Posts Tagged ‘Gerrit Kouwenaar’

Louis Esterhuizen. Kyk, die wind het gewaai.

Wednesday, September 10th, 2014

 

Een van my allergunsteling digters is verlede Vrydag, 5 September, in sy huis in Amsterdam oorlede. Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) was 91 jaar oud. Afgesien daarvan dat hy ‘n bepalende rol in Nederlandse digkuns gespeel het vanweë sy betrokkenheid by die Vyftigers en ook Cobra, was hy ook die digter van vele digbundels en onder andere redakteur van Podium. Sy bundel De tijd staat open (1997) is met die VSB Poëzieprijs bekroon, terwyl Totaal witte kamer (2003) met die Karel van de Woestijne-prijs en ook die KANTL-poëzieprijs vereer is. In 2009 is die Meesterschapsprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde aan Kouwenaar toegeken en in 1970 is sy werk met die P.C. Hooftprijs vereer. In 1989 is hy die ontvanger van die Prijs der Nederlandse Letteren. Volgens sy uitgewer, Querido, is hul in ‘n staat van rou “om een dierbare schrijver, een fenomenale dichter, die decennialang aan de uitgeverij verbonden was”.

In 2008 het die versamelbundel Vallende stilte verskyn; ‘n keuse deur die digter self ter viering van sy 85ste verjaarsdag. In nog ‘n interessante eerbetoon, tydens sy 90ste verjaarsdagvieringe, moes Kouwenaar se mededigters elk ‘n gunsteling uit sy ouevre kies. Ilja Leonard Pfeijffer se keuse was “Men moet”. By wyse van huldeblyk plaas ek dié gedig, gevolg deur Kouwenaar se kommentaar daarop.

Men moet

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

Kouwenaar: ““Dit geldt als een klassiek gedicht, zelfs Gerrit Komrij heeft er eens een aardig stuk over geschreven. Het staat in alle bloemlezingen. Een gedicht als dit liet ik vaak maanden of een halfjaar liggen omdat drie woorden me niet bevielen. Tot ik dacht: dit is het. Precies dat is het moment dat ik nu niet meer heb. Dus publiceer ik niets meer. Als ik in een optimistische bui ben, schrijf ik wel. Een tijd geleden heeft een vriend een nieuw lint voor mijn typmachine gekocht. Ik heb veel aanzetten. Maar als ik het dan teruglees, denk ik: ik heb het zelf geschreven, maar het lijkt wel een imitatie.”

Een van die belangrikste – en beste – artikels wat ek egter oor Kouwenaar se werk kon vind, is die essay wat Rutger H. Cornets de Groot ten tye van Vallende stilte se verskyning oor die digter se lewe en werk geskryf het. By wyse van lusmaker, enkele aanhalings uit dié omvattende studie:

Vallende stilte

“Poëzie is, in de opvatting van Kouwenaar, naar aard en wezen totaal, absoluut, een beeld waarin de stroom van het leven tot stilstand wordt gebracht. Dat is één verklaring voor zijn vatbaarheid voor uitdrukkingen als volmaakt, volledig, totaal, voorgoed, van een superlatief als het blindst van de vlek, van ontkenningen als oneetbaar of zonder namen, en van een kleur als zwart dan wel totaal wit […] Kouwenaar aanvaardt dus dat poëzie geen adequate weergave van het voorbijtrekkende leven kan geven. Daarmee volgt hij een andere strategie dan iemand als Tonnus Oosterhoff, bij wie het vaak lijkt alsof wat je leest onder je ogen ontstaat. Dat is wat anders dan wanneer het moment waarop een gebeurtenis zich voordoet samenvalt met de waarneming ervan, zoals bij het nemen van een foto. De waarneming verwijdert zich dan van het waargenomene, en komt op eigen benen te staan. Kouwenaar dicht om zo te zeggen als een fotograaf, die meer belang stelt in zijn foto’s dan in de gefotografeerde werkelijkheid.”

Ten slotte plaas ek twee van my gunsteling Kouwenaar-gedigte.

***

Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

Uit: Gerrit Kouwenaar, Totaal witte kamer. Amsterdam: Querido, 2002, p. 38.

 *

Kijk, het heeft gewaaid

op het kleine bladstille plein
lagen groene bladeren die er niet hoorden

het was een zomer zoals het behoorde
totaal als de oorlog die elders woedde

terwijl de stad als een bom lag te dromen
moest er een droom zijn geweest die niet droomde

iets om even te schrikken, in woorden, terwijl
de rivier de vrienden voorbijstroomde

zij spraken over taalgebruik tandbederf aan
staande doden, schatten de roerloze tegenoever

prezen de dag tot diep in het donker, het was
zoals het altijd geweest was –

Uit: Gerrit Kouwenaar, De tijd staat open. Amsterdam: Querido, 1996, p.13

Meesterlike Kouwenaar

Tuesday, May 4th, 2010
Gerrit Kouwenaar

Gerrit Kouwenaar

Vergun my vanoggend weer ‘n Nuuswekker met ‘n ietwat meer persoonlike aanslag; ‘n Nuuswekker wat handel oor die somer van ’76 en my eerste kennismaking met die poësie van Gerrit Kouwenaar. In daardie jaar was ek ‘n student aan die Universiteit van die Vrystaat en sou ek die volgende jaar met my Honneurs-kursus begin. En ek kon nie wag nie. Ek het my (toekomstige) dosent in die Nederlandse poësie verpes om my solank ‘n leesopdrag te gee waarmee ek my mee besig kon hou gedurende die lang somervakansie.

Uiteindelik het hy geswig voor my entoesiasme en aan my ‘n vergelykende studie oor die poësie van Leo Vroman en Gerrit Kouwenaar as taak gegee. Vandag besef ek dat hierdie geen vriendelike gebaar was nie, maar dat hy inderwaarheid my voortvarendheid wou beloon met ‘n opdrag wat hééltemal bokant my intellektuele vermoëns was. Hoe dit ook al sy, daardeur het hy my in kontak gebring met ‘n onvergeetlike digter: Gerrit Kouwenaar.

Daar bestaan seker verskillende redes waarom ‘n mens bepaalde digters lees. (My ander gunstelingdigter is byvoorbeeld Yehuda Amichai, wat radikaal anders is as Kouwenaar.) Maar hoekom Kouwenaar? Want, wanneer ‘n mens sý gedigte lees, kry jy onmiskenbaar die gevoel van die “perfekte woord” op die “perfekte plek”. Dit is stil poësie, soos om by spieëlgladde dam te staan waarin alles gereflekteer word sonder die geringste suggestie van diepte of beweging. En tog, en tog …

So lees ek gisteraand weer ‘n artikel in ‘n ou Poëziekrant oor die keuse uit eie werk wat Kouwenaar saamgestel het; ‘n skamele seleksie van 250 gedigte uit ‘n oeuvre wat meer as 60 jaar beslaan. En die titel van dié keur? “Vallende stilte.”

Ter illutrasie plaas ek twee van my gunsteling Kouwenaar-verse onder aan vanoggend se Nuuswekker: “Totaal witte kamer”, wat hy geskryf het na sy vrou, Paula, se dood en sy klassieke “Kijk, het heeft gewaaid”, wat hy vir sy vriend Remco Campert geskryf het.

Ai, om só te kon dig …

***

Vanoggend is daar twee belangrike essays wat sedert gister geplaas is: André Pretorius wat van Lorca se leefwêreld vertel. Onder die bloggers is daar Jo Prins se eerste bydrae en Carina Stander wat na ‘n langerige stilswye weer haar terugkeer maak. En dan is daar ten slotte ook nog die manjifieke nuwe vers deur Annie Klopper

So – geniet dit alles en maak seker dat jou bagasierak vandag tot teen die dak volgelaai is met vreugde in alles wat jy doen.

Mooi bly.

LE

 

Totaal witte kamer

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

Uit: Gerrit Kouwenaar, Totaal witte kamer. Amsterdam: Querido, 2002, p. 38.

 

Kijk, het heeft gewaaid

op het kleine bladstille plein
lagen groene bladeren die er niet hoorden

het was een zomer zoals het behoorde
totaal als de oorlog die elders woedde

terwijl de stad als een bom lag te dromen
moest er een droom zijn geweest die niet droomde

iets om even te schrikken, in woorden, terwijl
de rivier de vrienden voorbijstroomde

zij spraken over taalgebruik tandbederf aan
staande doden, schatten de roerloze tegenoever

prezen de dag tot diep in het donker, het was
zoals het altijd geweest was –

 

Uit: Gerrit Kouwenaar, De tijd staat open. Amsterdam: Querido, 1996, p.13

 

 

Lucebert se toespraak gevind

Monday, September 14th, 2009
Lucebert se toespraak van 5 November 1949

Lucebert

“Geachte aanwezigen – Hier sta ik … in een opvallend schuchtere houding voor U … omdat ik uiters verlegen ben met de taak die voor vanavond op mijn schouders rust. Ik heb nl. bij u in te leiden een groep jonge dichters die de pretentie heeft de Nederlandse literatuur te vernieuwen.”

So het Lucebert sy toespraak wat hy tydens die “dichtersavond” op 5 November 1949 in die Stedelijk Museum (Amsterdam) gelewer het, begin. Die groep “jonge dichters” waarna hy verwys het, het buiten homself ook nog Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek en Jan Elburg ingesluit. Maar by voorlees het dié aand nooit uitgekom nie, want ná die 25-jarige Lucebert (L.J. Swaanswijk) se openingsrede het dié geleentheid in totale pandemonium ontaard met algemene geskreeu en vuisgevegte.

Chaos. Maar CoBrA was gebore. En saam daarmee die groep digters wat later as die “Vijftigers” bekend sou raak. Nie net die Nederlandse digkuns nie, maar inderdaad die Europese digkuns sou hierna nooit weer dieselfde wees nie.

Die goeie nuus is egter dat dié historiese toespraak nou na 60 jaar opgespoor is en deur die Neerlandikus Peter Hofman in die publikasie Hollands Maandblad gepubliseer is. (Die inleidende paragrawe kan hier gelees word.) Die waarde van hierdie toespraak lê natuurlik daarin dat Lucebert  “het verzet van de nieuwe generatie dichters en schilders tegen de ‘letterdames en letterheren’ van het naoorlogse Nederland voor het eerst openlijk verwoordde.”

Uiters vermaaklik is die berig op De Contrabas se webblad waar hulle verwys na die media-reaksie destyds op Lucebert se openingesrede. De Waarheid het byvoorbeeld verwys na ‘n ‘Trotzkistische rel’ terwyl Het Vrije Volk weer die volgende siening gehuldig het: ‘Wie deze tentoonstelling gezien heeft, heeft geen hoop meer, dat er uit Karel Appel en Corneille, uit Constant en Théophile Wolvenkamp, uit Gerrit Kouwenaar en Lucebert ooit iets anders zal groeien dan wat ze nu al zijn: knoeiers, kladders’.

Na ja, toe. Dat ‘n mens só deur die geskiedenis verkeerd bewys kan word, nè …

***

Vanaand is dit die amptelike bekendselling van Mathews Phosa se bygewerkte digbundel Deur die oog van ’n naald wat verlede Vrydag in die boekwinkels afgelewer is. Die bekendstelling gaan op ‘n wynplaas buite Stellenbosch wees. Lees gerus die onderhoud wat met dr. Phosa gevoer is, asook die inligtingstuk oor die bundel.

***

Dan is dit vir ons aangenaam om Desmond Painter as blogger te verwelkom. Desmond is een van die veelsydigste intellektuele in die land en ons kan beslis uitsien na sy “buite-blik” op die poësie. Mag dit vir jou ‘n plesierige affêre wees, Desmond!

***

Ten slotte, nog ’n aanhaling uit Lucebert se legendariese toespraak: “Wil men in de chaos, de snelle gang van zaken volgen en er een werkzaam aandeel in hebben, dan moet men de stoute schoenen aantrekken, de moed hebben avonturier en beelden stromer te zijn. Voortdurend het verleden vernielen moet men in het heden staan als in het laboratorium der toekomst.”

Lekker knoei en klad hierdie week.

Mooi bly.

LE

Remco Campert verjaar vandag

Tuesday, July 28th, 2009
Remco Campert

Remco Campert

Vandag is Remco Campert se 80ste verjaarsdag. Ten spyte daarvan dat hy versoek het dat daar nie ’n groot gedoente van gemaak word nie, beplan sy uitgewer, De Bezige Bij, ’n hele reeks publikasies rondom dié besonderse mylpaal. So is daar die publikasie van Poëzie is een daad, wat ’n poëtiese huldeblyk is aan een van die heel grotes in wêreldliteratuur. Onder die digters wat aan dié huldeblyk meegewerk het, is Gerrit Kouwenaar, Jan Bernlef, Ramsey Nasr, Jules Deelder, Anna Enquist, Stefan Hertmans, Luuk Gruwez, Erwin Mortier en Miriam Van hee. Daar is selfs ’n bydrae van Simon Vinkenoog wat onlangs oorlede is. Volgens De Papieren Man is “het resultaat meer dan voortreffelijk en overstijgt verre de gelegenheidspoëzie.” Nog besonderse publikasies wat binnekort op die rakke sal wees, is Remco Campert – Dichter, ’n knewel van ’n boek van meer as 700 bladsye waarin Campert se verse byeengebring word, asook Vurrukkulluk wat drie van Campert se belangrikste romans, Het leven is vurrukkulluk (1961), Liefdesschijnbewegingen (1963) en Tjeempie! of Liesje in luiletterland (1968), bevat.

Hieronder volg die vers waaruit die huldigingsbundel se titel geneem is.

En onthou om vanaand om 22:00 op RSG na Vers & Klank te luister; Libbie Daniels lees dan verse oor en vir kinders voor. Maak ook seker dat jy nie Bernard Odendaal se nuutste blog miskyk nie … Poësiemoeilikheid is inderdaad ‘n skitterende kontekstualisering rondom die kwessie van toeganklike en “moeilike” poësie; iets wat uiteraard direk aansluit (én voortbou) op die gesprek rondom die vertelvers wat tans op die webblad gevoer word. En dan trakteer Johann Lodewyk Marais ons vanoggend met twee nuwe inskrywings wat hy oornag geplaas het: een oor Martin Heidegger en een oor die Anglo-Boereoorlog, terwyl Johann de Lange ons weer verras met ‘n ikoniese vers in die gay-literatuur. Pure leesplesier!

So – geniet jou leestyd en mag hierdie dag vir jou ’n fabeljante affêre wees …

Mooi bly.

LE

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Poëzie is een toekomst, denken
aan de volgende week, aan een ander land,
aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn voeten, aarzelend soms,
over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar
genas zichzelf door o.a. te drinken
120 liter limonade: dat is poëzie.

Of neem de branding. Stukgeslagen
op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,
maar herneemt zich en is daarin poëzie.

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom.
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
© Remco Campert. Uit: ‘Het huis waarin ik woonde’ (1955)