Posts Tagged ‘jan deloof’

Jan Deloof: Wat het geword van Peter Blum?

Thursday, February 3rd, 2011

 

Jan Deloof

Jan Deloof

Jan Deloof, geboren te Zwevegem op 7 mei 1930.  Gehuwd, drie kinderen, drie kleinkinderen. Studeert Grieks-Latijnse humaniora aan de Sint-Amandscollege te Kortrijk (1943-1949). Gepensioneerd sinds 1.2.1990.  Vroegere loopbaan: – feb.1950 – dec.1963: klerk bij de toenmalige Bank van Brussel, Kortrijk, – jan.1964 – jan.1990: werkzaam bij de N.V. Bekaert S.A. te Zwevegem, achtereenvolgens in overzeese export, management ontwikkeling, personeelszaken en algemeen secretariaat (secretaris directiecomité). Extra-professionele bezigheden: – redacteur van Ons Erfdeel (van 1968 tot 1994) en Septentrion, revue de culture néerlandaise (van 1972 tot 1994), – lid van de werkgroep van het literaire tijdschrift Kruispunt (vanaf 1985, tot opheffing tijdschrift in 2005), – werkte mee aan de Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie van Heideland (Zuid-Afrikaanse en Bretonse taal en literatuur).  Project afgewerkt. Mede-oprichter en voorzitter van ‘Amantine – Culturele en Heemkundige Kring van Zwevegem’ – vanaf 9 nov. 1995. Bekroond met Figuur van het Jaar 1994 in Zwevegem (toegekend door het plaatselijke Willemsfonds en de lokale Persbond) &  Priz Roparz Hemon 2007  (Bretonse cultuurprijs).

 

De titel van dit stuk is meteen de titel van een boek van J.C. Kannemeyer (Tafelberg-Uitgewers Beperk, Kaapstad, 1993, ISBN 0-624-03196-9) en roept oude herinneringen wakker die honderd procent overeenstemmen met het natte, grijze en toch van zonneschijn doorgloeide weer van de julidag waarop ik deze woorden neerschrijf.  Want ja, wat hét geword van Peter Blum?

Peter Blum

Peter Blum

De naam ‘Peter Blum’ leerde ik kennen via ‘Ons Erfdeel’, want in dat blad publiceerde hij een reeks pittige reisindrukken en anekdoten over de Lage Landen, met als titel “Twee oren om te horen” (1964) en “Vier ogen om te zien” (1965).  Zelf werd ik pas vanaf 1968 redacteur van ‘Ons Erfdeel’, maar ik was er eerder al een toegewijd supporter van.  De oneerbiedige, voor het blad niet meteen gebruikelijke toon van Blum viel me op en palmde me in: een originele buitenlander die ons doorhad en de draak met ons stak, dat leek me wel wat.  En dat hij het deed in zo’n raak en vlijmscherp Afrikaans!  Ik geef er slechts één voorbeeldje van, de rest is nog wel in oude jaargangen te vinden:  “Hoe godsdienstig is Vlaandere? skryf ‘n vriend aan my, “Soos hy voorgestel word, of meer? of minder?”  Vriend, skryf ek terug, Vlaandere is nog baie meer godsdienstig as wat die buiteland hoop of vrees.  Die laaste voorstadstasie van Antwerpen (as jy uit Brussel kom) heet Oude God; vir dié wat die Jonge verkies is daar ‘n Jezusstraat in die stad; donker bier heet “Trappist”; jy sal lekker eet by die Café het Heilig Huis in die Sint-Jacobstraat; en vlak by die suidingang van die O.L.V.-kerk (“Katedraal”) pryk daar ‘n urinaal in Oud-Frankiese styl waar ‘n man se stewels onder nog sigbaar is, en sy kop bo ook, sodat almal kan sien of hy sy hoed afhaal of nie.  Ja, vlak by die ingang links.  As dit nie bewys hoe druk en dringend dié kerk besoek word, weet ek wragtig nie wat dit bewys nie.”

Ik kwam er toen ook achter dat Peter Blum gedichten had gepubliceerd, vond er zelfs eentje van en bewerkte het meteen in het Nederlands.  Of liever, nee, in het Vlaams, want het sonnet van Blum was zelf al een bewerking – in Kaapse ‘bruinmenstaal’- van een van de honderden gedichten die Giuseppe Belli in zijn leven samenschreef in het dialect van Rome.  Zie je, Romeins dialect en Kaaps Afrikaans, dat kon toch niet in het Néderlands?  Vlaams dan maar.  Hier volgt alvast Blums sonnet in geheel zijn onovertreffelijke gaafheid:

 

Oor monnemente gepraat

 

Wat spog jul so met julle monnement?

Hy’s groot ma’ lielak, en hy staan so kaal

da’ op sy koppie.  Wie’t vir hom betaal –

al daai graniet en marmer en sement?

 

O ja, hy’s groter as ‘n sirkustent –

ma’ waa’s die pêd, die mooi nooi innie saal?

die lekka clowns, die leeus in hul kraal?

nei, daa’s g’n spôts nie vir jou Kaapse kjend!

 

Hier het ons stetjoes, elkeen soos ‘n mens:

ou Afduim-Murray, Hofmeyr met sy pens;

hier’s Jan van Riebeeck, bakgat aangetrek

 

in sy plus-fours; Cecil Rhodes wat jou wys

wa’ die reisiesbaan lê; en vorie Paalmint-hys

ou Mies Victoria met ha’ klein spanspek.

 

Voor een goed begrip laat ik hier een transcriptie in proza volgen:

Wat pochen jullie zo met jullie monument, daar in Pretoria?  Het is groot maar lelijk, en het staat zo kaal daar op zijn heuvel.  Wie heeft ervoor betaald, voor al dat graniet en marmer en cement?

O ja, het is groter dan een circustent – maar waar zijn het paard, het mooie meisje in het zadel, de plezierige clowns, de leeuwen in hun kooi?  Nee, daar is geen amusement te vinden voor je Kaapse kind!

Hier (in Kaapstad) hebben we standbeelden, stuk voor stuk op mensenmaat: de ouwe Murray die zijn duim kwijt is, Hofmeyr met zijn buikje; hier is Jan van Riebeeck, op zijn paasbest uitgedost in zijn wijde sportbroek; Cecil Rhodes die je de weg naar de hippodroom wijst; en voor het Parlementsgebouw de ouwe juffrouw Victoria met haar kleine meloen (wereldbol).

Je moet Zuidafrikaan zijn om de volle omvang van Blums sarcasme te kunnen meten, want vergeet het niet, hier is een Kaapse kleurling aan het afgeven op het blanke symbool bij uitstek, het Voortrekkersmonument bij Pretoria.  Alsof een Zaïrees migrant in Brussel een spotgedicht zou schrijven waarin hij de IJzertoren de ‘penis van Vlaanderen’ noemt.

Dat door en door Zuidafrikaanse gedicht gaf ik een Vlaams kleedje en stuurde het resultaat op:

 

         Zwevegem, 15 februari 1966.

 

Geachte Heer Blum,

 

Hierbij stuur ik U een zeer vrije bewerking van “Oor monnemente gepraat.”  De idee viel me te binnen bij het herlezen van “Twee oren om te horen” – Ons Erfdeel VIII ,1 pagina 69 Uncle Alfred  Daar gaan we :

 

Van stedeschoon gesproken

 

                           Vrij naar Peter Blum (maar die had het ook al van G.G. Belli!)

 

Ge moogt er nog van klappen, van uw reken

krotten met hun gat in ‘t water, zeg.

‘t Ziet zwart van de ratten aan de Rolleweg;

uw daken piepen; en uw goten leken.

 

Waar zijn uw azalea-bedden, waar de Leie,

waar de Darzen?  Kom, steek het uit uw kop,

uw Brugge is een kérkhof voor n’n echte Strop.

Daarbij, de Lieve stinkt niet lijk uw reien.

 

Kijk naar ONZE monumenten, maat:

de twee broers van Eyck in groot ornaat;

de Mammelokker op zijn hoog fronton;

 

Metdepenningen, de advokaat;

Artevelde; en, in volle straat,

Minne’s blote ventjes rond hun bron.

 

Ik wens U veel binnenpret en teken met de meeste hoogachting…

 

 

Ongelooflijk snel kwam er antwoord uit Londen, waar Peter Blum toen al een dikke vijf jaar verbleef (net als voor mijn eigen brief verander ik geen iota aan de tekst):

 

Londen, 17 februari 1966.                       Loodgrijs, warm, windstil.

 

Geachte Heer Deloof,

Hartelijke dank voor uw vertaling, niet van mij maar tog wel door mij ingegeven.  Ik zou graag zien dat iemand in de Horizontale Landen zich vertikaal tilt en in die grote Taljaanse dichter beLANGstelt.  Hem dalk ook vertaalt, en niet via De-Uwe.  Niet in extenso, want zijn sonnetten belopen over 2.000 en vullen 3 dikke delen in Vigolo’s magistrale uitgave; volksuitgaven heb ik nog niet gezien.  Misschien omdat men niet tot het volk mag behoren om hem te genieten: behoort men wel ertoe dan wil men niet eraan herinnert zijn: zo zijn de remmingen van de hedendaagse snobisme.  Dat geldt ook voor Edoardo di Filippo, ook de 3 dikke delen.  Er is grote herwaardering aan de gang in Italië: de “letterigen” dalen in aanzien, de “onbevangenen” stijgen.  In de romaanse talen is dat altijd nodig geweest.  En in Italië dreigde de muziek steeds om de taal te overwoekeren.

Uw verwerking is zeker even goed als de mijne.  Ik hoop ik mag enkele kritiekjes uitspreken zonder u door het hart te treffen.  Ik veronderstel het is gelegd in een Gentse mond?  ik onthoud de Van Eycks (waarvan een immers apokrief is), de andere figuren niet.  Dat is deels de schuld van Gents gedrongenheid, zijn smalle trottoirs, zijn gebrek aan parken, aan staan-en-gapen-ruimte.  Brugge (of Antwerpen) is zoveel gerieflijker voor de slenteraar!  (Steden van ca. 250.000 inwoners zijn de uitputtendsten: te klein voor rijden, te groot voor stappen.  Utrecht is nog zo’n voorbeeld.)  En zijn we eerlijk: in Gent stinken de waterwegen niet minder als elders.  Ik besef: de bewering is deel van de humor.

Ik zal u vers nog meer moeten lezen voor ik kan besluiten of partij regels minder “volks” zijn dan anderen: op eerste kijk verdenk ik 5-8, hoewel het “stinkt” zijn plicht doet.  En spreekt men een “maat” per “uw” aan?  Mijn oor voor Vlaams idioom is natuurlijk gebrekkig.  De ratten – zijn die niet overdreven?  ik ken de Rolleweg (’tis immers op weg naar’t Gezellehuis) maar heb nog geen ratten er gezien – dalk kruipen ze eerst na zononder uit?  En “ornaat”: gebruikt u dat voor wereldse kleren?  het klinkt mij te liturgies voor dit verband, maar dat is dalk via Duits.  Komend na “gat” en “stinkt” lijkt mij “blote” (r. 14) niet grof genoeg, en ik zou gaarne iets meer horen over Metdepenningen als dat hij  advokaat was: een uitermate suinige misschien?  Verder is uw sonnet prima.

Er is tog iets in mijn “Monnemente” wat in uw bewerking niet zijn gelijke heeft: (jammer als dat verwaand klinkt) – t.w. de  POLARITEIT  (ook ideologisch) tusschen Kaapstad en Pretoria.  Pretoria’s voortrekkerteebus is meer “denkmaal” als monument: het lijkt naar niets op aarde behalve het “Völkerschlachtdenkmal” bij Leipzig, en dateert al te pijnlik uit de tijdperk van de Boerkens hun uitzien naar samenwerking met Hitler.  Het balt de vuist, zweept op, wil de schrijn van een gefabriseerde heidendom zijn.  (Het tema van de wagenwielen rondom lijkt ontleend aan de Sjiwatempel te Puri, Indië!)  Het is een offertempel: “Ons vir jou, Suid-Afrika”; waarbij niet duidelijk wordt wie “wij” zijn; de spreker van ‘t vers, een Kaapse kleurling, voel zich te recht uitgesloten.  Hij offert niet – hij wordt geofferd.  Bij vergelijking zijn de Kaapse “stetjoes” klein en menslik: ze ballen niet de vuist, willen niet malle halfgoden zijn, geven zich eerder als gemoedelijke ooms, met genoeg zelfvertrouwen om ook soms belachelijk te zijn.  Derhalve de ideologische klimaks van mijn sonnet in regel 9.

Wou ik de polariteit omzetten dan zou ik (als subjunktieve Bellegie) misschien St. Jans of O.L.V. te Brugge (die lieve pandjeswinkelen van bondieuserie!) kontrasteren met, zeg maar, de Basilisk van Koekelberg. (Die is ook “groot maar lelik”.)  Of het stand- oftewel zitbeeld  van Godvreed de Boeljon te paard op de Place Royale (Brussel) met de zilverkoppen van paarden op de gevels van de Boucheries Chevalines  en  de levende paarden bij het St. Guidofeest te Anderlecht.  U kunt dus een tweede prachtige Belli-sonnet op een soortgelijk tema schrijven!  Mag ik hopen dat ik ze beide binnenkort in druk mag zien?  U heeft mijn zegen.

Ik merkte uw werk op in O.E. 9 (2) p. 136-7 (noot: het gaat om een bespreking van “Windroos – Verhale deur 10 Sestigers” onder de titel “Wat is een Sestiger?”).  Het trof mij als kritischer dan wat in O.E. de regel is.  Ons leuke Deleuke is  een beetje te veel diplomaat voor mijn smaak: hij ziet kritiek van medestamgenoten en hun literaire pogingen niet gaarne.  De schoolsheid is natuurlik nog groter vloek in Z.A. dan in Nederland (N of Z), omdat de bevolking nog kleiner is, en de zon de hersenen te veel bakt, zodat men daar eigenlijk niet graag leest – ook omdat men, indien Diets, de aansluiting aan enig deel van Europa heeft verpast en het dus patriotisch vindt om niet beLANG te stellen.  De uitgevers bestaan voort van schooluitgaven en niets meer: derhalve het gebrek aan stoutheid en vernieuwing.  (Men moet Wyklouw zijn en weinig toegankelijk voor zinsindrukken om “vernuwing in ons prosa” daar raak te sien!)  Men dicht daar alleenlik voor de bloemlezing, en baat slechts uit de letterkunde als men ze doceert en op grond van zijn “status” bloemlezingen mag samenstelen voor de uitgevers van schoolboeken.  Circulus vitiosus!

De kultus van “Sestig” is belachelijke grootpraterij: inderdaad was de letterkunde zedert 1920 niet zo schraal als nu.  Maar ik vrees dat geldt ook voor Nederland, waar niemand nu wil erkennen dat hij de “experimentelen” in 1950 prees.  Rabie is de oudste “belovende jongeling” die nog op aarde was!

Achtend-de-Uwe.

 

Ik moet nogal onder de indruk zijn geweest van die les in poëzie en die analyse van de letteren aan de Kaap.  Op 23 februari schreef ik al een (veel te) lange brief terug, die ik hier half moet overnemen om het latere antwoord van Blum begrijpelijk te maken:

Geachte Heer Blum,

Ik ben het zo goed als roerend eens met uw kritiek.  Niet alleen de (ideologische) polariteit Kaapstad-Pretoria heeft geen evenknie, maar bovendien is de opbouw veel minder  onafwendbaar.   Daarom geef ik zelf de voorkeur aan ‘Oor monnemente gepraat’ boven ‘Over stedeschoon gesproken’.  Het was een gekke inval van mij, meer niet.

Met de slotparagrafen van uw brief kan ik het moeilijk eens zijn.  Jef Deleu is niet zo kritiek-loos als u schijnt te denken.  Maar het doel dat hij zich met Ons Erfdeel stelt, maakt dat door te veel te kritizeren hij doodgewoon zichzelf overbodig zou maken.  Dat is ook met mij het geval.  Sedert zowat drie jaar schrijf ik over de Afrikaanse letteren.  En dat is oorspronkelijk gekomen omdat ik smoorverliefd ben op het Afrikaans als taal!  Maar moet ik nu in mijn besprekingen de Afrikaanse boeken afkammen en niets dan schimpscheuten ten beste geven?  Dan kon ik er wel mee ophouden.

Bovendien ZIE ik werkelijk iets nieuws in het jongste werk der prozaïsten: ik geloof niet dat een boek als “Die Ambassadeur” van Brink dertig jaar geleden in Zuid-Afrika denkbaar was.  Ook zijn “Orgie””  vind ik de moeite waard, evenals de romans van Leroux.  Met uw visie op Rabie ga ik akkoord.

In mijn besprekingen heb ik het daarbij zo goed als nooit over apartheid of wat dies meer zij.  Daar wordt al genoeg over gekletst, en ik wil eerst zelf zien wat er van aan is vooraleer mij uit te spreken.  Dus noch verdediging, noch aanval op dat terrein.

Dat is wat ik positief wens te doen.  Maar… een mens heeft nu eenmaal niet zichzelf gemaakt, en ik ben behept met een zeer relativerende geest.  Zodat de echt patriottische uitlatingen die mijn Zuidafrikaanse korrespondenten in hun brieven soms ten beste geven bij mij niet in goede aarde vallen.  Gezegden als “wij zouden liever zien dat onze regering Rabie en Brink deporteerde” kunnen mij ten hoogste onbedaarlijk doen lachen…

Er is dus wel degelijk in Zuid-Afrika veel wat mij aanlokt, en tezelfdertijd veel wat ik niet kan verteren.  In Vlaanderen echter ook, dus…

Ik zou mij wel gaarne aan een monografie over Peter Blum en/of André Brink wagen, en ik maak me sterk dat ik daar ook een uitgever voor vind.  Weet u soms of Peter Blum nog iets meer uitgegeven heeft dan “Steenbok tot Poolsee” en “Enklaves van die Lig”?  En zou die man er iets voor voelen meer feitelijke gegevens te verstrekken over zijn levensloop en toekomstplannen?

Wat vindt U hier van:

 

In Londen weet ik Bella zijn,

prinses die minder kuis is

dan haar man de kapitein

die nooit een avond thuis is.

 

Hij, houdt overmatig van de kroeg;

en zij, van Nederlanders

zonder moeite: ‘t is genoeg,

maar taalgevoel is toch wel anders;

 

die tong van jou is pure regelloosheid.

Maar wat?  Je zou weerbarstig zijn,

mevrouw, terwijl je in de ordeloosheid

van het bad nog tweemaal mooier schijnt?

 

Origineel van Paul-Jean Toulet :

 

A Londres je connus Bella,

princesse moins lointaine

que son mari le capitaine

qui n’était jamais là.

 

Et peut-ˆtre aimait-il la mangue

mais Bella, les Français

tels qu’on le parle: c’est assez

pour qui ne prend que langue;

 

et la tienne vaut un talbin.

Mais quoi?  Rester rebelle,

Bella, quand te montre si belle

le désordre du bain?

 

Zoveel jaren later voel ik me ongemakkelijk bij mijn toenmalig gebrek aan inlevingsvermogen.  Wie was Blum en wie Toulet?  En dan die ondoordachte voornemens!  Ik leek wel een adolescent naast die volwassen, veel  wetende en onvervaard oordelende Blum, al was die dan niet meer dan vijf jaar en drie dagen ouder dan ik.  Maar ik had nog vrijwel alles van Zuid-Afrika en de Zuidafrikaanse literatuur te leren.  Toch moet het spelletje Peter Blum enigszins hebben beziggehouden, want in minder dan geen tijd kwam er weer een brief:

 

      London, 28 februari 1966.

Geachte heer Deloof,

Dank u wel voor uw brief van 23 dezer.  Ik aanvaard u verduidelijkingen i/s het sonnet zonder voorbehoud.  Een vraag is bij mij niet altijd een kritiek – meer dikwijls een prikkel.  Voor mijn smaak kunt u gerust nog zo’n paar sonnetjes vertalen en/of zelf kreëren: zij het u geopenbaard dat niet alle “Kaapse sonnette” in Belli te vinden zijn.  Partij zijn ook oorspronkelijk van inhoud hoewel niet stijl.   Welke dat zijn moeten wij overlaten aan de “navorsers” van de toekomst, indien ze zullen bestaan.  Dat “uw” ook intiem kan zijn had ik moeten weten, maar ik ben slachtoffer van een Afrikaanse opleiding, dus te excuseren.

Ja, ik vrees mijn smaak is konservatief: voor mij bestaat er geen Franse poëzie na Apollinaire meer, geen Duitse na Rilke, geen Nedl. na Achterberg, geen Engelse na Auden, geen Afr. na Blum.  U moet me dus ook verschonen als ik niets kan zeggen over uw vertaling van Toulet, die zeker knap is; maar het oorspronkelijke gaat aan mij voorbij.  (Vandaag heeft de Franse lit. niet veel om de lijf: een experimentje volgt het andere, maar gene slaagt.  Beuzelachtigheden allemaal.)

‘ku Wel voor uw vrijmoedigheid i/s Deleu.  Ik begrijp de noodzaken aan die O.E. hem onderwerpt, maar het punt is juist dat ik mij niet in zo’n mate met O.E. kan vereenzelvigen.  Hij en ik wantrouwen elkaar: ik probeer het ogenblik te berekenen wanneer hij zal schrijven “U gaat nu te ver!” over iets in mijn reisstukken.  U geeft mij de gelegenheid mijn eigen houding tegen Z.A. te definiëren: ik doe het hier.

Ik heb Z.A. voor goed verlaten, ben dus niet beschikbaar voor  “kultprop” ten behoeve van Afr. taal, volk, of bewind – ze zijn bezwaarlijk te scheiden!  De zg. “apartheid” is maar EEN simptoom van wat met dat land verkeerd liep en loopt; voor mij was het niet de vernaamste rede voor het vertrekken, en ik houd me dus niet bezig met “anti-ap.” propaganda.  Zeggen wij: ik vond EEN Dietse gemeenschap te eng voor mij, en ik heb een sterk vermoeden dat ik de andere twee ook te eng zou vinden, hoewel niet om dezelfde redenen.  Kleine volken hebben sterke geestelijke nadelen: voor mijn brein bieden ze te min “zuurstof” (“geestelijk” verstaan!).  DAAROM wil ik ook niet in de Lage Landen “beroemd” zijn: DAAR zijn de schilders wel beroemd, de schrijvers hoogstens berucht, maar meestal net… obskuur.  Hard en eerlijk gezegd:  ik geloof eigenlijk niet dat de L.L. een goed publiek zijn of hebben – hun leefwijze is zindelijk maar… antiliterair.  DAAR word altijd zoveel opgeofferd aan de gemoedsrust – ik kan dat niet, ik ben daar overbodig met mijn terg- en kwelgeest.

Ik beschouw me dus als mislukt schrijver (niet bloot dichter: ik meen ik was tot groters in staat als rijmpjes) – maar meer uit sociaal-geografisch-historische redenen als uit zielkundige.  “Talent” is immers een zeer onwetenschappelijk begrip: sociale KANS is een groot deel ervan, een deel dat in alle Nederlanden (N, Z, O of W) niet bestaat.  Dus WROK ik ook altijd zo’n beetje tegen de zg. Dietse volksstam die me geen baantje in de letteren .,kon bieden maar mij nog steeds lastig valt met verzoeken om mijn werk te vertalen, te bloemlezen, te illustreren met portretten en autobiografische paraafjes, en zo meer.  (Dit para. kunt u ‘n beetje afwateren voor Deleu en hem meedelen, anders begrijpt hij mij niet!)  (Noot: Jozef Deleu was materiaal aan het verzamelen voor een kleine bloemlezing Afrikaanse poëzie)  Vooral aangezien die bloemlezers en andere “kompielers” (als ik ze angliserend noem) tog wel hun randjes en frankjes eruit maken – maar op grond van hun “gezaghebbendheid” die ik niet als gezag erken omdat ze onkreatief en dus parasitisch is.  (Ziehier ook de rede waarom ik niet met de Vlamingen anti-Frans of -frankofoon kan zijn: wat de Franse zonden ook mogen zijn: ten minste onderhoudt dat taalgemeenschap zijn kreateurs en oogst ermee mijn eerbied.)

Eilaas!  nu is die brief zo onvriendelijk geworden.  En ik wou het tog vriendelijk omdat ik u werkelijk verfrissender vind als de meeste stamgenoten.  Ik moet sluiten door u sterk af te raden van uw “projekt” van een monografie over mij.  U zult wel een uitgever vinden, vooral indien uw zelf uitgever bent (noot: een allusie op de uitgave in eigen beheer van “Recitatief van en voor twee stemmen”); maar dan tog liever over Driesie (noot: A.P.) Brink: hy heeft wel een baantje gekregen en kan dus aangaan met schrijven.  Of over Fanie le Roux (noot: Etienne Leroux): hij heeft een “skaapplaas” van zijn pappie de oud-minister.  U ziet: het gaat zoals bij Monte Carlo: men moet slechts zijn jetons goed placeren.

Zo hartelijk als het gaat de uwe.

 

De twee vellen verdediging van de Nederlandse cultuur die ik Blum op 10 maart 1966 toestuurde moeten zijn meewarigheid hebben opgewekt.  Maar iets heeft hem ook mateloos geërgerd en dat was vermoedelijk de volgende alinea, plagerig bedoeld maar in de grond vreselijk provocerend:

“Ik ben begonnen aan een kort artikel over uw dichtwerk, voor “De Gazet van Antwerpen”: dat kunt U mij lekker niet verhinderen, aangezien een eenmaal gepubliceerde dichtbundel niet kan onttrokken worden aan het schrijfinstinkt van welke recensent dan ook.  Het is met tijgergenoegens dat ik er aan werk!  En ik ZAL er inderdaad een kleine stuiver aan verdienen, genoeg voor een drietal nieuwe boeken.”

Dat is hem in het verkeerde keelgat geschoten.  Voortaan was ik voor hem “so’n koppige Deloof darem” (zie Ons Erfdeel  1995/2, p. 254).  Ik had bepaald niet verwacht dat zijn reactie zo hevig zou zijn.  Op 15 maart schreef hij aan Gazet van Antwerpen :

“Uit West-Vlaanderen verneem ik dat er thans gewerkt wordt aan een kort artikel over mijn (“Afrikaans”) dichtwerk.

Hiermee wil ik het sterkst protest aantekenen ertegen en u dringendst verzoeken om van uw plan af te zien, en het stuk van Mr Deloof NIET te publiceren.  Het gaat tegen mijn uitdrukkelijke wensen en daarbij zijn mijn twee bundeltjes door kopierecht beschermd.

Het kan ook niet beweerd worden dat zo’n artikel een “recensie” zou zijn, aangezien de twee boekjes resp. in 1955 en 1958 te Kaapstad verschenen.

Als ik zo “onmisbaar” ben, dan is dat een testimonium paupertatis voor “die Afrikaner” en zijn letterkundeken.

Ook schuldt u uw lezers de inlichting dat ik Zuid-Afrika reeds 6 jaren gelede uit walging verliet, geen banden ermee  meer heb, en mij onttrokken heb aan het hele letterkundig gedoe daar en elders.

Achtend de uwe,®                           get. Peter Blum”

 

Gazet van Antwerpen heeft mijn recensie op 4 oktober 1966 dan toch geplaatst.  Blum had ook geen juridische poot om op te staan: de bundels waren nog in de handel en, zo lees ik nu bij Kannemeyer, pas in de jaren zeventig heeft Blum via zijn bank aan zijn uitgever in Kaapstad laten weten “dat hy geen tantième meer van hulle wil ontvang nie.”

Peter Blum antwoordde niet meer op mijn brief van 10 maart 1966, maar schrapte me niet in zijn adressenlijst.  Hij bestookte allerlei mensen toentertijd met sarcastische kaartjes en die bleef ook ik ontvangen.  Het plezierigste voorbeeld was afgestempeld in Chiswick op 1 oktober 1966.  Niet de inhoud was zo ongewoon, maar zijn practical joke met het adres:  Blum vermeldde geen straat en schreef ‘Zuypegem’ in plaats van ‘Zwevegem’, en dat in een tijd dat er nog geen postcodes bestonden.

Ik kan moeilijk geloven dat ik in West-Vlaanderen zo bekend was of ben dat de eerste de beste postman bij het zien van mijn naam en de aanduiding ‘Stenen Molen, Zuypegem, W.-Vl.’ meteen gezegd zal hebben: “O, dié?  Dat is toch die jongen van Zwevegem?  Je weet wel, bij de Stenen Molen rechts, en dan de tweede straat links.”  Zo beroemd was in zijn tijd alleen Stijn Streuvels, en dan mocht hij nog niet eens zijn echte naam gebruiken.

Ik vind het een prachtprestatie van onze post dat Blums kaartje op het juiste adres werd afgeleverd.  Want ik kan evenmin aannemen dat mijn dorpsgenoten de reputatie hebben meer bier te verbruiken dan de rest van de  Westvlamingen.

Daarna was het echter uit met de pret.  Op 4 oktober verscheen de recensie in   Gazet van Antwerpen en die heeft definitief een einde gemaakt aan onze briefwisseling.

Ruim een kwarteeuw later ken ik nu via Kannemeyer het vervolg van Blums verhaal.  Nu blijkt dat Peter Blum op 5 december 1990 gestorven is in Londen (West Middlesex Hospital), waar hij het laatste decennium in vrij troosteloze omstandigheden doorbracht.  En nu blijkt ook dat  onze dichter heel veel onwaarheden over zichzelf de wereld heeft ingestuurd; “baie leuens wat hy vir die lekkerkry vertel het,” schrijft Kannemeyer.  “Hy wou nie graag oor sy verlede praat nie, en soms het hy teenstrydige of doelbewus foutiewe inligting verstrek.”  Zo werd Blum waarschijnlijk niet in Triëst geboren, zoals algemeen werd aangenomen, maar ergens in Oostenrijk (Wenen?).  Zijn vader is niet om het leven gekomen in een verkeersongeval in Brakpan, zoals Blum ooit beweerde, maar in een Johannesburgse inrichting voor geestesgestoorden.  En een incestueuze verhouding met zijn moeder zal wel enkel en alleen in de fantasie van de zoon hebben bestaan.

Blum en zijn vrouw, de Zuidafrikaanse Hetta Smit, verlieten Zuid-Afrika op 18 mei 1960.  Hij was net 35 geworden.  Hoe ingewikkeld zijn verhouding was tot het land dat hij verliet laat zich raden uit zijn hierboven geciteerde brief van 28 februari 1966.  De werkelijke reden van zijn vertrek achterhalen is dan ook niet mogelijk.

Allicht waren er heel veel redenen samen.  Kannemeyer noemt onder meer: het onthaal van zijn twee dichtbundels, door verschillende vooraanstaande critici geprezen, maar ook door een behoorlijke groep bekrompen penneridders verguisd; moeilijkheden om de tweede bundel gepubliceerd te krijgen; angst voor politieke onlusten in Zuid-Afrika, want Blum wilde zijn nomadisch verleden niet nog eens overdoen… Maar vooral het feit dat hij het Zuidafrikaanse staatsburgerschap niet kreeg, ondanks aanvragen in 1948 en opnieuw in 1959, een jaar voor zijn vertrek.  Dit laatste werpt een schril licht op Blums tweeslachtigheid in deze aangelegenheid: had hij dat staatsburgerschap wel gekregen, dan was hij wellicht nooit weggegaan en was hij misschien poëzie in het Afrikaans blijven schrijven en uitgeven.  Maar het is allemaal anders verlopen.

In Londen mijmert Kannemeyer: “Wat ‘n mens egter bybly, is die triestige van dit alles: dat iemand soos Blum met sy groot talent en geweldige intellek twaalf jaar lank in hierdie haglike omstandighede moes woon, saam met mense wat vir hom geen geestesgenote kon wees nie.”

En terug in Kaapstad besluit hij: “Op 18 Mei 1960 verlaat hy en sy vrou Suid-Afrika om nooit weer terug te keer nie en daarmee verloor die Afrikaanse letterkunde een van sy skitterendste talente.  Blum se vertrek was die grootste enkele verlies wat die Afrikaanse literatuur tot op datum gely het.”  (‘Rapport’ , 16 mei 1993)

 Hoe groot  het verlies was voor Blum zelf, wie zal het ooit weten of  meten ?

 

(c) Jan Deloof (Een tekst uit 1995)

 

 

Daniel Hugo. Hoe vertaal ‘n mens Kaaps?

Sunday, January 30th, 2011

 

Inleiding tot‘n Adam Small vertalingsgesprek. Dit het deel gevorm van die “Jakes Gerwel Gesprekkereeks” van die jaarlikse Suidoosterfees en het plaasgevind by SASNEV op Donderdag 27 Januarie 10:30 tot 12:30 onder die voorsitterskap van dr. Daniel Hugo. Die ander deelnemers was prof. Ilse Feinauer, Robert Dorsman en Ria Olivier. 

Ek wil hierdie gesprek oor vertaling begin met ‘n stelling wat ek doelbewus ekstreem gaan formuleer: Vertaling het in die eerste en laaste instansie met taalregister te doen. Taalregister dui op die graad van formaliteit van die taalgebruik – met ander woorde of jy te doen het met kanseltaal, akademiese taal, koeranttaal, geselstaal, kroegtaal, kindertaal, ensovoorts. Voordat ‘n mens dus kan vra “Hoe vertaal jy Kaaps?” moet jy eers die vraag beantwoord: “In watter situasies word Kaaps gebruik?” Of kortom: “Wat is die status van Kaaps?”

Adam Small

Adam Small

Hieroor het Adam Small uitgesproke idees gehad. In die voorwoord tot die herdruk van sy opspraakwekkende en invloedryke digbundel Kitaar my kruis (1962) skryf hy in 1973 (HAUM, Kaapstad): “Ek wil net sê, by herhaling (want ek moes dit, na die verskyning van Kitaar my kruis, meermale reeds onder die aandag bring), dat Kaaps nie is wat sekere Engelse mense in Suid-Afrika Capey noem nie, en ook nie wat sekere Afrikaanse mense Gamat-taal noem nie. Kaaps is ‘n taal, ‘n taal in die sin dat dit die volle lot en noodlot van die mense wat dit praat, dra: hulle volle lewe ‘met alles wat daarin is’; ‘n taal in die sin dat die mense wat dit praat, hul eerste skreeu in die lewe skreeu in hierdie taal, al die transaksies van hul lewens beklink in hierdie taal, en hul doodsroggel roggel in hierdie taal. Kaaps is nie ‘n grappigheid of snaaksigheid nie, maar ‘n taal.”

Volgens Small is Kaaps dus ‘n volwaardige, selfstandige taal – wat by implikasie duidelik onderskei kan word van gestandardiseerde Afrikaans.

Volgens hom word dit ook in elke lewensfeer gebesig. Hier moet ek ongelukkig van hom verskil, aangesien Kaaps in ‘n redelik beperkte mate geskryf en gepubliseer word. En soos dit met ander sprekers van Afrikaans gaan, sal die meeste transaksies van Kaapse sprekers sekerlik in Engels geskied. Dit doen uiteraard geen afbreuk aan die uitdrukkingsvermoë van die taal nie. Dit kan inderdaad die “volle lewe” uitsê.  

Selfs as ‘n mens Kaaps ‘n dialek noem, doen jy nie afbreuk daaraan as ‘n volwaardige taal nie. Net so min as wat die digter Guido Gezelle se Wes-Vlaams armer of yler as gestandardiseerde Nederlands is, net so min is Kaaps minderwaardig teenoor Afrikaans. Om die waarheid te sê: vir die spreker van ‘n gestandardiseerde taal klink die dialek dikwels kleurvoller en sappiger as sy eie taal. En van “kleurvol” en “sappig” is dit ongelukkig ‘n klein treetjie na “grappig” en “snaaks”.

Al is ‘n dialek soos Kaaps ‘n volwaardige taal, bevat dit tog groot uitdagings vir die vertaler – groter uitdagings as wanneer daar van een standaardtaal in ‘n ander standaardtaal vertaal word. Die rede hiervoor, myns insiens, is dat dit makliker is om die spesifieke register by verskillende standaardtaalvorme vas te stel en in ‘n ooreenkomstige register in die doeltaal weer te gee, as in die geval van ‘n dialek. Ek gee ‘n voorbeeld. As ‘n tienerkarakter in ‘n Afrikaanse boek sy of haar taal deurspek met Engelse woorde, weet die vertaler dadelik dat hy met informele taalgebruik te doen, dit wil sê met sleng of ‘n sosiolek, wat dan op ‘n ekwivalente informele wyse in die doeltaal weergegee moet word. Kaaps bevat ook ‘n groot persentasie Engelse woorde en uitdrukkings, maar dit is – soos Adam Small so nadruklik uitgewys het – nie noodwendig informele of grappige taalgebruik nie. Ongelukkig is daar baie min vertalers wat die presiese register van dialektaalgebruik kan bepaal.

Peter Snyders

Peter Snyders

Daar is vertalers wat dit maar al te goed besef en daarom nie eens ‘n poging aanwend om ‘n egte vertaling van literêre dialektekste te maak nie. Hulle oplossing is dan om slegs die betekenisinhoud in ‘n neutrale standaardregister weer te gee, langs of onder die oorspronklike teks. Dit is wat die Vlaamse vertaler Jan Deloof byvoorbeeld gedoen het met ‘n keuse van Kaapse gedigte uit Peter Snyders se oeuvre, wat in 1996 verskyn het onder die tweetalige titel Verzachtende omstandigheden. Versagtende omstandighede. (Point 36, Germaine Droogenbroodt, Altea, Spanje) In sy “Woord vooraf” sê hy dat Snyders se taalgebruik ‘n wesenlike kenmerk van sy gedigte is. (Terloops dié uitspraak geld vir alle poësie: die unieke taalgebruik is altyd die wesenlike kenmerk daarvan.) Deloof gaan voort: “Dat is de reden waarom de originele gedichten in deze publikatie vergezeld gaan van Nederlandse transcripties, die enkel en alleen de bedoeling hebben het origineel beter toeganklik te maken. De lezer gelieve de transcripties niet als vertalingen te beschouwen, want voor mij is vertalen uit het Afrikaans zoiets als Gezelle omzetten in standaard-Nederlands.”

Ek gee graag ‘n voorbeeld van Deloof se werkwyse na aanleiding van Peter Snyders se gedig “Of hoe?” Snyders se gedig klink só:

 

                   Moetie rai gammattaal gebrykie;

                   dit issie mooi nie:

                   dit dieghreid die coloured mense –

                   of hoe?  

 

                   wat traai djy

                             om ‘n coloured culture te create?

                   of dink djy is snaaks om soe te skryf?

                   of hoe?

 

                   Traai om ôs lieweste op te lig;

                   ôs praat mossie soe nie …?

                   of hoe?

 

En hier is Jan Deloof se “transkripsie”:

 

                   Of niet soms?

 

                   Schrijf toch niet dat koeterwaals (= gebrabbel);

                   dat is niet mooi:

                   het haalt de kleurlingen omlaag –

                   of niet soms?

 

                   Wat probeer je toch

                             een kleurlingcultuur te creëren?

                   of denk je dat je grappig bent

                             door zo te schrijven?

                   of wat?

 

                   Probeer liever ons te verheffen;

                   we praten immers niet op die manier …?

                   of wel soms?

 

Hierdie “transkripsie” is natuurlik nie naastenby so treffend, so sappig, so kleurvol as die oorspronklike nie. Deloof het sy beperkings as vertaler besef en hierdie uitweg gekies. Maar dit lewer ‘n bloedlose produk op wat skaars as ‘n gedig deur die doeltaalleser beskou sal word – selfs al bied hy sy Nederlandse weergawe in dieselfde versvorm as Snyders aan.

Jan Deloof

Jan Deloof

Dit is interessant dat Deloof in die aangehaalde passasie uit sy voorwoord Peter Snyders se Kaaps en standaard-Afrikaans oor dieselfde kam skeer, as hy sê: “… voor mij is vertalen uit het Afrikaans zoiets als Gezelle omzetten in standaard-Nederlands.” Daarmee bedoel hy waarskynlik dat alle soorte Afrikaans eintlik vir die Nederlandstalige leser verstaanbaar is, op enkele vreemde woorde en uitdrukkings na. Dit is natuurlik nie waar nie, en veral nie ten opsigte van die register nie. En in elk geval verwag die lesers van vertaalde poësie ‘n vertaling uit die brontaal wat op sy eie bene as ‘n gedig in die doeltaal kan staan. Met sy vertalings van die gedigte van Antjie Krog, Wilma Stockenström en Gert Vlok Nel het Robert Dorsman reeds oor en oor bewys dat dit baie goed moontlik is tussen Afrikaans en Nederlands.

Robert Dorsman

Robert Dorsman

Van Robert Dorsman gepraat. In die bloemlesing O wye en droewe land. Honderd-en-een gedichten in het Afrikaans wat hy saam met Adriaan van Dis saamgestel het (Meulenhoff, Amsterdam, 1998) staan die transkripsies van die gedigte heel beskeie in klein druk onderaan elke bladsy. Dorsman noem hierdie transkripsies in sy nawoord ‘n “basisvertaling”. Hy weerspreek daarin ook by implikasie Jan Deloof se veronderstelling dat Afrikaans vir Nederlanders in ‘n groot mate verstaanbaar is, met die volgende uitspraak: “Te vaak gebeurt het dat Nederlanders het spoor bijster raken wanneer ze in aanraking komen met het Afrikaans, een taal die op Afrikaanse bodem geworden is tot wat zij is en steeds minder op het Nederlands lijkt.” In dié bloemlesing staan daar ook gedigte in Kaapse Afrikaans – van Peter Blum, Adam Small en Peter Snyders. Dorsman noem Kaaps “Afrikaans op zijn smeuïgst”, dit wil sê Afrikaans op sy soepelste, op sy sappigste.

Dat Adam Small – en daarom ook die ander Kaapse digters – veel gemakliker in Engels vertaal kan word, blyk uit Carrol Lasker se weergawes van Small se “What abou’ de lô?” en “Second Coming” in The Penguin Book of Southern African Verse (1989) saamgestel deur Stephen Gray. Maar sy worstel ook met die register en met die gepaardgaande betekenisassosiasies van sekere woorde in die oorspronklike gedigte. “What abou’ the lô” gaan oor ‘n wit meisie en ‘n bruin man wat op mekaar verlief geraak het en daarmee die destydse ontugwet oortree het. Die openingsreëls klink in Kaaps só: “Diana was ‘n wit nôi / Martin was ‘n bryn boy”. Lasker vertaal dit as: “Diana was a white girl / Martin was a black boy”. Met “girl” gaan die hele konnotasie van baasskap, of dan nôiskap, verlore – en daarmee saam die ideologiese skok wat bewerkstellig word deur die rymwoorde “nôi” en “boy”. Wat in die gedig rym, het nie in die werklikheid van die apartheidstyd gerym nie. Verder vertaal sy “bryn boy” met “black boy” wat ‘n bewuste ideologiese keuse impliseer. 

Selfs al is die vertaling van poësie altyd ‘n haglike onderneming, wag ons nog steeds op die begenadigde vertalers wat Adam Small, Peter Snyders en ander Kaapse digters oortuigend en registergetrou gaan vertaal.

 

(c) Daniel Hugo