Posts Tagged ‘Johan De Boos’

Louis Esterhuizen. Vlaamse kabaal oor bundelverkope

Tuesday, November 8th, 2011

 

Na aanleiding van die Werkgroep Poëzie se verslag oor die drastiese afname in die verkope van digbundels in Vlaandere, het daar nou ‘n helse kabaal onder verskillende belanghebbendes ontstaan. Ten eerste was daar Koen Stassijns se reaksie (De Morgen, 26/10/11) waarin hy ‘n pleidooi lewer dat boekhandelaars en feesorganiseerders groter prominensie aan die digkuns moet verleen ten einde die sigbaarheid van die digkuns te verhoog. Volgens Stassijns sal die verkope verbeter in die mate wat boekwinkels ‘n groter verteenwoordiging daarvan  in voorraad het.

Hierop het Ann De Craemer egter heel vurig reageer in háár rubriek (De Morgen, 02/11/11): “Dat is een ontstellend naïeve gedachte. Immers: het probleem ligt niet bij het aanbod. Het probleem is dat er weinig behoefte en dus ook weinig vraag is. De verklaring lijkt me simpel: poëzie is, helaas, niet meer van deze tijd. Dat is geen beschuldiging, maar een vaststelling. Poëzie lezen vereist geduld en concentratie – twee bedreigde eigenschappen in onze 3.0-tijden. Volgens Philip Roth zal romans lezen binnen vijfentwintig jaar “cultisch” zijn: alleen kleine groepen mensen zullen de nodige toewijding kunnen opbrengen. Vandaag is poëzie al cultisch; de roman zal volgen.”

Ter ondersteuning van haar argument wys De Cramer daarop dat daar tog enkele digters is (soos Delphine Lecompte) wat wél ‘n toegankilike vers skryf wat algemeen byval vind by die breë publiek. En tog is húl bundelverkope eweneens onindrukwekkend. Vir haar dien die Irannese digkuns as toonbeeld van ” … waar het wel uitstekend gaat met de poëzie […] Dat komt vooral door het dichterlijke engagement: poëzie is er politiek, want met metaforen en dubbele bodems kunnen dichters hun mening uiten in een land waar dat niet mag. Hier hebben we amper nog geëngageerde dichters, tenzij ze stadsdichter of Dichter des Vaderlands zijn, een schaamlapje in een samenzwering tussen politiek en literatuur om toch nog wat engagement in onze ik-gerichte poëzie te smokkelen.”

Ten spyte van De Cramer se pleidooi “dat (dit) onze dichters niet (mag) weerhouden om koppig te blijven schaven, en het krimpende publiek te blijven verwonderen met de schoonheid van het zwaarste ambacht dat onze letteren rijk is”, was die reaksie op haar rubriek vinnig en heftig; soos Johan de Boose se ope brief wat aan De Cramer gerig en op haar weblog geplaas is: “Hoe kun je nou de onvermoeibare inspanningen van Koen Stassijns beschouwen als zinloos? Alleen maar omdat hij de boekhandel oproept om méér te doen voor de poëzie? Je ontkent dat er meer poëzie gekocht zou worden als ze meer voorhanden was. Wat een klinkklare nonsens. Wat kopen de meeste mensen namelijk? Wat op de eerste tafels ligt: de bestsellers. Wat er niet is, kan niet verkocht worden. Wat niet aangeboden wordt, kan nooit geapprecieerd worden.”

Hierna klap De Boose met ‘n oop hand na die boekhandelaar: “Ik heb een bloedhekel aan het neoliberale marktdenken dat ons langzaam allemaal wurgt: naast de vraag die het aanbod bepaalt, is er een namelijk een andere wet: dat het aanbod de vraag kan stimuleren. Ik ben er heilig van overtuigd dat wanneer de boekhandel de poëzie een prominentere plaats zou geven, er ook meer verkocht zou worden. Als men niet weet dat het bestaat, of wat er bestaat, kan men het ook niet leren kennen. De boekhandel moet hierin een sturende werking hebben.”

Ten slotte reageer De Boose op De Cramer se opmerking dat die poësie nie meer van teenswoordige tye is nie: “Ik geloof in het tegengestelde: poëzie is de basis van alle literatuur en zal op die manier ook alle literatuur overleven. Proza als hoger leesvoer is van vrij recente datum (wel iets eerder dan jij doet uitschijnen), maar poëzie was er al altijd. Je zegt het trouwens zelf als je naar Iran verwijst. We zouden ook naar Aziatische, Afrikaanse of Slavische culturen kunnen wijzen.”

Ook Chrètien Breukers van De Contrabas het reageer; in sy reaksie fokus hy egter meer op die manier waarop hier gesels word, as die standpunte self: Het is niet zozeer de reactie van Johan de Boose die erg is (we leven inderdaad in een democratie, al zou je dat na zijn aansporing tot zelfcensuur even kúnnen betwijfelen), maar wel de teneur ervan […] De poëziewereld is er een van kleine discussies in een klein-gehouden veld. Die discussies verlopen altijd volgens een vast stramien […] De gelederen moeten namelijk altijd gesloten blijven […] Dichters, critici en randfiguren willen alleen maar over ‘de poëzie’ in gesprek met elkaar, als de toon van het gesprek van tevoren is vastgelegd, en goedgekeurd. Wat een merkwaardige, weinig productieve omgeving!”

Sela. Wat meer kan ‘n mens hierop sê?

Nietemin, hieronder ‘n vers van Herman de Coninck wat myns insiens die hele gesprek netjies byeenbring.

***

 

Soos hierdie eiland aan die meeue behoort

en die meeue aan hul gekrys

en hul gekrys aan die wind

en die wind aan niemand,

 

so behoort hierdie eiland aan die meeue

en die meeue aan hul gekrys

en hul gekrys aan die wind

en die wind aan niemand.

 

(c) Herman de Coninck (Vertaling deur Daniel Hugo, in: Die lenige liefde, 2009: Protea Boekhuis)