Posts Tagged ‘Huub Beurskens’

Janita Monna. Vragen van alle tijden

Wednesday, May 7th, 2014

 

Huub Beurskens – Hotel Eden

 

Hotel Eden, wie wil er niet naartoe? Een paar dagen ontspannen in een paradijselijke omgeving, uitzicht op een tuin waar de zondeval zijn intrede nog niet heeft gedaan. Vanzelfsprekend kozen tal van hotels die naam.

Hotel Eden is ook de titel van de nieuwe dichtbundel van dichter, essayist, prozaschrijver Huub Beurskens, al worden bij dat terugverlangen naar de paradijselijke staat worden meteen ook enkele kanttekeningen geplaatst. Goed, sinds Eva van de appel snoepte staat de wereld er niet best voor: ‘Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht,/ dat we dol van woorden blijven dolen, kezen,/ pezen, moorden in heel de zelf aangerichte ravage’. Maar was het zoveel aangenamer toen God de mens liet geloven in een eeuwig leven? De slotregel van dit gedicht spreekt voor zich: ‘Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.’

De gedichten in Hotel Eden bieden uitzicht op als paradijselijk ervaren situaties, vaak vanuit een verrassend perspectief: hoe kan ‘jasmijn beroezend geuren zonder dat zelf te ruiken, vraagt de dichter zich af in een stadspark met paarsrode rododendrons en ‘parkdronkaards’ als orakelende goden. Struinend in Villa Borghese wordt de mens aangesproken door goudvissen.

Maar hoe overweldigend het natuurschoon, het besef van sterfelijkheid, van voorbijgaan van tijd en de onmogelijkheid opnieuw te beleven wat eens was, dringt zich altijd weer op. Ook in het intrigerende doorkijkje – met dank aan de schilders Caspar David Friedrich en Magritte –, van figuren op de rug gezien, waarin de dichter zichzelf en wat hij in voorbije jaren zag, herkent:

 

(…) en ik zie me voor een uitzicht

dat zich pas weer voordoet zoals het zich eens voordeed,

 

ongereproduceerd idyllisch, betoverend of groots, indien ik

met mij toen samen in zijn plaats sta of naast hem als mijn

eigen vriend, zijn arm die op mijn schouder rust.

 

Beurskens’ vragen zijn van alle tijden, hij spiegelt ze aan geliefde auteurs: Witold Gombrowicz, Nabokov, Pound en giet ze in zijn volstrekt eigen taal. Vol aanstekelijk rollend rijm – ‘liefst elk gedicht met sinterklaasrijm’ –, zwierige nieuwvormingen (‘meiweiglorie’, ‘vlinderwimpertippen’) en kantelende regelafbrekingen. In die allerminst sobere regels is hij nu eens persoonlijk, op het anekdotische af, dan meer afstandelijk onderzoekend en vrolijk constaterend ‘het universum is een prima instituut’.

Ooit bezwoer de dichter ‘godsdienstgodafvallige’ te zijn. In dit hotel wordt ‘Godalsdiezoubestaan’ opnieuw bevraagd. Bijvoorbeeld in het even breekbare als krachtige portret van een oude, waarschijnlijk dementerende moeder. Ze slijt haar dagen in een verzorgingstehuis en stelt zich steeds dezelfde vraag: “‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?”’ De zoon, zich realiserend dat zijn moeder vooral in een vroeger leeft, bedenkt dat die vraag weleens betrekking uit de catechismus zou kunnen komen. Maar als hij haar antwoordt: ‘Om God te dienen (…)’, komt ze scherp uit de hoek: ‘“Dat jij nog gelooft in dat gezemel.”’


EERSTE VRAAG

 

‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’ vroeg ze

telkens weer, in haar negentigste, rood

 

omrande oogjes vanwege het gebrek aan

traanvocht. ‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’

Amper nog in staat overeind te komen,

 

weinig eetlust meer. ‘Waartoe ben ik eigenlijk

hier?’ Hoe ik ook geduldig probeerde het

haar uit te leggen, drie, vier keer, dat ze al

jaren geleden niet meer zelfstandig wonen

 

kon, niet goed ter been, mijn geboortejaar

wist ze feilloos, maar niet dat waarin we

heden leefden, dat ‘diepblauw’ de kleur

van de deur van haar grootouderlijk huis

was geweest, maar niet hoe de verpleegster

 

heette die haar dagelijks waste en kleedde.

‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’ Tot ik met

een schrik dacht: wie weet is het geen vraag

van nu, maar een van toen en daar, de eerste

 

uit haar catechismus, die met de belofte

van een hemel, en antwoordde: ‘Om God

te dienen en daardoor hier en hiernamaals

 

gelukkig te zijn.’ Ze keek me er niet eens

bij aan: ‘Dat jij nog gelooft in dat gezemel.’

 

 

Huub Beurskens – Hotel Eden. Nieuw Amsterdam, 17,50 euro, 46 pagina’s, isbn 9789046815274

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Zie verder: NRC Handelsblad, Cobra.be 



Teenstrydige generasies

Thursday, April 14th, 2011
Omslag

Omslag

By die Nederlandse uitgewery Meulenhoff het daar onlangs ‘n besonder belangrike bloemlesing, De tegenstrijdige generatie, onder redakteurskap van Yves T’Sjoen verskyn. Wat dié boek interessant maak, is dat T’Sjoen die versplinterde groeperings wat sedert die 1970s in bykans alle digkunste ter wêreld geld, ignoreer en terugval op die haas uitgediende generasie-groepering; sonder om tematiese en stilistiese verskeidenheid in berekening te bring: “In De tegenstrijdige generatie zijn belangrijke Nederlandstalige dichters bijeengebracht die debuteerden in de jaren zeventig. Deze dichters, geboren tussen 1944 en 1954, zijn inmiddels gevestigde namen. Maar voor oeuvrebouwers en geleidelijk tot wasdom gekomen stemmen in het hedendaagse poëzielandschap, bestaat steeds minder kritische (en volgehouden) aandacht. Met deze bloemlezing krijgen deze dichters de plek die ze toekomt.” 

Yves T'Sjoen

Yves T

In totaal word 16 uiteenlopende digters in hierdie bloemlesing byeengebring, te wete: Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent. 

Volgens die berig by De Contrabas het Yves T’Sjoen hom soos volg hieroor uitgelaat: “[Er was] de vraag onder welke vlag de expositie moest worden gepresenteerd. Er werd eerst gedacht aan ‘Een bescheiden generatie’, maar dat klonk nogal geringschattend, want de dichters die tussen 1968 en 1984 hun eerste stappen op het poëzieforum zetten, zijn allerminst bescheiden te noemen. Ze zijn dan wel geen ‘omroepers van oproer’, hun dichterschap kan beslist niet als low profile worden omschreven. ‘De tegenstrijdige generatie’ leek beter te passen. (…) De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen. Het is mijns inziens het begrip ‘generatie’ zelf dat in deze titel geproblematiseerd wordt.”

En waarskynlik is dit die voorlaaste sin hierbo, “(d)e gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen”, wat ook die problematiek van ons eie groepie tagtigers onderstreep, aangesien hulle hulself ook nog nooit as “groep” beskou of aangebied het nie, en na alle waarskynlikheid as gevolg daarvan ook nie juis prominent in ons eie literêre geskiedskrywing gereflekteer word nie.

Nietemin, ter wille van volledigheid: Yves T’Sjoen se De tegenstrijdige generatie staan tans natuurlik ook in die spervuur vanweë die name wat volgens se benadering wél kwalifiseer, maar nogtans onbreek; digters soos Gerrit Komrij (gebore 1944, debuteer 1968) en Rob Schouten (gebore 1954,  debuteer 1978) word veral voorgehou as beduidende afwesiges.

Vir ‘n omvattende bespreking en beskouing van die digters wat hierin opgeneem is, kan jy gerus Chrétien Breukers se artikel gaan lees. As leestoegif plaas ek graag Luuk Gruwez se gedig “God skryf ‘n brief“, soos dit deur Hennie van Coller in Afrikaans vertaal is, hieronder.

***

Sedert gister het Marlies Taljard ‘n gedig van haar eie geplaas, terwyl Andries Bezuidenhout ‘n stuk oor Paul Celan en sy ikoniese gedig Todesfuge gelewer het.

Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

God skryf ‘n brief

 

Ek het dit nie gedoen nie. Dit was iemand anders.

Ek was toe net besig met die miervreter, kopererts,

en al die visse

in die Atlantiese oseaan.

Dit was tog sekerlik nie ek nie.

 

Ek was nie daar nie, watter dag!

Pas het ek Saturnus en Uranus se mane klaar,

of sowaar, ek moes tyd en taal versin

en titels vir die meeste van my handewerk.

 

Ek was pootuit, vind nêrens rus,

want slaap was nog nie geskape nie.

My oeuvre het in omvang toegeneem.

Veral die vrou het vreeslik sorg geverg.

Sy moes nog skouers kry en ‘n kapsel,

verliefdheid, mymeringe, moederskap.

En erogene sones waarvan ek weinig weet.

 

Ek het geen tyd gehad, watter dag!

Daar’s van my verwag deur hulle wat toe nog nie was

dat daar ‘n oerknal sou wees in die heelal.

En dan die regte volgorde, ja dit veral:

die proefbuisbaba en die tandestokkie,

die boorplatform en ook ekself.

 

Eintlik wou ek net sê, liewe vriend:

dit was beslis iemand van ‘n ander oorde,

‘n konkurrent met meer talent,

wat iets so salig en sagaardigs

geskep het soos die dood.

 

© Luuk Gruwez (vertaling: HP van Coller, Bandelose gedigte, 2007: Praag Uitgewers)

 

 

Om te kibbel met ‘n wit brood onder jou arm

Thursday, July 16th, 2009

 

Poeziekrant (Mei-uitgawe)

Poeziekrant (Mei-uitgawe)

Wat ‘n plesier is die Poeziecentrum in Gent se tweemaandelikse tydskrif Poeziekrant nie vir die poësieliefhebber nie! Want kan jy jou ‘n groter weelde indink as om weke lank te lees aan dié A4-grootte glanstydskrif met sy magdom leesstof? Pure onverdunde leesplesier, glo my! Met sy bykans 80 bladsye gevul met artikels, onderhoude, gedigte, resensies en vele ander wil-weet-dinge, raak jy regtig sommer vir baie ure verlore … So lees ek in die Mei-uitgawe van die tydskrif die vermaaklike onderhoud met Dirk van Bastelaere, Mijn biblioteek is mijn uitwendig geheugen, waarin hy onder andere uitvaar teen die vervlakking (kommersialisering) van die poësie wat hy die negatiewe ewolusie van die poësie noem. Hy het dit veral teen die “sirkusopset” van die Dichter des Vaderlands, asook die “stadsdichterscharade”. (Van Bastelaere is natuurlik een van die samestellers van die kontroversiële bloemlesing Hotel New Flanders. Lees gerus weer die Nuuswekker van 15 Mei indien jy dit gemis het …)

Maar wat ek persoonlik amusant gevind het, was die volgende beskrywing deur die onderhoudvoerder (Frank Pollet): Hij toont het boek World Poetry en roept ‘Kijk, welke twee Nederlandstalige dichters staan in dit boek? Kopland en Van Vliet. Ik wil niet weten wat een Egyptenaar over onze poëzie denkt!’ Van Bastelaere ageert tegen de beperktheid van dit soort beeldvorming. ‘Elke dichter opereert in een gigantische algemene, dat wil zeggen niet strikt literaire intertekst,’ zegt hij. ‘Je wordt beïnvloed van alle kanten.’ (Die boek hier ter sprake kan net die Vintage book of contemporary world poetry wees wat deur JD McClatchy saamgestel is en deur Vintage uitgegee is.)

Op sý webblad reageer Huub Beurskens soos volg op bogenoemde stelling: “Dirk van Bastelaere is beslist geen naïeve idioot. In een vraaggesprek, gepubliceerd in de nieuwe aflevering van Poëziekrant, maakt hij tussen het aanbieden en zelf verorberen van cent wafers door, zinnige opmerkingen … Ik wil dat onderstrepen. En ik wil er aan toevoegen dat elke dichter bijgevolg ook door gigantisch veel meer niet beïnvloed wordt. En bij dat gigantisch vele waardoor hij niet beïnvloed wordt, simpelweg omdat hij in onze tijd inderdaad door van alles en nog wat wordt beïnvloed, zou juist wel eens zoiets als ‘de Vlaamse poëzie’ of ‘de Nederlandse poëzie’ kunnen behoren, hoewel hij zelf in het Vlaams of Nederlands schrijft. Hij heeft wellicht heel wat meer en beters te doen dan zoiets als de Nederlandstalige poëzie bestuderen en bijhouden.”

Sug. Lyk my daar is op alle vlaktes maar windmeulens wat bestorm moet word. (Of is dit monsters?) Nietemin, geoordeel aan die enkele Afrikaanse digter (Breyten Breytenbach) wat in McClatchy se Contemporary World Poetry opgeneem is, doen ons dalk nie te sleg nie … Veral as ‘n mens in gedagte hou dat dit die beskikbaarheid van tekste in Engels is wat opname in ‘n bloemlesing van dié aard onderlê. (Die enigste ánder Suid-Afrikaanse digter in die CWP is Dennis Brutus.) Terloops, indien jy my blog-inskrywing oor hierdie publikasie gemis het, kan jy dit steeds hier te lese kry.

‘n Lekker dag vir jou. En kyk tog maar die monster deurentyd in die oog; hy verander weliswaar soms van taal en verhoog, maar sy intensie bly áltyd dieselfde: die verbrysling van hoop.

Mooi bly.

LE