Posts Tagged ‘Janita Monna’

Janita Monna. Gedichten zonder stemverheffing

Thursday, August 1st, 2013

 

Rodaan Al Galidi – De maat van de eenzaamheid

Je hebt je land verlaten en bent terechtgekomen in Nederland. Je verblijft in asielzoekerscentra, raakt de bureaucratie moe, zakt voor je inburgeringsexamen. Je bent min of meer een vreemdeling in het groene polderland, tegelijk ben je een succesvol schrijver in de taal van dat land. Het is de verkorte biografie van Rodaan Al Galidi. Zijn tweede dichtbundel De herfst van Zorro werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs; voor zijn meest recente roman ontving hij de European Union Prize.

Onlangs verscheen een nieuwe dichtbundel De maat van de eenzaamheid. Als dichter is Al Galidi tamelijk kameleontisch. Zijn bloemrijke bundel De laatste slaaf trekken van een moderne allegorie, de opvolger daarvan, Digitale hemelvaart, was een wrange, soms bijna cabareteske doodsverklaring van de schrijver. De maat van de eenzaamheid bevat kleine fantastische vertellingen over een haast onmogelijk verlangen naar contact, en over liefde, leven en dood, waarin de eerste twee vaak afwezig en de laatste steeds aanweziger wordt. Poëzie waarin een heel beeldende manier van schrijven vermengd is met een soort droge Hollandse humor. Helder van taal en tegelijk golvend als een Oosters gewaad. Schoonheid om een droeve grondtoon te maskeren:

‘Ik ging naar het centrum van de stad/ om een glimlach te vangen/ voor in het lege aquarium van mijn blijheid.’

Hier spreekt een man die zijn eenzaamheid wil bestrijden en daarvoor aan een glimlach genoeg heeft. Maar zijn goede bedoelingen stuiten op onbegrip. Want hoe moeilijk het is om door te dringen tot die andere wereld, blijkt aan het slot van dit gedicht, als de politie voor zijn neus staat.

Hier en ook elders in de bundel dient het gedicht als loopplank, als brug tussen de dichter en lezer, de plaats waar zij elkaar kunnen ontmoeten. Soms letterlijk met de dichter wandelend tussen de regels: ‘Ik loop in dit gedicht. / De dikke titel verwelkomde mij’.

Je zou denken dat een dichter die aandacht wil het nu en dan uitschreeuwt als hij die niet krijgt. Maar niets van dat al. De gedichten zijn bescheiden, regels druipen gedwee af als ze door een politieman worden aangesproken. Geen stemverheffing, geen stennis.

Toch staan er ook pijnlijker verzen in De maat van de eenzaamheid. Daarin laat Al Galidi zijn gevoel voor humor excelleren. Zie ‘IJsthee’ met een gesprek zoals dat zou kunnen plaatsvinden tussen de begrafenisondernemer en de toekomstige dode. ‘Hij praatte over het cafeetje dat er vanaf de lente geopend zou zijn,/ alsof ik er zou lopen, de bloemen zou ruiken/ en een kopje thee zou drinken.’ Even laat de dichter zijn tanden zien, maar vaker kijken Al Galidi’s gedichten je als droeve hondenogen aan, hopend op een aai over hun kop. Je kunt bijna niet weigeren.

 

IJsthee

 

Nadat ik uitlegde wat er met de hond moest gebeuren,

liet hij mij de foto’s van de begraafplaats zien.

Hij praatte over het cafeetje dat er vanaf de lente geopend zou zijn,

alsof ik er zou lopen, de bloemen zou ruiken

en een kopje thee zou drinken.

Hij vertelde over de rust in de winter,

alsof ik er naast een vuurtje zou zitten

en naar de sneeuw zou kijken.

Daarna liet hij mij de plek zien

waar ik in mijn naam zou veranderen.

‘Hebben ze het gat nog niet gegraven?’ vroeg ik.

‘Dat is allang gedaan, vorige week vrijdag,

maar deze foto’s zijn iets ouder.

Succes en tot ziens.’

‘Tot ziens.’

Ik had nooit gedacht dat praten over mijn begrafenis

kouder zou zijn dan een ijsthee.

 

Rodaan Al Galidi – De maat van de eenzaamheid. De Bezige Bij Antwerpen, 64 pagina’s, 19,95 euro, ISBN 9789085423614

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Janita Monna. Uitgestreken, hilarische regels

Monday, July 29th, 2013

 

 

F. Starik – Door

Nee, echt niet, poëzie hoeft niet verheven te zijn. Het kan ook gewoon gaan over elleboogjes macaroni:

 

Dat je huwelijk is mislukt, oké, maar wat. Dan.

Nog. In plaats van elleboogjes kun je de ellende

die jij je gasten voorzet toch pasta noemen

met een Italiaanse variatiesaus erover

in de smaken mild, pittig en grof?

 

Hier is F. Starik aan het woord. Oud-stadsdichter van Amsterdam, drijvende kracht achter de ‘Eenzame uitvaart’, waarbij dichters een eenzaam gestorvene met een gedicht uitgeleide doen. Als dichter draait hij alweer een behoorlijk tijdje mee. Aanvankelijk meer in het alternatieve circuit, inmiddels zo gevestigd dat hij zelfs werd getipt als nieuwe Dichter des Vaderlands. Starik schrijft – want zijn gedichten zijn soms net zoveel vertelling als poëzie – over liefde, dood, vergankelijkheid, maar vooral over het leven. Hij is rauw, grof, ironisch en soms bedeesd en verlegen.

Door heet zijn nieuwe bundel. Als in ‘we moeten door’, ‘verder met het leven’. Maar ook als Engels voor ‘deur (waarachter zich wie weet nieuwe vergezichten openen)’, en als meisjesnaam, Door met een hoofdletter ( het is allemaal te lezen in het vermakelijke nawoord dat de bundel begeleidt).

Starik blijft over het algemeen dicht bij huis. Hij gaat naar de supermarkt waar hij de daklozenkrantverkoper groet en een muntstuk geeft. Hij wil naar IKEA

 

om bij de hoorntjesautomaat te kijken

hoe het gratis ijsje net iets te lang

aan het uitgiftepunt blijft plakken.

 

Hij heeft een optreden ergens in het land of koopt een bloemetjesjasje dat volgens zijn lief alleen door televisiepresentatoren wordt gedragen. Starik observeert de wereld en zichzelf scherp, met afstand en mededogen. Hij schrijft laconiek, met soms opzettelijke vertragingen in zijn woorden, als om je te dwingen extra goed naar bijvoorbeeld dat ‘ijs-uitgiftepunt’ te kijken.

Er schuilt nog altijd veel non-conformisme in Stariks gedichten. Maar het nachtelijke leven, met de drank, de sigaretten, kent kleine en grote zorgen. Het heeft mettertijd zijn sporen nagelaten. Er zijn herinneringen aan dierbaren wiens graf wordt bezocht, en ook de dichter wordt ouder, zo constateert hij al tandenpoetsend:

 

Je maakt de badkamer schoon bij kunstlicht,

poetst ondertussen je tanden, bestudeert je gezicht,

neemt in de blinkende spiegel scherp de verwoestingen waar

die de tijd ook aan jouw gebit aanricht.

 

Degelijke uitgestreken, hilarische regels – ze doen aan Reve denken, en ook wel aan Koenegracht – zijn Stariks handelsmerk. Er staan er talloze van in Door: ‘Doodgaan is alsof je een televisietoestel uitzet’. Al is niet ieder gedicht van begin tot eind helemaal geslaagd. Dat zijn wel de meer tedere gedichten uit de afdeling ’Moeder’, waarin de vrouw die ooit bezorgd was toen haar zoon ging sleetje glijden achter de auto van vader, nu zelf de zorg van de zoon nodig heeft. ‘Elke dag precies om twaalf uur raap ik/ mijn moeder bij elkaar, neem haar mee/ onder de douche, spoel haar af en hang/ haar helemaal te drogen daar’. Ontroerend, zonder een greintje sentiment.

 

Was ich noch zu sagen hätte

 

Je leeft in het donker.

Je maakt de badkamer schoon bij kunstlicht,

poetst ondertussen je tanden, bestudeert je gezicht,

neemt in de blinkende spiegel scherp de verwoestingen waar

die de tijd ook aan jouw gebit aanricht.

 

De tijd en je gewoonten, ze tekenen af.

Met iedere teug die je neemt,

met elke slok zet je een stap.

Met ieder glas dat je drinkt.

 

Met elk woord dat je spreekt,

in willekeurig welk boek je dit leest,

in iedere zin die je schrijft.

 

In elk lied dat je zingt, met iedere veeg:

een vochtige doek die verslijt aan de glans die hij geeft.

Wastafel blinkt.

 

Je spuwt het tandpastaschuim uit,

spoelt je aanslagresten door het afvoerputje,

het is tenminste even schoon geweest

tussen twee stilten luid.

 

F. Starik – Door. Nieuw Amsterdam, 112 pagina’s, 19,95 euro, ISBN 9789046814017

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

 

Janita Monna. Met raspende stem

Friday, September 21st, 2012

Charles Ducal – Alsof ik er haast ben

Arme Lolo Ferrari. Ze stierf 37 jaar oud, depressief en met borsten als twee enorme opgeblazen o’s. Wie weet, behalve de dichter Charles Ducal, nog wie zij was? Hij vereeuwigde de Franse pornoster in een gedichtencyclus.

 

Die dag sprak de leraar over lolo ferrari.

Hij noemde haar een tempel, een troonzaal

een abattoir

 

Omdat geen van ons ingewijd was

riep hij haar verschijning op

in de taal,

 

Alsof ik er haast ben

Alsof ik er haast ben

De zevendelige reeks is te lezen in Alsof ik er haast ben, waarin de bundels die de Vlaamse Ducal tussen 1987 en 2012 publiceerde zijn opgenomen. Erg bekend is Ducals werk over landsgrens nooit geraakt, ondanks optredens op de Nacht van de Poëzie of Poetry International. In Vlaanderen daarentegen geniet hij een behoorlijke populariteit. En dat is gezien zijn poëzie niet zo verwonderlijk.

Ducal is een zanger van veelal verstaanbare liedjes. Van menselijk onvermogen, angsten, verlangens en dromen – verheven of platvloers – maakt hij gedichten waarin al die gevoelens evengoed flink op de hak genomen kunnen worden. In Het huwelijk bijvoorbeeld, waarmee hij zijn debuut in de dichtkunst maakte, zagen we een wat sullige man zijn entree maken, overdag gekleed door zijn vrouw gekleed, maar ‘s nachts in pyjama met doorhangend kruis. Elschottiaanse taferelen tekenen zich af in dit huwelijksleven: ‘Hij buigt zich naar haar weke hals/ en denkt: nu even ongenadig wezen./ Vingers om de nek. Hij weet het zeker./ Maar het volgende gebaar is alweer vals.’

Ducal begon vormvast en heeft dat in de loop der jaren niet losgelaten. Aaneengehecht door rijm en klank zijn er in zijn regels zelden haperingen in ritme of metrum te vinden. Al zijn er momenten waarop de dichter zijn rijm ‘een tang om mijn verrekte schedel’ noemt, de vorm is er om een onzekere wereld bijeen te houden. Om een angst voor mislukking in de hand te houden, of onevenwichtige relaties tussen man en vrouw, soms moeizame familieverhoudingen, het geloof – ook zijn onderwerpen is Ducal in de loop der jaren trouw gebleven. En poëzie is het middel om die bestaande, geleefde werkelijkheid te herscheppen in taal. Niet voor niets keert het dichterschap, het woord, de taal in veel gedichten terug.

Charles Ducal rekt de taal niet op, legt de haar niet op de pijnbank, zoals ook zijn beelden meestal dicht bij huis blijven. Hoewel. In zijn eveneens opgenomen meest recente bundel Toegedekt met een liedje staat ook de cyclus ‘School der pornografie’, waar een man als stapt hij een sprookje binnen, de wereld van internetporno betreedt. Gedichten hebben obscure titels als ‘www.doglove.com’ of ‘www.openwide.com’, verwijzend naar de handelingen die er op de betreffende sites zoal door vrouwen worden uitgevoerd. Weinig poëzie, misselijkmakend vooral: ‘‘Op deze diepte is er geen schaamte./ Een mond kauwt op een maandverband.’ Ducal maakt er geen obscene peepshow van, en belicht vooral de donkere kanten van het zelf, van de mens. Als een zanger met een raspende stem.

 

Klassiek

 

Tucht stemt de taal. Het kind zwijgt,

ineengekromd in de longen, bang

als een vraag. De mond spreekt Latijn,

machinaal. Knookhanden strelen het haar,

 

plaatsen het hoofd op de lessenaar

als een voorbeeld, een glazen bol.

Kleinere hoofden scanderen het na.

Opgerold in het oor zingt een rapport

 

van volmaaktheid. Het kind zwijgt,

gestold in de borst, een antwoord

op alle blikken. Later schrijft het,

klassiek gevormd, mijn gedichten,

 

en raakt niet ontspoord.

 

 

www.brutalviolence.com

 

Wij kunnen dit de naam gruwel geven.

 

en het vloeibaar gezang van de zwepen.

Een vrouw huilt, zij huilt goed

 

losgemaakt van de imperatieven

door een onzichtbare leidstem verstrekt

die straks wordt toegedekt met een liedje:

Warum betrübst du dich, mein Herz?

 

Maar het is maar een proefje, een studie,

een onschuldige oefening van de lens:

het hooggehielde, geschminkte, gemanicuurde

dat ons kunstzinnig maakt voor geweld.

Er zijn de laarzen, er is bloed

 

Charles Ducal – Alsof ik er haast ben. Gedichten 1987-2012. Atlas, 2012, ISBN 978904502079, 39,95 euro, 416 pagina’s

 Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Janita Monna. Midden in het leven

Tuesday, September 18th, 2012

Toyo Shibata – Honderd jaar

 

 

Honderd jaar

Honderd jaar

‘Je bent zo oud als je je voelt’, het is een enorm cliché, maar de Japanse Toyo Shibata bewijst maar weer eens het gelijk ervan. Ze was al in de 70 toen nog Japanse dans leerde, en toen ze daar op haar 92ste om lichamelijke redenen mee moest stoppen, adviseerde haar zoon (een zestiger) om gedichten te gaan schrijven. Shibata pakte pen en papier, en debuteerde 7 jaar later, ze was toen 99.

Dat debuut Geef de moed niet op werd een gigantische bestseller, met (zeker voor poëzie) ongelooflijke oplagen van 1,5 miljoen exemplaren. En dat kwam niet alleen doordat Shibata een curiositeit was, maar vooral door de poëzie. Door de ontwapenende gedichten, krachtig en geestig, met vertederende herinneringen en observaties van een vrouw die nog altijd midden in het leven stond. Zo gaf ze haar dokters de wijze raad ‘Stel me/ geen domme vragen als/ “Welke dag is het vandaag?” of/ “Hoeveel is 9+9?”// (…) “Wat denkt u van/ het kabinet Koizumi?” Dat zijn de vragen die me blij maken’. Laat iedere verpleeghuisarts het in zijn oren knopen.

Aan Toyo Shibata is het geluk gegund om zelfs een klein oeuvre op te bouwen, want onlangs verscheen haar tweede bundel, Honderd jaar. Zo’n zesentwintig gedichten schreef de inmiddels honderdjarige het afgelopen jaar. Het kleine boekje bevat daarnaast enkele prozateksten en een paar foto’s, daarbij eentje waarop ze haar lippen stift: want ‘voor een vrouw is make-up belangrijk, hoe oud ze ook is.’

De gedichten geven blijk van een grote vitaliteit en actualiteit, Shibata blijft dicht bij zichzelf en houdt oog voor wat er om haar heen gebeurt. Ze toont haar medeleven met de slachtoffers van de aardbeving en de daarop volgende kernramp in Japan afgelopen jaar. ‘Alsjeblieft/ laat tenminste je hart/ niet wegspoelen// Laat je niet kleinkrijgen/ door die onzalige tsunami’. Het zijn goedbedoelde gedichten, maar ze zijn niet de beste uit de bundel, en ze missen de lichte, ietwat naïeve toets die haar debuutgedichten zo hartveroverend maakte.

Gelukkig zijn die gedichten er ook nog steeds. Zoals het vers dat voor haar honderdste verjaardag ontstond. De jaren van haar leven vergelijkt ze daarin met bladzijden die alle zijn vervaald, om te besluiten: ‘Nog iets meer dan één bladzij/ en ik heb er honderd/ Wacht me misschien nog/ een fonkelnieuwe kleur?’

Dat ze ook haar humor nog heeft bewijst een gedicht als ‘Hardhorig’ dat beschrijft hoe doofheid ook zijn voordelen kan hebben: ‘Maar als het me niet bevalt/doe ik met opzet/ alsof ik het niet hoor// met een uitgestreken gezicht’.

Zou het niet een idee zijn om de boekjes van Shibata boven op de leesmap in wachtkamers van huisartsen en ziekenhuizen te leggen? Haar levenslust en dankbare blijmoedigheid lijken me heel goed voor de volksgezondheid.

 

 

Aan de lucht

De lucht die ik gadesloeg

vanaf mijn bed

in het ziekenhuis

was altijd lief voor me

 

De wolken dansten

en lieten me lachen

Het avondrood

waste mijn ziel schoon

 

Maar morgen word ik ontslagen

Dus voor deze hele maand:

bedankt

 

Als ik thuiskom

zal ik eens wuiven

Zorg dat je het zeker ziet, oké?

 

 

Toyo Shibata – Honderd jaar. Vertaling uit het Japans: Luk van Haute. Lebowski Achievers. 70 pagina’s, 17,90 euro, ISBN 97890 48812 707

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Janita Monna. Weinig lijn, veel ruis

Thursday, September 13th, 2012

Philip Hoorne – Het is fijn om van pluche te zijn

Het is fijn om van pluche te zijn

Het is fijn om van pluche te zijn

Philip Hoorne beet het spits af van de Sandwichreeks, door toenmalig Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij opgezet om ook jonge dichters over het voetlicht te brengen. Nogal wat dichters uit die reeks hebben sindsdien een zekere naam gemaakt: Hélène Gelens, Willem Thies, John Schoorl. Ook de Vlaamse Hoorne timmert sinds 2002 flink aan de weg. Onlangs verscheen alweer zijn vijfde dichtbundel, Het is fijn om van pluche te zijn.

Die titel verwijst naar een speelgoedbeest, een klein konijn, Hoornes  wereld wordt verder bevolkt door vrouwen, baby’s, dikkerds, geestelijken, hardlopers. Volk dat over het algemeen weinig mild en vanuit een zekere misantropie, bejegend wordt:  over de lopers langs de leie, ‘ik moet ze niet’,  het hoofd van een Oost-Europees uitziende man ‘getuigt/ van eerbied en een laag IQ’. En een pasgeboren baby zet meteen een grote bek op. Die wat schreeuwerige toon, zorgt meteen voor een boel onrust, en de vorm van de gedichten versterkt die alleen maar. Er zit weinig lijn in, en veel ruis. Neem ‘Blond’ een vers van acht regels waarin een ziel, een kok, zwerfplaneten, mannen met boren en een tsunami die Japannerogen dof maakt, losjes een verband aangaan. Maar welk precies?

Daarbij alludeert Hoorne op de actualiteit. Bijvoorbeeld op het schandaal in de Rooms-Katholieke kerk: lekker plastisch – een  ‘kardinaalsrode roede’ wordt tegen wangetjes van devote misdienaars gepletst – maar ook gemakkelijk en zonder die toch al weerzinwekkende realiteit een nieuwe laag te geven.  Een aardige observatie staat in het gedicht ‘Groetjes uit Rusland’ waarin over de bloemen op de jurk van een weliswaar ‘plompe oma’ wordt gezegd dat die bloemetjes ‘nergens anders bestaan/ dan op dat soort jurken’.

Het meest strakke aan de bundel is de opbouw: de gedichten zijn gerangschikt op beginletter van de titel – de eerste serie althans. En er is een zeker rijm dat de gedichten bijeen houdt – al drijft hij ook dat graag over de top.  Zoals wanneer een onheilstijding nadrukkelijk op rijm wordt verteld: ‘Uw echtgenote had het niet meer en schoot/ zich door het hoofd met uw jachtgeweer.’

Hoorne nam daarnaast twee pastiches op, eentje naar ‘Insomnia’ van Bloem, en een naar Wigmans ‘Tot besluit’.  Zowel Bloem als Wigman zijn dichters van de stilering, van regels waarin het nooit hapert. Hoorne is veel losser en daarom ook lopen zijn pastiches uit de rails. Waar Wigmans weeklacht over de ‘droefenis van copyrettes’ uitmondt in de verzuchting ‘had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen’,  bekommert Hoorne zich in zijn ‘droefenis van wasserettes’ vooral om zijn kleding: ‘Had ik maar iets nieuws om uit of/ aan te trekken. Bermuda. T-shirt. Penis. Ring.’ Slobberkleren, deze gedichten.

 

 

Groetjes uit Rusland

 

Een man, oud en jong genoeg om te werken of te sterven,

zit op de drempel van een huis naast een plompe oma

in een bloemetjesjurk, bloemen die nergens anders bestaan

dan op dat soort jurken.

 

De man heeft een Oost-Europese kop, maar dan wel héél

Oost-Europees. De Oeral voorbij. Siberisch bijna.

 

Siberia o Siberia,

zie het hoofd van die man en hoe het getuigt

van eerbied en een laag IQ

 

Siberia o Siberia,

met je diepgevroren zeeën, je verkleumde badgasten

en je benijdenswaardige solidariteit. Het leven is er

niet mals in jouw verkankerde baarmoederhals.

 

Roestige duikboten wachten op hun zinken en grootmoeder-

seks is er net zo ingeburgerd als Elvis en de Burger King.

 

Philip Hoorne – Het is fijn om van pluche te zijn. Van Gennep. 56 pagina’s, prijs euro,  isbn 9789461640987

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Janita Monna. Schoonschrift

Monday, September 10th, 2012

Luuk Gruwez – Wijvenheide

Wijvenheide

Wijvenheide

Als Wijvenheide geen natuurgebied in Vlaanderen was, dan had Gruwez de plek kunnen verzinnen, als liefhebber van vrouwelijk schoon, en van bloemrijke taal. Hij maakte een liedje over dit stukje Vlaams landschap, een bijna kinderlijk vers ‘Laat ons naar wijvenheide gaan’, waar de grootste attractie de zilverreigers zouden zijn, die broeden op een spiegelei.

Wijvenheide is meteen ook de titel van zijn nieuwste bundel, de eerste na de in 2010 verschenen, lijvige bloemlezing Garderobe. Gruwez is poëtisch gezien familie van Charles Ducal: beiden een zwak voor vrouwen, beiden het vizier op de beklagenswaardige mens, door beiden helder en welluidend verwoord. Al is Gruwez’ poëzie wellustiger en barokker dan die van Ducal. Hij is de man van de fijne lijn en de sierlijke krullen – die overigens nooit zomaar ornamenten zijn. Dat schoonschrift van Gruwez bloeit uitbundig in zijn liefdesverzen, waarvan er in deze bundel weer een paar prachtige staan. ‘Ook zijn er zoenen nodig, bereid binnenkamers/ te blijven en niet brutaal het raam uit te glippen’, zo wordt een voorwaarde voor huwelijkse trouw beschreven. En zinnenprikkelend is de erotische serie ‘Een minnaar voor elk lichaamsdeel’ bij het schilderij Venus van Lucas Cranach. Steeds wordt één lichaamsdeel bezongen totdat de godin zich in volle glorie aan de lezer toont.

‘Het hoofd is mijn schunnigste lichaamsdeel. Het is de hemel/ en de hel in ieders lijf, het gekreun en het gereutel./ Wie kreeg niet ooit logies onder mijn krullen?’

Het vlees mag uitbundig worden bezongen, er is meer dan liefde en lust. Wie zoals Gruwez oog heeft voor de deerniswekkende mens, ziet tegelijk waar treurnis zijn ondergang wordt: bij de vader bijvoorbeeld, die zijn twee vrouwen en vier stiefkinderen vermoordde. Het leidde tot de reeks ‘Het zeggen van András’ over, drie bijna abstracte gedichten, kaal als het lege geweten van de dader: ‘András liegt niet. Zijn waarheid is vermist. Er zat een gat/in zijn zak.’

Gruwez’ wereld maakt zowel een horizontale beweging, als een verticale. Ze strekt zich uit van het Vlaamse land tot Anchorage in Alaska. Reikt van een ver verleden – ‘de tijd dat de dieren nog meertalig waren’ – , tot de ‘Black box’ met restjes mensenleven. En in die wereld en tijd, beweegt zich de mens, wachtend tussen ‘muffe kelders en firmament’ op de onvermijdelijkheid: ‘”Waar/ gaat toch alles wat verdwijnen moet naartoe? Naar boven?/ Naar beneden? En zijn daar dan voldoende trappen voor?”‘

Wijvenheide is bezonkener dan zijn voorganger Lagerwal. Daarin was meer baldadigheid, en een wat flauwe neiging om het onafwendbare einde niet al te serieus te nemen. Hier wordt de dood nog altijd afgeschilderd als een ‘charlatan’, maar is de humor bitterder. En is de poëzie fonkelend.

 

Spanbroekmolen

Zij hadden niets liever dan verschillend willen zijn,

een dichter, een dokter, een ober of een kapitein,

maar als gelijken verblijven zij in het graf,

uniform tot in hun knoken, uitgeknokte youngsters.

 

Verliefden zonder geliefde misschien of weduwloze

weduwnaars: gelijk is de dag waarop zij vielen en verlieten,

de zevende van de zesde, negentienzeventien.

Gelijker nog dan het gemillimeterd gras. Much beloved

 

Indeed. Known unto God. Ogen en oorlog verloren.

Toch gaan zij op een nacht nog één keer helderziend

op stap. Veel te verlegen om te leven. Boterbloemen

in het hoofd. En met een doelbewuste, eensgezinde pik.

 

 

Vroegere liefsten

 

Ze zeggen dat liefsten van vroeger, zij van wie

men nooit meer zeker weet in welke mate zij van vroeger,

ze zeggen dat vroegere liefsten soms het meest. Zéggen zij.

Dat vroegere liefsten je vermoeien, je vermoedelozen.

 

Dat vroegere liefsten aan de tralies in je hersens rukken

en daar woekeren, daar hevig woekeren. Zo weinig,

zeggen zij, weten liefsten van vroeger wat verdwijnen is

dat zij besluiten hun afscheid uit te stellen, uit en uit

 

tot zij zichzelf en iedereen vergeten zijn.

 

Luuk Gruwez – Wijvenheide. De Arbeiderspers, 64 blz., 17,95 euro, ISBN 978 90 295 83 29 9

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Janita Monna. Een hoog soortelijk gewicht

Thursday, September 6th, 2012

F. Harmsen van Beek – In goed en kwaad

In goed en kwaad

In goed en kwaad

Gerard van het Reve was een van de huisvrienden, en met Remco Campert was ze enkele jaren getrouwd: er was een tijd dat het literaire leven zich goeddeels afspeelde rond Fritzi Harmsen van Beek. Op landgoed Jagtlust in Blaricum, waar zij vanaf 1954 woonde, kwam iedereen samen, om te drinken, te praten en vooral ook te genieten van Fritzi’s gezelschap. De wilde jaren duurden zo ongeveer tot 1971. Toen verhuisde de schrijfster naar Groningen en tot aan haar dood in 2009 trad ze nauwelijks nog in de publiciteit.

En dat terwijl recensenten als een blok voor haar vielen toen ze in 1965 debuteerde met Geachte muizenpoot en andere gedichten. Hoogst originele gedichten waren het inderdaad, deze ‘raadselrijmen’, ‘onduidelijke correspondentie’, en andere ‘onbegrijpelijke teksten’. Bijvoorbeeld dit inmiddels haast klassiek geworden vers voor haar neerslachtige poes, dat opent met de regels:
‘Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping// is U de zachte nacht bevallen, hebben de on/ deugende, geheimzinnige planten naar behoren// gegeurd’.

Al geruime tijd was het werk van Harmsen van Beek alleen antiquarisch te krijgen, dus is het een groot genoegen dat nu In goed en kwaad is uitgebracht, alle poëzie, proza en zelfs tekeningen in een band. Een verzameld werk met een hoog soortelijk gewicht.

Ze maakte twee dichtbundels, tien jaar na haar debuut verscheen Kus of ik schrijf. In de tussenliggende tijd publiceerde ze onder andere het verhalenbundeltje Wat knaagt en de prozastukken in Neerbraak.

Harmsen van Beek is een dichter van het kleine, ze schrijft over dieren (diertjes), ontmoetingen, observaties, kunst. En bij herlezing is het werk nog net zo fijnzinnig en springerig en chaotisch als ooit. Zinnen ogen als waren ze ingelegd met een pincet: ‘Maar, zachtjes, haar woorden leken voetjes, /die aarzelend, stap voor stap, een kastruimte/ willen gaan verkennen, om te zien of er/ ook vluchtruimte in zat.’

Maar vooral heeft ze een enorm gevoel voor de elasticiteit van woorden en voor het rekvermogen van de grammatica, zie alle verrassende inversies. Haar proza en poëzie zit tjokvol ‘neerbraken’, woorden met het vermogen te ontroeren. Sensitief tot in de komma, nergens sentimenteel. Of het nu gaat over moeder die haar zieke kind bezoekt, of over een mol die wordt opgevroten door een kat. ‘Op een dag verdwaalde in een hutje/ een dom klein molletje. De kat nam/ het dadelijk te pakken’.

Niet voor niets heeft de schrijfster ook een zwak voor sprookjes. Ze schreef én tekende zelf het paassprookje ‘Gewone Piet & Andere Piet’, over twee verliefde roodborstjes, waarin de natuur zijn eigen wrede gang gaat – in zwierige lijntjes, met gevoel voor detail.

‘Het is krankzinnig mooi. Gaat allen er ogenblikkelijk heen’, schreef Harmsen van Beek destijds over een tentoonstelling van James Ensor, het stuk is te lezen in In goed en kwaad. Naar die tentoonstelling gaan, kan helaas niet meer, naar de boekhandel gaan wel. Meteen doen.

 

Goede morgen? Hemelse mevrouw Ping

is U de zachte nacht bevallen, hebben de on

deugende, geheimzinnige planten naar behoren

 

gegeurd en zijn hopelijke geen van uw overige

zuigelingen aan de builenpest bezweken?

 

Hebt u de interessante nerveuze godvruchtige

vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel

 

bekeken, druk telefonerend van: hallo met piet,

kom je op mijn tak – o de sierlijke levendige

 

vogels, allemaal allemaal voor de brave poes,

die veel beproefde droevige moeder. Ja verdomd,

 

deze ziekte, lieve beklagenswaardige mevrouw,

is een wrede rakker en zoveel is wel duidelijk:

 

er valt niet tegen op te baren, waar zelfs het

begrafeniswezen, de intieme huisgenoot, die

 

zeer bekende schenker ook van lauwe melk,

op zijn verlengde achterpoten het ter

 

aarde bestellen welhaast niet meer bij kan

benen, nietwaar, dame Ping, radarbesnorde,

 

dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin?

Het is nu beter te zitten zonder weemoed in

 

de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog

teder is en de gordijnen levendig in de goede

 

vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke,

kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,

 

er loopt een belangwekkend, héél klein maar

bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen

 

onder de hemelsblauwe hortensia

 

 (Aan mijn neerslachtige poes, ter vertroosting

bij het overlijden van zijn gebroed)

 

 

F. Harmsen van Beek – In goed en kwaad. Verzameld werk. De Bezige Bij, 512 pagina’s, 24,50 euro, ISBN 9789023469889

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Janita Monna. Spel of urgentie?

Monday, September 3rd, 2012

Emma Crebolder – Vallen

Vallen

Vallen

Hoeveel samenstellingen zijn er te maken met het werkwoord ‘vallen’, of met het zelfstandig naamwoord ‘val’? Veel, heel veel. Wie de Dikke van Dale pakt, ziet dat ‘val’ en afgeleide woorden maar liefst acht pagina’s krijgen. Een goed deel daarvan is te vinden in de nieuwste bundel van Emma Crebolder, die dan ook als titel Vallen heeft. Het is haar vijftiende alweer, maar ondanks dat heeft haar poëzie altijd een bestaan in de betrekkelijke marge geleid.

Crebolder is kenner van de Afrikaanse culturen en sporen daarvan zijn in haar gedichten terug te vinden, ook in haar twee jaar geleden verschenen bundel Vergeten. Daarin werd het begrip ‘vergeten’ verkend, in de ruime zin van het woord. Gedichten kregen een strakke vorm, als om verdere lekken van het geheugen in te dammen: ‘ niet de tong maar de neus ruikt/ de vluchtigheid van het kruid dat ik/ wil noemen.’

In Vallen gebruikt ze een vergelijkbaar procedé, en waar eerder het haperen van de geest onder de loep werd gelegd, is dat nu het vallen, en het lichaam dat langzaam in verval raakt.

Opnieuw zoekt de dichter houvast in vorm: ieder gedicht telt vijf strofen van twee regels, waarbij de tweede en de vierde strofe steeds inspringen. Het geeft een soort zigzageffect.

Crebolder verkent het letterlijke vallen, maar ook figuurlijke betekenissen en samenstellingen die er met het woord te maken zijn: ‘Ik val in, ik vervang/ vandaag de ingestorte// collega. Wat brak bij hem of kneusde/ hij zich vooral?’ Invallen, valwind, bevallen, valreep, meerval, wegvallen, het zijn maar een paar van alle ‘valwoorden’ die in de bundel staan.

Het gevaar van een werkwijze als deze is dat gedichten snel iets geforceerds kunnen krijgen, en ook het risico van woordspeligheid is levensgroot. Beide weet de dichter vrij behendig te omzeilen. En aanvankelijk heb je de ‘valwoorden’ niet eens meteen in de smiezen. Neem het openingsvers, waarin de lezer twee afbeeldingen worden voorgehouden:

‘Bevallig is het meisje met/ de strohalm. Als scherm te iel.// De ander met de fret in/ haar armen valt ook op’.

De bundel onderzoekt leven en dood, ontstaan en vergaan: in de kunst, in de natuur, de muziek, het menselijk leven. Al te veel omwegen gebruikt Crebolder niet, ze spreekt recht voor z’n raap, met daarin een enkele keer fraaie regels als: ‘Misschien kom ik jou toch nog halen./ Mijn voeten liggen hier voor me.’

Het gebruik van al die valwoorden gaat opvallen als Crebolder vaker hetzelfde woord gebruikt. ‘Bevallig’ bijvoorbeeld. Al heeft het beeld ‘Tussen oevers ligt// het water vastgeklonken, valwind/ bouwt er spelonken van sneeuw’ een zekere schoonheid in zich. En soms worden al te nadrukkelijke, redelijk onalledaagse samenstellingen storend: valhout, valplaats, valaanslag. Mooist zijn die gedichten waarin het vallen min of meer impliciet blijft, of zelfs achterwege. Zoals in het vers waarin op een oude film is te zien hoe een kleuter naar een sloot loopt. Daarin blijft het tot de laatste regel spannend of het kind er nu wel of niet is in gevallen.

Maar uiteindelijk gaat in Vallen de aandacht toch te veel naar het spel, en niet naar hetgeen de dichter met dat spel wil zeggen. Al is het natuurlijk aardig om te zien dat er tussen bevallen en ontvallen, tussen begin en eind van het leven, slechts een ‘voorvoegseltje’ verschil is.

 

 

Ook nu 8mm-films zijn omgezet

op dvd blijft de kleuter naar

 

            de sloot lopen. En zelfs de kleine hyena’s

worden nog voor een shilling getoond.

 

Alleen de oude stilte is weggevallen.

Voortaan begeleidt tromgeroffel

 

            de kleuter naar de sloot. Als de kleine hyena’s

op het scherm verschijnen klinkt pianomuziek.

 

Het rode zand knerst tussen de toetsen, en

het kind hoort de slag en keert om.

 

 

Emma Crebolder – Vallen. Nieuw Amsterdam. 61 pagina’s, 17,50 euro, ISBN 9789046812211

Deze recensie verscheen eerder in Trouw