Posts Tagged ‘Hans Ester’

Uitgeverij Van Oorschot vier fees …

Friday, August 28th, 2009
Geert van Oorschot

Geert van Oorschot

Vandag is ‘n groot dag in die 63-jarige geskiedenis van die onafhanklike Nederlandse uitgewery, Van Oorschot. Nie net sou sy stigter, Geert van Oorsschot (1909-1987), vandeesmaand ‘n honderd jaar oud gewees het nie, maar die uitgewery wat hy in November 1945 tot stand gebring het, publiseer vandag hul duisendste titel. Dié spesiale publikasie bevat die korrespondensie tussen Van Oorschot en M. Vasalis (wat toevallig óók vanjaar ‘n honderd jaar oud sou gewees het), wat hulle tussen 1951 en 1987 gevoer het. “Uitgeven zoals Geert van Oorschot deed betekent onafhankelijk uitgeven, en alleen uitgeven wat je zelf mooi of goed vindt,” het Arjen Fortuin (NRC Handelsblad se redakteur en biograaf van Geert van Oorschot) opgemerk.

Uitgeverij Van Oorschot was maar nog altyd wars van die hoofstroom, maar kon onder hul galery skrywers groot name soos Hans Lodeizen, W.F. Hermans, J.J. Voskuil en G.K. van het Reve reken.  Voorts was hulle bekend vir die klassieke werke van Multatuli, Biesheuvel, Couperus, Leopold, Ter Braak en Du Perron wat hulle met netjies-versorgde uitgawes in druk gehou het.

Inderdaad is hierdie ‘n besonderse prestasie deur ‘n relatief klein hondjie op die werf wat so lank tussen die groot honde kon oorleef. En – gaan lees gerus ook weer die artikel wat Hans Ester oor die korrespondensie tussen Elisabeth Eybers en Chris van Geel geskryf het. Hierin is daar vele verwysings na Geert van Oorschot, wat nie net Eybers se Nederlandse uitgewer was nie, maar ook haar minnaar. Of Van Oorschot ‘n aangename, liefdevolle mens was? Wel, dít is ‘n totaal ánder storie …

En daarmee groet Nuuswekker vir dié week. Stook die vreugdesvure dié naweek; ons hervat Maandag weer.

Mooi bly.

LE

Onderhoud: Hans Ester

Friday, July 3rd, 2009

Om met begrip te kan kyk

Dr. Hans Ester in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Hans Ester

Hans Ester

Hans Ester is gebore in 1946 in Utrecht. Hy besoek die Gereformeerde Burgerskool, sowel as die hoërskool, in Utrecht en bestudeer daarna Duits, Afrikaans en Teologie in Amsterdam, Johannesburg en Tübingen. Hy promoveer in 1975 aan die Universiteit van Leiden. Hans Ester se belangstellings is onder andere die Duitse letterkunde van die 19de eeu, asook die letterkunde van die DDR, genrè-verskuiwngs binne die Suid-Afrikaanse letterkunde, die geskiedenis van florale dekorasies op skilderye en boeke deur die eeue heen. In 2002 is ‘n ere-doktorsgraad aan hom toegeken deur die Universiteit van die Noordweste (Potchefstroom). Tans is hy besig om in samewerking met Lina Spies ‘n bloemlesing saam te stel van Afrikaanse gedigte oor Nederland en Vlaandere. Vroeër vanjaar is die Elisabeth Eybers-beurs aan hom toegeken en hy is van voorneme om dié geld aan te wend om in November 2009 weer ‘n besoek aan Suid-Afrika te kan onderneem. Hans Ester is ‘n dosent in Algemene Kultuurwetenskap aan die Universiteit Radboud te Nijmegen.

 

Dr. Ester, vir etlike dekades is u al prominent teenwoordig (en verantwoordelik) vir die uitbouing van Afrikaans as konstante teenwoordigheid in Nederland en omstreke. Vanwaar hierdie passie vir ’n taal en sy kultuur wat getalsgewys maar relatief onbeduidend is?

 

Voor mijn betrokkenheid bij het Afrikaans als taal en de in het Afrikaans geschreven letterkunde zijn twee oorzaken die elkaar over en weer hebben versterkt. Tijdens de jaren zestig van de vorige eeuw was de toenmalige regeringspolitiek van Zuid-Afrika samen met de dragers van die politiek, hiertelande zodanig gedemoniseerd dat er voor vragen en nuances geen ruimte meer was. Ik had die vragen wel. Wat er binnen de beeldvorming van Zuid-Afrika gebeurde, is dat er in zo sterke mate gereduceerd werd dat het voor de ideologen mogelijk was om dat overzichtelijke beeld van een totaal verwerpelijke politiek ongestoord te handhaven en aan anderen op te leggen. Als student aan de Universiteit van Amsterdam voelde ik nattigheid. Daarom ben ik een eigen weg gaan volgen om Zuid-Afrika te leren kennen. Ik heb de publicaties van alle actigroepen en van de Wereldraad van Kerken met aandacht gelezen, maar ik voelde onmiddellijk de noodzaak om ook andere bronnen aan te boren. Aan regeringspropganda van de kant van Zuid-Afrika had ik geen behoefte. Ik wilde weten wat mensen in Zuid-Afrika beleefden en hoe ze daar bewust en onbewust op reageerden. Mijn bron bleek in de letterkunde te liggen. Automatisch werd de wereld van de letterkunde steeds belangrijker voor mij. In Amsterdam bestond de studierichting  “Zuid-Afrikaanse taal- en letterkunde”. Bij Truida Lijphart-Bezuidenhout ben ik in 1967 Afrikaans gaan studeren.

 

Kan u enkele tekste noem wat u gelei het tot ’n beter begrip van dit wat Suid-Afrikaners beleef en “hoe ze daar bewust en onbewust op reageerden”, soos u dit stel? In die vroeë 60s was die Louw-broers en DJ Opperman immers in volle swang, is dit nie?

 

Aanvankelijk was ik eerlijk gezegd niet zo enthousiast over de gedichten van de Louw’s en van Dirk Opperman die wij lazen. Het was teveel hun eigen gevoelsleven dat ik in die gedichten ontmoette. Althans dat was mijn perceptie. Het kwartje viel pas echt door de gedichten van Elisabeth Eybers, omdat ze tot uitwisseling van gedachten uitnodigen en door de romans van Etienne Leroux. “Sewe dae by die Silbersteins”, das was een roman die mij aansprak, omdat ik meende eindelijk iets van de ingewikkeldheid van Zuid-Afrika te begrijpen. Truida Lijphart had wellicht meer korte verhalen moeten behandelen. Zij maakte de fout die ik zelf ook met mijn studenten “Zuid-Afrika-studies” hier in Nijmegen heb gemaakt: je denkt als docent al gauw dat de studenten de realia, de feiten van de samenleving, kennen. Maar die student hongert naar situaties die uit het leven van Johannesburg en Durban gegrepen zijn. Omgekeerd zal het ook zo gaan. Je moet Zuid-Afrikaanse studenten niet in het diepe plonzen door meteen met Arthur van Schendel te beginnen. Ik moet hier toevoegen dat de spreuk van Le Corbusier: “Je moet zien wat je ziet” alleen uitgelegd kan worden door te beseffen dat het zien is ingebed in een vorm van begrijpen. Dat begrijpen is van taal, van woorden afkomstig. De scheppende kracht van het woord is mij in Zuid-Afrika zeer sterk bewust geworden. Ik voeg er ook nog aan toe dat ik het als voorrecht heb ervaren om met Zuid-Afrikaanse schrijvers in contact te komen. In de meeste gevallen zijn Nederlandse schrijvers ontoegankelijke mensen. Ze missen ook de humor van de Zuid-Afrikanen. Karel Schoeman heeft dat in ‘n Ander Land feilloos aangevoeld. Nederlanders missen de levensvreugde van de Afrikaners.

 

Nog ’n Afrikaanse skrywer met wie u gereeld kontak gehad het, is Elisabeth Eybers. U het ook heelwat artikels oor haar werk gelewer en kan vandag seker (saam met prof. Ena Jansen) as een van die grootste Eybers-kenners beskou word. Is daar ’n spesifieke moment of insident wat vir u in u geheue uitstaan van haar as mens?

 

Om deze vraag moest ik wel even glimlachen. Er was inderdaad een moment in de ontmoeting met Elisabeth Eybers waar ik steeds aan terugdenk. Het moet geweest zijn in 1988. Nadat we in haar appartement Stadionkade 17 / I koffie hadden gedronken, liep ik met Elisabeth mee naar de fietsenmaker waar zij haar fiets stalde (tegen betaling mocht neerzetten). Het was voor mij merkwaardig dat zij een trapje af moest om bij haar fiets te komen, nogal onhandig, zowel naar beneden als naar boven. Nadat Elisabeth met haar fiets wonder boven wonder op straat stond, namen wij plechtig afscheid van elkaar, omdat ik de week erna naar Johannesburg zou vertrekken. Toen die ceremonie beëindigd was, stapte Elisabeth op haar fiets en reed het drukke verkeer op de Stadionweg in. Ik stond doodsangsten uit. Zij maakte namelijk absoluut niet de indruk dat zij stabiel op het zadel zat en soepeltjes tussen de auto’s door kon laveren. Tot overmaat van ramp zag ik haar omkeren om weer naar mij terug te rijden. Ze was nog iets vergeten te zeggen. Het ontroerde mij en tegelijkertijd was ik bang dat mijn aanwezigheid haar voortijdige levenseinde angstwekkend naderbij had gebracht. Korte tijd later hoorde ik dat Elisabeth van dat trapje bij de fietsenmaker was gevallen en het fietsstadium definitief achter zich had gelaten.     

 

Vir vele jare is u al betrokke by die NZAV se Afrika-huis te Keizersgracht in Amsterdam. Vertel ons so ’n ietsie van die werksaamhede van hierdie besonderse inisiatief?

 

Tien jaar lang was ik als opvolger van Gerrit Schutte voorzitter van het Suid-Afrikaanse Instituut, onderdeel van het Zuid-Afrikahuis, in Amsterdam. Het waren aanvankelijk moeilijke jaren. Omdat het vertrouwen in de toekomst van Zuid-Afrika in Nederland ontbrak. Het waren ook overzichtelijke jaren, omdat wij met ons pleidooi voor culturele samenwerking met Zuid-Afrika precies wisten waar we voor stonden. Dat is nu met een regering als die van Jacob Zuma die je niet helemaal kunt doorgronden veel moeilijker geworden. Het belangrijkste werk was de instandhouding en uitbreiding van de prachtige bibliotheek. Daarnaast werd de reeks publicaties voortgezet. En ten derde verkregen we de toestemming van de Universiteit van Amsterdam om weer na zoveel jaren van stilte colleges op het gebied van Zuid-Afrika aan te bieden en die erkend te krijgen door de Letterenfaculteit. Daarmee is het proces op gang gekomen dat uiteindelijk uitmondde in de herinstelling van het bijzonder hoogleraarschap.

 

Dan het Afrikaans die afgelope jare nogals heelwat gewen aan aansien binne Akademiese kringe in Europa. Daar is u kursus te Nijmegen, asook die leerstoel by die Vrije Universiteit te Amsterdam en natuurlik, prof. Jerzy Koch in Pole, om maar net enkeles te noem. Heelwat van ons akademici word ook gereeld na Nederland gebring as gasdosente vir ’n periode. Ek neem aan dat u baie opgewonde is oor hierdie tendens, maar is dit ’n wesenlike ontwikkeling in die vestiging van Afrikaans as prominente teenwoordigheid in Nederland of maar gewoon ’n hoflikheidsgebaar?

 

Er is een trouwe gemeenschap van mensen in Nederland gegroeid die oprecht belangstelling hebben voor Zuid-Afrika. Het is verbazingwekkend hoeveel deze mensen van Zuid-Afrika weten en hoeveel ze lezen. Of dit stabiel zal blijven, durf ik nu nog niet te zeggen. Er is ook een tendens om meer van Europa, onder meer van de nieuwe landen van de Europese Unie, te ontdekken. Wat de studenten betreft, ja dat is opmerkelijk hoeveel zich voor de cursussen aanmelden. Voor de cursus over multiculturalisme waren het er zeker 70. Dat onderwerp is onder meer ook interessant in het licht van de vraagstukken van multiculturele aard in Europa nu. De studenten zijn erg leergierig en zijn niet gauw tevreden. Ze stellen als een soort klanten van de academische winkel hoge eisen aan de docenten.

 

In die gesprekke met Alfred Schaffer en Antjie Krog is daar heelwat vergelykende opmerkings gemaak ten opsigte van die Nederlandse en Afrikaanse digkunste. Gaan u akkoord hiermee? Op welke punte verskil u van hulle; veral van Alfred Schaffer se opmerkings, miskien?

 

Ik moet in de eerste plaats zeggen dat ik de uitspraken van Alfred Schaffer zeer informatief vind. Hij kent dit deel van het literaire leven in Nederland en Vlaanderen uitstekend. Waar ik als reactie op de informatie van Alfred Schaffer nieuwsgierig naar ben, is het tijdsverloop vanaf de publicatie van een dichtbundel naar de ontvangst door het publiek. Er vindt een proces van presentatie en waardering plaats. Welke factoren bepalen het verloop van dat proces? Welke factoren hebben er bij voorbeeld voor gezorgd dat Breyten Breytenbach in Nederland aanvankelijk nauwelijks bekend was (en door zijn uitgever met verlies werd gepubliceerd) en thans alom als een wijze nestor van de dichtkunst wordt beschouwd? In aansluiting daarop stel ik de vraag waarom bepaalde dichters uit het Afrikaans in het Nederlands zijn vertaald en andere, niet minder getalenteerde en waardevolle, niet. Het zou de moeite waard zijn om over het vraagstuk van de waardering de essays van Van Wyk Louw over poëzie nog eens na te lezen.    

 

In literêre sirkels word daar nogals dikwels gedebateer oor die sogenaamde tweespalt tussen poësie en filosofie; veral vanweë DJ Opperman se bekende siening dat dié twee dissiplines nie te versoen is nie. Hoe voel u hieromtrent, synde letterkundige sowel as filosoof? Is ’n filosofies-gefundeerde vers haalbaar?

 

Wanneer we de filosofie beschouwen als een wijze van denken en beschouwen waarin de voorwaarden van het denken en begrijpen het onderwerp vormen, dan kun je tegen de combinatie van filosofie en dichtkunst, denkend vanuit een direkte relatie van ervaring en vormgeving, bezwaren hebben. Kijken we naar de geschiedenis van de dichtkunst, dan zien we dat het huwelijk van filosofie en dichtkunst uitermate vruchtbaar is geweest. Wij zijn echter gewend geraakt aan het gedicht als een openbaring van het hoogstpersoonlijke leven, zowel qua gevoel als qua ervaring. Hoewel ik er aan moet toevoegen dat er ook in deze tijd allerlei vormen van poëzie bestaan die een grote gebruikswaarde in het sociale leven van alledag hebben. De kerkliederen zijn daar een voorbeeld van. Stichtelijke gebruikspoëzie is de voortzetting van een eeuwenoude traditie. Verder is het van belang om op te merken dat de dichtkunst als inspiratiebron van de filosofie zeer waardevol is. Wie over het onzegbare van de Holocaust, dus over de grenzen van de taal ten opzichte van ervaringen van terreur nochtans iets zinnigs wil zeggen, zal naar de gedichten van Paul Celan en Nelly Sachs kijken om deze paradox te benaderen. 

 

In u onderhoud met prof. Lina Spies vra u haar of die poësie vir haar “een dam tegen de vergankelijkheid” is. Is dit hoe u persoonlik die aard van die poësie sien?

 

Ja, in een belangrijk opzicht beschouw ik de dichtkunst als een dam tegen de vergankelijkheid. Een van de meest verdrietige ervaringen in het leven is het onvermogen van de taal om als drager van de zuiverste emoties te dienen. De taal die wij gebruiken is afhankelijk van conventies en daarmee van concessies aan de “algemeenheid”. Tegenover het verlangen van de mens naar erkenning door de medemens en gemeenschappelijkheid met de anderen staat de behoefte om een onmiskenbare eigen identiteit te bezitten en dat hoogstpersoonlijke in taal uitgedrukt te zien. Misschien moet ik het nog anders formuleren: tegenover de taal van de gemeenschappelijkheid bevindt zich de taal van de authenticiteit. Dat is de Heilige Graal waar wij naar zoeken. De poëzie bevat de belofte van die Heilige Graal, van dat thuiskomen bij het verlossende woord. 

 

Dr. Ester, u is net so goed – indien nie meer nie – as die plaaslike taalstryders bewus van die besonderse uitdagings wat ons in die gesig staar ten einde as minderheidstaal te oorleef in ’n veeltalige samelewing. Is daar bepaalde strategieë wat u wens geïmplementeer te sien in hierdie verband?

 

Over die vraag breek ik voortdurend mijn hersens. Een gedachte waar ik niet van loskom en die ik als waardevol en verdedigbaar beschouw is, dat talen niet als hinderpaal moeten worden gezien maar als schitterende uitingen van ons aller menselijkheid. Talen roepen er om om bestudeerd en besnuffeld te worden. Er is helaas een luiheid ontstaan die talen als barriëres ziet. Ik denk dat een van de redenen voor de creativiteit van de Midden-Europese Joden was om van taal tot taal over te gaan. Het feit dat ik in een eentalig land (min of meer eentalig land) ben opgegroeid, heb ik altijd als verlies ervaren. Gelukkig bracht ik lange perioden als kind in Duitsland door. In de huid van een nieuwe taal glippen om jezelf nieuw te ervaren, was voor mij een bron van gelukzaligheid, een bron die in staat is om het leven reliëf te geven en het vast te houden. Talen als rijkdom, daar zijn we spijtig genoeg nog niet allemaal van doordrongen.

 

Dan, as liefhebber van die digkuns, het u uiteraard persoonlike gunstelinge onder die digters. Wie lees u graag en watter digters binne die Suid-Afrikaanse digkuns spreek pertinent tot u?

 

Het is lastig om een selectie te maken. Ik heb Elisabeth Eybers altijd met fascinatie en winst gelezen. Ook Lina Spies. Breyten Breytenbach vind ik superieurs in zijn essays over dichtkunst. Daarin benadert hij het niveau van Rainer Maria Rilke, uiteraard op zijn manier, maar met een bijzondere fijngevoeligheid.

 

Bo en behalwe akademikus is u natuurlik ook ’n kranige tuinier. So is u bekend vir die uitgebreide versameling kappertjies wat u in u tuin aangeplant het en versorg. Is daar ’n spesifieke rede waarom u juis vir dié plant so ’n passie ontwikkel het?

 

Hoe graag ik ook als kranige tuinier bekend zou staan, die eretitel kan ik onmogelijk voor mij opeisen. Een echte tuinier ordent, overziet het geheel en snoeit. Het kost mij grote moeite om in de natuur in te grijpen. Het begrip “onkruid” kan ik niet bevatten. Wat ik dus doe is kijken naar de ongelofelijke veelheid van planten en bloemen. Soms moet er echter omwille van het evenwicht worden ingegrepen. Dat is lastig. De tuin is het herstelde paradijs in het klein. Waren er tuiniers in het paradijs? Er zijn weinig verschijnselen die zo universeel zijn als de gekoesterde tuin. Ik denk dat God als Schepper een enorm gevoel voor humor heeft. Kijk naar de kleuren van de vissen. Daar straalt toch het scheppingsplezier van af. Dat plezier ervaar ik bij de kappertjies. Wie bepaalt de kleur van die tere en toch zo zorgeloze bloemen? Van geel tot donkerrood met allerlei kleurslingers aan de binnenkant van de bloemen, dat is verrassend en geweldig grappig. Een dergelijk veld vol is een wonder, vooral na de winter met de afbrekende nachtvorst.

 

Ons het reeds verwys na u besonderse vriendskap met Eliabeth Eybers, maar nog ’n vriendskap met ’n Afrikaanse skrywer wat u reeds vir jare in stand hou, is met Abraham de Vries. Hoe het julle mekaar ontmoet en wat is na u mening die basis van die besonderse band tussen julle?

 

Braam de Vries heb ik voor het eerst ontmoet in 1975 toen Braam nog aan de Universiteit van Natal in Durban doceerde. Het gesprek dat we toen voerden, is gepubliceerd in het mooie tijdschrift “Literair Paspoort”. Daarna volgden nog vele ontmoetingen, in Kaapstad of in Nijmegen. Braam is een bijzonder inspirerende gespreksgenoot. Praten met hem levert altijd iets goeds op. Het bijzondere aan Braam is de onvoorwaardelijke trouw aan zijn vrienden. Jouw belang is zijn belang. Dat geldt in gelijke mate voor Hannie, Braams vrouw. Als Abraham de Vries weet dat een bepaald boek jou gelukkig zal maken, dan zal hij stad en land aflopen om dat boek in handen te krijgen. En dat gebeurt met een opgewektheid en vrolijkheid die zeer aanstekelijk zijn. Waar ik me steeds opnieuw over verbaas, is de taal van Braam de Vries. Een ervaring die vlak lijkt en rimpelloos voorbij kan gaan, krijgt door zijn woorden een onverwacht reliëf. Braam ziet het bijzondere in wat er om je heen gebeurt. Ik heb ooit een fietstocht met hem gemaakt via de heuvels rondom Nijmegen naar het natuurgebied aan de Rijn. Achteraf gezien was dat zeer onverstandig, omdat Braam in geen twintig jaar op een fiets had gezeten. Moeizaam voortploeterend op onze zware fietsen, werden wij ingehaald door een stel jongens op racefietsen. Het commentaar van de racers op ons slakkentempo loog er niet om. Braam wist er hartelijk om te lachen en dat is de reden dat ik me niet ergerde en mij het voorval met genoegen herinner.

 

Dr. Ester, u het enkele jare gelede grootvader (oupa) geword en uit u korrespondensie is dit duidelik dat dit vir u iets van besondere waarde is en ’n bron van vreugde. Kan u vir ons so ’n kykie gee na dr. Hans Ester as grootvader van drie kleinkinders?

 

Sebastiaan is nu 5, zijn broertje Nathan is 3 en zijn zusje Sarah is anderhalf jaar. Ze zijn de kinderen van onze dochter Lieska. Het leuke van dit dartele drietal is dat ze dol op boeken en daarom op voorlezen zijn. Absolute favoriet is Michiel van de Hazelhoeve van Astrid Lindgren. Ook Kuifje gooit hoge ogen. De beste aandacht die je kinderen kunt geven, is in mijn ogen dat je ervaringen uit je leven op hun niveau vertelt. Gemoraliseer heeft bij kinderen helemaal geen zin. Je moet verhalen vertellen zodat ze begrijpen waarom sommige dingen goed zijn en andere dingen vermeden moeten worden. Het leuke is dat wanneer ik bijvoorbeeld over mijn trouwe eend (die zelfs meeliep om inkopen te doen) of over de duiven van mijn broer vertel en even pauzeer, de reactie van Sebastiaan luidt: “Lees nou verder!”  Voor een filosoof zou dit het begin kunnen zijn van een beschouwing over het leven als een voortdurend lezen van een schat aan tekens.

 

Baie dankie vir die gesprek, dr. Ester. Dit word enorm waardeer. Sal u ten slotte so vriendelik wees om vir ons lesers een van u gunsteling Afrikaanse gedigte hieronder oor te tik?

 

Louis, een van de mooiste gedichten vind ik “Die eerste nag” van Elisabeth Eybers uit de bundel “Die stil avontuur” –

 

 

Die eerste nag

 

Hoe veilig en stil is my kindjie se slaap,

die tastende handjies so vreedsaam gevou,

die soekende mondjie geslote en soet,

die ogies ’n skemering van blank en blou.

 

Wat sal haar moeder nou vir haar bid

waar sy slaap in haar wiegie, so warm en wit?

 

Watter geheim sal sy vra dat haar kind

in die skadu van latere nagte mag vind?

 

Wat, in die nag wat eensaam is?

– Dat skoonheid gebore word uit gemis.

 

Wat, in die nag van kwelling en pyn?

– Dat die môrester dan die suiwerste skyn,

 

Wat, in die nag van liefdeslus?

– Dat die teerheid sterker as hartstog is.

 

Wat, in die nag van barensnood?

– Dat die lewe magtiger is as die dood.

 

Wat, in die nag wat die laaste sal wees?

– dat wie die Lewe het niks hoef te vrees.

 

Want elkeen aan wie die nag dit verklaar

sal wysheid dieper as kennis bewaar.

 

Hoe veilig is nou nog my kindjie se slaap,

die tastende handjies so vreedsaam gevou,

die soekende mondjie geslote en soet,

die ogies ’n skemering van blank en blou …

 

O duistere Nag, wees goed vir my kind

later, wanneer jy haar wakker vind.

 

(c) Elisabeth Eybers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderhoud: Lina Spies

Saturday, June 27th, 2009

Vraaggesprek met de Zuid-Afrikaanse dichteres Lina Spies

 door Hans Ester

 (Hierdie onderhoud verskyn ook in die somer-uitgawe van die tydskrif BEWEGING.)

Lina Spies

Lina Spies

De Zuid-Afrikaanse dichteres Lina Spies werd in 1939 geboren. Zij groeide op in de toenmalige Oranje-Vrystaat en studeerde Afrikaans en Nederlands in het idyllische Stellenbosch. Een verblijf van twee jaar in Amsterdam (studie aan de VU) had grote vormende waarde voor Lina Spies. In het werk van Lina Spies domineren vier onderwerpen: de verhouding tot God en Jezus Christus; het kwetsbare kind; de liefde voor zowel Zuid-Afrika als voor Nederland; het wonder van de poëtische scheppingskracht. De poëzie van Lina Spies weet de grote levensproblemen zodanig te verwoorden dat veel lezers in Zuid-Afrika hun eigen vraagstukken en ervaringen daarin vertegenwoordigd zien. Als lid van het bestuur van de Universiteit van Stellenbosch schuwt Lina Spies de discussie over de toekomst van het Afrikaans geenszins. Ook neemt zij met heldere stellingnamen deel aan hedendaagse theologische debatten binnen Zuid-Afrika, onder meer over de opvattingen binnen de zeer invloedrijke charismatische geloofsgemeenschappen. Het is de hoogste tijd om deze belangrijke schrijfster ook in Nederland aan het woord te laten.

 

Poëzie is een vorm van taalgebruik waarin de woorden veel beter en harmonischer op elkaar reageren dan binnen de spreektaal. Aan de andere kant bemoeilijkt poëzie het verstaansproces door de conventies van de “gewone” taal te doorkruisen. Dat lijkt tegenstrijdig. Wat is voor u het motief om in die verrijkte taal van de poëzie te schrijven?

 

Ek het nooit gekies om liewer poësie as prosa te skryf nie. As laerskoolkind het ek uiteraard opstelle geskryf wat absoluut vir my die heerlikste iets op aarde was om te doen en uiteraard was dit in die vorm van prosa. My onderwysers was onder die indruk van my opstelle en het my verseker dat ek ‘n “skrywer” gaan word. Ek het dus nie as jong kind aan myself as ‘n “digter” gedink nie, maar nogtans was die poësie ‘n lewende werklikheid in my jong lewe. My vader was’n groot poësieliefhebber en het gereeld – indien nie daagliks nie, dan wel weekliks – vir my en my twee susters gedigte voorgelees. As ons op reis was, het ons nie liedjies gehoor nie, maar verse wat hy van agter die stuurwiel voorgedra het. Op tienjaar het ek my eerste eenvoudige versie wat ek “Lenteliedjie ” genoem het, geskryf. Dit het so begin: “Die lente is jonk/ en die velde die pronk.” My vader het vir my die vlam van die poësie aangesteek en die groot Afrikaanse digter D.J. Opperman wat my professor in die Afrikaanse letterkunde aan die Universiteit van Stellenbosch was, het dit laat brand. Ek het besef dat ek ‘n digter is en onder sy leiding het ek ernstig begin gedigte skryf. ‘n Gedig meld hom by my aan meesal in die vorm van ‘n versreël. Die digter J. C. Bloem het in sy weergawe van hoe die ontstaansproses van ‘n gedig hom voltrek, daarop gewys dat die digter die “inhoud” en die “vorm” van die gedig tegerlykertyd vind. So gebeur dit ook by my. Ek sal nooit ‘n roman kan skryf nie. Dit ontbreek my volkome aan die vermoë om ‘n romanwêreld met personasies binne ontwikkelende relasies te konsipieer. Kortom: Ek het nie ‘n talent vir die epiek – en dus vir die prosa – nie.

 

Als hoogleraar Afrikaans en Nederlands in onder andere Stellenbosch analyseerde u literaire teksten. Ging dat gemakkelijk samen met het dichterschap en het mogelijk meer onbewuste proces van het scheppen van poëzie?       

 

Dit was vir my as hoogleraar in die letterkunde aan die Universiteit van Stellenbosch heerlik om “college” te gee. Die analise van literêre tekste – in die besonder gedigte – saam met studente was ‘n stimulus vir my eie digterskap en veral ook vir die skryf oor die literatuur. Die voltooiing van ‘n gedig met die wete dat dit geslaag het, is die ervaring van vervuldheid, maar ook die skryf van ‘n vakwetenskaplike artikel oor ‘n literêre onderwerp, bring ‘n besondere gevoel van voldoening met sig mee.

 

Het Afrikaans heeft een rijke schat aan slaapliedjes en andere kinderliedjes. Speelden deze liedjes een rol bij uw groei naar het dichterschap?

 

My bewuswording van die wonder van die poësie het by slaap- en kinderliedjies begin. Die enorme rol wat my vader in dié verband vervul het, het ek reeds op in gegaan. My moeder het ook vir my as klein kind gesing. Ek weet nie meer watter liedjies nie, maar sy moes self ook liedjies versin het, want sy het vertel dat ek dikwels gevra het: “Sing katte, Mamma, sing katte.” Ek was van kleins af versot op katte; vandaar dié versoek. As ek soos vir dié vraaggesprek met u noodwendig oor my eie poësie moet nadink en bundels moet herlees, val dit my op hoe ‘n groot aantal verse in my debuutbundel Digby Vergenoeg (1971) as ‘t ware vorm gevind het deur die herskepping van ‘n sprokie of deur verwysings na sprokies en kinder- of slaapliedjies. Dit word minder en verdwyn in my latere bundels wat eintlik bewys hoe belangrik hierdie kinderverse was vir die ontwikkeling van my digterskap.

 

Het is duidelijk dat het Afrikaans voor u een grote emotionele waarde bezit. Speelt de vergelijking met het Nederlands daarbij een rol?

 

My debuut het verskyn na my twee Amsterdamse studiejare in die Nederlandse taal- en letterkunde. Van aanvang tot hede is my poësie tematies beïnvloed deur Nederland en taalmatig deur Nederlands. My moedertaal Afrikaans het inderdaad vir my ‘n groot emosionele waarde; dit is benewens die taal waarin ek die gemaklikste is, ook as medium van my poësie my kosbare, onverhandelbare instrument. Ek glo dat Nederlands ‘n bron vir die taal van my poësie is sonder dat dit daardeur Neerlandisties word. Ek hoop dat ‘n Nederlandse woord of ‘n gesegde of ‘n uitdrukking in van my gedigte spontaan opgeneem word in idiomatiese Afrikaans.

 

Bijbelse thema’s en figuren komen regelmatig voor in uw werk. U kijkt op een originele manier naar de Bijbelse gegevens. Leidt deze originaliteit tot een soort concurrentie met de theologen, de ambtenaren van God? Door welke theologen laat u zich inspireren, terwijl zij zich op hun beurt door u laten inspireren?

 

Ek is noodwendig ‘n Bybelsgevormde digter omdat, getrou aan die gereformeerde tradisie, my vader soggens en saans by huis­godsdiens uit die Bybel voorgelees het. Die verhale uit die Ou Testament het my intens geboei soos o.a. die liefdesverhaal van Dawid en Migal wat neerslag gevind het in die gedig “Migal aan Dawid” in my debuutbundel. Episodes uit Jesus se lewe het ‘n groot aantal verse in Dagreis (1976) geïnspireer. Ek weet slegs van een gedig oor ‘n Bybelse figuur wat ontstaan het in konkurrensie met ‘n preek waarin Josef soos altyd – ook in ‘n Bybelse kinderboek van my – as ‘n edel figuur by uitnemendheid voorgestel is. In teenstelling met die dominee se preek, het ek Josef meteens gesien as ‘n “verwende, vervelende jongen” wat tereg die toorn van sy broers teen hom laat ontvlam het met sy drome oor hoe hulle as sterre of koringgerwe voor hom buig. Dié siening oor Josef was slegs ‘n prikkel en kom slegs indirek tot uitdrukking in die gedig “Jakob seën sy seuns” (Oorstaanson: 1982). Die gedig is juis getrou aan die siening van ds. J. Overduin oor Jakob as vader se vormende  invloed op sy seuns met hulle bepaalde persoonlikhede in sy boek Profetische vergezichten. Nee, ek het hierdie gedigte dus op ‘n enkele uitsondering na (waarvan ek bewus is) nie in konkurrensie met teoloë geskryf nie. Ek is en word deur teoloë geïnspireer en enkeles van hulle ook deur my, maar dan bedoel ek inderdaad teoloë soos wyle Ferdinand Deist, en nie dominees nie. Ek weet byna nie van dominees wat poësie lees nie en ek – of enige ander digter – sal dus selde of nooit deur hulle in ‘n preek aangehaal word. My jongste bundel Duskant die einders (2004) het wel aanklank gevind by hedendaagse Afrikaanstalige vrysinnige teoloë wat graag my gedig “Geloofsbelydenis van ‘n afvallige” siteer, selfs in plaas van die kerklike credo.

 

Predikanten kijken graag met een schuin oog naar de literatuur. Ze oordelen ook met een zekere gretigheid over literatuur. Wat is uw reactie daarop? Een glimlach of boosheid?

 

As predikamte ‘n negatiewe oordeel oor literêre werke uitspreek  – meesal oor die prosa, omdat die poësie selfbeskermend is weens sy  gekonsentreerde aard en gevolglike mindere toeganklikheid – op grond van die eis dat dit “mooi” en “skoon” moet wees, maak dit my kwaad. Literatuur ontspring aan die werkliheid wat nooit sonder sy skadukante is nie. Dit is gekompliseerde mense wat met konflikte in hulleself in die reine probeer kom en die verwikkeldheid van menseverhoudings wat van oudsher af die stof vir groot literatuur lewer. Ook die digter is bewus van hierdie kompleksiteit en gee daarin uitdrukking in die poësie.

 

Hoe verhoudt zich uw dichterlijk werk tot het grote thema van de tijdelijkheid, van de vergankelijkheid van het menselijk bestaan. Is poëzie een dam tegen de vergankelijkheid?

 

Sintuiglikheid is vir elke goeie digter essensieel. “Die digter dink deur die oog”, het Opperman gesê. In sy gedig vang die digter deur sy sintuie – soos die skilder op sy doek – ‘n stukkie van die uiterlike werklikheid vas of op metaforiese wyse ‘n stukkie innerlike werkliheid en gee daaraan iets bo-tydeliks. Op dié wyse word gedigte wel skanse teen die tyd en kan die gedig die digter en die leser momenteel van die bewussyn van die tydelikheid van die menslike bestaan bevry, selfs by die onderliggende besef van eindigheid en sterflikheid. Ek dink dit is wat ek doen in my verse oor Vermeer in Duskant die einders. Dié titel beklemtoon juis die bestaan in die eindige – hierdie lewe –  by die wete van die eindigheid daarvan; die lewe kom tot ‘n einde êrens aan ‘n grens  soos wat die oorskouing van ‘n landskap vir die waarnemer ophou by die horison. Vermeer se skilderye, het een kommentator gesê, gee uitdrukking aan die volheid en selfgenoegsaamheid van die huidige oomblik.

 

Het lijden neemt in uw werk een voorname plaats in. De geschiedenis van de twintigste eeuw, in het bijzonder de terreur van het nationaal-socialisme, is prominent aanwezig in uw gedichten. Ligt daarin ook een morele plicht om te blijven getuigen van het onrecht en van de kracht van het woord, zoals bijvoorbeeld bij Anne Frank?

 

Ek is deur my kennismaking met die dagboek van Anne Frank in my Stellenbosse studiejare en in my Amsterdamse studiejare deur my inwoning by ‘n Jodin wat Auschwitz oorleef het, intens bewus gemaak van die Sjoa. Die rasgebaseerde ideologie van die Nazi’s wat verantwoordelik was vir die uitwissing van sesmiljoen Jode het ook mettertyd die wete by my ingeskerp van wat die aaklige implikasies en gevolge van rassisme is. Dit was terselfdertyd ‘n pynlike  bewuswording van die apartheidsideologie van ‘n veertigjarige politieke bewind in my eie land wat nooit volksmoord nagestreef het nie, maar wel mense van mekaar geskei en vervreem het op grond van ras. Na Auschwitz en na demokratisering in Suid-Afrika is die grensoorskryding na die “Ander” – om ‘n begrip van Levinas te gebruik – nog steeds in ons een-en-twintigste-eeuse wêreld nie altyd ontmoeting en erkenning nie, maar dikwels konfrontasie en konflik. Daarom moet ons bly getuig van onreg en van die krag van die woord; spesifiek die woord wat verbind en heel.

 

De gedachte van het leven als reis, als onderweg zijn naar een bestemming, is in uw werk duidelijk aanwezig. Waarheen zijn wij als mensen onderweg?

 

Ek is ‘n plekgebonde mens en terselfdertyd ‘n reisiger. Ek is verknog aan my skilderagtige mooi dorp Stellenbosch en as mense my sedert ek met pensioen is, vra waar ek nou woon, kyk ek hulle verbysterd aan en antwoord: “Op die enigste plek waar ek kan woon, Stellenbosch”. Soms voeg ek by: “Behalwe in Amsterdam, maar dit het vir my om velerlei redes onmoontlik geword.” Ek moet dikwels in Nederland en in Amsterdam kom om my in harmonie met myself te voel. Reis is vir my in meerdere opsigte heerlik en stimulerend en lewer dikwels impulse vir my poësie. Dit is vir my  opwindend om my eie te maak met ‘n vreemde plek soos in 1990 met die dorp van Emily Dickinson waarbinne sy haar afgesonder het, Amherst in New England. Ek het op die spore geloop van dié digteres vir wie se poësie ek ‘n hartstog het en my tuis gevoel in haar dorp. Om dolgraag te reis en plekgebonde te wees, is naruurlik ‘n paradoks in my poësie, maar die digter as mens sit ook vol teenstrydighede. As mens is ek altyd in laaste instansie onderweg na my medemens en deur hom/haar na God.

 

U bent een kenner en groot liefhebber van muziek. Is poëzie verwant aan muziek?

 

Sonder  musiek kan ek nie lewe nie, maar ek moet erken dat ek nie ‘n katolieke smaak het nie en dat my liefde beperk is tot die klassieke musiek. Die hoogtepunt van alle kunsuitinge is vir my die kunslied waarin die woord en die musiek met mekaar één word. My liefde sluit al die liederkomponiste in, Schubert uiteraard, maar selfs nog in hoër mate Schumann. Die poësie is myns insiens wel intiem verwant aan die musiek en as ‘n gedig ontaard in spreektaal in dié sin dat die versreël nie meer die ritme bepaal nie, kan ek dit nie meer waardeer nie.

 

MIGAL AAN DAWID 

En Dawid sê vir Migal: …ek sal nederig wees in my eie oë en met die slavinne waar jy van gepraat het, met hulles al ek myself eer …

II Sam. 6: 22

 

Vir my is daar geen hisop en geen duiwe:

soos een wat buitekant die stadspoort roep,

bly ek deur jou onaangeraak.

 

Die spies van Saul het jou skrams gemis;

die trefkol van my hart was kwesbaar-oop

vir die klippie uit jou hart se slingervel –

 

ek het langsaam, stuk-stuk doodgegaan:

jou lied was opgeloste sonskyn in my oë

wanneer jy voor die koning speel;

prinses van Israel, bedroë luistervink!

Saul wou Merab aan jou gee.

 

Ek was die tweede keuse vir sy strik

toe die eerste strategie van haat misluk:

my liefde was so goedkoop, maar jou eis

was oorlog vir die koning teen die Filistyn,

honderd voorhuide vir ‘n huwelikskoopprys.

 

Skoonseun van die koning! Gewaande regterhand

van God, het ek jou deur die venster af laat sak,

geglo my liefde sou jou elke keer weer red,

onbeskaamd gejok en jou afwesigheid gecamoufleer

met ‘n huisgod in ons warm bed.

 

God! Jy is net aan my drome toevertrou:

Abigail was die woestynoog van jou dorre vlug

– sy het honderd rosynekoeke aangebied –

Saul het my aan Palti weggegee as vrou.

 

Ek het gewag soos God wag

totdat die steenbok van die berge lam,

ek het die tyd gemeet soos God

die maande tel waarin hul dragtig is.

 

En toe jy met die ark terugkom,

het ek ineens onthou: koordans en tamboeryn!

My besete hart het my vooruitgegaan:

Saul het duisende verslaan! Dawid sy tienduisende!

‘n Prinses het hoog voor jou gaan staan,

maar jy was nakend voor jou God;

 

toen kon ek heerlik haat:

sanger van Betlehem, kneg van Jahweh,

man na God se hart, gesalfde van die volk,

teenstander van Saul, boesemvriend van Jónatan,

minnaar van Batseba, vader van my nooit-gebore kind.

 

hart van my hart.

 

Ek sal die rondheid van my borste bly behou

vir ‘n bekenning van die hande

van jou toegewyde siterspel,

die halleluja van my hart sal swyg

dat jy dit kan verwek.

 

Dawid, laat een duif wegvlieg, die ander stadig bloei,

lê jou hande weer priesterlik op my

al sal ons een-wees nooit ‘n kind

laat harp speel in die veld.

 

Uit: Lina Spies, Digby Vergenoeg. Kaapstad en Pretoria 1971

 

Onverklaarbare

 

U is vandag die Hippie-koning,

die Jesus-people kroon en klee u.

U is die arme

en ons moet ons goed uitdeel,

Ons liggaam oorgee om verbrand te word.

Maar u kleed was in een stuk geweef

dat die soldate daaroor moes dobbel

om dit ongeskeur te kan behou.

 

Hulle maak van u ‘n queer, ‘n moffie,

hulle sê u was gay op swerf met twaalf mans

en dat u Petrus en Johannes innig liefgehad het.

Niks kom daarby nie: dié liefde van eensoortiges.

maar u het u hande na kinders uitgestrek

en Petrus eenmaal vir die duiwel uitgeskel.

 

Hulle praat van Maria

wat keer op keer u by die maaltyd opgesoek het

om by u voete te kon sit,

om met teer hande u te salf.

Maar oor die leë graf het u vir haar geroep:

    “Raak my nie aan nie!”

 

Hulle het vir u gevlug in kloosters,

    heilige oorloë gevoer,

         gevas,

              kerse opgesteek in katedrale

en u naam op die preekstoel uitgeroep

bokant ‘n blinkborduurde kanselkleed wat sê

    “So spreek die Here.”

 

Skone,

    Gemartelde,

        Verlate Vriend,

            Opgestane Bruidegom,

 

Jesus van Nasaret, gaan ons nie verby.

 

Uit: Lina Spies, Dagreis. Kaapstad 1976