Posts Tagged ‘Hugo Claus’

Yves T’Sjoen. Hugo Claus in Stellenbosch. Korte notitie

Tuesday, September 12th, 2017

Hugo Claus

 

Over het publieke optreden van Hugo Claus (1929-2008) in Zuid-Afrika is in vergelijking met passages van andere Vlaamse schrijvers niet zo veel bekend. De meest informatieve tekst is door Daniel Hugo gepubliceerd in South African Theatre Journal (mei-september 1997). Recent stelde Hugo enkele persoonlijke herinneringen op schrift.

Claus nam in 1997 deel aan een schrijverstournee. Naast Hugo Claus en echtgenote Veerle de Wit maakten Remco Campert, Herman de Coninck, enkele maanden voor zijn overlijden in Lissabon, H.C. ten Berge, Eddy van Vliet en Simon Vinkenoog deel uit van het hoog aangeschreven Nederlandse en Vlaamse gezelschap. Breyten Breytenbach herinnert aan die heuglijke gebeurtenis ter gelegenheid van mijn bijdrage over de hommage van Eddy van Vliet aan Breytenbach (http://versindaba.co.za/2017/07/15/yves-tsjoen-literair-tijdsdocument-hommage-van-eddy-van-vliet-aan-breytenbach/).

Claus verbleef toen onder meer in Stellenbosch, ter gelegenheid van de Vlaamse Week die door de universiteit is georganiseerd. Het Departement Drama onder de leiding van professor Temple Hauptfleisch zorgde voor de gelegenheid voor een reprise van een theatertekst van Claus. Wat de schrijversperformance in Zuid-Afrika precies behelsde, moet ongetwijfeld te achterhalen zijn. Ook de plekken waar de schrijverskaravaan heen trok, valt te reconstrueren. Feit is, zoals door Hugo in retrospectie genoteerd, dat de Zuid-Afrikaanse dichter-journalist in 1997 tijdens het schrijversverblijf in Stellenbosch een radio-interview had met de meester. De tekst in het theaterjournaal is er de neerslag van. Het gesprek is twee decennia geleden gevoerd maar verliest niets van zijn informatieve waarde.

In de meest recente beschouwing van Hugo over Claus (pun intended!), in april 2017 gepubliceerd, wordt het briefje geciteerd dat door de ijverige beursstudent aan de Katholieke Universiteit Leuven en verwoede lezer van Het verdriet van België in 1983 naar de Vlaamse schrijver is gestuurd (http://www.netwerk24.com/Vermaak/Boeke/rubriek-hugo-claus-die-briefie-en-die-boere-van-sa-20170430). Daarin haalt hij een frase aan ontleend aan het magnum opus Het verdriet van België (eerste druk: 1983) waarin een verwijzing staat naar de Afrikaner Boer. Het is allemaal in de tekst van Hugo na te lezen.

De aandacht van Daniel Hugo voor het oeuvre van Claus, zo getuigt hij, is wellicht aangewakkerd door de collegereeks die J.C. Kannemeyer in Stellenbosch wijdde aan het toneeloeuvre. Die referentie roept een ander literatuurhistorisch feit op. In de uitgavenreeks van Human & Rousseau, Literatuur van die lae lande, is naast werk van Willem Elsschot, Marnix Gijsen, Hella Haasse, W.F. Hermans en bijvoorbeeld Harry Mulisch ook ’n Bruid in die môre van Claus opgenomen (http://www.dbnl.org/tekst/_han001198501_01/_han001198501_01_0024.php). De uitgaven waren bestemd voor schoolgebruik en academisch onderwijs. Jan Rabie verzorgde de vertaling van de toneeltekst die door Claus in 1953 is gepubliceerd en waarvoor hij de Belgische staatsprijs voor toneel ontving. Uit de overlevering, zoals de Wikipediapagina over Een bruid in de morgen, weet ik dat Wilma Stockenström in de opvoering een rol vertolkte. De Afrikaanse versie is opgevoerd in Kaapstad door The National Theatre Organisation en NTO Kamertoneel (directeur: Tone Brulin) in een regie van Athol Fugard. Claus en Fugard hebben elkaar wel vaker ontmoet en waardeerden elkaars (toneel)werk. In oktober 1959 stond de productie in Bellville geprogrammeerd. Ook later is de tekst gespeeld in Zuid-Afrikaanse schouwburgen. Toen Claus in 1997 een bezoek bracht aan Zuid-Afrika, hebben studenten van het departement Drama het stuk weer op de planken gebracht.

Wat de band tussen Claus en Zuid-Afrika verder documenteert, zijn naast de frase in Het verdriet van België passages in de kunstenaarsroman Een zachte vernieling (1988). Ook die reminiscenties verdienen zonder meer een nadere beschouwing.

Precies zoals vorig academiejaar kan ik deze week tijdens een gastlezing aan de Universiteit Stellenbosch de tweedejaarsstudenten Afrikaans en Nederlands onderhouden over de poëzie van Hugo Claus. Uit ervaring weet ik dat het jonge publiek met meer dan gewone belangstelling een uiteenzetting volgt over de hobbelige weg waarlangs Claus de modernistische literatuur is binnengetreden en zijn eigen signaturen heeft ontwikkeld. Op een manier sluit de lezing weer aan bij de colleges van Kannemeyer. Ik ben alvast nieuwsgierig naar het hoofdstuk in Mark Schaevers’ biografie over Claus, en mogelijk in de aflevering die het tijdschrift Zacht Lawijd volgend jaar besteedt aan Claus. Intussen is het uitkijken naar de Afrikaanse vertaling die Hugo thans voorbereidt van Het verdriet van België. In het Maandblad Zuid-Afrika liet hij in september 2014 door zijn ega Marlene Malan optekenen: “My groot ideaal was nog altyd om Hugo Claus se grootse Het verdriet van Belgiё te vertaal”. Een kwarteeuw na de eerste lectuur van de roman en het inmiddels gepubliceerde briefje waarin de sikkeneurige recensent van De Standaard Freddy de Schutter door Hugo is gesommeerd, wordt dat ambitieuze voornemen effectief gerealiseerd. Claus heeft, zo liet Schaevers onlangs aan Hugo weten, het velletje papier niet weggegooid. Daniel Hugo bewaarde geen kopie. Het zit opgeborgen in het imposante archief dat door het Letterenhuis in Antwerpen zorgvuldig wordt geconserveerd. Schaevers, auteur van het prachtige boek Orgelman (2014), stuurde Hugo een scan zodat de formulering van de begeesterde student in Leuven nu in de krant staat.

Vraag is hoe het Afrikaans lezende publiek zal reageren op een roman over collaboratie en de repressie na de Tweede Wereldoorlog, over fascistoïde en gewelddadige uitwassen van een fractie van de Vlaamse Beweging. Misschien moet Daniel Hugo of een van de academici voor een belangstellend publiek toelichting geven over politiek-historische achtergronden waartegen de handelingen van de protagonist Louis Seynaeve worden gesitueerd.

(c) Yves T’Sjoen / September 2017

Louis Esterhuizen. Hugo Claus binnekort in Engels beskikbaar

Thursday, August 29th, 2013

 

Goeie nuus is dat Archipelago Press pas bekend gemaak het dat hulle ‘n keur uit Hugo Claus se gedigte in Engels gaan publiseer. Die gedigte in Even Now is deur die bekroonde vertaler David Colmer uit Nederlands vertaal en sal in November beskikbaar wees.

Volgens die aankondiging die volgende: “Claus’s poetry has been marked by an uncommon mix of intelligence and passion, given expression in a medium over which he has such light-fingered control that art becomes invisible […]Perhaps Belgium’s leading figure of postwar Dutch literature, Claus has long been associated with the avant-garde: these poems challenge conventional bourgeois mores, religious bigotry, and authoritarianism with visceral passion.”

En natuurlik wemel dit van lofbetuigings ten opsigte van Claus se gedigte:

“Claus rages against the decay of the physical self while desire remains untamed. From the beginning, his poetry has been marked by an uncommon mix of intelligence and passion, given expression in a medium over which he has such light-fingered control that art becomes invisible.”

— J. M. Coetzee

“Nobody could write so rampantly about the wild veracity of sensual love for women and life than Hugo Claus. To read him is to be shot into verbal ecstasy. Fortunately these translations do justice to so much of this.”

— Antjie Krog

“Astonishing book. Half an hour into reading it I already feel that I have known this poet all my life—and I’d never heard of him before. There is a richness of feeling, exactness of imagery, tender skepticism of the body and its wants—I found myself thinking of Donne, Sterne, Cendrars, Bukowski, Celine all at once—how can he do that? Colmer’s translation is uncanny, feels as if every word is the one the poet intended, always yields a sense of Yes, here it is! Hugo Claus seems suddenly a permanent part of our poetic landscape opened at last.”

— Robert Kelly

Wat eweneens interessant is, is die fotoblad wat beskikbaar gestel is op Archipelago Press se webtuiste. Gaan kyk gerus; daar is ‘n hele aantal minder bekende foto’s van dié befaamde skrywer wat bekyk kan word.

Een van sy gedigte in vertaling volg hieronder.

***

Chicago

 

Under the crossword of concrete beams,

between the peroxide bitches

and the gastric ulcer advertisements,

besieged by the bells of salvation’s armies

contaminated by soot and sugar

and humiliated by insulted Negroes,

a greyer desire awakes

in every desire.

And whiter gentlemen greet me,

a stranger in their nest,

a friend and fellow pest.

There is reason here to hang,

reason enough, no one gives a dang

between forgetting and release.

A verse from Luke won’t help you here,

nor a leather dragon on your back

nor chewing on the almond herb.

I’ll be replaced here soon

by a mouth full of grit.

 

© Hugo Claus (Uit: Even Now, 2013: Archipelago Press)

Vertaal  deur David Colmer

Omslag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Yves T’Sjoen. Serendipiteit – Op soek na Hugo Claus

Monday, June 13th, 2011

 

Pijnlijk maar helemaal niet zo vreemd is de in de Vlaamse media geëtaleerde commotie over het archief- of “documentaire” boek van Hugo Claus. Legio zijn de voorbeelden van aanslepende disputen tussen erfgenamen van kunstenaars die zich allen opwerpen als rechthebbenden ter bescherming van een nagelaten patrimonium. Cocteau, Joyce, Nabokov en in de Nederlandse literatuur Elsschot, Reve en Vestdijk zijn bekende en zeer uiteenlopende gevallen en worden dezer dagen in tal van opiniestukken in herinnering gebracht. Na de uitgave van de brievenuitgave W.E.G. Louw-N.P. van Wyk Louw (in een editie onder de leiding van John Kannemeyer) is ook in de (Zuid-)Afrikaanse literatuur het blijkbaar onvermijdelijke gebekvecht onder nabestaanden en hun advocaten ten tonele gevoerd.

Hugo ClausNiet zozeer de juridische gevechten – privacykwesties die leiden naar een kort geding en een beroep tegen het kort geding – of de berichtgeving in de pers kunnen me boeien. Ik kan over de grond van de zaak oordelen, en vooral: het zijn mijn zaken niet. Wat me wel interesseert, is de opvallende belangstelling voor de mens achter de kunstenaar. De juridische steekspelen en de rapportering daarover stellen alleen nog scherp op de persoon en niet in de eerste plaats op de artistieke nalatenschap van een groot kunstenaar. Het hele gedoe is des te merkwaardiger omdat Claus het eigen archief zorgvuldig heeft gefilterd, zo niet georkestreerd, en dat hij blijkbaar al in 2007 zijn echtgenote Veerle de Wit als enige exécuteur testamentaire heeft aangewezen. Wat we nu over Claus’ archief te weten komen, heeft de kunstenaar zelf aan de openbaarheid willen prijsgeven. Niets wordt op de straatstenen gegooid wat de meester zelf niet heeft gewild. Dat Claus ook in zijn keurig gefilterde nalatenschap “verstoppertje” blijft spelen, zoals Cyrille Offermans opmerkt in De groene Amsterdammer (2 juni), is een evidentie.

De WolkenSinds de publicatie van het fraaie lees- en kijkboek De wolken. Uit de geheime laden van Hugo Claus (2011), verschenen in het fonds van De Bezige Bij en bij elkaar geharkt door Mark Schaevers, steekt de op biografische realia georiënteerde Claus-mania weer de kop op. Critici winden zich op, anderen hunkeren naar een biografische reep papier en heffen in koor het halleluja aan. De homo biographica stond voorjaar 2008 ook al in de schijnwerpers na de zelfgekozen dood van de charismatische kunstenaar. Plaatjes van revelerende zakagenda’s, zwart wit-foto’s met geliefden en collega-schrijvers, repro’s van tekeningen, schema’s van romans: De wolken is een boek vol parafernalia vergaard uit de persoonlijke en literaire ladenkast van de meester. Dat de uitgever die “laden” op de cover van het boek “geheim” noemt, is wellicht alleen een staaltje van lucratieve marketingretoriek. De inhoud van de laden wordt prijsgegeven aan de voyeuristische blik van de lezer, zodat succes gegarandeerd is. Intussen, na enkele weken, is het boek aan een derde druk toe. In een medialandschap waar de human interest voor schrijvers de aandacht voor het literaire boek overschaduwt, kan een dergelijk uitgeversinitiatief niet eens meer opmerkelijk worden genoemd. Sign o’ the times. De verslaggeving op juridische en binnenlandpagina’s van dag- en weekbladen, niet uitsluitend in cultuurrubrieken, met intussen ook al open brieven aan de zonen van Claus en interviews met Sylvia Kristel en advocaten van Veerle de Wit en Claus’ kinderen, dragen bij tot de disproportionele aandacht voor het boek.

Wie het kunstenaarschap en de legendarische savoir de vivre van Claus boeiend vindt, heeft wellicht ook interesse voor archivalia die de schrijver tijdens zijn leven verborgen hield, niet waard genoeg gepubliceerd te worden, te veel privé. Die belangstellenden zijn eraan voor de moeite. Postuum zijn de deuren van het immense archief op een kier gezet door Claus’ laatste echtgenote. Clausliefhebbers kunnen een blik werpen op enkele vooralsnog verborgen gehouden schatten. Enigszins gechargeerd zou je kunnen stellen dat Claus met zijn fotoalbum op Facebook staat. En ik weet niet of dat een meerwaarde is.

Van Hugo Claus is bekend dat hij de dingen graag ensceneerde. In interviews werd zonder verpinken met de feitelijke werkelijkheid en de journalist een loopje genomen. In het artistieke werk spreekt een zich van alle conventies loszingende homo ludens. De kunstenaar loog elke keer weer zijn waarheid. Claus toont zich in zijn indrukwekkende oeuvre een goeroe van het groteske. Het spel met parodie en persiflage, met ironie en hyperbolen kan als een exponent van het meestertalent worden gelezen. In het licht van de theatraliteit – in alle betekenissen – die het werk en het leven van de schrijver en schilder bepaalde, is het misschien jammer dat in de jaren na diens overlijden vooral de biografische Claus de geesten beroert. Piet Piryns schrijft aan een biografie die hoge verwachtingen schept, de Universiteit Antwerpen (met het Claus-instituut) verzamelt en plaatst sinds kort interviews met Claus online, Josse de Pauw bracht met De versie Claus (Het Toneelhuis) een aangrijpende toneelhommage op basis van interviewfragmenten in de bundel Groepsportret, en er verschijnen intussen prachtige brievenedities (o.a. de correspondenties met Roger Raveel en Simon Vinkenoog). Vanzelfsprekend ben ook ik met het boek in de wolken (no pun intended). Wie kan niet opgetogen zijn dat alle biografische materiaal wordt verzameld, met wetenschappelijke acribie beschikbaar wordt gesteld? En toch.

Wie Claus zoekt, komt in alle publicaties misschien wel bedrogen uit. We komen l’ homme artiste nauwelijks op het spoor in de persoonlijke notities, in de vraaggesprekken en de duizenden brieven. De artiest bewoog zich behendig (“verstoppend”) op de publieke tribune en bespeelde die met veel branie. Wie Claus wil ontmoeten, leest het literaire werk, beleeft het schilderwerk, bekijkt de door hem geregisseerde films. Vooralsnog, drie jaar na de dood van de schrijver, verschijnen herdrukken van romans, verhalen, gedichten. NTGent speelt Een bruid in de morgen en laat acteurs en politici toneelteksten van Claus vertolken. Er is vraag naar het literaire werk terwijl de uitgeverij inspeelt op de aandacht voor… de persoon. Op het ogenblik dat het magnum opus, Het verdriet van België, voor de Hongaarse literaire markt wordt toegankelijk gemaakt, verschijnt bij Claus’ uitgever het documentaire, maar editorisch gesproken tekortschietende boek De wolken. Niet dat ook ik geen belang stel in die caleidoscoop van plaatjes, toch mis ik een meer zorgvuldige omgang met het literaire werk van deze grote schrijver. Claus staat bekend als een variantenauteur. In zijn recensie spreekt Offermans over het “eindeloos schaven, inkorten, bewerken en weggooien, dat een gedicht of tekening ooit voltooid kon zijn was in strijd met zijn ongedurige, altijd op het hier en nu gerichte temperament”. Net als W.F. Hermans bracht Hugo Claus bij herdrukken van een dichtbundel of van een roman tekstwijzigingen aan. Claus bleef maar polijsten aan het oeuvre dat hij, met de woorden van Geert Buelens, als een parallel universum voor zichzelf creëerde. Een eerste druk of een laatste druk: dat maakt in het geval van Claus’ literaire productie echt wel een verschil uit. Variantenonderzoek zal een toegevoegde waarde hebben voor de kennis van het schrijfproces en de wijze waarop de opvattingen van de kunstenaar over literatuur en leven verschuivingen ondergingen. Ook voor de biograaf is die studie onontbeerlijk voor een blik op het schrijverschap.

Op 28 mei is in Amsterdam een eerste lot uit de imposante collectie van Claus-verzamelaar Gert Jan Hemmink geveild. We wisten al dat Claus een duivelskunstenaar was, een veelzijdig artiest, een grillige koppigaard. De wolken nodigt ons uit tot een blik achter de schermen. Het zijn evenwel de schermen zelf – de teksten, de tekeningen in al hun overgeleverde versies – die ons een blik gunnen op ‘une vie d’artiste’. De bewust wanstaltig ontworpen en immer in aanbouw zijnde toren van Babel waar Claus als een bezetene aan bouwde en verbouwde – vanaf zijn zestiende (het eerste gedicht in een poëziealbum voor een wulps vriendinnetje) tot zijn laatste onvoltooide romanproject De wolken – verdient postuum een kritische blik. Vergelijkend tekstonderzoek, wetenschappelijk onderbouwde leesteksten, constructies van ontstaans- en drukgeschiedenissen zullen de persona grata Claus laten zien die alvast voor mij zo veel interessanter is dan de homo biographicus. Het filologische titanenwerk kan hopelijk binnenkort een aanvang nemen. Ik heb er onlangs voor gepleit op een Europees congres voor tekstediteurs in Pisa. De minister van cultuur van de Vlaamse Gemeenschap, maar ook haar collega van wetenschapsbeleid kunnen aanzienlijk bijdragen tot een wetenschappelijke tekstuitgave van Claus’ verzamelde geschriften. Op zoek naar Claus dus. Ook al weten we dat wie wat vindt slecht heeft gezocht.

Yves T’Sjoen

 

 

 

 

 

 

 

 

Oor die verering van gestorwe skrywers

Friday, November 5th, 2010
Harry Mulisch

Harry Mulisch

Die afgelope week kom die gedagte na aanleiding van ‘n artikel wat ek lees, by my op: ‘n siniese persoonlikheid is gewoon ‘n optimis wat oor te veel informasie beskik. En miskien is dit dié gevoelente wat vanoggend se Nuuswekker onderlê, want liewe hemel, hoe skráál is ons kulturele belewenis (en waardering) nie in vergelyking met ons kollega’s s’n in die ander halfrond nie …

So lees ek gisteraand op De Papieren Man dat Harry Mulisch se begrafnis môre volledig op die nasionale TV-kanaal versend gaan word. Volgens die openbare uitsender se persverklaring, die volgende: “De uitvaartdienst voor de overleden schrijver vindt plaats in de Stadsschouwburg in Amsterdam, de stad waar hij zondag ook overleed na een slepende ziekte. Tot de sprekers behoren uitgever Robbert Ammerlaan, burgemeester Eberhard van der Laan, Marcel van Dam, Marita Mathijsen en de Duitse uitgever/dichter Michael Krüger. De Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr schreef voor deze gelegenheid een gedicht. Tevens zullen er fragmenten worden vertoond uit documentaires van Cherry Duyns. Reinbert de Leeuw en Louis Andriessen verzorgen de muziek.”

Onwillekeurig laat dit my ook terugdink aan 21 Maart 2008, die dag na Hugo Claus gesterf het. Toevallig was ek en Marlise toe in Antwerpen en ek onthou hoe ons by ‘n boekwinkel ingestap het waar ongeveer twintig dagblaaie op ‘n ry uitgestal was. Met die uitsondering van twee het elkeen ‘n volbladberig gehad oor Claus se afsterwe. Daardie aand het ons, in die geselskap van vriend Peter Holvoet-Hanssen en sy vrou, na ‘n kroeg gegaan waar ‘n reuse plakkaat met ‘n gedig van Claus (handgeskrewe) op ‘n enorme folio teen die ruit by die deur opgeplak was. (Ek onthou selfs die naam van die kroeg: ‘t Hof van ellende. Hoe kan ‘n mens só ‘n kroegnaam ooit vergeet?!)

Nietemin, indien die poësie onder meer die kunsvorm van die emosie is, is dit besonder maklik om ‘n bepaalde taalgroep kultureel tot 7de Laan, Huisgenoot en brandy & coke uit te droog.  Jy ignoreer gewoon bepalende gebeurtenisse soos byvoorbeeld die afsterwe van hul digters. Dink maar aan die belangrike stemme wat ons die afgelope paar jaar ontval het: Ronnie Belcher, George Weideman, Barend Toerien, Lucas Malan en IL de Villiers. Ook Jan de Bruyn. Watter dekking in ons plaaslike (Afrikaanse) media was daar oor hierdie hartseer gebeure? Op welke manier word hul nalatenskap lewend gehou? Ai. Daar is soveel maniere waarop ‘n bepaalde taalgroep emosioneel bankrot kan speel …

Maar terug na Mulisch en sy (welverdiende) verering. Volgens De Papieren Man: “De gemeente Amsterdam gaat momenteel na hoe zij Harry Mulisch kan eren. Er wordt daarbij gedacht aan een museum in het huis van de schrijver aan de Leidsekade, een standbeeld of een straatnaam. Maar een woordvoerster benadrukte donderdag echter dat er nog geen concrete plannen zijn. Het Letterkundig Museum in Den Haag houdt dezer dagen een kleine hommagetentoonstelling. Ook in de Zeeuwse bibliotheek is er een kleine expo ingericht. “

En ons eie poet laureate, Keorapetse Kgositsile? Waarskynlik vind hy dit meer inspirerend om oor pres. Zuma se sewende vrou ‘n gedig te skryf as oor die nagedagtenis van ‘n Afrikaanse digter. Sug. Vir jou leesplesier plaas ek onder aan hierdie Nuuswekker ‘n gedig van ons laureate. Met as toegif ‘n langer gedig wat gerig is aan einste prof. Kgositsile deur ‘n veel minder bekende digter, David wa Maahlamela. Omdat dit ons kulturele verdeeldheid besonder goed illustreer.

Of in die woorde van NP Van Wyk Louw se Germanicus: “(Ons) sterf aan hierdie tyd.” 

Lekker lees.

***

Sedert gister het daar net twee nuwe plasings bygekom. Desmond Painter skryf oor Pierre Boulez en Johann Lodewyk Marais lewer Deel 11 in sy reeks oor Eugène Marais. Dan vestig ek ook jou aandag om die uiters sinvolle gesprek wat ontstaan het na aanleiding van Andries Bezuidenhout se vertaling van ‘n Margaret Atwood-gedig. Hy het die verbeterde weergawe as kommentaar onder aan sy oorspronklike blog geplaas. Dít is immers waarvoor hierdie webblad tot stand gebring is: sinvolle gesprekvoering.

Daarom – geniet dit en so ook die naweek wat op hande is. Ons hervat weer Maandag.

Mooi bly.

LE

 

Mandela’s Sermon

Blessed are the dehumanized
for they have nothing to lose
but their patience

False gods killed the poet in me. Now
I dig graves
with artistic precision

© Keorapetse Kgositsile

***

 

Letter to the poet laureate

(for keorapetse kgositsile)

sometimes i’m crucified
by questions,
what does it mean,
to be a truth stripping poet
in this refreshed old south africa?

do ghosts of ‘notes from no sanctuary’
still steal your sleep?
i can not forget the venom of your tongue
in your time, when you use to say:
“what difference does it make
as long as we eat white shit?
no matter what it is wrapped up in!”.

i wonder when i ponder in these words
if in this black south africa of white lies,
such voice could be given an ear.

truth cost billion euros
even our madly rich leaders
can not afford it.

africa renaissance and rainbow nation
we have been preaching,
dreaming i was, of seeing
a pedi, tsonga or venda praise poet
performing in union buildings,
dreams seem to be just dreams
miles away from reality.

eaten by termites are our manuscripts
those who have riches
bury needles under our feet,
is either we compromise our truth
by grinding sharp edges of our rage
for the sake of getting funding
or else like baba mahola said,
we will be olympic champions
in chasing our (own) tails.

it is the river of tears that erode my smile,
cavitation of starvation keeps me convict
in covetous oppenhiemer’s company,
contract of slave trade i personally signed
and today i’m given a rope to hang myself,
confidentiality is the order of the day,
gospel utterance forbidden, unspoken, unsaid, untold –
for the sake of this glass job.

i sometimes regret
being born as fish in a slime,
there’s no variety in poverty,
no liberty at all,
maybe i could have also flied
to study in oxford, cambridge,
columbia or california,
return home with name
that weigh tons of admiration,
so i could be heard and felt
in this country of my womb.

© David wa Maahlamela

 

 

Gerrit Komrij. Die Hugo Claus-gedenklesing

Thursday, April 22nd, 2010

Die 1ste Hugo Claus-gedenklesing

gelewer deur Gerrit Komrij op 16 April 2010

 ***

Die lesing hieronder word volledig met die vriendelike vergunning van die outeur geplaas.

 

Gerrit Komrij

Gerrit Komrij

Gerrit Komrij werd op 30 maart 1944 geboren te Winterswijk. Hij studeerde algemene en vergelijkende West-Europese literatuur aan de Universiteit van Amsterdam. Komrij debuteerde in 1968 met “Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten”. Hij was o.a. werkzaam als medewerker van Vrij Nederland en N.R.C. Handelsblad.

Tegenwoordig woont hij in Portugal met zijn echtgenoot Charles Hofman.

Komrij schreef poëzie, romans, novelles, korte verhalen, columns, essays en toneelstukken. In 1999 publiceerde Gerrit Komrij een bloemlezing van Zuid-Afrikaanse gedichten ¨De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten¨.

Gerrit Komrij werd op de eerste Landelijke Gedichtendag op 27 januari 2000 gekozen tot ´Dichter des Vaderlands´. Hij zag af van deze ere-baan in 2004. 

 

Nu ben ik zelf oud, een getruffeerd karkas, een man die voor het eerst ten volle het gedicht begrijpt waarin wordt gesproken van “ziek van begeerte, en geketend aan een stervend beest” – en ik voel me een tijdgenoot van Hugo Claus, een reisgenoot, een familielid, van verre en met de hoed in de hand, maar familie. Jonge mensen worden naar elkaar toegezogen, magneetstof, oude mensen groeien tergend traag naar elkaar toe, een verbroedering die knarst en kraakt bij gebrek aan steigers, takels en brandstof.

Oud zijn is geen onverdeeld genoegen, om het mild uit te drukken – voor Hugo Claus moet de ouderdom speciaal onwelkom zijn geweest, want de zin van zijn leven was dat in de machinerie alle raderen liepen, alle ventielen zuchtten, alle wijzers uitsloegen, trillend op de rand van het alarmrood, en dat alle tandjes snel en venijnig in elkaar grepen.

Verval verbroedert en de dood maakt ons tot lotgenoten. Zandhappers zijn we, stuifsneeuw.

Maar naast de tijdloosheid en de stilstand van de ruïne zijn er de kalender en de chronologie, en dan besef ik dat Hugo Claus al een ster was toen ik op school zat. Op die leeftijd loopt er een onbegrijpelijk parcours van het ene jaar naar het daaropvolgende, tussen de generaties gaapt een kloof. “t Verschil tussen een baviaan en een kuiken is niets vergeleken bij het verschil tussen iemand die een ster is en iemand die zijn eerste letter nog moet publiceren.

Elke beginnende schrijver, elke nog-niet-schrijver die weet dat hij is gedoemd tot schrijven, kent een schrijvershemel waaronder hij opgroeit. Zoals een hond in een drukke winkelstraat, vol mensenbenen en karrenwielen en wandelstokken en dansende beren, onmiddellijk andere honden herkent, zo herkent een schrijver schrijvers.

Hij herkent ze aan zijn firmament als dwaalsterren, als snel uitdovende meteoren of als sterren van de eerste orde. Sommigen trekken uit dit primitieve gedrag, als men nog een aankomend schrijver is, de conclusie dat men voor de rest van zijn leven tot omgang met schrijvers is veroordeeld. Dat schrijvers een maatschappij op zichzelf vormen, ver buiten het mensengewoel. Maar het is heel goed mogelijk zich aan dit doemscenario te ontworstelen. Het is heel goed mogelijk zich verwant te voelen met karakters en mentaliteiten, ondanks het feit dat daar schrijvertjes aan hangen.

Ik ben opgegroeid onder een koud gesternte. De dominante literatuur van mijn studentenjaren was een literatuur van schoolmeesters, zelfbewierokers en krachtpatsers. Om schrijvers als Hermans en Reve, toch de bakens voor elke ambitieus aanstormend talent, hing een sfeer van bedomptheid, van afweer, van afgeknepenheid, van kom-niet-te-dicht-in-mijn-buurt en van jaloezie.

Ik heb het niet over hun literaire kwaliteiten, maar over het beeld dat aan ze kleefde. Er zat iets absolutistisch en dictatoriaals aan. Waar deze nieuwe goden hun stap hadden gezet aarzelde het gras om verder te groeien. Ze waren kinderen van de oorlog en ze waren gewend oorlogje te spelen.

Tussen die sterren zweefde ook Hugo Claus. Als je aan Hugo Claus dacht was ineens de benauwdheid verdwenen. Niets meer van een bang, hyperkritisch beloeren van de concurrent.

Alleen al de ruimte die hij schiep tussen het schoolmeesterschap en zichzelf werkte verademend. Niet de zweep, maar de koninklijke staf.

Ineens lucht.

Ik voelde het, al wist ik het niet precies op waarde te schatten. Aan de ene kant had je de monomane gifkikkers, de hooghartige eenlingen en de kostelijke betweters in hun zwarte strijd tegen een zwarte wereld, en aan de andere kant was er dat ongrijpbare beeld van iemand die weliswaar ook de boel aan zijn laars lapte maar die dat deed in vrijheid, in een verademende vrijheid, in een lichtwak van teamwork en overdaad. Zo”n kameleon had duidelijk zijn bekoring tussen de adelaars en ratelslangen. Het beeld was er, het beeld volhardde, ook al had de koudheid van de andere sterren mij bevroren. Ik moest nog ontdooien, en Hugo Claus was de oorspronkelijke vonk.

Het sluimerde in mijn onderbewustzijn: zo kon het dus ook. De benauwenis ontgroeien en het “ik” laten dansen. De geheven wijsvinger omtoveren van vogelverschrikker tot windvaan. Maar een kameleon vraagt moeite.

Mijn leeftijd en de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig smeekten om rechtlijnigheid. Ik voelde me verwant aan de kilheid van de waarheidsvinding en het sarcasme. Kritisch zijn was toen geen deeltijdbaan. Als Nederlander had ik bovendien een dwanghuwelijk gesloten met het schoolmeesterschap. Allemaal zonden waar ik zonder wrok aan terugdenk en met plezier in terugval. Maar dat het ook lichter en leugenachtiger kon, daar wilde ik nog niet openlijk aan toegeven.

Dat Hugo Claus, het werk van Hugo Claus, zijn wereldbeeld dat er niet was en er toch wel degelijk was, meer strookten met mijn eisen en temperament – er was een begin van een vermoeden, al had ik nog een paar stappen te nemen. Ik begon met ook kritisch jegens Hugo Claus te zijn. Maar door kritisch te zijn op Claus ontdekte ik mijn eigen waarheden.

Wanneer verscheen de roman Schaamte? Het zal begin jaren zeventig zijn geweest. Toen was ik een tijdje criticus, althans ik zeurde over boeken. Ik herinner me dat ik de roman op een gunstige en op een ongunstige manier bekeek, in een en dezelfde recensie.

Een teken dat Claus me al van de aanvang in verwarring bracht. Ik herinner me dat ik vertelde te beschikken over een waslijst met symbolische verwijzingen – allemaal in dienst van de ambiguïteit en de in academische kringen zo populaire gelaagdheid – en dat de lezer die lijst schriftelijk bij mij kon aanvragen. Ik voegde er bij de bundeling van mijn kritiek aan toe dat ik 123 brieven en briefkaarten had ontvangen met het verzoek om zo”n waslijst, “uitsluitend afkomstig van leraren Nederlands”. Vooral kwam mijn kritiek erop neer, als ik me goed herinner, dat Hugo Claus die verwijzingen er speciaal voor dat slag wijsneuzen instopte opdat die wijsneuzen ze er vervolgens uit zouden halen, ter meerdere glorie van hun wijsneuzigheid.

Hugo Claus houdt de duiders een bot voor, hij daagt ze uit, dacht ik. Langzaam groeide het inzicht dat Claus juist bezig was, bewust en onbewust, om de geleerde duiders en critici voor te blijven. Hij probeerde aan ze ontsnappen, in een vlucht zonder einde. Ze bleven nog trouwer aan hem kleven en hij probeerde ze nog harder van zich af te slaan. Dat was wat hier de doorslag gaf. Het werd een beklemmend schouwspel, voor wie er oog voor had.

Het verhaal van het vlindernet en de vlinder. Lucht & anarchie

Ik had wel meer aan te merken op Hugo Claus. Zijn schrijftechniek onderging ik als een uitwaaieren, een versnippering die me soms gratuit voorkwam. Ik was nog in de ban van recht-op-het-doel-af en de mus die nooit zonder romantechnische gevolgen van het dak kon vallen. Ik schreef daar vijf jaar later over, door de eerste alinea”s van de roman Jessica! uiteen te rafelen. “We klimmen als een luis in het schaamhaar van dit proza, als een luis met een loep in dit schaamhaar”, kondigde ik aan. Het voorbeeld van de schriftgeleerden werkte blijkbaar besmettelijk. Wat ik ontdekte waren voornamelijk incongruenties, stapelzucht en surrealistische barok.

Ik keek door een vergrootglas en had nog geen idee van het landschap.

Als critici een schrijver niet te pakken kunnen krijgen, als de schrijver niet gaat opzitten en pootjes geeft of niet beantwoordt aan wat hij volgens de critici eigenlijk geschreven had moeten hebben, raken ze snel geïrriteerd. Hugo Claus, de onverbeterlijke ontsnappingskunstenaar, kon daarvan meepraten. Steeds weer doet hij achteloos over de kritiek. Een titel als Wat bekommert zich de leeuw om de vlooien in zijn vacht spreekt boekdelen.

Er bestaan veel uitspraken in de trant van “ze zijn te lief voor mij” of “ik lijd eronder, maar niet langer dan twee minuten”. De onverschilligheid strijdt met de argwaan. Het kan de lezer niet ontgaan dat Claus dikwijls te achteloos doet en ook weleens te gretig protesteert. “t Is logisch, een voortvluchtige moet het hebben van de fixaties, van de momenten dat hij zich in die-en-die vorm manifesteert, anders is hij er helemaal niet. Fixatie of een compliment heeft-ie nodig. Anders blijft zijn schoonheid, ja zelfs zijn vlucht van punt a naar b onopgemerkt.

Kunstig verbergt Hugo Claus zijn gevoeligheid. Hij veinst onverschilligheid jegens zowel negatieve als positieve kritiek, zo gewiekst is hij wel. Tegelijk beseft hij dat ongrijpbaarheid geen onzichtbaarheid moet worden en lijkt hij de kritiek aan te moedigen. Hij prijst schriftgeleerde A (“jij bent de enige die het boek begrijpt”) om elders over dezelfde schriftgeleerde te zeggen dat hij er geen snars van heeft begrepen. Zo blijft hij als schrijver vrij. Eén netje is geen netje.

Ik heb Hugo Claus maar eenmaal ernstig ontdaan over een kritiek meegemaakt. Dat was toen iemand hem – de speler die altijd midden op het veld stond, al bepaalde hij zijn eigen spelregels – toevoegde dat hij eigenlijk niet meer meespeelde. Op zo”n moment sta je er met je talent om je overal uit te redden lichtjes belachelijk bij. Op zo”n moment tuimelt je hele tactiek in een zwarte kuil. Eigen spelregels, zowel de spin in het web zijn als het web zelf – dan heb je meteen een probleem met het overkoepelende stelsel van de literatuurwetenschap.

De literatuur volgt vaak braaf de kritiek, men kent het pijnlijke verschijnsel. Maar soms hobbelen de theorieën ook achter de literatuur aan. De oude indeling “poëzie, proza, essay” lijkt onuitroeibaar. Er bestaan prozaprijzen en essayprijzen. “Rudy Kousbroek, essayist, overleden” meldt de krant. Maar hoe lang al bestaan er documentaire verhalen, filosofische romans, epische gedichten, poëtische non-fictie, hoeveel treffende boeken verschenen er niet waarin de grenzen tussen “poëzie, proza, essay” werden opgerekt en doorbroken, waarin de draak werd gestoken met die versleten genres?

Uit welke grijze tijden stamt die genre-indeling eigenlijk? Alsof de column, de reportage en het beeldverhaal het landschap niet hebben veranderd, om van exotischer dingen te zwijgen. Toch blijft het bij de oude reflex. Nog altijd vertoont de literatuurkritiek zich aan de woedende wereld in hoepelrok bij gaslantaarn.

Zelfs “werkelijkheid” en “waar gebeurd” gooien weer hoge ogen. Op de literaire faculteiten proberen ze nog steeds antwoord te geven op de vragen van eergisteren. Hekken, scheidingen, vakken. Schrijvers van het type Hugo Claus ondervinden daar de meeste hinder van. Al op de startlijn staan ze op achterstand.

Voor Hugo Claus moest een nieuwe literatuurwetenschap worden uitgevonden.

Het is een terugkerend liedje in het verhaal Claus, maar het liedje wordt nog altijd onderschat. Praten over Hugo Claus betekent eerst oude misverstanden uit de literatuur opruimen. Dan pas is het de beurt aan de typisch Clausiaanse misverstanden. Zijn pendelen tussen roman en gedicht, toneel en beeldende kunst zou een versnippering zijn, een gebrek aan een centraal thema, luidt een van die misverstanden. Zijn ontsnappingszucht, zijn hang naar vrijheid, zijn lofzang op de leugenachtigheid en zijn paradoxale houding jegens de kritiek zou louter baldadigheid zijn, luidt een ander. Het ongeduld van een straatjongen die zijn hoofd niet bij de les kan houden.

Hoe meer ik van Claus las, hoe meer ik begon in te zien dat er systeem in zat, geen systeem dat onderdrukte of iets van doen had met politiek of macht, maar een systeem waarbinnen je lucht kon happen, alle kanten kon uitkijken, de wereld met nieuwe, onbedorven ogen kon zien.

Het belangrijkste werk van Hugo Claus moest toen nog komen. Maar de vonk was er. Plus mijn herinneringen aan Omtrent Deedee, een boek dat op mijn negentiende nogal indruk had gemaakt. Als ik aan dat boek dacht zag ik het. Door mijn geheugen dreef dan een vreemde gloed. De woorden waren verdwenen, maar ik zag duidelijk het gelaat van een engel, een vertrek, de bewegingen van een gezelschap.

Hugo Claus, zo begon je te erkennen, was al schrijvend niet met geneesmiddelen bezig, maar met de diagnose. Het ging hem om het spel, en om het verbergen van de bedoelingen. Door de meeste schrijvers word je bij de hand genomen, in het werk van Claus mocht je verdwalen. Je moest er veel zelf doen, maar daardoor groeide juist je waardering. En je groeide mee met het werk. Je dwaalde niet tussen richtingwijzers en dranghekken, maar door een machinekamer.

Ik had het over het koude gesternte waaronder ik opgroeide en over de sensatie van lucht en anarchie die me beving bij het horen van de naam Claus. Ik bedoel daar niet mee dat hij een flierefluiter was, of het karikaturale beeld vertegenwoordigde dat de Hollander heeft van de op roekeloos genot beluste zuiderling, altijd maar positief en blij qua smaakpapillen, hersenen en geslacht. Duisternis, conflicten en agressie genoeg bij Claus – hij werkte er alleen anders mee.

De keerzijde, de chaos en het nihilisme bracht hij niet als boodschap, ze maakten deel uit van zijn motoriek. Met de ideologen die nooit de soepelheid bezitten een zaak van meerdere kanten te bezien, dreef hij de spot.

Iemand voor wie niets vaststaat valt ook niet onder de gangbare moraal. Rechtlijnigen zijn de grootste moralisten. De burgerlijke moraal en de zedenpreek komen bij Hugo Claus niet eens heimelijk of in vermomde vorm om de hoek kijken – altijd is daar die, tja, onverminktheid.

Langzaam maar zeker kwam ik erachter dat juist alles wat Hugo Claus werd nagegooid en verweten zijn wereldbeeld uitmaakte, dat juist zijn vermeende zwakheden en onvolwassenheden neerkwamen op een tot het uiterste geperfectioneerde techniek om te overleven. Het kan met het perfectioneren van die techniek en met zo”n hit or miss-mentaliteit ook weleens grondig misgaan – en het gaat ook weleens grondig mis.

Een zekere meligheid, het te sterk leunen op collage- en montagetechnieken, je leest die dingen en je fronst het voorhoofd, maar hopla, je bent van een doodlopende steeg onmiddellijk weer beland op een brede avenue met ongekende mogelijkheden, of zie, je loopt weer met blote voeten op het kiezelpad. Nooit loop je je te pletter op een monoliet. Je verbazing over de energie en de voortdurende wisseling van decor verlaten je geen moment. “Op de mesthoop groeit de bloem”, luidde een van Claus” lijfspreuken. Je neemt de miskleunen organisch mee.

In de beste romans en de beste gedichten valt alles prachtig op zijn plaats. Wat daarbij indruk maakt, is de grote eenheid van leven en werk. Het promoveert Claus tot een schrijver voor je leven, en niet alleen voor je puberteit of je midlifecrisis. Ik heb wat moeite met dat “schrijver voor je leven”, een schrijver is geen bochel of eczeem, dus laat ik zeggen: een schrijver naar wie je zonder tegenzin terug kunt keren, terug wilt keren.

Altijd vind je wel een opening, of een uitzicht, of een inzicht. Vrij & veroveringszuchtig

Ik had nu met twee citaten voor de dag willen komen, zeer welgekozen citaten vanzelf. Ik dacht, dat staat geleerd. Dat staat deskundig. Geleerd en deskundig lijken wil iedereen. Toen dacht ik aan de Clausdeskundigen. Daar bestaan er een paar van. Ik ben geen Clausdeskundige. Ik heb hoogstens wat gefreewheeld door de plooien van zijn gebergte. Ik hoorde de wind al opsteken in de wenkbrauwen van de Clausdeskundigen als ik met mijn citaten zou komen aandraven. Ik kromp al bij voorbaat ineen onder hun strenge blik. Ik besloot niet met mijn twee citaten voor de dag te komen.

Waar het bij mijn citaten op neerkwam was het  volgende.

Eerst zou ik een voor Hugo Claus typerende alinea citeren. Dat is een alinea met regels die iets beschrijven, nevenstellend. Elke regel vertelt een nieuw verhaal, je begrijpt niet precies wat de samenhang tussen de regels is. Nog niet. De details zijn exact, zakelijk zelfs, maar onmiddellijk volgt een nieuw detail – bepaaldheden die zo tijdelijk zijn, zo vluchtig, dat ze op onbepaaldheden lijken.

Vervolgens zou ik een andere schrijver citeren, Elsschot misschien. Dat gaat dan zo: Er komt in de verte op straat iets aan. Het is donker en groot. Het komt snel dichterbij. Het verplettert de wandelaar. Oorzaak en gevolg, kortom. Je begrijpt de samenhang en er komt niet zomaar iets nog gekkers of een ongeleid projectiel tussenbeide.

Middelpuntvliedend tegenover lineair. Vulling tegenover skelet. Chaos tegenover logica. Het ongezegde tegenover de bewering. Claus kan – vrij en veroveringszuchtig als hij is – ook van het tweede procedé gebruikmaken, of beide procedés mengen. Het moment van toepassing verheerlijkend, dus hevig. Loslaten, vastbijten, loslaten. Het maakt het gedicht bij het sterfbed van zijn broer zo indrukwekkend.

Iedereen begrijpt dat de ongrijpbaarheid van Hugo Claus de meeste verdediging behoeft. Zo”n verdediging is niets als die niet door het werk zelf wordt geleverd. Geen deskundige kan daarbij helpen. Hoe meer Claus je tot je neemt, hoe beter je Claus gaat begrijpen. Die typische alinea”s van hem, dat is geen surrealistische barok, dat is pointillisme. Uit het geheel duikt iets op wat er niet echt staat. De samenhang is meer dan de details samen. Door het middelpuntvliedende karakter voel je het middelpunt als het ware. Wat uit de zogenaamde toevalligheden en onbepaaldheden opstijgt, is iets waarvan je soms schrikt. Het ongezegde wordt plastisch.

Claus maalt niet om interpretatie. Eigenlijk zijn alle critici hem even lief, mits ze zijn aanwezigheid aanvaarden. “Het thema van het boek is niet het boek” en “Het ding is belangrijker dan de catalogisering” – het zijn bekende uitspraken van Claus. Te vaak denkt men dat hij ook hier weer iets bij elkaar liegt. In de kunst is elke leugen een waarheid.

Claus lezend besef je vroeg of laat dat het bij dat ongezegde om iets gaat wat dan ook niet gezegd kan worden. Je voelt het, je ziet het, je ruikt het, maar je ontmoet het niet in de woorden.

Iets prenataals, van voor de geboorte van het denken. Alle mogelijkheden staan nog open. Zuiverheid en het huiveringwekkende van dat begrip. De Medusakop van de zuiverheid.

Volwassen worden en steeds meer boeken te hebben geschreven betekent zwaarder worden en zwaarder worden. Om de hoek loert de angst om te veel te wegen. Het wordt tijd voor tegengas. Voor tegenstribbelen, oplossen, verdwijnen. Wat voor volwassenen overblijft, de Medusa indachtig: de speelsheid nooit verliezen, de vrijheid om te kiezen bewaren. Niet volwassen worden. Geen houvast hebben, geen houvast bieden, dus zonder vrienden blijven.

Claus is een slangenmens. Hij neemt de zonderlingste houdingen aan en laat zich nooit langer dan een moment betrappen. Een levenshouding is dit, geen literatuuropvatting. Wat voor de alinea geldt, geldt voor zijn werk als geheel en geldt voor zijn leven. Dat hij zich zelf tegenspreekt, is maar schijn. Een bundeling van fragmenten uit de interviews die hij heeft gegeven heet Groepsportret.

Het is bijna een autobiografie en misschien de beste introductie tot zijn werk – een leven van eenheid in tegenstrijdigheid, een leven van voorblijven en op de vlucht slaan, een leven van niet vastgepind willen worden – niet door anderen en niet door zichzelf. Het antipodeschap als natuurlijke reflex. Het ongeneeslijke voyeurschap. En dan het wonder dat hij het ondanks de versnippering toch zo Olympisch heeft weten te houden. Door de elegante kracht van zijn persoonlijkheid of de brute kracht van zijn creatieve energie, wie zal het zeggen?

“Niets slijt waar alles steeds opnieuw begint.”

Sommige literatuur, zei ik, past alleen bij een fase van je leven. Op een dag sta je op en je hebt het gezien, je bent er klaar mee. Naar het werk van Claus groei je toe en naar het werk van Claus keer je steeds terug. Ik dank u.

© Gerrit Komrij

 

 

Pleidooi vir genadedood

Wednesday, February 10th, 2010
Sir Terry Pratchett

Sir Terry Pratchett

Genadedood is reeds ‘n algemene gebruik in sommige Europese lande, soos België byvoorbeeld. ‘n Persoon doen formeel aansoek daarvoor, dit dien voor ‘n regter en ‘n hofbevel vir “doodsbegeleiding” word toegestaan. So het Hugo Claus – wat Alzheimers onder lede gehad het – verlede jaar suksesvol aansoek gedoen en is daar op 21 Maart aan sy versoek om genade voldoen.

Die afgelope weke is daar nou egter ook verskeie aksies in Engeland om ook dáár genadedood gewettig te kry. Martin Amis was enkele weke gelede voluit in die nuus met sy oproep om “euthanasia booths” in Britse woonbuurtes. Daardie tyd is dit afgemaak as ‘n reklamefoefie vir sy pasverskene roman, The pregnant widow, wat in hoofsaak oor sy “pathologically promiscuous” suster handel.  

Nietemin, ook Sir Terry Pratchett het hom nou by dié aksie gevoeg. Pratchett, wat selwers aan ‘n vroeë vorm van Alzheimers lei, het dié kwessie aangespreek in sy Dimbleby-lesing. Sy pleidooi is vir ‘n regbank wat bestaan uit ‘n regter wat in familie-aangeleenthede spesialiseer, asook  ‘n geneesheer met ervaring in langdurige siektes. “If granny walks up to the tribunal and bangs her walking stick on the table and says ‘Look, I’ve really had enough, I hate this bloody disease, and I’d like to die thank you very much young man’, I don’t see why anyone should stand in her way,” het hy gesê en bygevoeg: “Choice is very important in this matter. But there will be some probably older, probably wiser GPs, who will understand. The tribunal would be acting for the good of society as well as that of the applicant – and ensure they are of sound and informed mind, firm in their purpose, suffering from a life-threatening and incurable disease and not under the influence of a third party. “If I knew that I could die, I would live. My life, my death, my choice.”

Oor sy eie siektetoestand het hy hom soos volg uitgelaat: “It is not nice and I do not wish to be there for the endgame.” Pratchett is ‘n ondersteuner van die Alzheimer’s Research Trust en het reeds ‘n bedrag van £500,000 ten gunste van navorsing geskenk.

Die volledige berig kan op The Guardian se webblad gelees word.

Na aanleiding van ons Blogfokus vandeesmaand plaas ek as huldeblyk aan Hugo Claus enkele strofes uit sy bekende liefdesgedig “Nu nog” onder aan vanoggend se Nuuswekker. (Die volledige vers kan hier gelees word.)

***

Op Wisselkaarten verwelkom ons vanoggend vir Alfred Schaffer wat sy eerste aflewering geplaas het. Lees gerus ook die onderhoud wat in die vroeë dae van hierdie webblad se bestaan met Alfred gevoer is. Dan het ons ook vanoggend nuwe inskrywings deur drie van ons gereelde bloggers: Carina Stander, Ilse van Staden en Johann Lodewyk Marais.

Sommer ‘n héle klomp nuwe leesstof om die skok van hierdie middel-in-die-week-dag te versag.

Mooi bly.

LE

 

Uit: Nu nog

 

I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?

VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.

VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.

XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.

XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.

XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
‘Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!’

 

(c) Hugo Claus (Uit: “Nu nog”) 

Poësie versterk breinkrag

Monday, November 9th, 2009
Gee jou kop vlerke

Gee jou kop vlerke

Nou ja, toe. Daar is dit wat ons altyd vermoed het, nou bo alle twyfel bewys deur ‘n groep sielkundiges wat aan die Universiteite van Dundee en St Andrews in Skotland verbonde is: Poësie versterk breinkrag. Volgens die betrokke sielkundiges genereer die lees van ‘n gedig véél meer oogbewegings as wanneer prosa gelees word; ‘n verskynsel wat met meer diepgaande gedagtegang geassosiseer word. Richard Gray van Scotland on Sunday, het dit soos volg gestel: “Subjects were found to read
poems slowly, concentrating and re-reading individual lines more than they did with
prose. Preliminary studies using brain-imaging technology also showed greater levels of cerebral activity when people listened to poems being read aloud.”

Dr. Jane Stabler, letterkundige en lid van die groep navorsers, beweer dat die ritmes en (rym)klanke van ‘n gedig latente prosesse in die brein her-aktiveer wat sedert die vroeë kinderjare daarin vasgelê is. Voorts dwing die gebruik van verstegniese aspekte soos assosiatiewe beeldgebruik die leser om meer noukeurig te besin oor dit wat gelees, of gehoor, word. “There seems to be an almost immediate recognition that this is a different sort of language that needs to be approached in a way that will be more attentive to the density of words in poetry,” het sy gesê en bygevoeg: “It may be because readers are trying to hear the words or recreate the imaginary event the poet has provided a script for.”

Hierdie ontdekking van andersoortige breinprosesse tydens die lees van poësie, veroorsaak dat die sielkundiges nou begin om poësie in te span in die behandeling van probleme wat veral met die geheue te make het, waaronder byvoorbeeld disleksie: “It certainly has implications for children who have certain difficulties, like in dyslexia where a rhyming deficiency could be compensated for by exposing them to more poetry,” het dr. Martin Fischer, nog ‘n lid van die span navorsers, onder andere gesê.

Ai. Nou hoop ‘n mens net dat die enkele onderwysers wat bogenoemde nog nie besef nie, hul holruggeryde tegniek van “eksamen-afrigting” sal laat vaar en eerder begin met die daadwérklike onderrig van poësie op skoolvlak. En dat die Groot Kinderverseboek dapper langs elke Bybel in ons land sal staan … Of wat praat ek alles? En wat van die “prosadigting” waarmee Charl-Pierre Naudé op sy blog mee doenig is? Hoe lyk dit – wil jy nie Lucas Malan se voorstel volg en ‘n eie, gunsteling prosagedeelte na digvorm oorhewel en vir ons stuur nie?

Vir jou breinprikkel plaas ek vanoggend “Ama tis” uit Gilbert Gibson se nuutste bundel. Lekker kopkrap. En onthou: Poetry gives you wii-i-i-i-ings!!!

***

Opwindende plasings gedurende die naweek is Nicol Stassen se voorwoord tot vanjaar Versindaba-gedenkbundel. Onthou – dié versamelstuk, asook die kaartjies vir vanjaar se fees, is reeds te koop … So, wat wag jy? Maak vroegtydig seker dat al jou reëlbreuke in plek is vir vanjaar se fees! Dan het ons ook De Contrabas se nuutste Nuusbrief ontvang met heerlike leesbrokkies oor onder andere Gerrit Komrij en Hugo Claus. Veral Hugo Claus se gedig “Nu nog” is ‘n moet lees. Ten slotte – nuwe blog-inskrywings is Melt Myburgh s’n met ‘n gedig oor Derek Jarman en Desmond Painter s’n wat ons weer met gedigte deur Tony Hoagland oorrompel. Ai, soveel dinge, soveel dinge …

Lekker lees aan alles en voorspoed met die week wat op hande is.

Mooi bly.

LE

 

ama tis

 

diehe reis ‘n lig en ‘n heil

virwie souek vrees?

diehe reis dietoe vlugvanmyl ewe

virwie vervaar dwees?

‘n droo mgaanver bys oos

wat er wat vallens

kuurt een my

hoë rop hoë rop

jaso os ‘n doods kaduwee

so os ‘n groe ndal:

 

© Gilbert Gibson (Uit: oogensiklopedie, 2009: Tafelberg)

 

Gedigte van muur tot muur

Thursday, August 20th, 2009
Jan Hanlo se gedig

Jan Hanlo se gedig

Die Bulgaarse hoofstad, Sofia, het met ‘n héél besonderse plan vorendag gekom om die internasionale aansien van die digkuns in hul stad te verhoog. Hulle het naamlik al die ambassades van die Europese Unie genader met die versoek dat elkeen ‘n gedig moet nomineer om teen die mure van bepaalde geboue in Sofia aangebring te word ten einde die stad te versier. “European poems on Sofia’s city walls send out a powerful message about Europe to Sofia’s citizens and visitors. The European Union’s strength is Unity in Diversity,” het Willem van Ee, die Belgiese ambassadeur in Bulgarye, gesê en bygevoeg: “Europe is about people, about citizens. And there are many differences between European member states and their citizens. Historical, cultural; our languages and alphabets. This makes the European project so exciting, colourful and dynamic.”

Nederland het naamlik ten gunste van ‘n gedig van Jan Hanlo besluit, terwyl die Belgiese ambassade twéé gedigte, naamlik ‘n franstalige gedig deur Odilon-Jean Périer en ‘n gedig deur Hugo Claus, Het weer, gekies het. Ander digters wat op dié manier vereer is, is onder andere Dante, Schiller, Eluard en Pessoa. Naas die teks in die oorspronklike taal, is daar ook vertalings in Engels en Bulgaars op die onderskeie mure aangebring. (Lees die volledige berig hier.)

Vir jou leesplesier plaas Nuuswekker vanoggend Hugo Claus se gedig hieronder.

Ten slotte – vandag is weer ‘n dag wat ons kan opstaan en hande klap: Carina Stander se langverwagte tweede bundel, “woud van nege en negentig vlerke” het gister by die winkels aangekom. En wat ‘n pragboek is dit nie! Haas jou dus na jou gunsteling boekwinkel en vra daarvoor; pleit selfs indien hulle dit nie het nie. Maar krý hom. Intussen kan jy jou verlekker aan die onderhoud wat Marlise Joubert met Carina gevoer het, asook die inligtingstuk hier by publikasies.

Lekker lees aan alles en mag jy vandag volledig vlerk wees …

Mooi bly.

LE

 

Het Weer

 

Hoe het weer was in het land zonder jou?
Eerst daalde er nevel
over de betonnen bergen.

Toen hing de zon als mist
over het paarlemoeren zand.

Toen bewoog de lucht
en werd klam als oksels.

En alom steeg de geur
van de grote dieren die niet bestaan,
tenzij in het geruis van je oor,
in het geritsel van je haar.

Zo was het weer daar zonder jou.
Je bent de luchtdruk en de dauw
en sneeuw in mijn schedel.

© Hugo Claus