Posts Tagged ‘Iets blijven strelen dat al dood is (Luuk Gruwez)’

Marc Tritsmans. Resensie: Iets blijven strelen dat al dood is (Luuk Gruwez)

Sunday, August 23rd, 2015

LUUK GRUWEZ. IETS BLIJVEN STRELEN DAT AL DOOD IS

De auteur: Won in 2011 met de bundel Studie van de schaduw de Herman de Coninckprijs en staat met niet minder dan zeven gedichten in Komrijs beroemde poëziebloemlezing. Is niettemin altijd een ‘stille’ dichter gebleven.

Het boek: Poëzie over de pogingen van de mens om koste wat het kost te blijven communiceren. Niet alleen met zijn medemens, maar met alles, plant en dier, dat onderdak vindt in de natuur.

ONS OORDEEL: Heldere poëzie, ondergebracht in een secuur geconstrueerde bundel met een aantal flonkerende gedichten.

Er zijn weinig dichters die middels de titel van hun bundel zo volmaakt de thematiek ervan kunnen resumeren. Tritsmans heeft daar één woord voor nodig: Aanrakingen. Een wel zeer synthetische, bijna voor de hand liggende titel. Je raakt iemand aan om te bewijzen dat je zelf net als de ander en het andere bestaat. Of het nu een mens, een dier of een boom is die je aanraakt. De dichter blijkt zelfs bereid een boom te omarmen en te beluisteren. Dat gedrag mag dan wel van een weirdo afkomstig lijken, als lezer accepteer je het vanwege de kitschloosheid van de dichtregels. Aanrakingen is een bundel over de onmogelijkheid van een volledig bevredigend contact. In het gedicht ‘Onder de linde’ staat de vaststelling dat een mens in zijn relatie tot de natuur uiteindelijk niets anders kan dan falen. Hij is in de loop der tijden namelijk een raar dier geworden dat zijn dierlijkheid goeddeels vergeten is of te vaak onderdrukt heeft. Onder zijn boom moet hij vaststellen dat bijen met hun ‘monotoon diep zoemen’ feilloos weten waarnaartoe, terwijl hijzelf ‘hulpeloos en onbegrijpend’ staat te dralen.

Tritsmans betreurt dit. Hij streeft van zijn eerste tot zijn laatste gedicht de superieurste  bekroning van aanraking na: ontroering. Ontroering is in al deze gedichten een fenomeen dat sterk met de natuur verbonden is. Zij heeft een grote besmettelijkheidsgraad. De dichter gaat op zoek naar de aanraking die het hevigst, het meest adembenemend en het meest onvergetelijk is. Dat is de eerste aanraking, zij die nooit meer kan worden herhaald, omdat de eerste steeds de meest intense is. Er is veel nostalgie aanwezig in deze gedichten, maar van een milde soort. Zij ontbeert de heftige energie van jongere jaren. In een gedicht over ouder worden lezen wij namelijk hoe extreme verlangens, ondanks hun imminente aanwezigheid, enigszins worden afgetopt.

Tritsmans, zo’n zeldzaam geworden natuurdichter, in het dagelijkse leven misschien niet voor niets milieuambtenaar, is de dichter van het erbarmen, van – om het met een beschimmeld woord uit te drukken – ‘schoonmenselijkheid’. Een doodenkele keer ligt die er te dik op. Mededogen heeft hij vooral wanneer hij de grens verkent tussen leven en dood. In deze bundel staan nogal wat gedichten over grenservaringen. Over een stervende haas die met veel toewijding, engelengeduld en met behulp van een zuigfles voor poppen verzorgd wordt. Over een overreden hond, die zelfs wanneer hij dood is, nog gestreeld blijft worden. Van zijn alzheimerende vader, die in een toestand van ‘logorroe’ zijn wartalige zegje blijft doen, wordt in verschillende gedichten afscheid genomen. ‘Een klein afscheid’ noemt Tritsmans het en inderdaad: veel vader om afscheid van te nemen, is er niet meer over. Het reservoir van diens herinneringen is langzaam leeggelopen. Toch roept de dichter hem na zijn dood weer tot leven, ook al heeft hij het gevoel dat hij nu zelf het roer in handen moet nemen, omdat hij voor de dood nu langzamerhand zelf in pole position komt te liggen. Net wanneer alles bijna voorgoed voorbij is, probeert hij het voorbije nog even aan te raken.

Want afscheid: daar gaat het hier uitgebreid over. Over al dat afscheid in de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld, die Tritsmans, terwijl men juist overal de Eerste Wereldoorlog uitvoerig herdenkt, treffend oproept. Het leven is één afscheid en afscheid is een grenservaring. De dichter is gefascineerd door dat rakelingse. Maar wat je aanraakt, raak je onvermijdelijk ook kwijt. Daardoor voelt hij de noodzaak om met alles wat leeft en geleefd heeft te verbroederen. Over de reeën die hij aan het bespieden is, lezen wij deze regels: ‘en zo graag had ik daar samen met hen/ aan dat malse jonge groen staan knabbelen/ maar ik durfde het hoofd niet meer te draaien/ het hoofd waarin nu zacht zoemde het geluk/ hier toch even van hen te zijn geweest’. Het wemelt hier overigens van alle soorten dieren en van bomen. Tegen beter weten in probeert de dichter een date met de hele schepping af te dwingen.

Maar wat een ‘vreemd dier’, realiseert hij zich, is toch de mens, ‘geen vacht en geen veren/ na een jaar amper in staat/ tot wat stuntelig bewegen/ geen ander dier komt/ met een lijf zo bloot/ zo onbruikbaar en onaf/ dit  bestaan ingedoken’! Het is alsof de mens het feit dat hij een schepsel blijkt dat een onvoltooide indruk maakt, maar zelf moet zien te compenseren met iets wat hier ‘vindingrijkheid’, zeg maar cultuur, wordt genoemd. Daardoor verwijdert hij zich evenwel vaak van zijn biologische identiteit. Maar op een mooie dag maakt een  adembenemende natuur tot grote voldoening van de dichter, het dierlijke in ons weer wakker: ‘(…) in juichende lente/ verliezen we soms onaangekondigd/ alle controle en willen we terug (…)’. En terug gaat ook Tritsmans, gepatenteerd romanticus. Hij beklimt als de bevlogen, Nijhoffachtige wandelaar die hij is, berg na berg. Het buitenland begint al buiten zijn deur. Hij struint landschap na landschap af. In de hoop dat hij ooit de plek zal kunnen betreden, waarvan hij vindt: Hier is het, hiernaar heb ik zo lang gezocht. Tijd voor een aanraking.

 

HOND

alles gebeurde tegelijkertijd: gierende remmen

een droge klap, snerpend gejank en stilte

en we zitten al op onze knieën rondom hem

op zijn zij in de bebloemde berm en uit zijn neus

 

komt een straaltje bloed en op kinderkracht

trachten wij hem helemaal weer naar huis

te dragen en ondertussen strelen we samen

zijn nog warme vacht en normaal zou hij toch iets

 

hebben gedaan, zijn kop naar ons toegewend

onze hand gelikt, het was onbegrijpelijk en dat

is het vandaag nog steeds: iets te moeten blijven

strelen dat al dood is en voorgoed dood blijft

______________________

MARC TRITSMANS
Aanrakingen
Nieuw Amsterdam Uitgevers, 61 blz., 19,95 euro.

© Marc Tritsmans / 2015