Posts Tagged ‘Gerrit Komrij’

Gerrit Komrij. Die Hugo Claus-gedenklesing

Thursday, April 22nd, 2010

Die 1ste Hugo Claus-gedenklesing

gelewer deur Gerrit Komrij op 16 April 2010

 ***

Die lesing hieronder word volledig met die vriendelike vergunning van die outeur geplaas.

 

Gerrit Komrij

Gerrit Komrij

Gerrit Komrij werd op 30 maart 1944 geboren te Winterswijk. Hij studeerde algemene en vergelijkende West-Europese literatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Komrij debuteerde in 1968 met “Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten”. Hij was o.a. werkzaam als medewerker van Vrij Nederland en N.R.C. Handelsblad.

Tegenwoordig woont hij in Portugal met zijn echtgenoot Charles Hofman.

Komrij schreef poëzie, romans, novelles, korte verhalen, columns, essays en toneelstukken. In 1999 publiceerde Gerrit Komrij een bloemlezing van Zuid-Afrikaanse gedichten ¨De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten¨.

Gerrit Komrij werd op de eerste Landelijke Gedichtendag op 27 januari 2000 gekozen tot ´Dichter des Vaderlands´. Hij zag af van deze ere-baan in 2004. 

 

Nu ben ik zelf oud, een getruffeerd karkas, een man die voor het eerst ten volle het gedicht begrijpt waarin wordt gesproken van “ziek van begeerte, en geketend aan een stervend beest” - en ik voel me een tijdgenoot van Hugo Claus, een reisgenoot, een familielid, van verre en met de hoed in de hand, maar familie. Jonge mensen worden naar elkaar toegezogen, magneetstof, oude mensen groeien tergend traag naar elkaar toe, een verbroedering die knarst en kraakt bij gebrek aan steigers, takels en brandstof.

Oud zijn is geen onverdeeld genoegen, om het mild uit te drukken - voor Hugo Claus moet de ouderdom speciaal onwelkom zijn geweest, want de zin van zijn leven was dat in de machinerie alle raderen liepen, alle ventielen zuchtten, alle wijzers uitsloegen, trillend op de rand van het alarmrood, en dat alle tandjes snel en venijnig in elkaar grepen.

Verval verbroedert en de dood maakt ons tot lotgenoten. Zandhappers zijn we, stuifsneeuw.

Maar naast de tijdloosheid en de stilstand van de ruïne zijn er de kalender en de chronologie, en dan besef ik dat Hugo Claus al een ster was toen ik op school zat. Op die leeftijd loopt er een onbegrijpelijk parcours van het ene jaar naar het daaropvolgende, tussen de generaties gaapt een kloof. “t Verschil tussen een baviaan en een kuiken is niets vergeleken bij het verschil tussen iemand die een ster is en iemand die zijn eerste letter nog moet publiceren.

Elke beginnende schrijver, elke nog-niet-schrijver die weet dat hij is gedoemd tot schrijven, kent een schrijvershemel waaronder hij opgroeit. Zoals een hond in een drukke winkelstraat, vol mensenbenen en karrenwielen en wandelstokken en dansende beren, onmiddellijk andere honden herkent, zo herkent een schrijver schrijvers.

Hij herkent ze aan zijn firmament als dwaalsterren, als snel uitdovende meteoren of als sterren van de eerste orde. Sommigen trekken uit dit primitieve gedrag, als men nog een aankomend schrijver is, de conclusie dat men voor de rest van zijn leven tot omgang met schrijvers is veroordeeld. Dat schrijvers een maatschappij op zichzelf vormen, ver buiten het mensengewoel. Maar het is heel goed mogelijk zich aan dit doemscenario te ontworstelen. Het is heel goed mogelijk zich verwant te voelen met karakters en mentaliteiten, ondanks het feit dat daar schrijvertjes aan hangen.

Ik ben opgegroeid onder een koud gesternte. De dominante literatuur van mijn studentenjaren was een literatuur van schoolmeesters, zelfbewierokers en krachtpatsers. Om schrijvers als Hermans en Reve, toch de bakens voor elke ambitieus aanstormend talent, hing een sfeer van bedomptheid, van afweer, van afgeknepenheid, van kom-niet-te-dicht-in-mijn-buurt en van jaloezie.

Ik heb het niet over hun literaire kwaliteiten, maar over het beeld dat aan ze kleefde. Er zat iets absolutistisch en dictatoriaals aan. Waar deze nieuwe goden hun stap hadden gezet aarzelde het gras om verder te groeien. Ze waren kinderen van de oorlog en ze waren gewend oorlogje te spelen.

Tussen die sterren zweefde ook Hugo Claus. Als je aan Hugo Claus dacht was ineens de benauwdheid verdwenen. Niets meer van een bang, hyperkritisch beloeren van de concurrent.

Alleen al de ruimte die hij schiep tussen het schoolmeesterschap en zichzelf werkte verademend. Niet de zweep, maar de koninklijke staf.

Ineens lucht.

Ik voelde het, al wist ik het niet precies op waarde te schatten. Aan de ene kant had je de monomane gifkikkers, de hooghartige eenlingen en de kostelijke betweters in hun zwarte strijd tegen een zwarte wereld, en aan de andere kant was er dat ongrijpbare beeld van iemand die weliswaar ook de boel aan zijn laars lapte maar die dat deed in vrijheid, in een verademende vrijheid, in een lichtwak van teamwork en overdaad. Zo”n kameleon had duidelijk zijn bekoring tussen de adelaars en ratelslangen. Het beeld was er, het beeld volhardde, ook al had de koudheid van de andere sterren mij bevroren. Ik moest nog ontdooien, en Hugo Claus was de oorspronkelijke vonk.

Het sluimerde in mijn onderbewustzijn: zo kon het dus ook. De benauwenis ontgroeien en het “ik” laten dansen. De geheven wijsvinger omtoveren van vogelverschrikker tot windvaan. Maar een kameleon vraagt moeite.

Mijn leeftijd en de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig smeekten om rechtlijnigheid. Ik voelde me verwant aan de kilheid van de waarheidsvinding en het sarcasme. Kritisch zijn was toen geen deeltijdbaan. Als Nederlander had ik bovendien een dwanghuwelijk gesloten met het schoolmeesterschap. Allemaal zonden waar ik zonder wrok aan terugdenk en met plezier in terugval. Maar dat het ook lichter en leugenachtiger kon, daar wilde ik nog niet openlijk aan toegeven.

Dat Hugo Claus, het werk van Hugo Claus, zijn wereldbeeld dat er niet was en er toch wel degelijk was, meer strookten met mijn eisen en temperament - er was een begin van een vermoeden, al had ik nog een paar stappen te nemen. Ik begon met ook kritisch jegens Hugo Claus te zijn. Maar door kritisch te zijn op Claus ontdekte ik mijn eigen waarheden.

Wanneer verscheen de roman Schaamte? Het zal begin jaren zeventig zijn geweest. Toen was ik een tijdje criticus, althans ik zeurde over boeken. Ik herinner me dat ik de roman op een gunstige en op een ongunstige manier bekeek, in een en dezelfde recensie.

Een teken dat Claus me al van de aanvang in verwarring bracht. Ik herinner me dat ik vertelde te beschikken over een waslijst met symbolische verwijzingen - allemaal in dienst van de ambiguïteit en de in academische kringen zo populaire gelaagdheid - en dat de lezer die lijst schriftelijk bij mij kon aanvragen. Ik voegde er bij de bundeling van mijn kritiek aan toe dat ik 123 brieven en briefkaarten had ontvangen met het verzoek om zo”n waslijst, “uitsluitend afkomstig van leraren Nederlands”. Vooral kwam mijn kritiek erop neer, als ik me goed herinner, dat Hugo Claus die verwijzingen er speciaal voor dat slag wijsneuzen instopte opdat die wijsneuzen ze er vervolgens uit zouden halen, ter meerdere glorie van hun wijsneuzigheid.

Hugo Claus houdt de duiders een bot voor, hij daagt ze uit, dacht ik. Langzaam groeide het inzicht dat Claus juist bezig was, bewust en onbewust, om de geleerde duiders en critici voor te blijven. Hij probeerde aan ze ontsnappen, in een vlucht zonder einde. Ze bleven nog trouwer aan hem kleven en hij probeerde ze nog harder van zich af te slaan. Dat was wat hier de doorslag gaf. Het werd een beklemmend schouwspel, voor wie er oog voor had.

Het verhaal van het vlindernet en de vlinder. Lucht & anarchie

Ik had wel meer aan te merken op Hugo Claus. Zijn schrijftechniek onderging ik als een uitwaaieren, een versnippering die me soms gratuit voorkwam. Ik was nog in de ban van recht-op-het-doel-af en de mus die nooit zonder romantechnische gevolgen van het dak kon vallen. Ik schreef daar vijf jaar later over, door de eerste alinea”s van de roman Jessica! uiteen te rafelen. “We klimmen als een luis in het schaamhaar van dit proza, als een luis met een loep in dit schaamhaar”, kondigde ik aan. Het voorbeeld van de schriftgeleerden werkte blijkbaar besmettelijk. Wat ik ontdekte waren voornamelijk incongruenties, stapelzucht en surrealistische barok.

Ik keek door een vergrootglas en had nog geen idee van het landschap.

Als critici een schrijver niet te pakken kunnen krijgen, als de schrijver niet gaat opzitten en pootjes geeft of niet beantwoordt aan wat hij volgens de critici eigenlijk geschreven had moeten hebben, raken ze snel geïrriteerd. Hugo Claus, de onverbeterlijke ontsnappingskunstenaar, kon daarvan meepraten. Steeds weer doet hij achteloos over de kritiek. Een titel als Wat bekommert zich de leeuw om de vlooien in zijn vacht spreekt boekdelen.

Er bestaan veel uitspraken in de trant van “ze zijn te lief voor mij” of “ik lijd eronder, maar niet langer dan twee minuten”. De onverschilligheid strijdt met de argwaan. Het kan de lezer niet ontgaan dat Claus dikwijls te achteloos doet en ook weleens te gretig protesteert. “t Is logisch, een voortvluchtige moet het hebben van de fixaties, van de momenten dat hij zich in die-en-die vorm manifesteert, anders is hij er helemaal niet. Fixatie of een compliment heeft-ie nodig. Anders blijft zijn schoonheid, ja zelfs zijn vlucht van punt a naar b onopgemerkt.

Kunstig verbergt Hugo Claus zijn gevoeligheid. Hij veinst onverschilligheid jegens zowel negatieve als positieve kritiek, zo gewiekst is hij wel. Tegelijk beseft hij dat ongrijpbaarheid geen onzichtbaarheid moet worden en lijkt hij de kritiek aan te moedigen. Hij prijst schriftgeleerde A (”jij bent de enige die het boek begrijpt”) om elders over dezelfde schriftgeleerde te zeggen dat hij er geen snars van heeft begrepen. Zo blijft hij als schrijver vrij. Eén netje is geen netje.

Ik heb Hugo Claus maar eenmaal ernstig ontdaan over een kritiek meegemaakt. Dat was toen iemand hem - de speler die altijd midden op het veld stond, al bepaalde hij zijn eigen spelregels - toevoegde dat hij eigenlijk niet meer meespeelde. Op zo”n moment sta je er met je talent om je overal uit te redden lichtjes belachelijk bij. Op zo”n moment tuimelt je hele tactiek in een zwarte kuil. Eigen spelregels, zowel de spin in het web zijn als het web zelf - dan heb je meteen een probleem met het overkoepelende stelsel van de literatuurwetenschap.

De literatuur volgt vaak braaf de kritiek, men kent het pijnlijke verschijnsel. Maar soms hobbelen de theorieën ook achter de literatuur aan. De oude indeling “poëzie, proza, essay” lijkt onuitroeibaar. Er bestaan prozaprijzen en essayprijzen. “Rudy Kousbroek, essayist, overleden” meldt de krant. Maar hoe lang al bestaan er documentaire verhalen, filosofische romans, epische gedichten, poëtische non-fictie, hoeveel treffende boeken verschenen er niet waarin de grenzen tussen “poëzie, proza, essay” werden opgerekt en doorbroken, waarin de draak werd gestoken met die versleten genres?

Uit welke grijze tijden stamt die genre-indeling eigenlijk? Alsof de column, de reportage en het beeldverhaal het landschap niet hebben veranderd, om van exotischer dingen te zwijgen. Toch blijft het bij de oude reflex. Nog altijd vertoont de literatuurkritiek zich aan de woedende wereld in hoepelrok bij gaslantaarn.

Zelfs “werkelijkheid” en “waar gebeurd” gooien weer hoge ogen. Op de literaire faculteiten proberen ze nog steeds antwoord te geven op de vragen van eergisteren. Hekken, scheidingen, vakken. Schrijvers van het type Hugo Claus ondervinden daar de meeste hinder van. Al op de startlijn staan ze op achterstand.

Voor Hugo Claus moest een nieuwe literatuurwetenschap worden uitgevonden.

Het is een terugkerend liedje in het verhaal Claus, maar het liedje wordt nog altijd onderschat. Praten over Hugo Claus betekent eerst oude misverstanden uit de literatuur opruimen. Dan pas is het de beurt aan de typisch Clausiaanse misverstanden. Zijn pendelen tussen roman en gedicht, toneel en beeldende kunst zou een versnippering zijn, een gebrek aan een centraal thema, luidt een van die misverstanden. Zijn ontsnappingszucht, zijn hang naar vrijheid, zijn lofzang op de leugenachtigheid en zijn paradoxale houding jegens de kritiek zou louter baldadigheid zijn, luidt een ander. Het ongeduld van een straatjongen die zijn hoofd niet bij de les kan houden.

Hoe meer ik van Claus las, hoe meer ik begon in te zien dat er systeem in zat, geen systeem dat onderdrukte of iets van doen had met politiek of macht, maar een systeem waarbinnen je lucht kon happen, alle kanten kon uitkijken, de wereld met nieuwe, onbedorven ogen kon zien.

Het belangrijkste werk van Hugo Claus moest toen nog komen. Maar de vonk was er. Plus mijn herinneringen aan Omtrent Deedee, een boek dat op mijn negentiende nogal indruk had gemaakt. Als ik aan dat boek dacht zag ik het. Door mijn geheugen dreef dan een vreemde gloed. De woorden waren verdwenen, maar ik zag duidelijk het gelaat van een engel, een vertrek, de bewegingen van een gezelschap.

Hugo Claus, zo begon je te erkennen, was al schrijvend niet met geneesmiddelen bezig, maar met de diagnose. Het ging hem om het spel, en om het verbergen van de bedoelingen. Door de meeste schrijvers word je bij de hand genomen, in het werk van Claus mocht je verdwalen. Je moest er veel zelf doen, maar daardoor groeide juist je waardering. En je groeide mee met het werk. Je dwaalde niet tussen richtingwijzers en dranghekken, maar door een machinekamer.

Ik had het over het koude gesternte waaronder ik opgroeide en over de sensatie van lucht en anarchie die me beving bij het horen van de naam Claus. Ik bedoel daar niet mee dat hij een flierefluiter was, of het karikaturale beeld vertegenwoordigde dat de Hollander heeft van de op roekeloos genot beluste zuiderling, altijd maar positief en blij qua smaakpapillen, hersenen en geslacht. Duisternis, conflicten en agressie genoeg bij Claus - hij werkte er alleen anders mee.

De keerzijde, de chaos en het nihilisme bracht hij niet als boodschap, ze maakten deel uit van zijn motoriek. Met de ideologen die nooit de soepelheid bezitten een zaak van meerdere kanten te bezien, dreef hij de spot.

Iemand voor wie niets vaststaat valt ook niet onder de gangbare moraal. Rechtlijnigen zijn de grootste moralisten. De burgerlijke moraal en de zedenpreek komen bij Hugo Claus niet eens heimelijk of in vermomde vorm om de hoek kijken - altijd is daar die, tja, onverminktheid.

Langzaam maar zeker kwam ik erachter dat juist alles wat Hugo Claus werd nagegooid en verweten zijn wereldbeeld uitmaakte, dat juist zijn vermeende zwakheden en onvolwassenheden neerkwamen op een tot het uiterste geperfectioneerde techniek om te overleven. Het kan met het perfectioneren van die techniek en met zo”n hit or miss-mentaliteit ook weleens grondig misgaan - en het gaat ook weleens grondig mis.

Een zekere meligheid, het te sterk leunen op collage- en montagetechnieken, je leest die dingen en je fronst het voorhoofd, maar hopla, je bent van een doodlopende steeg onmiddellijk weer beland op een brede avenue met ongekende mogelijkheden, of zie, je loopt weer met blote voeten op het kiezelpad. Nooit loop je je te pletter op een monoliet. Je verbazing over de energie en de voortdurende wisseling van decor verlaten je geen moment. “Op de mesthoop groeit de bloem”, luidde een van Claus” lijfspreuken. Je neemt de miskleunen organisch mee.

In de beste romans en de beste gedichten valt alles prachtig op zijn plaats. Wat daarbij indruk maakt, is de grote eenheid van leven en werk. Het promoveert Claus tot een schrijver voor je leven, en niet alleen voor je puberteit of je midlifecrisis. Ik heb wat moeite met dat “schrijver voor je leven”, een schrijver is geen bochel of eczeem, dus laat ik zeggen: een schrijver naar wie je zonder tegenzin terug kunt keren, terug wilt keren.

Altijd vind je wel een opening, of een uitzicht, of een inzicht. Vrij & veroveringszuchtig

Ik had nu met twee citaten voor de dag willen komen, zeer welgekozen citaten vanzelf. Ik dacht, dat staat geleerd. Dat staat deskundig. Geleerd en deskundig lijken wil iedereen. Toen dacht ik aan de Clausdeskundigen. Daar bestaan er een paar van. Ik ben geen Clausdeskundige. Ik heb hoogstens wat gefreewheeld door de plooien van zijn gebergte. Ik hoorde de wind al opsteken in de wenkbrauwen van de Clausdeskundigen als ik met mijn citaten zou komen aandraven. Ik kromp al bij voorbaat ineen onder hun strenge blik. Ik besloot niet met mijn twee citaten voor de dag te komen.

Waar het bij mijn citaten op neerkwam was het  volgende.

Eerst zou ik een voor Hugo Claus typerende alinea citeren. Dat is een alinea met regels die iets beschrijven, nevenstellend. Elke regel vertelt een nieuw verhaal, je begrijpt niet precies wat de samenhang tussen de regels is. Nog niet. De details zijn exact, zakelijk zelfs, maar onmiddellijk volgt een nieuw detail - bepaaldheden die zo tijdelijk zijn, zo vluchtig, dat ze op onbepaaldheden lijken.

Vervolgens zou ik een andere schrijver citeren, Elsschot misschien. Dat gaat dan zo: Er komt in de verte op straat iets aan. Het is donker en groot. Het komt snel dichterbij. Het verplettert de wandelaar. Oorzaak en gevolg, kortom. Je begrijpt de samenhang en er komt niet zomaar iets nog gekkers of een ongeleid projectiel tussenbeide.

Middelpuntvliedend tegenover lineair. Vulling tegenover skelet. Chaos tegenover logica. Het ongezegde tegenover de bewering. Claus kan - vrij en veroveringszuchtig als hij is - ook van het tweede procedé gebruikmaken, of beide procedés mengen. Het moment van toepassing verheerlijkend, dus hevig. Loslaten, vastbijten, loslaten. Het maakt het gedicht bij het sterfbed van zijn broer zo indrukwekkend.

Iedereen begrijpt dat de ongrijpbaarheid van Hugo Claus de meeste verdediging behoeft. Zo”n verdediging is niets als die niet door het werk zelf wordt geleverd. Geen deskundige kan daarbij helpen. Hoe meer Claus je tot je neemt, hoe beter je Claus gaat begrijpen. Die typische alinea”s van hem, dat is geen surrealistische barok, dat is pointillisme. Uit het geheel duikt iets op wat er niet echt staat. De samenhang is meer dan de details samen. Door het middelpuntvliedende karakter voel je het middelpunt als het ware. Wat uit de zogenaamde toevalligheden en onbepaaldheden opstijgt, is iets waarvan je soms schrikt. Het ongezegde wordt plastisch.

Claus maalt niet om interpretatie. Eigenlijk zijn alle critici hem even lief, mits ze zijn aanwezigheid aanvaarden. “Het thema van het boek is niet het boek” en “Het ding is belangrijker dan de catalogisering” - het zijn bekende uitspraken van Claus. Te vaak denkt men dat hij ook hier weer iets bij elkaar liegt. In de kunst is elke leugen een waarheid.

Claus lezend besef je vroeg of laat dat het bij dat ongezegde om iets gaat wat dan ook niet gezegd kan worden. Je voelt het, je ziet het, je ruikt het, maar je ontmoet het niet in de woorden.

Iets prenataals, van voor de geboorte van het denken. Alle mogelijkheden staan nog open. Zuiverheid en het huiveringwekkende van dat begrip. De Medusakop van de zuiverheid.

Volwassen worden en steeds meer boeken te hebben geschreven betekent zwaarder worden en zwaarder worden. Om de hoek loert de angst om te veel te wegen. Het wordt tijd voor tegengas. Voor tegenstribbelen, oplossen, verdwijnen. Wat voor volwassenen overblijft, de Medusa indachtig: de speelsheid nooit verliezen, de vrijheid om te kiezen bewaren. Niet volwassen worden. Geen houvast hebben, geen houvast bieden, dus zonder vrienden blijven.

Claus is een slangenmens. Hij neemt de zonderlingste houdingen aan en laat zich nooit langer dan een moment betrappen. Een levenshouding is dit, geen literatuuropvatting. Wat voor de alinea geldt, geldt voor zijn werk als geheel en geldt voor zijn leven. Dat hij zich zelf tegenspreekt, is maar schijn. Een bundeling van fragmenten uit de interviews die hij heeft gegeven heet Groepsportret.

Het is bijna een autobiografie en misschien de beste introductie tot zijn werk - een leven van eenheid in tegenstrijdigheid, een leven van voorblijven en op de vlucht slaan, een leven van niet vastgepind willen worden - niet door anderen en niet door zichzelf. Het antipodeschap als natuurlijke reflex. Het ongeneeslijke voyeurschap. En dan het wonder dat hij het ondanks de versnippering toch zo Olympisch heeft weten te houden. Door de elegante kracht van zijn persoonlijkheid of de brute kracht van zijn creatieve energie, wie zal het zeggen?

“Niets slijt waar alles steeds opnieuw begint.”

Sommige literatuur, zei ik, past alleen bij een fase van je leven. Op een dag sta je op en je hebt het gezien, je bent er klaar mee. Naar het werk van Claus groei je toe en naar het werk van Claus keer je steeds terug. Ik dank u.

© Gerrit Komrij

 

 

Poësie versterk breinkrag

Monday, November 9th, 2009
Gee jou kop vlerke

Gee jou kop vlerke

Nou ja, toe. Daar is dit wat ons altyd vermoed het, nou bo alle twyfel bewys deur ‘n groep sielkundiges wat aan die Universiteite van Dundee en St Andrews in Skotland verbonde is: Poësie versterk breinkrag. Volgens die betrokke sielkundiges genereer die lees van ‘n gedig véél meer oogbewegings as wanneer prosa gelees word; ‘n verskynsel wat met meer diepgaande gedagtegang geassosiseer word. Richard Gray van Scotland on Sunday, het dit soos volg gestel: “Subjects were found to read
poems slowly, concentrating and re-reading individual lines more than they did with
prose. Preliminary studies using brain-imaging technology also showed greater levels of cerebral activity when people listened to poems being read aloud.”

Dr. Jane Stabler, letterkundige en lid van die groep navorsers, beweer dat die ritmes en (rym)klanke van ‘n gedig latente prosesse in die brein her-aktiveer wat sedert die vroeë kinderjare daarin vasgelê is. Voorts dwing die gebruik van verstegniese aspekte soos assosiatiewe beeldgebruik die leser om meer noukeurig te besin oor dit wat gelees, of gehoor, word. “There seems to be an almost immediate recognition that this is a different sort of language that needs to be approached in a way that will be more attentive to the density of words in poetry,” het sy gesê en bygevoeg: “It may be because readers are trying to hear the words or recreate the imaginary event the poet has provided a script for.”

Hierdie ontdekking van andersoortige breinprosesse tydens die lees van poësie, veroorsaak dat die sielkundiges nou begin om poësie in te span in die behandeling van probleme wat veral met die geheue te make het, waaronder byvoorbeeld disleksie: ”It certainly has implications for children who have certain difficulties, like in dyslexia where a rhyming deficiency could be compensated for by exposing them to more poetry,” het dr. Martin Fischer, nog ‘n lid van die span navorsers, onder andere gesê.

Ai. Nou hoop ‘n mens net dat die enkele onderwysers wat bogenoemde nog nie besef nie, hul holruggeryde tegniek van “eksamen-afrigting” sal laat vaar en eerder begin met die daadwérklike onderrig van poësie op skoolvlak. En dat die Groot Kinderverseboek dapper langs elke Bybel in ons land sal staan … Of wat praat ek alles? En wat van die “prosadigting” waarmee Charl-Pierre Naudé op sy blog mee doenig is? Hoe lyk dit - wil jy nie Lucas Malan se voorstel volg en ‘n eie, gunsteling prosagedeelte na digvorm oorhewel en vir ons stuur nie?

Vir jou breinprikkel plaas ek vanoggend “Ama tis” uit Gilbert Gibson se nuutste bundel. Lekker kopkrap. En onthou: Poetry gives you wii-i-i-i-ings!!!

***

Opwindende plasings gedurende die naweek is Nicol Stassen se voorwoord tot vanjaar Versindaba-gedenkbundel. Onthou - dié versamelstuk, asook die kaartjies vir vanjaar se fees, is reeds te koop … So, wat wag jy? Maak vroegtydig seker dat al jou reëlbreuke in plek is vir vanjaar se fees! Dan het ons ook De Contrabas se nuutste Nuusbrief ontvang met heerlike leesbrokkies oor onder andere Gerrit Komrij en Hugo Claus. Veral Hugo Claus se gedig “Nu nog” is ‘n moet lees. Ten slotte - nuwe blog-inskrywings is Melt Myburgh s’n met ‘n gedig oor Derek Jarman en Desmond Painter s’n wat ons weer met gedigte deur Tony Hoagland oorrompel. Ai, soveel dinge, soveel dinge …

Lekker lees aan alles en voorspoed met die week wat op hande is.

Mooi bly.

LE

 

ama tis

 

diehe reis ‘n lig en ‘n heil

virwie souek vrees?

diehe reis dietoe vlugvanmyl ewe

virwie vervaar dwees?

‘n droo mgaanver bys oos

wat er wat vallens

kuurt een my

hoë rop hoë rop

jaso os ‘n doods kaduwee

so os ‘n groe ndal:

 

© Gilbert Gibson (Uit: oogensiklopedie, 2009: Tafelberg)

 

Nuusbrief 5: De Contrabas

Sunday, November 8th, 2009

‘Vader at patrijzen en Moeder was er niet‘.

Jan Pollet

Van Rompuy

Van Rompuy

De Belgische premier Herman Van Rompuy wist de internationale pers te halen met … een haiku. Al sinds jaar en dag is de leider van dit land een verwoed beoefenaar van deze Japanse miniatuurversvorm. Op zijn persoonlijke door poëzie geïnspireerde blog, die trouwens luistert naar de naam Haiku, publiceert hij met de regelmaat van de klok een versje. Dat zijn geliefkoosde hobby hem ooit zou katapulteren tot topfavoriet als eerste president van de Europese Unie had de Belgische premier wellicht nooit gedacht. Tijdens een persconferentie wist hij de internationale pers voor zich te winnen toen hij volkomen onverwacht een zelfgeschreven haiku voordroeg.  Sindsdien wordt  Herman Van Rompuy met grote zekerheid getipt als de eerste topman van de Europese Unie. Zowel Nederlandse als Engelse journalisten schrijven  zijn succes toe aan deze haiku:

 

Drie golven rollen
Samen de haven binnen
Het trio is thuis

Van Rompuy is niet de enige staatsman die zich met de dichtkunst inliet. Een kort overzicht vind je hier.

Damiaan

Damiaan

België haalde trouwens nog eens het wereldnieuws met de heligverklaring van pater Damiaan. Deze missionaris uit het Vlaamse dorpje Tremelo wijdde zijn leven aan het verzorgen van de verbannen lepralijders op het eiland Molokai. Damiaans lot was tragisch: lepra zou ook zijn deel worden. Op 49-jarige leeftijd overleed hij. Damiaan inspireerde Contrabascollega Chrétien Breukers tot een oproep aan de Nederlandse en Vlaamse dichters om een gedicht te schrijven over Damiaan “die het heus niet gemakkelijk heeft gehad, en daarin dus toch wel een beetje op de gemiddelde dichter leek…”  Er kwamen vele en mooie inzendingen binnen.

Veel, heel veel inzendingen ook voor de Nationale Gedichtenwedstrijd 2009 een iniatief van de Poëzieclub en de Turing Foundation. De organisatoren hadden gerekend op een 25OO inzendingen. Het zijn er meer dan 15000 geworden! De wedstrijd is intussen afgesloten. Zowel amateurs als professionele dichters konden meedingen naar de hoofdprijs van €10.000,-. Eind januari word bekend wie het beste Nederlandstalige gedicht geschreven heeft. Ondertussen weet de jury onder leiding van Poëzieclub-stichter Gerrit Komrij wat gedaan in de komende winteravonden. 

Bosch

Bosch

Actiever dan ooit die Komrij. Al zou je het hem niet aangeven als je hem zo rustig ziet keuvelen tijdens zijn talrijke televisie-optredens. Tussen het wikken en wegen van 15000 gedichten door, liet hij zijn ‘rare stem waar niet onderuit te komen valt’ weerklinken bij de viering van 50 jaar boekhandel De Slegte, declameerde hij zijn gedichten in de muziektheaterproductie De Zeven Zonden van Jeroen Bosch., nam hij een cd-dvd op samen met componist Gauthier, Dansen op spijkers, en dook hij af en toe op in een  tv-show.  

Eind oktober trok een delegatie Vlaamse en Nederlandse dichters naar Berlijn naar aanleiding van het tienjarig bestaan van Lyrikline, een van de beste en meest bezochte internationale poëziewebsites ter wereld. 12 Nederlandstalige dichters werden naar aanleiding van de festiviteiten toegevoegd aan de website en meer dan 150 nieuwe vertalingen van hun gedichten staan nu in een tiental verschillende talen op de website. De namen van de dichters vind je hier

In Vlaanderen namen we afscheid van dichter Bert Decorte, hij werd 94. We namen ook afscheid van Revolver, een gereputeerd literair tijdschrijft dat de administratieve rompslomp niet langer de baas kan. CeLT, de vereniging van de culturele en literaire tijdschriften uit Vlaanderen maakt zich zorgen omdat deze totaal inefficiënte rompslomp het voortbestaan van de tijdschriften onder druk zet. Zij vraagt dan ook met aandrang om ook hier werk te maken van administratieve vereenvoudiging.” Erik Lindner verwijst er ook naar in zijn column over het tijdschrift Armada.

Verkommeren de klassieke papieren literaire tijdschriften, dan valt er toch nieuw leven te bespeuren bij hun digitale broertjes. De geboorte heeft lang op zich laten wachten maar nu is hij er: De Reactor. Deze nieuwe recensiesite onder redactie van Arnoud van Adrichem, Matthijs de Ridder, Patrik Bassant, Piet Joostens en Anneke Jansen wil een tegengewicht bieden voor de impressionistische sterretjeskritiek in kranten en weekbladen. Diepgravende literaire recensies over proza en poëzie zullen wekelijks gratis te lezen zijn op dereactor.orgHier kan u een tv-interview beluisteren met redactielid Patrick Bassant en poëzierecensent Johan Sonnenschein. De beginselverklaring van Bert Bultinck staat hier.

De vorig jaar overleden Hugo Claus werd nu al herdacht met een Clausmarathon. Stefan Hertmans las aan het slot van de voorleesmarathon op 6 oktober 2009 in Passa Porta, een hommage voor bij de uitreiking van de Nobele Prijs van Passa Porta 2009 aan Veerle Claus-De Wit. Hertmans citeerde deze Clausregel die destijds een gat in zijn verbeelding boorde:

Vader at patrijzen en Moeder was er niet‘.

Over Claus gesproken, die is levendiger dan ooit. Luister maar naar deze zeer geslaagde song, die de Vlaamse popgroep Absynthe Minded maakte van het beroemde Claus-gedicht envoi intussen een ware radiohit.

 
(http://www.youtube.com/watch?v=xE5KvIHcCZ8)

Nu Nog

I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?

II
Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.

III
Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte
en zij die metafysica verachtte zei: ‘Ach, schat,
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.’

IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.

VI
Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij ’s ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan ‘t water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.

VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.

VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.

IX
Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf,
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.

XI
Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.

XII
Nu nog is haar hele lijf karmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen.
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.

XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.

XIV
Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij,
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.

XV
Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
‘Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.’
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.

XVI
Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.

XVII
Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.

XVIII
Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: ‘Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.’

XIX
Nu nog. hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.

XX
Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.

XXI
Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.

XXII
Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.

XXIII
Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
‘Ik heb koorts,’ zei zij, ‘ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.’

XXIV
Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.

XXV
Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.

XXVI
Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik - hoor me kwaken! - en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.

XXVII
Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.

XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.

XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
‘Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!’

 

Hugo Claus


Jan Pollet
http://jjpollet.wordpress.com/
http://www.decontrabas.com/