wat verlede jaar op 5 Junie oorlede is, se huis in Portugal, “Villa Pouca”, wat voortaan as gastehuis vir die digkuns tot die beskikking van digters – of iemand wat met die digkuns gemoeid is – gestel gaan word.
Luidens die berig wat ‘n aantal weke gelede in Knack.be verskyn het, die volgende: “Komrij was bij leven en welzijn, zoals bekend, een groot promotor van de poëzie. Hij schreef niet alleen zelf gedichten maar financierde ook allerlei poëtische initiatieven: van het uitbrengen van een dichtersreeks voor debutanten (‘De Sandwichreeks’) tot het steunen van een poëzietijdschrift (‘Awater’) en de jaarlijkse Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, waar iedereen die een dichtregel op papier wil zetten aan kan meedoen. Uiteraard dat Komrij ook via zijn legendarische poëziebloemlezingen de dichtkunst alle eer aan deed.
Daarom besloot Charles Hofman, partner van Komrij, in samenspraak met Suzanne Holtzer van De Bezige Bij om Huize Komrij als dichterscentrum om te functioneren. Op die manier wordt de herinnering aan Komrij, het poëziebeest, levendig gehouden. Hofman en Holtzer vertelden Haerynck dat de subsidie-aanvragen al de deur uit zijn om dit initiatief alle kans op slagen te geven […] Charles Hofman heeft een heel duidelijke en betrokken visie op hoe het moet worden. Hij wil niet alleen de geest en het werk van Komrij levend houden – de literaire nalatenschap is daar ook te bekijken – maar vooral ruimte bieden aan anderen die betekenis willen geven aan de poëzie.”
Nou ja, toe. Wat ‘n fantastiese gebaar …
Hieronder volg ‘n toepaslike Komrij-gedig soos dit deur Daniel Hugo vertaal is.
Eerskomende Saterdag, 6 Oktober, vind daar ‘n besonderse verering plaas vir Gerrit Komrij (foto) as antikwariese boekversamelaar. Volgens die berig by De Contrabas sal die Boudewijn Büch-prys tydens die Amsterdam Antiquarian Books, Maps & Print Fair postuum aan die ontslape digter en bibliofiel toegeken word. Sy lewensmaat, Charles Hofman, sal die prys in ontvangs neem.
Dié toekenning word in die mediavrystelling soos volg gemotiveer: “Deze prijs is bestemd voor degene die er het best in geslaagd is om een breed publiek voor het antiquarische boek te interesseren. De jury heeft gekozen voor Komrij vanwege zijn levenslange inzet en belangstelling voor de wereld van het zeldzame boek, zoals deze blijkt uit zijn essays en columns, de talloze bibliofiele edities van zijn werk en uit zijn eigen omvangrijke boekenverzameling.”
Indien daar van ons lesers is wat hulle Saterdag in Amsterdam bevind en dié geleentheid wil bywoon, die besonderhede is soos volg: Zaterdag 6 oktober 2012, 15:00 uur; Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair 2012; Passenger Terminal Amsterdam, Piet Heinkade 27.
Boudewijn Büch was natuurlik alombekend vir sy uitgebreide boekversameling; trouens met sy dood tien jaar gelede is daar bereken dat sy versameling uit 100,000 titels bestaan het.
Gerrit Komrij
Eweneens Gerrit Komrij. In ‘n rubriek oor boekversameling wat Daniel Hugo in 2002 vir Die Burger geskryf het, haal hy Komrij soos volg aan: “”Ek raak van ‘n duisend boeke ontslae en ná ‘n ruk het ek weer tweeduisend in hul plek. Ek verkoop tweeduisend boeke en skaars ‘n jaar later het ek weer vierduisend nuwes. Ek dra my boeke stapel vir stapel by die huis uit, terwyl ek byna my rugwerwels breek en dit lyk of my arms deur die steierende torings papier langer word, maar blitsvinnig vorm die rye boeke agter my weer ‘n geslote eenheid. Loodswaar verdwyn hulle, veerlig duik hulle weer op. Ek haat hulle, die wysneuse.”
‘n Gepaste toekenning, inderdaad.
Ten slotte, die stelling waarmee Daniel sy rubriek inlei: “Daar is twee soorte boekversamelaars: bibliofiele en boekverbranders. Die een doen dit uit liefde, die ander uit vrees.”
Hieronder volg een van my gunsteling gedigte deur Bertolt Brecht. (Indien jy Daniel Hugo se rubriek gaan lees, sal jy verstaan hoekom; met dié gedagte wat ek graag daarby wil aanhaak: die grootste aanklag teen die mens lê nie soseer in die boeke wat hy verbrand nie, maar in al die ongeleesde boeke wat op die rak bly staan.)
***
The burning of the books
When the Regime commanded that books with harmful knowledge
Should be publicly burned and on all sides
Oxen were forced to drag cartloads of books
To the bonfires, a banished
Writer, one of the best, scanning the list of the
Burned, was shocked to find that his
Books had been passed over. He rushed to his desk
On wings of wrath, and wrote a letter to those in power
Burn me! he wrote with flying pen, burn me! Haven’t my books
In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.
***
Gerrit Komrij
Voor wie de postume Gerrit Komrij leest, is het meteen duidelijk: dit is een van de zwartste bundels sinds jaren. Niet omdat hij van de dood doordrongen is, maar vooral omdat hij een bittere kijk op het leven in zijn diverse stadia biedt, op het begin, het midden en het einde. Het doet er eigenlijk niet toe. Komrij stelt de geboorte voor als een vergissing en achteraf wordt het er niet beter op. Alles is herhaling van herhaling. Zelfs de droom is niet bij machte de horror van het leven op te heffen. Plezier is alleen mogelijk wanneer de ratio nagenoeg geheel is uitgeschakeld en het individu tot minder dat niets wordt herleid: ‘Ik ben het leven hier niet waard./ Ik ben nog minder dan een dier/ En heb daarbij niet eens een staart./ Het ergst van al, ik heb plezier.’ Wel laat de dichter zich hier eens te meer maar zeer ten dele kennen. Tot dusver was hij altijd diegene die zichzelf met al zijn ikken in vraag stelde en die met veel ironische bravoure zijn eigen statements placht te ondermijnen. Maar ‘Boemerang’ bevat minder ironie dan wij van hem gewoon zijn. En de aanwezige humor is zwarter dan ooit. Je kunt je niet ontdoen van de indruk dat hij bij het schrijven van een aantal verzen op zijn minst al intuïtief op de hoogte was van zijn nakend afscheid.
Als er één thema domineert, dan is het namelijk dat van het voortdurende gependel tussen geboorte en dood. Eigenlijk is Komrijs discours vrij eenzijdig: dat het – om aan J.C. Bloem te refereren – ‘tussen twee stiltes’ luid is geweest. Hier heet dat ‘tussen twee geluiden’. De dichter, hoe aimabel ook in de dagelijkse omgang, was iemand die zodra hij de pen hanteerde al zijn cynisme, al zijn spot en al zijn vitriool de vrije loop liet. Zijn bad genius etaleerde hij in zijn schrijverij, voor de minzaamheid had hij het leven. Of de schone schijn, het onoprechte. Het enige waarmee te leven viel.
Er mogen dan al engelen en dromen voorkomen in ‘Boemerang’, veel imposanter is het besef dat een mens vooral uit zijn mankementige lichaam bestaat. Meer dan een zak scheikunde is hij niet. Altijd al heeft de dichter een uitzonderlijke interesse aan de dag gelegd voor lichamelijke afscheidingen als pis, poep en etter. Hoe vaak hem ook iets dandyesks wordt toegedicht, hij is een zeer naturalistisch soort dandy. De dromen zijn hier omnipresent, maar zij blijken aan het eind steeds nachtmerries te zijn. Komrij heeft in zijn hoedanigheid van dichter geen talent voor geluk. Zijn poëzie heeft bijna zonder uitzondering apocalyptische karakteristieken. Eén gedicht bevat – heel erg typisch – deze regel: ‘Het is van de vernieling dat ik zing.’ Veel zinvol verloop is er niet te bespeuren. Het leven is als een boemerang. Die komt uit op de plek vanwaar hij weggeworpen wordt. Hij volgt dus een ridicule, zinloze beweging.
Wie op het punt staat te sterven, heeft – als dit al in zijn vermogen ligt – plotseling nog veel te zeggen. Dat geldt zeker ook voor deze dicher. Maar bij hem gaat dat gepaard met het besef dat een mens dan wel veel lawaai kan maken, maar dat dit geen enkel doel dient. Hij wordt er maar heel even zichtbaar door. Zichtbaarheid en onzichtbaarheid: het is een thema dat ook een paar keer opduikt in ‘Boemerang’. Komrij wordt in gelijke mate aangetrokken door beide. Hij streeft anonimiteit na en tegelijk wil hij ‘een wandelende lichtkrant’ worden. Wonderwel strookt dit met zijn biografie. Hij werd de eerste Dichter des Vaderlands in het door hem versmade Nederland, maar tegelijk leefde hij in zijn Portugese woonplaats als een anonymus: dit is een van zijn vele paradoxen. Hij weigerde zich te laten kennen. Zelfs vroeg hij zich af of hij zichzelf wel kende. Zijn vele zichtbare en onzichtbare ikken liepen elkaar in de weg, benamen elkaar het zicht.
Toch lijkt de dichter hier in menig opzicht openhartiger dan in de meeste andere dichtbundels van zijn hand. Hij is dit tot in de opmaak toe. Want eigenlijk was hij, toen hij stierf, nog niet klaar met zijn werk. De tekstbezorger heeft ervoor gekozen ook de varianten en de regieaanwijzingen mee af te drukken. De lezer krijgt daardoor een inkijk in de innerlijke keuken. Maar doordat hij niet precies weet welke de chronologische volgorde van de gedichten is, weet hij niet met zekerheid wanneer de dichter alludeert op zijn ziekte en zijn levenseinde en wanneer iets toeval is. Niettemin vormen deze verzen een testament. Trouwens: ‘Boemerang’ is opgedragen aan Komrijs levensgezel, Charles Hofman, die in een notitie voorafgaand aan de bundel stelt dat de publicatie van deze onvoltooide versie geheel volgens de wens van de auteur is.
Van bij het eerste gedicht, ‘psalm’, krijgen wij een nabeschouwing bij een leven dat voorbij is en een vooruitblik op wat nakend is: ‘er komt nog een luguber feestje aan’. Is dit te betreuren? Uitsluitend afgaand op de poëzie die hij geschreven heeft, moeten wij concluderen dat hij het leven niet veel zaaks vindt. Maar het lijkt wel alsof hij enigszins wil vasthouden aan het leven op het ogenblik dat het hem hoe langer hoe meer ontglipt. Toch wordt zijn rationele kijk op het bestaan er in elk geval niet monterder op. Bestaan en pijn zijn vrijwel elkaars synoniem. En de liefde is en blijft een soort spookverhaal dat levenslang duurt. Er heeft bij Gerrit Komrij altijd een lastige kruisbestuiving tussen leven en schrijven plaatsgevonden. De kunst is niet het leven: ‘Zoals je wollen trui het schaap niet is.’ Met andere woorden: de kunst is maar een prothese van het leven en is er soms zelfs aan tegengesteld. Maar of het nu in een gedicht of in het leven is: toekomst heeft alleen de dood.
(ʼn Alternatiewe opskrif vir hierdie inskrywing wat ek natuurlik ook oorweeg het: sepies, dwelms en poësie).
Ek kyk lankal nie meer televisie nie.
Ek kyk ook nie sepies nie, dit is nie nodig nie want ek volg eerder die sepie wat hier in ons geledere afspeel. Die fete tussen kuber-digters en nie-kuber digters. Tussen Versindaba en Carpe Noctum is sepierig genoeg. Sien hier, hier en hier.
Televisie en sepies is verslawend- of so sê hulle.
Wat ek kon aflei is dat daar blykbaar goeie poësie en swak poësie is. Net soos goeie kuns en swakkere kuns.
Nou vra ek myself af: is al die gedigte wat in die bloemlesing van Gerrit Komrij verskyn goed? Mag ek dit as maatstaf gebruik? Wat van die dagga gedigte van die Griekwas. Goed of sleg?
MY PAPPA WAS ʼn DRINKER
En ʼn drinker so ben ek
My pappa drink die bottles
Maar die kanne die drink ek
My pappa was ʼn houtsoeker
En ʼn houtsoeker so ben ek
My pappa kap die bosse
En die stompe die kap ek
My pappa was ʼn roeker
En ʼn roeker so ben ek
My pappa roek die entjies
En die dagga die roek ek
(bl 429 Gerrit Komrij – Die Afrikaanse Poesie in n duisend en enkele gedigte)
Wat is die geskiedenis daarvan? Was dit hul spreektaal? Was hulle onder die invloed terwyl dit geskryf is?
Ek het onlangs hierdie artikel gelees oor die kunstenaar, Fernando de La Rocque, wat kuns skep het met die walms van sy dagga-asem getiteld “the ecstasy of Saint Theresa”.
Goeie kuns of swak kuns? 15 minute of “fame”- hy het dit.
Sal hy in die “Art Through the Ages” verskyn? Wie weet.
Moet ek Komrij se bloemlesing eerder sien as ʼn oorsig? Sal daar later een verskyn met ʼn afdeling vir kuber digkuns?
Miskien moet almal bietjie teug aan die boom van goed en kwaad en vir ʼn slag asem haal.
Nasr reageer – Gerrit Komrij (1944 – 2012): buitestaander
(Aflewering 6 deur Carina van der Walt)
Op 5 Julie het die grootse Nederlandse digter, Gerrit Komrij, onverwags aan kanker gesterf. In twee dokumentêre films op televisie en in talle koerant artikels die afgelope naweek het die huldeblyke binne gestroom. Sy literêre nalatenskap is diep en breed. Nie net was hy die eerste Dichter des Vaderlands (2000 – 2004) nie, maar het hy ook die P.C. Hoofd-prys gekry (1993), is ‘n eredoktorsgraad aan hom uitgereik deur die Universiteit van Leiden, rig hy die literêre tydskrif Awater op en het hy die voortou geneem met die Turing Nationale Gedichtenwedstryd. Ondanks al hierdie prestasies en erkenning, was Komrij egter die ewige buitestaander wat hom agt-en-twintig jaar gelede in Portugal gaan vestig het.
Saam met sy lewensmaat, Charles Hofman, het hulle in 1984 verhuis na Alvides in die noorde van Portugal. Uiteindelik het die kleinburgerlike uitsigloosheid van die plek hulle onder gekry en het hulle na Villa Pouca da Beira vertrek. Hierdie dorpie lê in ‘n uitloper van die Serra da Estrela en hiér het hulle saam gebly tot sy dood verlede week. In die dokumentêre film De gelukkige schizo uit 2005 (gemaak deur Jan Lauret en Onno Blom) vertel Komrij dat ‘n digter geen liefdessorge, geldelike sorge of daaglikse sorge moet hê nie. Net dán kan hy in die juiste stemming kom waarby hy ‘n gedig kan skryf. Maar ten spyte daarvan dat hy hierdie ideale omstandighede nagejaag het, was daar tog ‘n periode van twintig jaar in sy lewe waartydens hy nie ‘n enkele gedig geskryf het nie. “Blijkbaar is het dichterschap geen constante toestand”, het hy volgens Arjen Fortuingesê (NRC-Handelsblad, 6 Julie).
Tog het Komrij hom konstant met poësie besig gehou, onder andere as samesteller van opspraakwekkende bloemlesings, ook in Afrikaans. Poësie was vir hom baie dierbaar en die kern van sy bestaan. Tom Lanoye het dit pragtig verwoord in sy afskeidsbrief aan Komrij. Daarin beskryf hy hoe hy die eerste keer die woord “Poëzie” uit Komrij se mond gehoor het.
Komrij sien in homself die sametrekking van drie liminale of grensposisies: as digter, as homoseksueel en as immigrant. Al drie posisies sorg daarvoor dat mens onwillekeurig ‘n buitestaander bly in die samelewing waarin jy woon en werk. In De gelukkige schizo erken Komrij dat hy so langsamerhand die luste om die ongewone in alledaagse taal neer te skryf (en omgekeerd) onder bedwang het. Ook die luste om die onaanvaarbare van ‘n homoseksuele lewe in die samelewing aanvaarbaar te maak, het hy bemeester. Maar: “de lusten om als immigrant te overleven, ben ik nog volop aan het leren.” En: “Ik weet niet wat links of rechts is. Ik voel me niet vervreemd of verscheurd. Ik aanvaard de versplintering van de wereldbeelden als een godsgeschenk. Ik ben de eerste gelukkige schizo.”
Miskien is dit dan ook gepas dat die huidige Dichter des Vaderlands, Ramsey Nasr, se lykdigvir Gerrit Komrij die dag na sy dood in die NRC-Handelsblad verskyn het. ‘n Elegie komende van sy vierde opvolger as Vaderlandsdigter , terwyl Nasr eintlik nie vir Komrij geken het nie.
Dat Gerrit Komrij as uitgesproke en ietwat kontroversiële literêre figuur nie in al die kamers van die Huis der Letteren as geliefde gas verwelkom is nie, is sekerlik ‘n gegewe. Maar dat iemand sonder enige provokasie besluit om die vele verwysings na Komrij se statuur as ‘groot digter’ op die dag waartydens sy dood aangekondig is, af te kam in ietwat onvriendelike taal, getuig myns insiens gewoon van swak styl.
So beland ek gister via ‘n skakel by De Contrabas op Wiel Kusters (foto) se weblog waar dié emeritus professor dit nodig geag het om onder andere die Koningin van Nederland se verwysing na Komrij as synde ‘n ‘groot digter’ tydens haar huldeblyk te kritiseer. Chrétien Breukers, hoofindoena van De Contrabas, se blikvanger op hul webblad is eweneens met gepaste vitrioel gegeur: “Het heeft prof. dr. Wiel Kusters, ondanks zijn drukke werkzaamheden die hem na zijn emeritaat teisteren, behaagd een correctie uit te voeren op een paar hinderlijke en zelfs ronduit verkeerde opmerkingen over Gerrit Komrij, door onnadenkende vlerken (die zich journalist of publicist noemen) en de Koningin der Nederlandengedaan in couranten, tijdschriften, op internet of middels een telegram.”
Vervolgens dan die heer Kusters se gewraakte opmerkings: “Is iemand een groot dichter wanneer hij als poezieschrijver door zijn excentrieke stem en optreden in de media een bekende Nederlander is geworden? Of wanneer hij zich in Hollands literaire vijver naar boven heeft gewatertrappeld dankzij een bij haar verschijnen omstreden bloemlezing en de publieke rel die daar destijds (1979) op volgde? [...] Zelf kan ik in de meeste verzen die Komrij publiceerde, ook als Dichter des Vaderlands, niet veel meer dan curiosa zien. Zijn reputatie als literatuurcriticus is niet gebaseerd op wat de voormalige stukjesschrijver Ronald Plasterk vandaag ‘mooi, precies en helder’ opgeschreven oordelen heeft genoemd, maar juist op karikaturale vertekeningen van het besproken werk, beledigingen, vernederingen en vele soorten van poepbruine, blufmatig onverschrokken ongein over andere auteurs, dikwijls veruit zijn meerderen. De polemische Komrij had de lelijke trekken van een populist.”
Sjoe. Dit is net jammer dat Kusters dit nie nodig geag het om konteks óf substansie te verskaf ten opsigte van sy opmerkings nie. Daarsonder laat hierdie uitsprake my te veel dink aan iets wat jy op die vliegtuig in ‘n bruin papierkardoes doen wanneer die naarheid jou oorval.
Nietemin, by wyse van illustrasie van die ‘mooi, precies en helder opgeschreven oordelen’ wat Kusters klaarblyklik as persoonlike maatstaf voorhou, plaas ek hieronder een van sy gedigte wat op die internet te vinde is. Daarvolgens blyk dit duidelik dat Komrij en Kusters inderdaad weinig meer as die eerste letter van hul vanne in gemeen het.
***
Langzame Wals
Wij dansten, moeder, door de keuken
je had mij lachend opgetild
vier jaar was ik ‘daar bij die molen
die mooie molen’ van de radio
geboren, losgeschild
je kleine vrucht, een zoet bestaan
een appel die zo rood moest glimmen
dat je ogen ervan glansden
opgenomen in een wals
tussen tafel stoelen pannen
dat het kleine wandkleed moeder
dat je in de keuken hing
geborduurd met wolken schaapjes
bomen en een molentje
plus een boertje met een pet
dat dat helder linnen kleedje
met zijn spichtige figuurtjes
draaiend mij voor ogen bleef
in de warmte van de keuken
langs de wanden van mijn geest
zozeer dat ik het ging zingen
en mijn ogen moest bedwingen
toen je stierf en ik je zag
jij mij zag ik wilde tillen
wat er van ons overbleef
op een stoel en in een bed
en wij zwierden en wij walsten
tot je grond verzonken was
Pas is ek terug na wekelange afwesigheid in die buiteland, of dit is my hartseertaak om bekend te maak dat Gerrit Komrij gister, 5 Junie, oorlede is. Hy was 68-jaar oud. Volgens die kort berig op De Telegraaf se webtuiste is dit nog nie bekend waaraan hy oorlede is nie … Blykbaar sal die familie later vandag ‘n persverklaring uitreik: “Het is nog niet bekendgemaakt waaraan de schrijver is overleden. Volgens bronnen in de literaire wereld was Komrij al geruime tijd ziek. Hij overleed in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) in Amsterdam. De familie komt vrijdagochtend met een persbericht. “
Komrij was bekend as digter, skrywer, kritikus en polemis. Uiteraard ook as bloemleser; onder andere die omvattende bloemlesing oor die Afrikaanse digkuns, Die Afrikaanse poësie in ‘n duisend en enkele gedigte, wat in 1999 by Uitgeverij Bert Bakker verskyn het. Van 2000 tot 2004 was hy die Dichter des Vaderlands en het as sulks tot en met sy dood ‘n besonderse invloed op die Nederlandse digkuns gehad. In sy veelbekroonde loopbaan is sy werk onder andere vereer met die P.C. Hooftprys, die Gouden Uyl en ook die Herman Gorterprys. Verlede jaar het die Universiteit van leiden ‘n eredoktersgraag aan hom toegeken.
In die Afrikaanse lettere is Komrij ook bekend danksy die vertaling van sy gedigte wat deur Daniel Hugo gedoen is en by Protea Boekhuis in 2005 verskyn het met die titel Die elektries gelaaide hand.
As leestoegif plaas ek die eerste paragrawe uit die Hugo Claus-gedenklesing wat Komrij op 16 April 2010 gelewer het en wat hy goedgunstelik aan Versindaba gestuur het. (Die volledige lesing kan hier gelees word.)
***
Nu ben ik zelf oud, een getruffeerd karkas, een man die voor het eerst ten volle het gedicht begrijpt waarin wordt gesproken van “ziek van begeerte, en geketend aan een stervend beest” – en ik voel me een tijdgenoot van Hugo Claus, een reisgenoot, een familielid, van verre en met de hoed in de hand, maar familie. Jonge mensen worden naar elkaar toegezogen, magneetstof, oude mensen groeien tergend traag naar elkaar toe, een verbroedering die knarst en kraakt bij gebrek aan steigers, takels en brandstof.
Oud zijn is geen onverdeeld genoegen, om het mild uit te drukken – voor Hugo Claus moet de ouderdom speciaal onwelkom zijn geweest, want de zin van zijn leven was dat in de machinerie alle raderen liepen, alle ventielen zuchtten, alle wijzers uitsloegen, trillend op de rand van het alarmrood, en dat alle tandjes snel en venijnig in elkaar grepen.
Verval verbroedert en de dood maakt ons tot lotgenoten. Zandhappers zijn we, stuifsneeuw.
Maar naast de tijdloosheid en de stilstand van de ruïne zijn er de kalender en de chronologie, en dan besef ik dat Hugo Claus al een ster was toen ik op school zat. Op die leeftijd loopt er een onbegrijpelijk parcours van het ene jaar naar het daaropvolgende, tussen de generaties gaapt een kloof. “t Verschil tussen een baviaan en een kuiken is niets vergeleken bij het verschil tussen iemand die een ster is en iemand die zijn eerste letter nog moet publiceren.
Elke beginnende schrijver, elke nog-niet-schrijver die weet dat hij is gedoemd tot schrijven, kent een schrijvershemel waaronder hij opgroeit. Zoals een hond in een drukke winkelstraat, vol mensenbenen en karrenwielen en wandelstokken en dansende beren, onmiddellijk andere honden herkent, zo herkent een schrijver schrijvers.
Van vandag af is Gerrit Komrij se nuutste publikasie, Mijn poëziekalender, in Nederland en Vlaandere beskikbaar. Dié kalender, wat deur die Uitgeverij Van Gennep uitgegee word, bevat nie net ‘n gedig vir elke dag van die jaar nie, maar ook ‘n stukkie kommentaar in die tipiese Komrij-styl: synde polemies, didakties, outobiografies of tong-in-die-kies.
Volgens die berig wat hieroor by De Contrabas verskyn het, word ook Afrikaanse pleknaamgedigte betrek: ”Aan bod komen de belangrijkste debuten van de afgelopen jaren, gedichten van vergeten dichters, typische kalendergedichten voor speciale dagen en gelegenheden, reeksen gedichten over Portugal en de kleur blauw, Zuid-Afrikaanse gedichten over ‘plekname’, gedichten over honden, katten en vlooien, gedichten uit de Turing Nationale Gedichten Wedstrijd en niet in de laatste plaats gedichten van Komrij zelf.”
Vir jou leesplesier volg een van Komrij se gedigte hieronder. (Dié gedig sal op 27 September 2012 gelees kan word.)
De herfst of de poëtische trukendoos
De herfst is spinrag, stofnest, avondmist.
Een aangevreten boomblad dwarrelt laag
En landt op een vermolmde kerkhofkist.
Ook in het lijkenhuis hoor je geknaag.
Skeletten zitten daar, met hoge kraag,
Op eikels kauwend en op paddestoelen,
Om daarna traag, al hebben ze geen maag,
Hun herfstdiner met herfstwijn weg te spoelen.
O, herfst is hondenweer en onweersvlaag.
De dichter ziet weer ál de componenten
Uit zijn gehate rekwisietenkast
- Melancholie en wateroverlast -
En hij probeert, moed vattend, nog vandaag
Tussen de roest te dromen van de lente.
In ‘n onlangse blog het ek berig oor Carol Ann Duffy, Brittanje se poet laureate, wat die bewering gemaak het dat die sosiale media bevorderlik is vir die digkuns; trouens, sy redeneer dat sms-taal in wese poëties van aard is en derhalwe die digkuns steun. Nou onlangs het Gerirt Komrij, voormalige Dichter des Vaderlands van Nederland, hom egter ten sterkste van hierdie sienswyse gedistansieer in sy weeklikse blog op NRC Handelsblad: “‘Gedichten zijn een soort sms’jes’, zei Carol Ann Dufy, de Engelse Poet Laureate. Ja, paardenkarren zijn een soort auto’s. Kralen zijn een soort dollars. ‘t Is wonderlijk wat mensen allemaal verzinnen om bij de tijd te lijken,” skryf hy. “En het is heus wel aandoenlijk van haar. Dat aanprijzen van poëzie is een verslavende bezigheid. Zaaiers gaan uit om te zaaien. Het veld is dor en onmetelijk dor. Wie nog hersenen heeft of een vingerhoedje talent móet in de gigantische stupiditeitsmarkt en toonloze massa’s wel een goudmijn zien. De domheid en de tekortkomingen van de mens vormen de basis van alle evangelisten en miljardairs. Dichters, pik uw graantje mee.”
Volgens Komrij hou dit alles verband met die bemagtiging wat hedendaagse tegnologie aan die individu bied; die sogenaamde ‘cult of the amateur’ waarna telkens verwys word: “Zelfwerkzaamheid in de poëzie is een gruwel en dient hevig onderdrukt te worden. Dat gedichten een soort sms’jes zouden zijn valt als bemoedigingspraatje voor scholieren nog wel te begrijpen, maar erger is het dat Carol Ann Dufy de zaak omdraait – een sms’je is al een soort van kant-en-klaar gedicht. Want wat is een gedicht? Volgens The Guardian ziet ze een gedicht als ‘een manier om meer te zeggen met minder woorden.’ Als een manier om ‘gevoelens en ideeën in zeer compacte vorm samen te vatten’. Een gedicht is, net als een sms’je, ‘de originele tekst’. Ze wil duidelijk het modewoord authentiek vermijden. Maar modieus blijft het. De jongen die ‘boe’ roept naar een oud vrouwtje op straat, de verklede Indiaan die ‘ugge ugge’ doet op feestjes, de vijand die je een ‘val dood’ toewenst, allemaal dichters in de dop. Allemaal mensen die hun gevoelens en ideeën in zeer compacte vorm samenvatten. WTF, het complete werk van Shakespeare in drie letters.”
Nou ja, toe. Soveel dae, soveel dinge. En wat maak dit saak? Solank daar digters is wat aanhou skryf en lesers wat aanhou lees, sal die digkuns bly voortbestaan. In welke vorm ook al. Of wat praat ek nou?
Vanoggend weer die trein Muizenberg toe gevat vir my weeklikse tutorsessiemet ’n chef wat volgende jaar graad 12 Skeinat wil skryf. Iewers op ’n stasie het ’n blinde met ’n kitaar opgeklim. Hy’t Koos Doep se Gebed in Xhosa begin sing. Hier en daar het ’n gesette vrou begin saamsing en skielik was ek in ’n gedig gewees. Die treintrok hetal singende voortgebeur tussen wingerde en fabrieke deur. Ek het saggies in Afrikaans begin saamsing en skaamgekry dat ek nooit die moeite gedoen het om Xhosa te leer nie. Een of ander poephol het “I’m on a boat motherfucker” kliphard op sy selfoon begin speel sodat ons skielik teen hom moes kompeteer. Na ’n minuut of wat het die blinde man tou opgegooi en by die volgende stasie uitgeklim. Daar was ’n paar klingelende sente in sy bedelbeker.
30 November
Gradex se opening saam met vriende in die kunsdepartement bygewoon. Al die finalejaarskunsstudente het uitgestal om hul bymekaargemaakte kennis oor die taal van beelde ten toon te stel. Daar was ’n klomp middelmatige pogings gewees wat óf gedrup het van sentimentaliteit óf geskree het van onsubtiliteit. Maar die werke van Stuart Cairns en Abri de Swart het my laat stilstaan. Cairns werk met swart en wit collages wat hy soms subtiel met teksgedeeltes laat saampraat. Sy indrukwekkendste werk, Untitled, bestaan uit verskeie los velle papier waarop hy onder andere figure geplak het wat sterk aan 1940’s Film Noir herinner. Die figure is egter almal koploos en saam met die gebruik van beelde uit die stad kry Cairns dit reg om ’n meditatiewe werk te skep wat kommentaar lewer op die anonimiteit van depressie en eensaamheid in ’n gemeganiseerde, moderne stad. Ek het aan Opperman se “Negester en Stedelig” gedink. Die literêre intertekste wat hy gebruik, dra sterk tot die atmosfeer van die werk by. So is daar byvoorbeeld ’n aanpassing van ’n bekende Wadsworth-gedig wat bo-op ’n afbeelding van ’n ontploffende atoombom aangebring is: “I wandered lonely as a mushroom cloud”.
The Father - Abri de Swart
Abri de Swart se werk is weer onbeskaamd kitsch. Hy gebruik kleurvolle uitknipsels en origami om Bybelse tablo’s uit te beeld. Sy kortfilm oor die laaste avondmaal, For what we have received, is veral treffend en sy triptiek van die drie-enige God,The Father,The Son and the Holy Ghost, spook snags by my.
1 Desember
Vandag verby die bouterrein by Eikestad Mall gestap. Die man wat in die glaskajuit van die hyskraan werk, het ’n rooi vlag met ’n wit vigsstrikkie aan die geel kolom van die hyskraan vasgebind. Van daar bo af kan hy sekerlik die hele Stellenbosch sien. Ek wonder wat hy sou sê oor die nuwe mall wat Stellenbosch netjies in twee gaan verdeel: Aan die een kant lê die Universiteit met sy imponerende geboue en akkerbome waaraan groen geld groei; aan Birdstraat se kant is die vis-en-tjips winkels, die Afrikane se one-stop-shops en De Braak waar bergies smiddae in die son bak. Eikestad Mall was altyd ’n bymekaarkomplek vir dié skisofreniese Stellenbosch gewees.
Ek het Daniel Hugo se Komrij-vertalings vandag begin lees en dink lank na oor die gedig “De straatjongen”:
Weer ’n bietjie akkordeon geoefen – ek het ’n ligblou Frontalini vir my 21ste by my ouers gekry. My vingers sukkel nog blind om die regte akkoordknoppies aan die linkerkant te vind. Later in Aandklas saam vriende gekuier. Die een vriendin is ’n uitruilstudent van Harvard wat pas haar graad in Antropologie voltooi het. Sy vertel ons van ’n vriend wat sy meestersgraad in Biblioteekkunde gekry het. Hy kan glo bloot na die tipe papier en die band van enige boek kyk en dan vir jou sê in watter dekade en gebied die boek gebind is.
Terug by my woonstel maak ek Leroux se Een vir Azazel klaar. Die boek het ’n rooi hardeband-omslag en vergeelde blaaie. Voorin sien ek dat die boek voorheen aan ene Meneer M.J. Louwrens behoort het.Motte het sommige van die bladsye beetgekry. Ek lees bladsy 110 hardop voor waar dr. Johns sopas die krane in die kamer van bieg oopgedraai het en ’n oorverdowende gesuis en mistigheid die kamer vul. Die stotterende Demosthenes H. De Goede kan vir die eerste keer praat:
En meteens voel hy dat sy tong los is, dat suiwer, helder woorde, wat hy nie kan hoor nie, sy alleenheid en vrees beskryf. Speurdersersant Demosthenes H. De Goede – op daardie presiese oomblik dat hy vrees voel soos hy dit nog nooit gevoel het nie, waar hy in hierdie onderwêreld veg teen ’n vyand wat hy nog nooit teëgekom het nie – raak tydelik ontslae van daardie gebrek wat hom sy hele lewe lank belas het. Sy silwer tong formuleer sy angs in die heerlikste taal; hy beskik meteens oor ’n vermoë wat hom nog altyd ontsê is: om helder uiting aan sy diepste gevoelens te gee. Op hierdie oomblik van onuithoudbare lyding beleef hy ook sy diepste wensvervulling en sy grootste triomf. Daar is selfs ’n tyd dat hy in sy folteringskrete die lyding verwelkom ter wille van die nuwe vryheid van spraak. Maar dit duur nie lank nie. Stadig maar seker word die angs ondraagliker en word hy gewoond aan daardie begeerde vryheid. Hy is besig om sy siel kontant te verkoop aan die bose gees en hy strompel verwild in die kamer rond om die kontak tot niet te maak. Al skreeuend, tastend en vreesbevange val en stamp hy teen die mure en pype totdat hy die krane bereik wat hy met ’n laaste kraginspanning toedraai.
My klavier het vandag in Stellenbosch aangekom. Toe ek ses jaar oud was het ek aan my ma se rokspante getrek en vir ’n klavier gevra. Niemand in ons familie was rerig musikaal gewees nie, behalwe vir Oupa Lucas wat so ’n bietjie kon sing. My ouers het vir my ’n ou en donker klavier met ingeboude kershouers gekoop. Sommige note se ivoorlagies was afgedop en agt of nege note kon glad nie speel nie. Ek het getrou begin om te oefen en het kort voor lank ’n konsertjie vir my gesin gehou. Vir die volgende 12 jaar het ek elke dag klavier gespeel .
Toe ek Stellenbosch toe trek, moes die klavier ongelukkig in Bloem bly. My pa het egter so ’n maand gelede besluit dat die klavier na drie jaar se stofvergader hier by my hoort. My ma het my eergister gebel terwyl sy in my ou kamer in Bloemfontein gestaan het voor die leë plek waar my klavier altyd was. Sy’t gehuil en gesê dat sy vir die eerste keer besef het dat ek nie weer terugkom huis toe nie.
Die Yahama-klavier wat nou oorkant my lessenaar in my woonstel staan, is nie dieselfde een as die een waarop ek begin het nie, maar my liefde vir musiek en klavierspel het nie verander nie. My ouers kom hierdie week Stellenbosch toe vir my gradeplegtigheid en ek oefen dat dit bars. Ek dink ek gaan weer vir hulle ’n konsertjie hou.
Die lesing hieronder word volledig met die vriendelike vergunning van die outeur geplaas.
Gerrit Komrij
Gerrit Komrij werd op 30 maart 1944 geboren te Winterswijk. Hij studeerde algemene en vergelijkende West-Europese literatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Komrij debuteerde in 1968 met “Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten”. Hij was o.a. werkzaam als medewerker van Vrij Nederland en N.R.C. Handelsblad.
Tegenwoordig woont hij in Portugal met zijn echtgenoot Charles Hofman.
Komrij schreef poëzie, romans, novelles, korte verhalen, columns, essays en toneelstukken. In 1999 publiceerde Gerrit Komrij een bloemlezing van Zuid-Afrikaanse gedichten ¨De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten¨.
Gerrit Komrij werd op de eerste Landelijke Gedichtendag op 27 januari 2000 gekozen tot ´Dichter des Vaderlands´. Hij zag af van deze ere-baan in 2004.
Nu ben ik zelf oud, een getruffeerd karkas, een man die voor het eerst ten volle het gedicht begrijpt waarin wordt gesproken van “ziek van begeerte, en geketend aan een stervend beest” – en ik voel me een tijdgenoot van Hugo Claus, een reisgenoot, een familielid, van verre en met de hoed in de hand, maar familie. Jonge mensen worden naar elkaar toegezogen, magneetstof, oude mensen groeien tergend traag naar elkaar toe, een verbroedering die knarst en kraakt bij gebrek aan steigers, takels en brandstof.
Oud zijn is geen onverdeeld genoegen, om het mild uit te drukken – voor Hugo Claus moet de ouderdom speciaal onwelkom zijn geweest, want de zin van zijn leven was dat in de machinerie alle raderen liepen, alle ventielen zuchtten, alle wijzers uitsloegen, trillend op de rand van het alarmrood, en dat alle tandjes snel en venijnig in elkaar grepen.
Verval verbroedert en de dood maakt ons tot lotgenoten. Zandhappers zijn we, stuifsneeuw.
Maar naast de tijdloosheid en de stilstand van de ruïne zijn er de kalender en de chronologie, en dan besef ik dat Hugo Claus al een ster was toen ik op school zat. Op die leeftijd loopt er een onbegrijpelijk parcours van het ene jaar naar het daaropvolgende, tussen de generaties gaapt een kloof. “t Verschil tussen een baviaan en een kuiken is niets vergeleken bij het verschil tussen iemand die een ster is en iemand die zijn eerste letter nog moet publiceren.
Elke beginnende schrijver, elke nog-niet-schrijver die weet dat hij is gedoemd tot schrijven, kent een schrijvershemel waaronder hij opgroeit. Zoals een hond in een drukke winkelstraat, vol mensenbenen en karrenwielen en wandelstokken en dansende beren, onmiddellijk andere honden herkent, zo herkent een schrijver schrijvers.
Hij herkent ze aan zijn firmament als dwaalsterren, als snel uitdovende meteoren of als sterren van de eerste orde. Sommigen trekken uit dit primitieve gedrag, als men nog een aankomend schrijver is, de conclusie dat men voor de rest van zijn leven tot omgang met schrijvers is veroordeeld. Dat schrijvers een maatschappij op zichzelf vormen, ver buiten het mensengewoel. Maar het is heel goed mogelijk zich aan dit doemscenario te ontworstelen. Het is heel goed mogelijk zich verwant te voelen met karakters en mentaliteiten, ondanks het feit dat daar schrijvertjes aan hangen.
Ik ben opgegroeid onder een koud gesternte. De dominante literatuur van mijn studentenjaren was een literatuur van schoolmeesters, zelfbewierokers en krachtpatsers. Om schrijvers als Hermans en Reve, toch de bakens voor elke ambitieus aanstormend talent, hing een sfeer van bedomptheid, van afweer, van afgeknepenheid, van kom-niet-te-dicht-in-mijn-buurt en van jaloezie.
Ik heb het niet over hun literaire kwaliteiten, maar over het beeld dat aan ze kleefde. Er zat iets absolutistisch en dictatoriaals aan. Waar deze nieuwe goden hun stap hadden gezet aarzelde het gras om verder te groeien. Ze waren kinderen van de oorlog en ze waren gewend oorlogje te spelen.
Tussen die sterren zweefde ook Hugo Claus. Als je aan Hugo Claus dacht was ineens de benauwdheid verdwenen. Niets meer van een bang, hyperkritisch beloeren van de concurrent.
Alleen al de ruimte die hij schiep tussen het schoolmeesterschap en zichzelf werkte verademend. Niet de zweep, maar de koninklijke staf.
Ineens lucht.
Ik voelde het, al wist ik het niet precies op waarde te schatten. Aan de ene kant had je de monomane gifkikkers, de hooghartige eenlingen en de kostelijke betweters in hun zwarte strijd tegen een zwarte wereld, en aan de andere kant was er dat ongrijpbare beeld van iemand die weliswaar ook de boel aan zijn laars lapte maar die dat deed in vrijheid, in een verademende vrijheid, in een lichtwak van teamwork en overdaad. Zo”n kameleon had duidelijk zijn bekoring tussen de adelaars en ratelslangen. Het beeld was er, het beeld volhardde, ook al had de koudheid van de andere sterren mij bevroren. Ik moest nog ontdooien, en Hugo Claus was de oorspronkelijke vonk.
Het sluimerde in mijn onderbewustzijn: zo kon het dus ook. De benauwenis ontgroeien en het “ik” laten dansen. De geheven wijsvinger omtoveren van vogelverschrikker tot windvaan. Maar een kameleon vraagt moeite.
Mijn leeftijd en de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig smeekten om rechtlijnigheid. Ik voelde me verwant aan de kilheid van de waarheidsvinding en het sarcasme. Kritisch zijn was toen geen deeltijdbaan. Als Nederlander had ik bovendien een dwanghuwelijk gesloten met het schoolmeesterschap. Allemaal zonden waar ik zonder wrok aan terugdenk en met plezier in terugval. Maar dat het ook lichter en leugenachtiger kon, daar wilde ik nog niet openlijk aan toegeven.
Dat Hugo Claus, het werk van Hugo Claus, zijn wereldbeeld dat er niet was en er toch wel degelijk was, meer strookten met mijn eisen en temperament – er was een begin van een vermoeden, al had ik nog een paar stappen te nemen. Ik begon met ook kritisch jegens Hugo Claus te zijn. Maar door kritisch te zijn op Claus ontdekte ik mijn eigen waarheden.
Wanneer verscheen de roman Schaamte? Het zal begin jaren zeventig zijn geweest. Toen was ik een tijdje criticus, althans ik zeurde over boeken. Ik herinner me dat ik de roman op een gunstige en op een ongunstige manier bekeek, in een en dezelfde recensie.
Een teken dat Claus me al van de aanvang in verwarring bracht. Ik herinner me dat ik vertelde te beschikken over een waslijst met symbolische verwijzingen – allemaal in dienst van de ambiguïteit en de in academische kringen zo populaire gelaagdheid – en dat de lezer die lijst schriftelijk bij mij kon aanvragen. Ik voegde er bij de bundeling van mijn kritiek aan toe dat ik 123 brieven en briefkaarten had ontvangen met het verzoek om zo”n waslijst, “uitsluitend afkomstig van leraren Nederlands”. Vooral kwam mijn kritiek erop neer, als ik me goed herinner, dat Hugo Claus die verwijzingen er speciaal voor dat slag wijsneuzen instopte opdat die wijsneuzen ze er vervolgens uit zouden halen, ter meerdere glorie van hun wijsneuzigheid.
Hugo Claus houdt de duiders een bot voor, hij daagt ze uit, dacht ik. Langzaam groeide het inzicht dat Claus juist bezig was, bewust en onbewust, om de geleerde duiders en critici voor te blijven. Hij probeerde aan ze ontsnappen, in een vlucht zonder einde. Ze bleven nog trouwer aan hem kleven en hij probeerde ze nog harder van zich af te slaan. Dat was wat hier de doorslag gaf. Het werd een beklemmend schouwspel, voor wie er oog voor had.
Het verhaal van het vlindernet en de vlinder. Lucht & anarchie
Ik had wel meer aan te merken op Hugo Claus. Zijn schrijftechniek onderging ik als een uitwaaieren, een versnippering die me soms gratuit voorkwam. Ik was nog in de ban van recht-op-het-doel-af en de mus die nooit zonder romantechnische gevolgen van het dak kon vallen. Ik schreef daar vijf jaar later over, door de eerste alinea”s van de roman Jessica! uiteen te rafelen. “We klimmen als een luis in het schaamhaar van dit proza, als een luis met een loep in dit schaamhaar”, kondigde ik aan. Het voorbeeld van de schriftgeleerden werkte blijkbaar besmettelijk. Wat ik ontdekte waren voornamelijk incongruenties, stapelzucht en surrealistische barok.
Ik keek door een vergrootglas en had nog geen idee van het landschap.
Als critici een schrijver niet te pakken kunnen krijgen, als de schrijver niet gaat opzitten en pootjes geeft of niet beantwoordt aan wat hij volgens de critici eigenlijk geschreven had moeten hebben, raken ze snel geïrriteerd. Hugo Claus, de onverbeterlijke ontsnappingskunstenaar, kon daarvan meepraten. Steeds weer doet hij achteloos over de kritiek. Een titel als Wat bekommert zich de leeuw om de vlooien in zijn vacht spreekt boekdelen.
Er bestaan veel uitspraken in de trant van “ze zijn te lief voor mij” of “ik lijd eronder, maar niet langer dan twee minuten”. De onverschilligheid strijdt met de argwaan. Het kan de lezer niet ontgaan dat Claus dikwijls te achteloos doet en ook weleens te gretig protesteert. “t Is logisch, een voortvluchtige moet het hebben van de fixaties, van de momenten dat hij zich in die-en-die vorm manifesteert, anders is hij er helemaal niet. Fixatie of een compliment heeft-ie nodig. Anders blijft zijn schoonheid, ja zelfs zijn vlucht van punt a naar b onopgemerkt.
Kunstig verbergt Hugo Claus zijn gevoeligheid. Hij veinst onverschilligheid jegens zowel negatieve als positieve kritiek, zo gewiekst is hij wel. Tegelijk beseft hij dat ongrijpbaarheid geen onzichtbaarheid moet worden en lijkt hij de kritiek aan te moedigen. Hij prijst schriftgeleerde A (“jij bent de enige die het boek begrijpt”) om elders over dezelfde schriftgeleerde te zeggen dat hij er geen snars van heeft begrepen. Zo blijft hij als schrijver vrij. Eén netje is geen netje.
Ik heb Hugo Claus maar eenmaal ernstig ontdaan over een kritiek meegemaakt. Dat was toen iemand hem – de speler die altijd midden op het veld stond, al bepaalde hij zijn eigen spelregels – toevoegde dat hij eigenlijk niet meer meespeelde. Op zo”n moment sta je er met je talent om je overal uit te redden lichtjes belachelijk bij. Op zo”n moment tuimelt je hele tactiek in een zwarte kuil. Eigen spelregels, zowel de spin in het web zijn als het web zelf – dan heb je meteen een probleem met het overkoepelende stelsel van de literatuurwetenschap.
De literatuur volgt vaak braaf de kritiek, men kent het pijnlijke verschijnsel. Maar soms hobbelen de theorieën ook achter de literatuur aan. De oude indeling “poëzie, proza, essay” lijkt onuitroeibaar. Er bestaan prozaprijzen en essayprijzen. “Rudy Kousbroek, essayist, overleden” meldt de krant. Maar hoe lang al bestaan er documentaire verhalen, filosofische romans, epische gedichten, poëtische non-fictie, hoeveel treffende boeken verschenen er niet waarin de grenzen tussen “poëzie, proza, essay” werden opgerekt en doorbroken, waarin de draak werd gestoken met die versleten genres?
Uit welke grijze tijden stamt die genre-indeling eigenlijk? Alsof de column, de reportage en het beeldverhaal het landschap niet hebben veranderd, om van exotischer dingen te zwijgen. Toch blijft het bij de oude reflex. Nog altijd vertoont de literatuurkritiek zich aan de woedende wereld in hoepelrok bij gaslantaarn.
Zelfs “werkelijkheid” en “waar gebeurd” gooien weer hoge ogen. Op de literaire faculteiten proberen ze nog steeds antwoord te geven op de vragen van eergisteren. Hekken, scheidingen, vakken. Schrijvers van het type Hugo Claus ondervinden daar de meeste hinder van. Al op de startlijn staan ze op achterstand.
Voor Hugo Claus moest een nieuwe literatuurwetenschap worden uitgevonden.
Het is een terugkerend liedje in het verhaal Claus, maar het liedje wordt nog altijd onderschat. Praten over Hugo Claus betekent eerst oude misverstanden uit de literatuur opruimen. Dan pas is het de beurt aan de typisch Clausiaanse misverstanden. Zijn pendelen tussen roman en gedicht, toneel en beeldende kunst zou een versnippering zijn, een gebrek aan een centraal thema, luidt een van die misverstanden. Zijn ontsnappingszucht, zijn hang naar vrijheid, zijn lofzang op de leugenachtigheid en zijn paradoxale houding jegens de kritiek zou louter baldadigheid zijn, luidt een ander. Het ongeduld van een straatjongen die zijn hoofd niet bij de les kan houden.
Hoe meer ik van Claus las, hoe meer ik begon in te zien dat er systeem in zat, geen systeem dat onderdrukte of iets van doen had met politiek of macht, maar een systeem waarbinnen je lucht kon happen, alle kanten kon uitkijken, de wereld met nieuwe, onbedorven ogen kon zien.
Het belangrijkste werk van Hugo Claus moest toen nog komen. Maar de vonk was er. Plus mijn herinneringen aan Omtrent Deedee, een boek dat op mijn negentiende nogal indruk had gemaakt. Als ik aan dat boek dacht zag ik het. Door mijn geheugen dreef dan een vreemde gloed. De woorden waren verdwenen, maar ik zag duidelijk het gelaat van een engel, een vertrek, de bewegingen van een gezelschap.
Hugo Claus, zo begon je te erkennen, was al schrijvend niet met geneesmiddelen bezig, maar met de diagnose. Het ging hem om het spel, en om het verbergen van de bedoelingen. Door de meeste schrijvers word je bij de hand genomen, in het werk van Claus mocht je verdwalen. Je moest er veel zelf doen, maar daardoor groeide juist je waardering. En je groeide mee met het werk. Je dwaalde niet tussen richtingwijzers en dranghekken, maar door een machinekamer.
Ik had het over het koude gesternte waaronder ik opgroeide en over de sensatie van lucht en anarchie die me beving bij het horen van de naam Claus. Ik bedoel daar niet mee dat hij een flierefluiter was, of het karikaturale beeld vertegenwoordigde dat de Hollander heeft van de op roekeloos genot beluste zuiderling, altijd maar positief en blij qua smaakpapillen, hersenen en geslacht. Duisternis, conflicten en agressie genoeg bij Claus – hij werkte er alleen anders mee.
De keerzijde, de chaos en het nihilisme bracht hij niet als boodschap, ze maakten deel uit van zijn motoriek. Met de ideologen die nooit de soepelheid bezitten een zaak van meerdere kanten te bezien, dreef hij de spot.
Iemand voor wie niets vaststaat valt ook niet onder de gangbare moraal. Rechtlijnigen zijn de grootste moralisten. De burgerlijke moraal en de zedenpreek komen bij Hugo Claus niet eens heimelijk of in vermomde vorm om de hoek kijken – altijd is daar die, tja, onverminktheid.
Langzaam maar zeker kwam ik erachter dat juist alles wat Hugo Claus werd nagegooid en verweten zijn wereldbeeld uitmaakte, dat juist zijn vermeende zwakheden en onvolwassenheden neerkwamen op een tot het uiterste geperfectioneerde techniek om te overleven. Het kan met het perfectioneren van die techniek en met zo”n hit or miss-mentaliteit ook weleens grondig misgaan – en het gaat ook weleens grondig mis.
Een zekere meligheid, het te sterk leunen op collage- en montagetechnieken, je leest die dingen en je fronst het voorhoofd, maar hopla, je bent van een doodlopende steeg onmiddellijk weer beland op een brede avenue met ongekende mogelijkheden, of zie, je loopt weer met blote voeten op het kiezelpad. Nooit loop je je te pletter op een monoliet. Je verbazing over de energie en de voortdurende wisseling van decor verlaten je geen moment. “Op de mesthoop groeit de bloem”, luidde een van Claus” lijfspreuken. Je neemt de miskleunen organisch mee.
In de beste romans en de beste gedichten valt alles prachtig op zijn plaats. Wat daarbij indruk maakt, is de grote eenheid van leven en werk. Het promoveert Claus tot een schrijver voor je leven, en niet alleen voor je puberteit of je midlifecrisis. Ik heb wat moeite met dat “schrijver voor je leven”, een schrijver is geen bochel of eczeem, dus laat ik zeggen: een schrijver naar wie je zonder tegenzin terug kunt keren, terug wilt keren.
Altijd vind je wel een opening, of een uitzicht, of een inzicht. Vrij & veroveringszuchtig
Ik had nu met twee citaten voor de dag willen komen, zeer welgekozen citaten vanzelf. Ik dacht, dat staat geleerd. Dat staat deskundig. Geleerd en deskundig lijken wil iedereen. Toen dacht ik aan de Clausdeskundigen. Daar bestaan er een paar van. Ik ben geen Clausdeskundige. Ik heb hoogstens wat gefreewheeld door de plooien van zijn gebergte. Ik hoorde de wind al opsteken in de wenkbrauwen van de Clausdeskundigen als ik met mijn citaten zou komen aandraven. Ik kromp al bij voorbaat ineen onder hun strenge blik. Ik besloot niet met mijn twee citaten voor de dag te komen.
Waar het bij mijn citaten op neerkwam was het volgende.
Eerst zou ik een voor Hugo Claus typerende alinea citeren. Dat is een alinea met regels die iets beschrijven, nevenstellend. Elke regel vertelt een nieuw verhaal, je begrijpt niet precies wat de samenhang tussen de regels is. Nog niet. De details zijn exact, zakelijk zelfs, maar onmiddellijk volgt een nieuw detail – bepaaldheden die zo tijdelijk zijn, zo vluchtig, dat ze op onbepaaldheden lijken.
Vervolgens zou ik een andere schrijver citeren, Elsschot misschien. Dat gaat dan zo: Er komt in de verte op straat iets aan. Het is donker en groot. Het komt snel dichterbij. Het verplettert de wandelaar. Oorzaak en gevolg, kortom. Je begrijpt de samenhang en er komt niet zomaar iets nog gekkers of een ongeleid projectiel tussenbeide.
Middelpuntvliedend tegenover lineair. Vulling tegenover skelet. Chaos tegenover logica. Het ongezegde tegenover de bewering. Claus kan – vrij en veroveringszuchtig als hij is – ook van het tweede procedé gebruikmaken, of beide procedés mengen. Het moment van toepassing verheerlijkend, dus hevig. Loslaten, vastbijten, loslaten. Het maakt het gedicht bij het sterfbed van zijn broer zo indrukwekkend.
Iedereen begrijpt dat de ongrijpbaarheid van Hugo Claus de meeste verdediging behoeft. Zo”n verdediging is niets als die niet door het werk zelf wordt geleverd. Geen deskundige kan daarbij helpen. Hoe meer Claus je tot je neemt, hoe beter je Claus gaat begrijpen. Die typische alinea”s van hem, dat is geen surrealistische barok, dat is pointillisme. Uit het geheel duikt iets op wat er niet echt staat. De samenhang is meer dan de details samen. Door het middelpuntvliedende karakter voel je het middelpunt als het ware. Wat uit de zogenaamde toevalligheden en onbepaaldheden opstijgt, is iets waarvan je soms schrikt. Het ongezegde wordt plastisch.
Claus maalt niet om interpretatie. Eigenlijk zijn alle critici hem even lief, mits ze zijn aanwezigheid aanvaarden. “Het thema van het boek is niet het boek” en “Het ding is belangrijker dan de catalogisering” – het zijn bekende uitspraken van Claus. Te vaak denkt men dat hij ook hier weer iets bij elkaar liegt. In de kunst is elke leugen een waarheid.
Claus lezend besef je vroeg of laat dat het bij dat ongezegde om iets gaat wat dan ook niet gezegd kan worden. Je voelt het, je ziet het, je ruikt het, maar je ontmoet het niet in de woorden.
Iets prenataals, van voor de geboorte van het denken. Alle mogelijkheden staan nog open. Zuiverheid en het huiveringwekkende van dat begrip. De Medusakop van de zuiverheid.
Volwassen worden en steeds meer boeken te hebben geschreven betekent zwaarder worden en zwaarder worden. Om de hoek loert de angst om te veel te wegen. Het wordt tijd voor tegengas. Voor tegenstribbelen, oplossen, verdwijnen. Wat voor volwassenen overblijft, de Medusa indachtig: de speelsheid nooit verliezen, de vrijheid om te kiezen bewaren. Niet volwassen worden. Geen houvast hebben, geen houvast bieden, dus zonder vrienden blijven.
Claus is een slangenmens. Hij neemt de zonderlingste houdingen aan en laat zich nooit langer dan een moment betrappen. Een levenshouding is dit, geen literatuuropvatting. Wat voor de alinea geldt, geldt voor zijn werk als geheel en geldt voor zijn leven. Dat hij zich zelf tegenspreekt, is maar schijn. Een bundeling van fragmenten uit de interviews die hij heeft gegeven heet Groepsportret.
Het is bijna een autobiografie en misschien de beste introductie tot zijn werk – een leven van eenheid in tegenstrijdigheid, een leven van voorblijven en op de vlucht slaan, een leven van niet vastgepind willen worden – niet door anderen en niet door zichzelf. Het antipodeschap als natuurlijke reflex. Het ongeneeslijke voyeurschap. En dan het wonder dat hij het ondanks de versnippering toch zo Olympisch heeft weten te houden. Door de elegante kracht van zijn persoonlijkheid of de brute kracht van zijn creatieve energie, wie zal het zeggen?
“Niets slijt waar alles steeds opnieuw begint.”
Sommige literatuur, zei ik, past alleen bij een fase van je leven. Op een dag sta je op en je hebt het gezien, je bent er klaar mee. Naar het werk van Claus groei je toe en naar het werk van Claus keer je steeds terug. Ik dank u.
Nou ja, toe. Daar is dit wat ons altyd vermoed het, nou bo alle twyfel bewys deur ‘n groep sielkundiges wat aan die Universiteite van Dundee en St Andrews in Skotland verbonde is: Poësie versterk breinkrag. Volgens die betrokke sielkundiges genereer die lees van ‘n gedig véél meer oogbewegings as wanneer prosa gelees word; ‘n verskynsel wat met meer diepgaande gedagtegang geassosiseer word. Richard Gray van Scotland on Sunday, het dit soos volg gestel: “Subjects were found to read poems slowly, concentrating and re-reading individual lines more than they did with prose. Preliminary studies using brain-imaging technology also showed greater levels of cerebral activity when people listened to poems being read aloud.”
Dr. Jane Stabler, letterkundige en lid van die groep navorsers, beweer dat die ritmes en (rym)klanke van ‘n gedig latente prosesse in die brein her-aktiveer wat sedert die vroeë kinderjare daarin vasgelê is. Voorts dwing die gebruik van verstegniese aspekte soos assosiatiewe beeldgebruik die leser om meer noukeurig te besin oor dit wat gelees, of gehoor, word. “There seems to be an almost immediate recognition that this is a different sort of language that needs to be approached in a way that will be more attentive to the density of words in poetry,” het sy gesê en bygevoeg: “It may be because readers are trying to hear the words or recreate the imaginary event the poet has provided a script for.”
Hierdie ontdekking van andersoortige breinprosesse tydens die lees van poësie, veroorsaak dat die sielkundiges nou begin om poësie in te span in die behandeling van probleme wat veral met die geheue te make het, waaronder byvoorbeeld disleksie: ”It certainly has implications for children who have certain difficulties, like in dyslexia where a rhyming deficiency could be compensated for by exposing them to more poetry,” het dr. Martin Fischer, nog ‘n lid van die span navorsers, onder andere gesê.
Ai. Nou hoop ‘n mens net dat die enkele onderwysers wat bogenoemde nog nie besef nie, hul holruggeryde tegniek van “eksamen-afrigting” sal laat vaar en eerder begin met die daadwérklike onderrig van poësie op skoolvlak. En dat die Groot Kinderverseboek dapper langs elke Bybel in ons land sal staan … Of wat praat ek alles? En wat van die “prosadigting” waarmee Charl-Pierre Naudé op sy blog mee doenig is? Hoe lyk dit – wil jy nie Lucas Malan se voorstel volg en ‘n eie, gunsteling prosagedeelte na digvorm oorhewel en vir ons stuur nie?
Vir jou breinprikkel plaas ek vanoggend “Ama tis” uit Gilbert Gibson se nuutste bundel. Lekker kopkrap. En onthou: Poetry gives you wii-i-i-i-ings!!!
***
Opwindende plasings gedurende die naweek is Nicol Stassen se voorwoord tot vanjaar Versindaba-gedenkbundel. Onthou – dié versamelstuk, asook die kaartjies vir vanjaar se fees, is reeds te koop … So, wat wag jy? Maak vroegtydig seker dat al jou reëlbreuke in plek is vir vanjaar se fees! Dan het ons ook De Contrabas se nuutste Nuusbrief ontvang met heerlike leesbrokkies oor onder andere Gerrit Komrij en Hugo Claus. Veral Hugo Claus se gedig “Nu nog” is ‘n moet lees. Ten slotte – nuwe blog-inskrywings is Melt Myburgh s’n met ‘n gedig oor Derek Jarman en Desmond Painter s’n wat ons weer met gedigte deur Tony Hoagland oorrompel. Ai, soveel dinge, soveel dinge …
Lekker lees aan alles en voorspoed met die week wat op hande is.
De Belgische premier Herman Van Rompuy wist de internationale pers te halen met … een haiku. Al sinds jaar en dag is de leider van dit land een verwoed beoefenaar van deze Japanse miniatuurversvorm. Op zijn persoonlijke door poëzie geïnspireerde blog, die trouwens luistert naar de naam Haiku, publiceert hij met de regelmaat van de klok een versje. Dat zijn geliefkoosde hobby hem ooit zou katapulteren tot topfavoriet als eerste president van de Europese Unie had de Belgische premier wellicht nooit gedacht. Tijdens een persconferentie wist hij de internationale pers voor zich te winnen toen hij volkomen onverwacht een zelfgeschreven haiku voordroeg. Sindsdien wordt Herman Van Rompuy met grote zekerheid getipt als de eerste topman van de Europese Unie. Zowel Nederlandse als Engelse journalisten schrijven zijn succes toe aan deze haiku:
Drie golven rollen Samen de haven binnen Het trio is thuis
Van Rompuy is niet de enige staatsman die zich met de dichtkunst inliet. Een kort overzicht vind je hier.
Damiaan
België haalde trouwens nog eens het wereldnieuws met de heligverklaring van pater Damiaan. Deze missionaris uit het Vlaamse dorpje Tremelo wijdde zijn leven aan het verzorgen van de verbannen lepralijders op het eiland Molokai. Damiaans lot was tragisch: lepra zou ook zijn deel worden. Op 49-jarige leeftijd overleed hij. Damiaan inspireerde Contrabascollega Chrétien Breukers tot een oproep aan de Nederlandse en Vlaamse dichters om een gedicht te schrijven over Damiaan “die het heus niet gemakkelijk heeft gehad, en daarin dus toch wel een beetje op de gemiddelde dichter leek…” Er kwamen vele en mooie inzendingen binnen.
Veel, heel veel inzendingen ook voor de Nationale Gedichtenwedstrijd 2009 een iniatief van de Poëzieclub en de Turing Foundation. De organisatoren hadden gerekend op een 25OO inzendingen. Het zijn er meer dan 15000 geworden! De wedstrijd is intussen afgesloten. Zowel amateurs als professionele dichters konden meedingen naar de hoofdprijs van €10.000,-. Eind januari word bekend wie het beste Nederlandstalige gedicht geschreven heeft. Ondertussen weet de jury onder leiding van Poëzieclub-stichter Gerrit Komrij wat gedaan in de komende winteravonden.
Bosch
Actiever dan ooit die Komrij. Al zou je het hem niet aangeven als je hem zo rustig ziet keuvelen tijdens zijn talrijke televisie-optredens. Tussen het wikken en wegen van 15000 gedichten door, liet hij zijn ‘rare stem waar niet onderuit te komen valt’ weerklinken bij de viering van 50 jaar boekhandel De Slegte, declameerde hij zijn gedichten in de muziektheaterproductie De Zeven Zonden van Jeroen Bosch., nam hij een cd-dvd op samen met componist Gauthier, Dansen op spijkers, en dook hij af en toe op in een tv-show.
Eind oktober trok een delegatie Vlaamse en Nederlandse dichters naar Berlijn naar aanleiding van het tienjarig bestaan van Lyrikline, een van de beste en meest bezochte internationale poëziewebsites ter wereld. 12 Nederlandstalige dichters werden naar aanleiding van de festiviteiten toegevoegd aan de website en meer dan 150 nieuwe vertalingen van hun gedichten staan nu in een tiental verschillende talen op de website. De namen van de dichters vind je hier.
In Vlaanderen namen we afscheid van dichter Bert Decorte, hij werd 94. We namen ook afscheid van Revolver, een gereputeerd literair tijdschrijft dat de administratieve rompslomp niet langer de baas kan. CeLT, de vereniging van de culturele en literaire tijdschriften uit Vlaanderen maakt zich zorgen omdat deze totaal inefficiënte rompslomp het voortbestaan van de tijdschriften onder druk zet. Zij vraagt dan ook met aandrang om ook hier werk te maken van administratieve vereenvoudiging.” Erik Lindner verwijst er ook naar in zijn column over het tijdschrift Armada.
Verkommeren de klassieke papieren literaire tijdschriften, dan valt er toch nieuw leven te bespeuren bij hun digitale broertjes. De geboorte heeft lang op zich laten wachten maar nu is hij er: De Reactor. Deze nieuwe recensiesite onder redactie van Arnoud van Adrichem, Matthijs de Ridder, Patrik Bassant, Piet Joostens en Anneke Jansen wil een tegengewicht bieden voor de impressionistische sterretjeskritiek in kranten en weekbladen. Diepgravende literaire recensies over proza en poëzie zullen wekelijks gratis te lezen zijn op dereactor.org. Hier kan u een tv-interview beluisteren met redactielid Patrick Bassant en poëzierecensent Johan Sonnenschein. De beginselverklaring van Bert Bultinck staat hier.
De vorig jaar overleden Hugo Claus werd nu al herdacht met een Clausmarathon. Stefan Hertmans las aan het slot van de voorleesmarathon op 6 oktober 2009 in Passa Porta, een hommage voor bij de uitreiking van de Nobele Prijs van Passa Porta 2009 aan Veerle Claus-De Wit. Hertmans citeerde deze Clausregel die destijds een gat in zijn verbeelding boorde:
‘Vader at patrijzen en Moeder was er niet‘.
Over Claus gesproken, die is levendiger dan ooit. Luister maar naar deze zeer geslaagde song, die de Vlaamse popgroep Absynthe Minded maakte van het beroemde Claus-gedicht envoi intussen een ware radiohit.
I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?
II
Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.
III
Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte
en zij die metafysica verachtte zei: ‘Ach, schat,
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.’
IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.
VI
Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij ‘s ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan ‘t water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.
VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.
VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.
IX
Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf,
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.
XI
Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.
XII
Nu nog is haar hele lijf karmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen.
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.
XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.
XIV
Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij,
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.
XV
Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
‘Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.’
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.
XVI
Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.
XVII
Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.
XVIII
Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: ‘Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.’
XIX
Nu nog. hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.
XX
Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.
XXI
Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.
XXII
Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.
XXIII
Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
‘Ik heb koorts,’ zei zij, ‘ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.’
XXIV
Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.
XXV
Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.
XXVI
Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik – hoor me kwaken! – en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.
XXVII
Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.
XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.
XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
‘Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!’