Posts Tagged ‘Gerrit Komrij’

Yves T’Sjoen. Lied van verlangen – Marlise Joubert in de dikke Komrij

Sunday, December 18th, 2016

komrij

Lied van verlangen – Marlise Joubert in de dikke Komrij

Ter gelegenheid van een verjaardag

Over de bloemlezing “in 1000 en enige gedichten” uit de Afrikaanse poëzie, die Gerrit Komrij aan het einde van het vorige millennium voor het fonds van Bert Bakker (Amsterdam) samenstelde, is destijds veel inkt gevloeid. Komrij’s eigengereide tekstkeuze is in de Nederlandse en de Zuid-Afrikaanse literatuurkritiek toegejuicht maar ook verketterd. Het is een open deur te beweren dat de bloemlezer zijn particuliere beeld van een eeuw Afrikaanse dichtkunst presenteert. Het spreekt dus voor zich dat De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten geen panoramisch, laat staan een representatief, beeld construeert van krachtlijnen of tendensen in honderd jaar Afrikaanstalige poëzie. Komrij neemt allesbehalve een literatuur-historisch standpunt in. Bij uitstek is hij de selectieheer die zich beroepend op poëticale premissen en een eigen esthetica een keuze uit honderden dichtbundels maakt. In het ‘woord vooraf’ stelt hij: “Ik heb me zelf maar twee principes opgelegd. De eerste is dat er per dichter maximaal tien gedichten werden opgenomen. De tweede is dat ik, zonder één idee vooraf en ongehinderd door welke belangengroepen ook, alleen naar de poëzie wilde kijken. Naar de kwaliteit van de poëzie en naar wat poëzie met ons vermag”. Wat de samensteller met de wel heel subjectieve aanduiding “kwaliteit” op het oog heeft, wordt opgehelderd in de alinea die daarop volgt: “Poëzie is kunst en kunst is kunstigheid en kunstigheid is vakmanschap, dat voorop. Maar poëzie biedt ook schoonheid en – waarom niet? – troost”. Hij maakt tot slot een onderscheid tussen wat poëzie teweegbrengt voor de lezer toen en nu. “Voor het verleden is [poëzie] een onschatbare informatiedrager omdat ze momenten en attitudes, in schuld of onschuld, notuleert. Voor het heden is ze een bezweerder van angsten, een aanjager van dromen, een opwekker van doden, een magazijnbeheerder voor de mensen van morgen en overmorgen”. Ambacht (“vakmanschap”) en artisticiteit (“kunstigheid”, “schoonheid”) zijn principes die ten grondslag liggen aan de samenstelling van de poëzieanthologie. Ook in het eigen scheppende werk van Gerrit Komrij, zoals de poëzie, ligt de klemtoon op de ambachtelijke aard. Een veel geciteerd gedicht, vanwege de programmatische inslag, is ‘De zwijgzaamheid’ in de bundel Tutti frutti (1972). Daarin wordt door het lyrische ik zijn door contemporaine critici als zwart-romantisch en expressief voorgestelde poëtica ter discussie gesteld. De dichtende verteller legt niet zozeer zijn ziel bloot in taal maar maakt zijn gedicht. Het gedicht is een kunstmatige constructie, beklemtoond door de anafoor “eer” in twaalf van de veertien dichtregels, die alleen als taalwerkelijkheid bestaat en niet als uitdrukking van hyper-individualistische sentimenten.

Naar mijn oordeel liggen vergelijkbare ideeën aan de basis van Komrij’s keuze uit de Afrikaanse gedichten. Critici die er gemakshalve van uitgaan dat de schrijver voor een belangstellend Nederlandstalig publiek een staalkaart van de Zuid-Afrikaanse (Afrikaanse) poëzie heeft willen presenteren, gaan voorbij aan de morfologie van de selectiehand. De bloemlezer hanteert specifieke principes en gebruikt poëticaal onderbouwde criteria voor zijn lectuur. De bloemlezing is deel van een schrijversoeuvre, de tekstkeuze beantwoordt aan een particuliere idiomatische grammatica die het werk van Komrij een eigen gestalte geeft. De Afrikaanse poëzie wordt niet zozeer geëtaleerd, Komrij’s keuze staat voorop. Het is dan ook veelzeggend dat op het voorplat van het vuistdikke boek de naam van de samensteller aanzienlijk groter staat afgedrukt dan de titel zelf. De auteur staat letterlijk en figuurlijk voor het selectiewerk dat in 1999 is gepresenteerd. Zelfs de paratekstuele gegevens onderbouwen deze stelling.

‘Sodat jy van my weet’ van Marlise Joubert

Tegen die achtergrond belicht ik een enkel gedicht. Van Marlise Joubert nam Komrij één gedicht op, met name ‘Sodat jy van my weet’ in de bundel ’n Boot in die woestyn (Afrikaanse Pers-Boekhandel, Johannesburg, 1970). De auteur was vijfentwintig toen zij het dichtwerk op het publieke forum bracht. Intussen volgden vele dichtbundels, ook de bijzonder rijke bloemlezing In a Burning Sea. Contemporary Afrikaans Poetry in Translation (2015). Ter gelegenheid van Marlises verjaardag herlees ik het gedicht dat Komrij selecteerde voor de Nederlandssprekende lezer.

Sodat jy van my weet

Ek sal op die brug

van jou voet orent staan

miskien sal ek kniel

ek sal slawekore word

my liedere soos vure

in die gange van jou bors

laat smeul sodat jy

van my weet

Ek sal soos wolke stapel

watersuile deur laat breek

soos wilde perde sonder

teuels oor jou jaag

sodat jy

van my weet

Omslag

Omslag

In het hoofd van Gerrit Komrij kunnen we niet kijken en naar zijn overwegingen niet vragen. Ik kan alleen speculeren op grond van welke bedenkingen het gedicht van Marlise Joubert in De Afrikaanse poëzie is terechtgekomen. Het romantisch getoonzette gedicht – een staaltje belijdende ik-poëzie – is volgens een klassieke vormentaal geconstrueerd. Hoewel dat op het eerste gezicht niet blijkt, gezien de atypische strofenindeling, is de tekst een sonnet van veertien regels: een octaaf (zonder witruimte tussen de kwatrijnen), dan een witregel gevolgd door een kwatrijn en een distichon (samen zes versregels). De twee tekstentiteiten (octaaf en sextet) beginnen identiek: “Ek sal”. Gebruik makend van het enjambement, met regelafbreking die betekenis toevoegt aan versregels en strofen, worden twee korte directe redes vanuit een ik-perspectief gepresenteerd. De mijmeringen van de vastbesloten ik (drie keer “sal” in de eerste strofe) zijn tot een jij-figuur gericht. De persoonlijke pronomina onderstutten de tekst: in strofe 1 wordt vier keer verwezen naar ‘ik’ en drie maal naar “jou” of “jy”. Het ik neemt zich voor een onuitwisbare indruk te maken op die jij-figuur, “sodat jy van my weet” (ook de titel van het gedicht). Het ik wil overeind staan “op die brug/van jou voet” en tracht “my liedere soos vure/in die gange van jou bors/laat smeul”. Op die wijze wil de ik-figuur afhankelijk zijn van de aangesprokene, haar lot verbinden met die van de als apostrof opgevoerde jij. In de tweede strofe, na de volta, gebruikt de schrijfster voor de monoloog (monologue intérieur) natuurbeelden om aan te geven welke storm zij in de jij wil jagen: “soos wolke stapel/watersuile deur laat breek”, en in een tweede expliciete vergelijking: “soos wilde perde sonder/teuels oor jou jaag”. Het subject heeft het plan een aardverschuiving te veroorzaken, “sodat jy/van my weet” (de slotstrofe). De titel echoot twee keer letterlijk in het gedicht: in de voorlaatste en laatste regels van zowel octaaf als sextet.

Komrij’s choice

Het gedicht van Marlise Joubert is een voorbeeld van ambachtelijke poëzie. In een klassieke vormentaal, of anders gezegd in wat we écriture artiste noemen, wordt een gevoel van overweldigend verlangen tot uitdrukking gebracht. De herhaling van “sodat jy/van my weet” wijst erop dat de ander hét (nog) niet weet. Hier wordt een resoluut voornemen uitgesproken. De beeldentaal laat een zekere hybris zien: het ik zal weliswaar “slawekore” worden met “liedere soos vure” maar evenzeer “watersuile deur laat breek” en zoals “wilde perde sonder/teuels oor jou jaag”. Dit zijn krachtige beelden waarin respectievelijk de nederigheid (“sal ek kniel”, “slawekore”) én de goddelijke macht die waterzuilen laat breken – mogelijk een beeld voor ontroering – aanschouwelijk worden gemaakt. De tekst kan zonder meer worden gelezen als psalmodiërende lied van brandend verlangen. Een andere mogelijkheid is enige kwaadaardigheid te veronderstellen in de vastberadenheid van de ik-verteller. De directe rede wordt nergens onderbroken door een adempauze (geen interpunctie) en gaat wel heel expliciet uit van het ik-standpunt. Misschien is de liefdesverklaring wel onbeantwoord gebleven en neem het ik de toegesprokene dat wel heel kwalijk. In dat geval krijgen we een diabolisering van de monddode jij-persona, de figuur die niet reageert en bijgevolg ver weg blijft.

Hoe we het gedicht ook lezen, het past in een bloemlezing waarin overwegend traditioneel vormgegeven romantische gedichten in het Afrikaans een plaats krijgen. Of het de erotisch geladen mythische beelden zijn die Komrij overtuigden, weet ik niet en doet zelfs niet ter zake. De wijze waarop de tekst is gecomponeerd, met de sacrale plechtstatige toon en gestut door enkele expliciete vergelijkingen, laat mij toe over een klassieke compositie te spreken. In die mate klassiek dat een ironische lezing allesbehalve uit te sluiten valt. Zoals de poëzie van Komrij zelf zich daar altijd weer toe leent.

(c) Yves T’Sjoen / 17 Desember 2016

Louis Esterhuizen. Komrij se huis in Portugal nou ‘n herberg vir digters

Tuesday, May 14th, 2013

 

Na maande waartydens ek deur werksdruk en ander vreugdes onderwater gesleep is, kan ek uiteindelik darem weer kop optel en na die berge kyk. Uiteraard het bepaalde dinge agterweë gebly en is daar berigte en/of gebeurlikhede wat ek so soort van agterna sal moet byhaal; soos die berig oor Gerrit Komrij, wat verlede jaar op 5 Junie oorlede is, se huis in Portugal, “Villa Pouca”, wat voortaan as gastehuis vir die digkuns tot die beskikking van digters – of iemand wat met die digkuns gemoeid is – gestel gaan word.

Luidens die berig wat ‘n aantal weke gelede in Knack.be verskyn het, die volgende: “Komrij was bij leven en welzijn, zoals bekend, een groot promotor van de poëzie. Hij schreef niet alleen zelf gedichten maar financierde ook allerlei poëtische initiatieven: van het uitbrengen van een dichtersreeks voor debutanten (‘De Sandwichreeks’) tot het steunen  van een poëzietijdschrift (‘Awater’) en de jaarlijkse Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, waar iedereen die een dichtregel op papier wil zetten aan kan meedoen. Uiteraard dat Komrij ook via zijn legendarische poëziebloemlezingen de dichtkunst alle eer aan deed.

Daarom besloot Charles Hofman, partner van Komrij, in  samenspraak met Suzanne Holtzer van De Bezige Bij om Huize Komrij als dichterscentrum om te functioneren. Op die manier  wordt de herinnering aan Komrij, het poëziebeest, levendig gehouden. Hofman en Holtzer vertelden Haerynck dat de subsidie-aanvragen al de deur uit zijn om dit initiatief alle kans op slagen  te geven […] Charles Hofman heeft een heel duidelijke en betrokken visie op hoe het moet worden. Hij wil niet alleen de geest en het werk van Komrij levend houden – de literaire nalatenschap is daar ook te bekijken – maar vooral ruimte bieden aan anderen die betekenis willen geven aan de poëzie.”

Nou ja, toe. Wat ‘n fantastiese gebaar …

Hieronder volg ‘n toepaslike Komrij-gedig soos dit deur Daniel Hugo vertaal is.

*

Tussendeur

 

Soos jy op die televisieskerm

Somtyds ‘n man sien wat, te midde van

‘n Karnaval of ‘n groep wat kerm,

Reguit by jou kamer inkyk, om dan

 

Vol oorgawe – hy bly mos ongesien –

Net vir ‘n oomblik te wuif. Die ellende

Of die vermaak rondom hom merk hy nie.

Wuif hy vir sy mense, vir ‘n bekende?

 

So wuif ek ook vir jou in dié gedig.

Baie vlugtig, tussen die reëls deur.

Hier’s nie ‘n skerm nie, jy’s naby my.

 

Ek wuif. Dit is regstreeks aan jou gerig.

Ek voel dit, grinnikend van oor tot oor:

G’n niemand het my gesien nie, net jy.

 

(c) Gerrit Komrij (Uit: Die elektriese gelaaide hand, 2005: Protea Boekhuis)

Vertaal deur: Daniel Hugo

 

 

Louis Esterhuizen. Besonderse verering vir Gerrit Komrij as boekversamelaar

Monday, October 1st, 2012

Eerskomende Saterdag, 6 Oktober, vind daar ‘n besonderse verering plaas vir Gerrit Komrij (foto) as antikwariese boekversamelaar. Volgens die berig by De Contrabas sal die Boudewijn Büch-prys tydens die Amsterdam Antiquarian Books, Maps & Print Fair postuum aan die ontslape digter en bibliofiel toegeken word. Sy lewensmaat, Charles Hofman, sal die prys in ontvangs neem.

Dié toekenning word in die mediavrystelling soos volg gemotiveer: “Deze prijs is bestemd voor degene die er het best in geslaagd is om een breed publiek voor het antiquarische boek te interesseren. De jury heeft gekozen voor Komrij vanwege zijn levenslange inzet en belangstelling voor de wereld van het zeldzame boek, zoals deze blijkt uit zijn essays en columns, de talloze bibliofiele edities van zijn werk en uit zijn eigen omvangrijke boekenverzameling.”

Indien daar van ons lesers is wat hulle Saterdag in Amsterdam bevind en dié geleentheid wil bywoon, die besonderhede is soos volg: Zaterdag 6 oktober 2012, 15:00 uur; Amsterdam Antiquarian Book, Map & Print Fair 2012; Passenger Terminal Amsterdam, Piet Heinkade 27.

Boudewijn Büch was natuurlik alombekend vir sy uitgebreide boekversameling; trouens met sy dood tien jaar gelede is daar bereken dat sy versameling uit 100,000 titels bestaan het.

Gerrit Komrij

Gerrit Komrij

Eweneens Gerrit Komrij. In ‘n rubriek oor boekversameling wat Daniel Hugo in 2002 vir Die Burger geskryf het, haal hy Komrij soos volg aan: “”Ek raak van ‘n duisend boeke ontslae en ná ‘n ruk het ek weer tweeduisend in hul plek. Ek verkoop tweeduisend boeke en skaars ‘n jaar later het ek weer vierduisend nuwes. Ek dra my boeke stapel vir stapel by die huis uit, terwyl ek byna my rugwerwels breek en dit lyk of my arms deur die steierende torings papier langer word, maar blitsvinnig vorm die rye boeke agter my weer ‘n geslote eenheid. Loodswaar verdwyn hulle, veerlig duik hulle weer op. Ek haat hulle, die wysneuse.”

‘n Gepaste toekenning, inderdaad.

Ten slotte, die stelling waarmee Daniel sy rubriek inlei: “Daar is twee soorte boekversamelaars: bibliofiele en boekverbranders. Die een doen dit uit liefde, die ander uit vrees.”

Hieronder volg een van my gunsteling gedigte deur Bertolt Brecht. (Indien jy Daniel Hugo se rubriek gaan lees, sal jy verstaan hoekom; met dié gedagte wat ek graag daarby wil aanhaak: die grootste aanklag teen die mens lê nie soseer in die boeke wat hy verbrand nie, maar in al die ongeleesde boeke wat op die rak bly staan.)

***

The burning of the books

 

When the Regime commanded that books with harmful knowledge

Should be publicly burned and on all sides

Oxen were forced to drag cartloads of books

To the bonfires, a banished

Writer, one of the best, scanning the list of the

Burned, was shocked to find that his

Books had been passed over. He rushed to his desk

On wings of wrath, and wrote a letter to those in power

Burn me! he wrote with flying pen, burn me! Haven’t my books

Always reported the truth? And here you are

Treating me like a liar! I command you:

Burn me!

 

© Bertolt Brecht

 

Luuk Gruwez. Terug naar af

Tuesday, September 25th, 2012

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

***

Gerrit Komrij

Gerrit Komrij

Voor wie de postume Gerrit Komrij leest, is het meteen duidelijk: dit is een van de zwartste bundels sinds jaren. Niet omdat hij van de dood doordrongen is, maar vooral omdat hij een bittere kijk op het leven in zijn diverse stadia biedt, op het begin, het midden en het einde. Het doet er eigenlijk niet toe. Komrij stelt de geboorte voor als een vergissing en achteraf wordt het er niet beter op. Alles is herhaling van herhaling. Zelfs de droom is niet bij machte de horror van het leven op te heffen. Plezier is alleen mogelijk wanneer de ratio nagenoeg geheel is uitgeschakeld en het individu tot minder dat niets wordt herleid: ‘Ik ben het leven hier niet waard./ Ik ben nog minder dan een dier/ En heb daarbij niet eens een staart./ Het ergst van al, ik heb plezier.’ Wel laat de dichter zich hier eens te meer maar zeer ten dele kennen. Tot dusver was hij altijd diegene die zichzelf met al zijn ikken in vraag stelde en die met veel ironische bravoure zijn eigen statements placht te ondermijnen. Maar ‘Boemerang’ bevat minder ironie dan wij van hem gewoon zijn. En de aanwezige humor is zwarter dan ooit. Je kunt je niet ontdoen van de indruk dat hij bij het schrijven van een aantal verzen op zijn minst al intuïtief op de hoogte was van zijn nakend afscheid.

Als er één thema domineert, dan is het namelijk dat van het voortdurende gependel tussen geboorte en dood. Eigenlijk is Komrijs discours vrij eenzijdig: dat het – om aan J.C. Bloem te refereren – ‘tussen twee stiltes’ luid is geweest. Hier heet dat ‘tussen twee geluiden’. De dichter,  hoe aimabel ook in de dagelijkse omgang, was iemand die zodra hij de pen hanteerde al zijn cynisme, al zijn spot en al zijn vitriool de vrije loop liet. Zijn bad genius etaleerde hij in zijn schrijverij, voor de minzaamheid had hij het leven. Of de schone schijn, het onoprechte. Het enige waarmee te leven viel.

Er mogen dan al engelen en dromen voorkomen in ‘Boemerang’, veel imposanter is het besef dat een mens vooral uit zijn mankementige lichaam bestaat. Meer dan een zak scheikunde is hij niet. Altijd al heeft de dichter een uitzonderlijke interesse aan de dag gelegd voor lichamelijke afscheidingen als pis, poep en etter. Hoe vaak hem ook iets dandyesks wordt  toegedicht, hij is een zeer naturalistisch soort dandy. De dromen zijn hier omnipresent, maar zij blijken aan het eind steeds nachtmerries te zijn. Komrij heeft in zijn hoedanigheid van dichter geen talent voor geluk. Zijn poëzie heeft bijna zonder uitzondering apocalyptische karakteristieken. Eén gedicht bevat – heel erg typisch – deze regel: ‘Het is van de vernieling dat ik zing.’ Veel zinvol verloop is er niet te bespeuren. Het leven is als een boemerang. Die komt uit op de plek vanwaar hij weggeworpen wordt. Hij volgt  dus een ridicule, zinloze beweging.

Wie op het punt staat te sterven, heeft – als dit al in zijn vermogen ligt – plotseling nog veel te zeggen. Dat geldt zeker ook voor deze dicher. Maar bij hem gaat dat gepaard met het besef dat een mens dan wel veel lawaai kan maken, maar dat dit geen enkel doel dient. Hij wordt er maar heel even zichtbaar door. Zichtbaarheid en onzichtbaarheid: het is een thema dat ook een paar keer opduikt in ‘Boemerang’. Komrij wordt in gelijke mate aangetrokken door beide. Hij streeft anonimiteit na en tegelijk wil hij ‘een wandelende lichtkrant’ worden. Wonderwel strookt dit met zijn biografie. Hij werd de eerste Dichter des Vaderlands in het door hem versmade Nederland, maar tegelijk leefde hij in zijn Portugese woonplaats als een anonymus: dit is een van zijn vele paradoxen. Hij weigerde zich te laten kennen.  Zelfs vroeg hij zich af of hij zichzelf wel kende. Zijn vele zichtbare en onzichtbare ikken liepen elkaar in de weg, benamen elkaar het zicht.

Toch lijkt de dichter hier in menig opzicht openhartiger dan in de meeste andere dichtbundels van zijn hand. Hij is dit tot in de opmaak toe. Want eigenlijk was hij, toen hij stierf, nog niet klaar met zijn werk. De tekstbezorger heeft ervoor gekozen ook de varianten en de regieaanwijzingen mee af te drukken. De lezer krijgt daardoor een inkijk in de innerlijke keuken. Maar doordat hij niet precies weet welke de chronologische volgorde van de gedichten is, weet hij niet met zekerheid wanneer de dichter alludeert op zijn ziekte en zijn levenseinde en wanneer iets toeval is. Niettemin vormen deze verzen een testament. Trouwens: ‘Boemerang’ is opgedragen aan Komrijs levensgezel, Charles Hofman, die in een notitie voorafgaand aan de bundel stelt dat de publicatie van deze onvoltooide versie geheel volgens de wens van de auteur is.

Van bij het eerste gedicht, ‘psalm’, krijgen wij een nabeschouwing bij een leven dat voorbij is en een vooruitblik op wat nakend is: ‘er komt nog een luguber feestje aan’. Is dit te betreuren? Uitsluitend afgaand op de poëzie die hij geschreven heeft, moeten wij concluderen dat hij het leven niet veel zaaks vindt. Maar het lijkt wel alsof hij enigszins wil vasthouden aan het leven op het ogenblik dat het hem hoe langer hoe meer ontglipt. Toch wordt zijn rationele kijk op het bestaan er in elk geval niet monterder op. Bestaan en pijn zijn vrijwel elkaars synoniem. En de liefde is en blijft een soort spookverhaal dat levenslang duurt. Er heeft bij Gerrit Komrij altijd een lastige kruisbestuiving tussen leven en schrijven plaatsgevonden. De kunst is niet het leven: ‘Zoals je wollen trui het schaap niet is.’  Met andere woorden: de kunst is maar een prothese van het leven en is er soms zelfs aan tegengesteld. Maar of het nu in een gedicht of in het leven is: toekomst heeft alleen de dood.  

Eeuwigheid

 

Nu is hij weer terug bij het begin.

Alleen de dood heeft toekomst. Binnenkort

Zal hij weer kleuter zijn en benjamin

En door een zoetelief worden beknord

 

Die hem bezweert dat zij zijn moeder is.

Hij zal zo jong en mooi zijn als hij wil.

Hij zal zo rap zijn als een hagedis.

Een wildebras en, als het moet, muisstil.

 

Hij zal een jongen worden en een man.

Hij zal de kop verpletten van de slang.

Totdat hij stokt. Het komt er niet meer van.

Hij wordt volwassen en hij is weer bang.

 

 (c) Gerrit Komrij

 _________________________________________

GERRIT KOMRIJ

Boemerang

De Bezige Bij, 110 blz., 19,90 euro

 

 

Hannalie Taute. Haal asem

Saturday, September 22nd, 2012

(ʼn Alternatiewe opskrif vir hierdie inskrywing wat ek natuurlik ook oorweeg het: sepies, dwelms en poësie).

Ek kyk lankal nie meer televisie nie.

Ek kyk ook nie sepies nie, dit is nie nodig nie want ek volg eerder die sepie wat hier in ons geledere afspeel.  Die fete tussen kuber-digters en nie-kuber digters. Tussen Versindaba en Carpe Noctum is sepierig genoeg. Sien hier, hier en hier.

Televisie en sepies is verslawend- of so sê hulle.

Wat ek kon aflei is dat daar blykbaar goeie poësie en swak poësie is.  Net soos goeie kuns en swakkere kuns.

Nou vra ek myself af:  is al die gedigte wat in die bloemlesing van Gerrit Komrij verskyn goed?  Mag ek dit as maatstaf gebruik?  Wat van die dagga gedigte van die Griekwas.  Goed of sleg?

MY PAPPA WAS ʼn DRINKER

En ʼn drinker so ben ek

My pappa drink die bottles

Maar die kanne die drink ek

My pappa was ʼn houtsoeker

En ʼn houtsoeker so ben ek

My pappa kap die bosse

En die stompe die kap ek

My pappa was ʼn roeker

En ʼn roeker so ben ek

My pappa roek die entjies

En die dagga die roek ek

(bl 429 Gerrit Komrij – Die Afrikaanse Poesie in n duisend en enkele gedigte)

Wat is die geskiedenis daarvan?  Was dit hul spreektaal? Was hulle onder die invloed terwyl dit geskryf is?

Ek het onlangs hierdie artikel gelees oor die kunstenaar, Fernando de La Rocque,   wat kuns skep het met die walms van sy dagga-asem getiteld “the ecstasy of Saint Theresa”.

Goeie kuns of swak kuns? 15 minute of “fame”- hy het dit.

Sal hy in die “Art Through the Ages” verskyn? Wie weet.

Moet ek Komrij se bloemlesing eerder sien as ʼn oorsig?  Sal daar later een verskyn met ʼn afdeling vir kuber digkuns?

Miskien moet almal bietjie teug aan die boom van goed en kwaad en vir ʼn slag asem haal.

Hannalie Taute. Blou (s)katte

Monday, September 10th, 2012

Dit is lente. Ek gewaar n paar blou bloeisels op hierdie blou geskakeerde Maandag.

Gewoonlik ly ek elke jaar aan na-geboorte-dag “blues”, maar nie hierdie jaar nie. Asof ter viering daarvan ontvang ek ʼn blou pakkie:

uit die bloute,

en binne in was onder andere hierdie blou boek:

Dit is ʼn bielie van n boek.

n Paar dae gelede ontdek ek hier op Versindaba dat Gerrit Komrij nie meer met ons is nie….maar dankbaar vir sy nalatenskap.

Die boek val oop op bl 1016:

KUNS IS SOOS KATTE- Rudolph Willemse

Kuns is soos katte

Rampokkerkatte met lang hare en weglêsnorre

(verder het hulle wiele:

Dis goot en rond en sit in hul oogkaste)

Hulle klim in takke

Van my verwarde

Verstand

Deurkruis die doolhowe

Van my skedel met motorfietse

En vang muise

Impotente rubbermuise

Wat verteerd tot uiting kom

In my ongehude verse

Ook my verse is soos katte;

Dit miaau onsamehanged

Carina van der Walt. Nasr reageer – Gerrit Komrij (1944 – 2012)

Wednesday, July 11th, 2012

  
Nasr reageer – Gerrit Komrij (1944 – 2012): buitestaander
  

(Aflewering 6 deur Carina van der Walt)

  

Op 5 Julie het die grootse Nederlandse digter, Gerrit Komrij, onverwags aan kanker gesterf. In twee dokumentêre films op televisie en in talle koerant artikels die afgelope naweek het die huldeblyke binne gestroom. Sy literêre nalatenskap is diep en breed. Nie net was hy die eerste Dichter des Vaderlands (2000 – 2004) nie, maar het hy ook die P.C. Hoofd-prys gekry (1993), is ‘n eredoktorsgraad aan hom uitgereik deur die Universiteit van Leiden, rig hy die literêre tydskrif Awater op en het hy die voortou geneem met die Turing Nationale Gedichtenwedstryd. Ondanks al hierdie prestasies en erkenning, was Komrij egter die ewige buitestaander wat hom agt-en-twintig jaar gelede in Portugal gaan vestig het.

Saam met sy lewensmaat, Charles Hofman, het hulle in 1984 verhuis na Alvides in die noorde van Portugal. Uiteindelik het die kleinburgerlike uitsigloosheid van die plek hulle onder gekry en het hulle na Villa Pouca da Beira vertrek. Hierdie dorpie lê in ‘n uitloper van die Serra da Estrela en hiér het hulle saam gebly tot sy dood verlede week. In die dokumentêre film De gelukkige schizo uit 2005 (gemaak deur Jan Lauret en Onno Blom) vertel Komrij dat ‘n digter geen liefdessorge, geldelike sorge of daaglikse sorge moet hê nie. Net dán kan hy in die juiste stemming kom waarby hy ‘n gedig kan skryf. Maar ten spyte daarvan dat hy hierdie ideale omstandighede nagejaag het, was daar tog ‘n periode van twintig jaar in sy lewe waartydens hy nie ‘n enkele gedig geskryf het nie. “Blijkbaar is het dichterschap geen constante toestand”, het hy volgens Arjen Fortuin gesê (NRC-Handelsblad, 6 Julie).

Tog het Komrij hom konstant met poësie besig gehou, onder andere as samesteller van opspraakwekkende bloemlesings, ook in Afrikaans. Poësie was vir hom baie dierbaar en die kern van sy bestaan. Tom Lanoye het dit pragtig verwoord in sy afskeidsbrief aan Komrij. Daarin beskryf hy hoe hy die eerste keer die woord “Poëzie” uit Komrij se mond gehoor het.

Komrij sien in homself die sametrekking van drie liminale of grensposisies: as digter, as homoseksueel en as immigrant. Al drie posisies sorg daarvoor dat mens onwillekeurig ‘n buitestaander bly in die samelewing waarin jy woon en werk. In De gelukkige schizo erken Komrij dat hy so langsamerhand die luste om die ongewone in alledaagse taal neer te skryf (en omgekeerd) onder bedwang het. Ook die luste om die onaanvaarbare van ‘n homoseksuele lewe in die samelewing aanvaarbaar te maak, het hy bemeester. Maar: “de lusten om als immigrant te overleven, ben ik nog volop aan het leren.” En: “Ik weet niet wat links of rechts is. Ik voel me niet vervreemd of verscheurd. Ik aanvaard de versplintering van de wereldbeelden als een godsgeschenk. Ik ben de eerste gelukkige schizo.”

Miskien is dit dan ook gepas dat die huidige Dichter des Vaderlands, Ramsey Nasr, se lykdig vir Gerrit Komrij die dag na sy dood in die NRC-Handelsblad verskyn het. ‘n Elegie komende van sy vierde opvolger as Vaderlandsdigter , terwyl Nasr eintlik nie vir Komrij geken het nie.

Hier volg die Afrikaanse vertaling daarvan:

  

Vir Gerrit

 

Hulle sê dat jy milder geword het.

Hy het sagter geword die laaste tyd

verdomp, en skop nie meer soos vroeër.

 

Ek ken jou weinig langer as vandag

het te laat gekom vir jou vyandskap

maar liewe Gerrit, noudat jy dan vir altyd

 

bedaard in jou gedigte woon

die reste uitgesaai tussen planke

noudat jy sonder stem, sonder koper stem

 

noudat jy naeltjieloos, nêrens jou stem –

kom dan digter, met jou teer afstand

gryp vas en vertak jou, gee ons hier

 

vir die laaste ondergrondse keer

jou donkere kus van die poësie.

As ek ooit in hierdie lewe wortelskiet

 

sal dit deur jou wees. Net op papier

vind die voëls reserwe neste

bou die mense vir hulleself ‘n land. 

 

Ek wou vandag ‘n reserwe dood bou

my dikke, dunne, sieke Komrij

om enkel die dood in op te vou.

 

 

Die oorspronklike Nederlandse teks kan gelees word op: http://www.ramseynasr.nl/web/Dichter-des-Vaderlands.htm

 

Luister hier na wat Komrij te sê gehad het oor die liefde op Saint Amour, 2007: http://www.youtube.com/watch?v=3R2tDm8pAjA

Louis Esterhuizen. Daai groen gedierte op jou skouer …

Wednesday, July 11th, 2012

Dat Gerrit Komrij as uitgesproke en ietwat kontroversiële literêre figuur nie in al die kamers van die Huis der Letteren as geliefde gas verwelkom is nie, is sekerlik ‘n gegewe. Maar dat iemand sonder enige provokasie besluit om die vele verwysings na Komrij se statuur as ‘groot digter’ op die dag waartydens sy dood aangekondig is, af te kam in ietwat onvriendelike taal, getuig myns insiens gewoon van swak styl.

So beland ek gister via ‘n skakel by De Contrabas op Wiel Kusters (foto) se weblog waar dié emeritus professor dit nodig geag het om onder andere die Koningin van Nederland se verwysing na Komrij as synde ‘n ‘groot digter’ tydens haar huldeblyk te kritiseer. Chrétien Breukers, hoofindoena van De Contrabas, se blikvanger op hul webblad is eweneens met gepaste vitrioel gegeur: “Het heeft prof. dr. Wiel Kusters, ondanks zijn drukke werkzaamheden die hem na zijn emeritaat teisteren, behaagd een correctie uit te voeren op een paar hinderlijke en zelfs ronduit verkeerde opmerkingen over Gerrit Komrij, door onnadenkende vlerken (die zich journalist of publicist noemen) en de Koningin der Nederlanden gedaan in couranten, tijdschriften, op internet of middels een telegram.”

Vervolgens dan die heer Kusters se gewraakte opmerkings: “Is iemand een groot dichter wanneer hij als poezieschrijver door zijn excentrieke stem en optreden in de media een bekende Nederlander is geworden? Of wanneer hij zich in Hollands literaire vijver naar boven heeft gewatertrappeld dankzij een bij haar verschijnen omstreden bloemlezing en de publieke rel die daar destijds (1979) op volgde? […] Zelf kan ik in de meeste verzen die Komrij publiceerde, ook als Dichter des Vaderlands, niet veel meer dan curiosa zien. Zijn reputatie als literatuurcriticus is niet gebaseerd op wat de voormalige stukjesschrijver Ronald Plasterk vandaag  ‘mooi, precies en helder’ opgeschreven oordelen heeft genoemd, maar juist op karikaturale vertekeningen van het besproken werk, beledigingen, vernederingen en vele soorten van poepbruine, blufmatig onverschrokken ongein over andere auteurs, dikwijls veruit zijn meerderen. De polemische Komrij had de lelijke trekken van een populist.”

Sjoe. Dit is net jammer dat Kusters dit nie nodig geag het om konteks óf substansie te verskaf ten opsigte van sy opmerkings nie. Daarsonder laat hierdie uitsprake my te veel dink aan iets wat jy op die vliegtuig in ‘n bruin papierkardoes doen wanneer die naarheid jou oorval.

Nietemin, by wyse van illustrasie van die ‘mooi, precies en helder opgeschreven oordelen’ wat Kusters klaarblyklik as persoonlike maatstaf voorhou, plaas ek hieronder een van sy gedigte wat op die internet te vinde is. Daarvolgens blyk dit duidelik dat Komrij en Kusters inderdaad weinig meer as die eerste letter van hul vanne in gemeen het.

 

***

Langzame Wals

Wij dansten, moeder, door de keuken
je had mij lachend opgetild

vier jaar was ik ‘daar bij die molen
die mooie molen’ van de radio

geboren, losgeschild
je kleine vrucht, een zoet bestaan

een appel die zo rood moest glimmen
dat je ogen ervan glansden

opgenomen in een wals
tussen tafel stoelen pannen

dat het kleine wandkleed moeder
dat je in de keuken hing

geborduurd met wolken schaapjes
bomen en een molentje
plus een boertje met een pet

dat dat helder linnen kleedje
met zijn spichtige figuurtjes
draaiend mij voor ogen bleef
in de warmte van de keuken
langs de wanden van mijn geest

zozeer dat ik het ging zingen
en mijn ogen moest bedwingen
toen je stierf en ik je zag

jij mij zag ik wilde tillen
wat er van ons overbleef
op een stoel en in een bed

en wij zwierden en wij walsten
tot je grond verzonken was

 

© Wiel Kusters (Uit: Zielverstand, 2007)