Posts Tagged ‘Jooris van Hulle’

Kwiksilversingend (Antjie Krog)

Tuesday, November 16th, 2010

Daardie moment wat ‘n versreël volloop in klank

Jooris van Hulle 

(Hierdie artikel verskyn in die jongste uitgawe van Poeziekrant ; nr. 6, 2010)

 

Antjie Krog, Hoe zeg je dat (vertaling Robert Dorsman en Jan van der Haar), Amsterdam, Podium, 2009, 159p., € 19,50

Met haar in het Nederlands onder de titel ‘De kleur van je hart’ uitgegeven verslag van de zittingen van de WVC (de Waarheids- en Verzoeningscommissie die Zuid-Afrika in de jaren negentig behoedde voor een burgeroorlog ) raakte Antjie Krog wereldwijd bekend. Meteen groeide ook de aandacht voor haar werk als dichter en werd gaandeweg duidelijk dat zij tot de top van de huidige Zuid-Afrikaanse literatuur behoort.       

Voor haar bundel ‘Hoe zeg je dat’ selecteerde Antjie Krog een reeks gedichten op thema’s als verliefdheid, huwelijk, kinderen, de overgang en het ouder worden. Met haar keuze, die teruggaat tot de in 1970 verschenen bundel ‘Dogter van Jefta’ en afgerond wordt met de cyclus van 9 gedichten die ze onder de titel ‘Waar ik jou word’ publiceerde naar aanleding van Gedichtendag 2009, biedt ze een boeiende inkijk in de thema’s en de motieven die als een rode draad door veertig jaar dichterschap worden geweven.

Antjie Krog

Antjie Krog

Met haar keuze voor ‘digter wordende’ als opener voor de bundel ‘Hoe zeg je dat’ wijst Krog erop dat voor haar het gedicht an sich voorafgaat aan alles wat verder haar leven zal kleuren en vorm geven. Krog beschrijft in het gedicht een ochtendstemming, ‘om op ‘n oggend wakker te word binne-in klank’: de dichter in haar ontwaakt, zij weet dat haar een opdracht wacht: ‘soekende naar daardie preciese / moment wat ‘n versreël volloop in klank.’ Vaak waaieren de gedichten van Krog uit tot een ‘kwiksilversingend’ (het woord dat zij gebruikt in gedicht 4 in ‘Waar ik jou word’), wervelend spel van klanken, dat vertalers hoe dan ook voor problemen stelt. In ‘kersfees 1992′, een gedicht waarin wordt gealludeerd op de veranderende situatie in Zuid-Afrika begin van de jaren negentig, staan deze verzen: ‘alles bras groen / tussen doringbome en windmakertossels / damp ritteltits van gomgatek / boggel karee vastrap olien’. Oordeel mee over de vertaling hier: ‘alles zuipt het groen / te midden van doornbomen en protserige franjes / dampen kriebels van het bellenblazen / bochels azijnbomen horlepiep olijf.’

Leven en poëzie schuiven bij Krog nadrukkelijk ineen. Dat zij het binnen de thematiek van liefde en relaties over haar kinderen zal hebben, ligt in de lijn van de verwachtingen. Maar voorafgaand aan de reeks gedichten die specifiek aan ze worden gewijd, staat het gedicht ‘eerste teken van lewe’, waarin met een allusie op het kind dat zich in de moederschoot bevindt, de genese van het (een) gedicht wordt beschreven: ‘ ‘n vers wat vanoggend eindelik begin roer om geskryf te word’.

Binnen de niet-chronologische opbouw van ‘Hoe zeg je dat’ (de gedichten staan niet geordend volgens datum van publicatie) volgt Krog vanuit een tegenbeweging de voor de hand liggende stadia in haar leven: van verliefdheid naar huwelijk en twijfel die de relatie binnensluipt, tot de komst van de kinderen, de voortgang van de tijd die het lichaam (nog zo’n belangrijk motief in haar poëzie) aan verval onderhevig maakt, het zich opdringende besef uiteindelijk van de eigen sterfelijkheid. Ontroerend, nog wat naïef en op het randje van het sentimentele klinkt ‘ek wil’, het enige gedicht dat Krog meeneemt uit ‘Dogter van Jefta’: ‘ek wil jou so graag gelukkig maak / en wil vir jou verse skryf / (…) / ek wil jou so graag iets gee wat jy kan saamdra / (…) / eendag as jy oud en allenig in die son sit.’ Snel echter zal zij het hebben over de ‘verinneweerde bruid’ (‘beschadigde bruid’), maakt een gevoel van ondraaglijke eenzaamheid zijn opwachting, zoals treffend verwoord in het gedicht ‘die mooi vrou van die goeie man’, met deze omarmende begin- en eindstrofe: ‘die mooi vrou van die goeie man / sit afwesig teenoor hem / in haar bord lê 2 ryskorrels / met haar vingernael skuif sy dit rond.’ Verder wordt de relatie met de geliefde benaderd in termen van macht en strijd, ‘ek ruik / aan jou die geur van mag’, ‘ek sien hoe skerp die woord geld trek op die woord geweld’. De ‘vry fokken vrou’ (‘vrije vrouw verdomme’) zoals ze zichzelf op zeker moment noemt, lijkt veraf op dat moment. Krog kijkt zichzelf genadeloos scherp aan in de spiegel, o.m. in die gedichten waarin ze het proces van het verouderen beschrijft. Er zijn ‘die warm gloede’ (de ‘opvliegers’) die daar bijhoren, er is het verrassende moment van toch weer te gaan menstrueren: ‘terwyl sy teemaak vloei iets vreemd / bekends af langs haar binne-dye. soos ink.’ Het bloed dat wordt geassocieerd met de inkt: de verwijzing naar het schrijven doemt weer op, zoals ook en nadrukkelijk in ‘hoe sê mens dit’, het titelgedicht bij deze bloemlezing dat zo eindigt: ‘hoe en waarmee / verwerf ‘n mens die woordeskat van ouderdom?’ Finaal dringt zich de gedachte op aan de dood, het defintieve afscheid, ‘die liggaam begin om afskeid te neem’ luidt het in het dagboekachtige gedicht ‘winter’.

Die tot op de grens van nauwelijks nog te dragen doorgedreven directheid laat de lezer meer dan eens in verbijstering achter. Hoe zij schrijft over de kinderen bijv.: er is de (voorspelbare) ontroering om het nieuwe leven, maar evengoed het besef van de dagelijkse, soms geestesdodende beslommeringen die de zorg voor de kroost met zich meebrengt (‘hoe en waarmee oorleef mens dit?’). En, schrijvend over haar land, stelt zij vast, tot haar eigen ontsteltenis lijkt het wel: ‘dinge waaroor ‘n mens nooit ‘n gedig sou skryf nie / dring in die nuwe territory poetic temas binne’. Krog heeft het hier over de mensonterende toestanden in de townships.

Met ‘Waar ik jou word’ krijgt de bloemlezing een waardige afsluiter: 9 liefdesgedichten over het feit dat niets zeker is in de liefde. Krog trekt haar thematiek hier opvallend breed open door met de talrijke verwijzingen naar de sterren de liefde in een kosmisch verband te situeren: ‘ontmantelende sterreskuim / onttakeld  swierende sterrehope puin – / stof wat vormloos en maakbaar verdig’ (uit gedicht 5)

In hun nieuw gecreëerde samenhang leggen de gedichten uit ‘Hoe zeg je dat’ onvermoede, maar steeds onderhuids levende verbanden bloot die de poëzie van Antjie Krog zo intrigerend mooi maken.

Jooris van Hulle 

(Hierdie artikel verskyn in die jongste uitgawe van Poeziekrant ; nr. 6, 2010)

 

 

 

 

 

 

Onderhoud. Daniel Hugo (Poeziekrant 6; 2010)

Sunday, November 14th, 2010

Interview met Daniel Hugo deur Jooris van Hulle

(Hierdie onderhoud verskyn in die jongste uitgawe van Poeziekrant ; nr. 6, 2010)

Daniel Hugo

Daniel Hugo

 

Als er iemand is die de Nederlandse literatuur op de kaart heeft gezet in Zuid-Afrika, dan is het wel Daniel Hugo. Romans van Tom Lanoye, Harry Mulisch en Karel Glastra van Loon, het literaire non-fictiewerk van David van Reybrouck, gedichten van Herman de Coninck en Gerrit Komrij, liedteksten van Herman van Veen, Omer Vandeputtes essay over het Nederlands…: ze werden door Hugo vertaald in het Afrikaans. Als dichter heeft hij, naast figuren als Antjie Krog, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, een eigen plaats veroverd in de Zuid-Afrikaanse literatuur. Tot hiertoe publiceerde hij dertien bundels.

 

De onmogelijke positie van de dichter

Als een rode draad loopt door je leven de uitgesproken belangstelling voor taal en literatuur. Was die er van jongsaf?

‘Ik ben opgegroeid in een huis met boeken. Mijn moeder was en is nog steeds een fervent lezer. Mijn vader was predikant en in zijn werkkamer stond een groot aantal naslagwerken. Boeken maakten dus voor mij van kleinsaf deel uit van mijn leefomgeving. Ik was als kind vaak ziek, wat met zich meebracht dat ik heel wat tijd in bed moest doorbrengen. Het gevolg is dat ik vandaag nog steeds moet gaan liggen om te lezen. In de bibliotheek van mijn vader stond o.m. ‘Predikant achter prikkeldraad’, het allereerste boek in het Nederlands dat ik ooit – ik moet dan elf of twaalf geweest zijn – heb gelezen. Later was er de verplichte literatuurlijst op school, waarop ook Nederlandstalig werk stond, zoals ‘De oogst’ van Stijn Streuvels, ‘De kleine Rudolf’ van Aart van der Leeuw en het toneelstuk ‘Springvloed’ van Ina Boudier-Bakker. Niemand heeft er ons toen op gewezen dat het verschil in taalgebruik tussen Streuvels en de anderen berustte op het onderscheid tussen ‘Vlaams’ en ‘Nederlands’. Nu, Nederlandstalige boeken  worden tegenwoordig al lang niet meer gelezen op de Zuid-Afrikaanse scholen.’

En hoe kwam je in contact met de poëzie?

‘Mijn belangstelling voor de Afrikaanse poëzie heb ik eveneens aan mijn vader te danken. De manier waarop hij kon citeren uit de humoristische en volkse verzen van A.G. Visser…. Een intrigerend dichter, die A.G. Visser, die mij blijvend heeft beïnvloed door de manier waarop hij met de taal speelde en grapjes uithaalde in zijn gedichten. Aan de Universiteit van Stellenbosch ben ik Afrikaans gaan studeren. Nederlands was een verplicht onderdeel van de opleiding. Het vak heette trouwens Afrikaans-Nederlands. Wat spijtig genoeg niet aan bod kwam, was het spreken zelf. Daarom heb ik het nog altijd moeilijk om Nederlands te praten of te schrijven. Om verder te gaan: in 1980 werd ik lector aan de Universiteit van de Vrijstaat in Bloemfontein. Daar doceerde ik Afrikaanse en Nederlandse letterkunde. In 1983 studeerde ik dan een jaar aan de KUL, waar ik de lessen volgde van o.a. Hendrik van Gorp en Hugo Brems.’

In Stellenbosch maakte je deel uit van het ‘Letterkundig Laboratorium’ van D.J. Opperman. Wat hield dit precies in?

‘In het ‘Letterkundig Laboratorium’, een seminarie dat over één semester werd georganiseerd, werden de gedichten van derdejaarsstudenten die zelf ook poëzie schreven, kritisch besproken en geanalyseerd door medestudenten, dit onder supervisie van Opperman. Maar zijn inbreng bleef, mede ten gevolge van zijn alcoholverslaving, eerder gering.’

D.J. Opperman is bij ons vooral bekend geworden als de samensteller van het ‘Groot verseboek’, dat de canon van de Afrikaanse dichtkunst markeerde.

‘Dat klopt zeker. Maar hij was in de jaren veertig van de voorbije eeuw met zijn metaforisch geladen verzen ook een groot vernieuwer van de Afrikaanse poëzie. Ik heb altijd een grote bewondering gehad voor hem. Mijn gedicht ‘Ontnugterde digter’ verwijst naar zijn gedicht ‘Digter’, waarin hij het heeft over een krijgsgevangene die tijdens de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) naar Ceylon (tegenwoordig Sri Lanka) verbannen wordt en daar, om de tijd te verdrijven, scheepjes bouwt in flessen. Mijn gedicht is een vorm van afrekening. Het is trouwens sterk autobiografisch en allerminst bedoeld als een soort biografie van Opperman zelf.’

Bij de SAUK (Suid-Afrikaanse Uitsaaikorporasie) verzorgde je twintig jaar lang de literaire radioprogramma’s. Hoe vatte je die op?

‘Het was in de eerste plaats mijn bedoeling lezers warm te maken voor de Afrikaanse literatuur. Ik focuste daarbij in hoofdzaak op de auteur en zijn werk, zonder me daarbij provocerend of confronterend op te stellen. Ik heb ook tal van portretten van schrijvers gemaakt. Nu ik erop terugblik, was dit het boeiendste aspect van mijn werk. Voor de poëzieprogramma’s kon ik ook een beroep doen op de beste voordrachtkunstenaars van het land, voor wie ik nu nog altijd heel veel respect en bewondering heb.’

Je was ook een tweetal jaren uitvoerend directeur van het Huis der Nederlanden in Kaapstad, het huidige ‘Suid-Afrikaanse Sentrum vir Nederland en Vlaandere’.

‘Het SASNEV wil de Nederlandse en Vlaamse cultuur in Zuid-Afrika promoten via lezingen, filmvoorstellingen, tentoonstellingen, workshops…. In het Centrum is trouwens de grootste Nederlandse bibliotheek van het zuidelijke haflrond gehuisvest. Ten gevolge van de wereldwijde financiële crisis moest  ik, samen met mijn mede-directeur Zirkëa Ellis, plaats maken voor een lager bezoldigde bestuurder. Nu, het blijft een lovenswaardige onderneming die spijtig genoeg altijd weer wordt geconfronteerd met financiële problemen omdat de ondersteuning vanuit Zuid-Afrika en vanuit de Lage Landen ontoereikend blijft.’

 Nu werk je als ‘vryskut-taalpraktisyn’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

‘Als freelancer kon ik aan de slag bij verschillende uitgevers als vertaler, redacteur en proeflezer. Sinds april 2010 ben ik vast in dienst bij Protea Boekhuis, vooral dan als vertaler van (hoofdzakelijk) Nederlandstalig werk. Binnenkort verschijnen o.m. ‘Koning van Katoren’ van Jan Terlouw en een bloemlezing uit de poëzie van Rutger Kopland. Momenteel werk ik aan de vertaling van ‘Sprakeloos’ van Tom Lanoye. Een schitterend boek trouwens, poëtisch taalvuurwerk!’

Hoe zit het overigens met de belangstelling voor Nederlandse literatuur in vertaling?

‘Er is geen grote vraag naar vertalingen uit het Nederlands. De Afrikaanse lezers zijn eerder gericht op Engelse vertalingen van buitenlandse literatuur, minder op die in het Afrikaans. Waarom weet ik niet zo direct. Hoewel de vertaal- en productiesubsidies vanuit Nederland en Vlaanderen de hele zaak aantrekkelijk maken voor uitgevers, geven die toch liever nieuw origineel werk in het Afrikaans uit. Mijn vertalingen van de gedichten van Gerrit Komrij en Herman de Coninck worden wel op kleine schaal aan universiteiten opgelegd als verplichte lectuur. Uitgevers als Protea Boekhuis wagen het dan wel vertalingen uit het Nederlands op de markt te brengen, maar dit is, eerlijk gezegd, vooral een soort geloofsbelijdenis. Nederlandse en Vlaamse prentenboeken doen het dan weer goed in vertaling. Toevallig staat mijn vrouw, Carina Diedericks-Hugo, als uitgeefredacteur bij Protea Boekhuis er voor in dat  die prachtige kinderboeken in Afrikaanse gezinnen terechtkomen.’

Je hebt het over Herman de Coninck, uit wiens werk je kortgeleden een bloemlezing publiceerde onder de titel ‘Die lenige liefde’ …

‘De Coninck is de ongeëvenaarde dichter van de vergelijking. Zijn poëzie verrast telkens weer door de beelden die handelen over de meest universele thema’s: liefde, dood en natuur. Zijn voorliefde voor het taalspel trekt me erg aan, hoewel hij juist daardoor vaak onvertaalbaar blijft. Maar geen poëzieliefhebber blijft onberoerd bij zijn melancholische medemenselijkheid. Als liefdesdichter is hij de Neruda van de Lange Landen. Zijn gedichten zijn ook bjizonder goed geschikt om voorgedragen te worden. Trouwens, Herman kon zelf prachtig lezen.’

Onlangs verscheen van jouw hand ook een biografie van het Afrikaans: ‘Halala Afrikaans’. ‘Halala’ betekent zoveel als ‘Hoera!’. Een liefdesverklaring aan de taal?

‘Inderdaad een soort liefdesverklaring! En omdat ik in de eerste plaats dichter ben, heb ik het verhaal van het Afrikaans vooral benaderd vanuit de poëzie. Het allegorische gedicht uit 1896 ‘Die Afrikaanse taal’ van dominee-dichter Jan Lion Cachet bood mij er bijv. een goed aanknopingspunt om komaf te maken met een aantal foute opvattingen over het ontstaan van het Afrikaans. Lion Cachet overschat o.m. de invloed van het Frans van de Hugenoten-immigranten, terwijl hij de grote bijdrage van de slaven en de Khoi (de Hottentotten) totaal negeert. Het gedicht begint zo: ‘Ek is ‘n arme boerenôi, / Bij vele min geag: / Maar tog is ek van edel bloed, / En van ‘n hoog geslag. / Uit Holland het my pa gekom, / Na sonnig Afrika; / Uit Frankrijk waar die druiftros swel, / My liewe mooie ma.’ 

Nu, het boek is vooral bedoeld voor eerstejaarsstudenten en voor een breed publiek. Daarom heb ik het zo toegankelijk mogelijk gemaakt. Ik heb wel een beroep kunnen doen op medewerkers aan verschillende universiteiten voor de hoofdstukken over streektalen, de jongerentaal, de moderne Afrikaanse muziek…’

Als dichter debuteerde je in 1981 onder het pseudoniem Daan van der Merwe met ‘Saad uit die septer’…

‘Eigenlijk was dit bundeltje bedoeld als een soort literaire grap. Vandaar ook de schuilnaam. Er doen trouwens al decennia lang Van der Merwe-grappen de ronde in Zuid-Afrika. ‘Saad uit die septer’ was opgevat als een parodie op ‘Komas uit ‘n bamboesstok’,  de laatste bundel van D.J. Opperman. Ik heb, in miniatuurvorm weliswaar, de indeling van die bundel en de thematiek ervan nagebootst. In wezen was dit mijn eerste daad van verzet tegen ‘vader’ Opperman. Maar zelf beschouw ik ‘Korte mette’ uit 1982 als mijn echte debuut.’

Over verzet gesproken: er was uiteraard de apartheid, waartegen je in het verweer trad door openlijk afstand te nemen van je geloof. En kon de poëzie hier als alternatief gelden?

‘Mijn literaire verzet tegen de apartheid staat opgetekend in de bundel ‘Breekware vir die rewolusie’, die ik geschreven heb tijdens mijn verblijf in Leuven. In de universiteitsbibliotheek kon ik toen de schrijvers lezen wier boeken in Zuid-Afrika verboden waren. Dat was voor mij een ware openbaring. Daar en dan heb ik voor het eerst beseft dat Zuid-Afrika een gewelddadige politiestaat was. Het was in 1983, toen Nederland een strenge culturele boycot had ingevoerd tegen het land. Ik blijf de Vlamingen eeuwig dankbaar dat ze mij toen als student toegelaten hebben. Een officiële boycot is even betreurenswaardig als staatscensuur. Beiden verhinderen dat de waarheid wordt gehoord. Wat nu het geloof betreft: wat van  mij een ongelovige heeft gemaakt, is het feit dat het mensonterende systeem van apartheid door de protestantse kerk waarin ik ben opgegroeid,  werd goedgepraat en zelfs ondersteund. Ik wou aanvankelijk, net zoals mijn vader, predikant worden binnen de Nederduits-Gereformeerde Kerk. Daarom ook heb ik Grieks en Hebreeuws gestudeerd. Gelukkig ben ik, nog voor ik de studies theologie zou aanvatten, tot andere inzichten gekomen. Ook de vroege dood van mijn broer George zal wel meegespeeld hebben in het hele proces van geloofsafval.’

In je gedichten bouw je ook vaak reflecties in op het schrijven zelf. Ik denk hier aan een gedicht als ‘Wat nie geskryf is nie’, waarin de idee wordt geuit dat de geletterde mens verdoemd is.

‘Ja, omdat geletterdheid en geleerdheid een mens conditioneren in de manier waarop hij tegen het leven en de wereld aankijkt. Juist daardoor is de mens zijn onschuld en zijn onbevangen blik op de dingen kwijtgespeeld. Zonder het boek ‘Genesis’ is er geen zondeval. Vandaar het vers: ‘die wêreld is ‘n ongerepte plek / vir die analfabeet’. De letter van de wet schept de zonde, het begrip immoraliteit, en daarom is de Bijbel in wezen door een ‘vroom pornograaf’ geschreven. De dichter bevindt zich dus in een onmogelijke positie: enerzijds probeert hij zijn ongerepte blik te behouden, aan de andere kant kan hij zijn pure waarneming alleen verwoorden als hij geletterd is. En ieder woord draagt in zich zijn gecontamineerde connotaties. Geen wonder dus dat dichters zich soms beroepen op een infantiele brabbeltaal.’

Thema’s als dood en leven zijn nadrukkelijk aanwezig in jouw poëzie. Je bent nog geen dertig als je in het gedicht ‘Ons weet net van duiwe’ (uit de bundel ‘Korte mette’) schrijft: ‘dan gee die dood onweer- / spreekbare bewys van die lewe’.

‘De preoccupatie met de dood is waarschijnlijk terug te voeren op het verlies van een jongere broer, die in 1977 stierf aan lymfekanker. Hij was net twintig geworden. Zoiets laat een onuitwisbare indruk na op een jonge mens, zeker als je het stervensproces van nabij hebt meegemaakt. Door de ziekte was hij verlamd aan het onderlijf en soms moest ik hem in mijn armen dragen. Later heb ik erover geschreven in het kwatrijn ‘Begrafnis’: ‘al die kere wat ek jou moes karwei / van rystoel na bed van hier na daar / was maar net repetisies vir my / uiteindelike debuut als draer.”

Met de titel  ‘Die twaalfde letter’, de ‘el’, verwijs je op een directe manier naar het hoofdthema in de gelijknamige bundel: de liefde. Die wordt beleefd als een vorm van hergeboorte. Niet toevallig opent het titelgedicht met een verwijzing naar Gorters ‘Mei’: ‘nuwe liefde, nuwe lied’. Maar toch blijft het besef ‘dat pyn bestaan, is nodig’…

‘Ja, die ‘nuwe liefde’ was mijn vrouw Carina, die nu een tiental jaren geleden mijn leven tot een Gorteriaanse lente heeft omgetoverd. Maar liefdesgeluk is spijtig genoeg een zwakkere en minder betrouwbare prikkel om poëzie te schrijven dan melacholie en verdriet. Daarom is het vanuit dichterlijk oogpunt nodig dat er (ook) pijn is. Pijn garandeert de ‘zuiverheid’ van de   poëzie: ‘sorgelose liefde lei maklik / tot onversorgde verse: die digter / gooi woorde rond, dekadent / soos ‘n ryke sy geld strooi // maar sodra die liefde instort / begin die digter op sy woorde let/ (…). In een van haar gedichten zegt Elisabeth Eybers zelfs tegen de geliefde: ‘Gaan weg dat ek oor jou kan skryf’. Nu, ik ben wel nog niet bereid mijn persoonlijk geluk te offeren aan de gulzige god van de poëzie. De grootste uitdaging voor een dichter bestaat erin oer-emoties als liefde, haat, jaloersheid op een unieke, nieuwe manier te beschrijven. Als hij daar niet toe in staat is, is het beter dat hij zwijgt.’

Vooraan in de bundel staat het gedicht ‘Liewe leser’, waarin je je poëtica verwoordt: ‘helderheid beslis en ‘n eenvoud / wat ‘n mens jou asem laat ophou’. Geen hermetisme dus, maar eenvoud en klaarheid.

‘Ja, je ziet dit heel goed. Soms zit wel een zekere mate van hermetisme in mijn verzen, vooral waar het het spel met de woorden betreft. In ‘Ontnugterde digter’, waarover ik het reeds had, heb ik in de tweede strofe het woord ‘dekade’ laten resoneren ‘dek en kaai’. Ik weet niet of ergens een lezer dit al heeft opgemerkt, maar het verschaft mij  toch heel wat binnenpretjes.’

Over je meest recente bundel ‘Die panorama in my truspieël’ hangt een sfeer van weemoed die geworteld is in het besef dat alles voorbijgaat, dat wat achter je ligt meer ruimte inneemt dan de toekomstverwachting.       

‘Eigenlijk zou ‘Die panorama in my truspieël’ (achteruitkijkspiegel) een goede titel zijn voor mijn verzamelde gedichten aan het eind van mijn loopbaan als dichter. Maar ik vrees dat ik mij tegen dan de titel niet meer zal herinneren! De spiegel waarmee de dichter naar zijn verleden kijkt, is het gedicht zelf. De vorm van een tekst op het blad kennen wij toch ook als de bladspiegel. In de ‘minuscule’, gedrongen vorm van een gedicht kan de dichter het ‘ontstellende panorama’ van zijn verleden aanschouwen. Een deel van dit uitdeinende uitzicht is de dood die je van achteren inhaalt. De dood doemt als het ware uit je verleden op als een vrachtwagen die komt aangeraasd. Het gaat hier niet om iets dat achter een bocht ligt te wachten. De bochten en bergpassen van de ouderdom dwingen je er wel toe langzamer te bewegen. Je verleden, de genen die je geërfd hebt, je hele doen en laten genereren als het ware je dood. Dat is wat ik wilde zeggen in het gedicht ‘Bestemming’: ‘ek kantel verse soos ‘n spieël / om oor my skouer te kan tuur: / vlaktes, kronkels van ‘n rivier // ek sien hoedat iets my inhaal / – ‘n gevaarte met baie asse – / en voor wag smal draaie, wag passe’.       

In het openingsgedicht ‘Voyeur’ wordt God voorgeteld als een dichter die in zijn kosmetische, kosmische spiegel – de maan – naar zijn schepsels kijkt. God heeft zich natuurlijk van ons afgewend. In mijn poëzie is hij alleen maar een hypothese, een mythische gestalte, een vage herinnering uit een gelovige jeugd.’

Mij valt op dat je in de bundel ook (meer) schrijft vanuit de vergelijking man/vrouw. Man en vrouw kijken ‘anders’ tegen de liefde aan…

‘Man en vrouw benaderen de liefde ongetwijfeld vanuit een verschillende invalshoek. In een vaste relatie, zoals het huwelijk, zitten ze samen gevangen in een web, zelfs al vertolken ze verschillende rollen in die relatie. Zo schrijf ik in  ‘Huwelik’: ‘daar word maklik gesê: / in die web van die man / leer die vrou spin en weef // maar beeldspraak kan mislei: / saam sit die twee gevang / in die taai droom van sweef’. En in het erop volgende gedicht wordt dit ‘vastzitten’ positief voorgesteld als een ‘kokon’: ‘in die digte spinsel koester / ons daagliks die liefde / wat onverwoesbaar duur’.
Terloops nog dit: de volgorde van de gedichten in een bundel is echt wel van belang. Eigenlijk moet je een bundel van begin tot eind lezen om zo het ‘verhaal’ of de ‘redenering’ te kunnen volgen. Gedichten vullen elkaar aan, relativeren elkaar of spreken elkaar doelbewust tegen. En dat geldt ook voor opeenvolgende bundels.

Int.: Jooris van Hulle

 

Ontnugterde digter

 

dit het hy geglo op vyf-en-twintig:

jy moet al die oseane bevaar

as jy gesout en wêreldwys wil dig

 

met ‘n bottel het hy die boot beman

en ‘n dekade lank hom dol gedra

toe tussen dek en kaai oorboord gegaan

 

op vyf-en-twintig – na baie skande –

weet hy jy kan die ryme ook takel

teen die kimme van jou kamerwande

 

hy wens hy kon die reis van voor begin

dan sou hy beslis uit die pekel bly

deur ‘n skip in die bottel te versin

 

(uit de bundel ‘Dooiemansdeur’ – 1991)

 

Die twaalfde letter

 

nuwe liefde, nuwe lied:

enkel elle kan al’s vertel

van dié ruimte: ‘n rymgebied

 

die verloklike letter el

staan eerste in my el-fabet

 

en jy my aller-elste lief

jy is die alfa van my bed

vir wie ek gloeiend letters giet

 

(uit: ‘Die twaalfde letter’ – 2002)

 

Nog ‘n liefdesgedig

 

my liefste lief, hoe maak ‘n mens

‘n liefdesvers uniek? so spesifiek

dat dit alleen op jou kan dui?

want besing ek – met alle respek –

die lyne van jou bors of dy

sien elke geletterde skarminkel

hoe sy meisie net vir hom uittrek,

en sê ek dat jy blond is soos kerswas

is daar ‘n paar miljoen vroue

wat perfek by dié beskrywing pas

-‘n gedig is skaars ‘n foto of skildery-

verstaan jy nou dat ek liewer stilbly?

 

en kyk: ‘n verliefde digter wat swyg

dit, my liefste, dit is uniek

 

(uit:’Die twaalfde letter’ – 2002)

 

Bibliografie (selectief)

 

dichtbundels:

-Korte mette (1982)

-Breekware vir die revolusie (1984)

-Verse van die ongeloof (1988)

-Planetarium (1999 – keuze uit de eerder verschenen bundels – in het Nederlands vertaald door Jacqueline Caenberghs – uitgeverij P)

-Die twaalfde letter (2002)

-Die panorama in my truspieël (2009

 

Vertalingen uit het Nederlands:

(een keuze)

-Herman de Coninck: Liefde, miskien (1996)

-Tom Lanoye: Kartondose (1996)

-Harry Mulisch: Die aanslag (1999)

-Karel Glastra van Loon: Passievrug (2002)

-David van Reybrouck: Die plaag (2003)

-Gerrit Komrij: Die elektries gelaaide hand (2005)

-Tom Lanoye: ‘n Slagterseun met ‘n brilletjie (2008)

-Herman de Coninck: Die lenige lmiefde (2009

-Jan Terlouw: Koning vazn Katoren (2010)

-Rutger Kopland: Onder die appelboom (verschijnt eind 2010)

-Sylvia Vanden Heede: Vos en haas (verschijnt eind 2010)

-Tom Lanoye: Sprakeloos (in voorbereiding)

-Pieter Aspe: Het vierkant van de wraak (in voorbereiding)

 

Daniel Hugo werd geboren te Stellenbosch op 26 februari 1955. Studeerde aan de universiteiten van Stellenbosch, Pretoria en Bloemfontein. Was lector Afrikaanse en Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van de Vrijstaat in Bloemfontein. Verzorgde de literaire programma’s bij de Afrikaanse radiodienst van de Suid-Afrikaanse Uitsaaikorporasie. Is thans als redacteur verbonden aan Protea Boekhuis.

 

 

 

 

Christine Barkhuizen le Roux – vertaling in Vlaams

Saturday, June 5th, 2010

Uit: Rozet. Christine Barkhuizen le Roux;

Uitgeverij P, 2009, Vertaling in Vlaams: Jooris van Hulle

 

 

Vertaling in Vlaams

Afrikaans

 

zomer

 

laat jouw handen

zich openen over mij

 

de jonge knoppen voldragen van bloei

liggen zacht aan de vingers van de mond

en langzamer zal jij

uit deze kelk de zomer drinken

het voorspel

op het najaar klinken

 

laat mij

geloven aan jouw hand

 

ook open rozen

zijn mooi

 

 

somer

 

laat jou hande

oopgaan oor my

 

die jong knoppe lê volgebloei

sag aan die vingers van die mond

en langsamer sal jy

uit hierdie kelk die somer drink

die voorspel

tot die najaar klink

 

laat my

aan jou hand glo

 

ook oop rose

is mooi

 

 

Anne Frank

 

drie zomers schuiven voorbij

achter een verdonkerd raam

herschep jij het geluid van groei

de uren tillend afgemeten

een klankspel in de wind

 

je ruikt de angst die zich verspreidt

een kind wordt vrouw en vreest

tussen muren bloeit er stil

een vluchteling

in schuilplekken van het woord

 

buiten wacht de winter kil

grijs en koud jouw trieste faam

 

medaillon van de dood

 

 

Anne Frank

 

drie somers skuif verby

agter ’n dowwe ruit

herskep jy die geluid van groei

die ure tillend afgemeet

’n beiering in die wind

 

jy ruik die angs wat sprei

’n kind raak vrou en vrees

stil tussen mure bloei

’n vlugteling

in skuilings van die woord

 

buite wag die winter kil

grys en koud jou droewe roem

 

medalje van de dood

 

 

in de Tradouw

 

     voor Marleen Konings

 

jij zocht de gloed van licht

glimlachend jong en blond

onbekend met dit zuiderkruis

waar je alleen schaduwen zou vinden

 

langs zonschijnbos en kiepersol

waar vrouwen eeuwenlang al

een voetpad over de berg hebben uitgetrapt

wachtte jou een opgeschorte loop

 

in de kronkelpas bloeit nu een tulp

kwetsbaar inheems geraakt:

tussen speldenkussens en aloë

een wond die groeit op fijnbosgrond

 

in die Tradouw

 

          Vir Marleen Konings

 

jy het die gloed van lig kom soek

glimlaggend jonk en blond

onwetend van dié suiderkruis

waaronder jy slegs skaduwees sou vind

 

langs sonskynbos en kiepersol

waar vroue oor ’n duisend jaar

’n voetpad oor die berg kon trap

het jy ’n opgeskorte loop gekry

 

binne die kronkelpas bloei nou ’n tulp

roerend inheems geraak:

tussen die speldekussings en aalwyn

’n wond wat groei in fynbosgrond

 

 

herinnering   

 

                –  Antwerpen

 

schemer van licht op de Schelde

zilveren schubben op een film

spoelen met de rivier van toen

 

op een kaart van net dié zomer

doemt uit blauwe stroompjes inkt

een bronsglanzend zonneschip

 

weer weerkaatst spelend het oog

op onverblekend glanspapier

één Vlaamse avond één laatste pier

 

herinnering

 

    Antwerpen

 

skemer liguur op die Schelde

silwer skubbe op ’n film

spoel met gister se rivier

 

op ’n kaart van toentersomer

ontwikkel uit blou stroompies ink

’n sonskip brons en blink

 

weer speel die oog en reflekteer

op onbleikbare glanspapier

één Vlaamse aand één laaste pier

 

 

Rodin

 

           naar Kathedraal

 

een nachtlied klinkt nog na

in de luister

torens die reiken

zuilen wanden beeld

van deze kathedraal

 

gevormd door jouw handen

word ik uit steen bevrijd

levend ingebed

binnen het gefluister

van de huid

 

© Vertaling: Jooris van Hulle

  

Rodin

 

        na  Cathédrale

 

’n naglied pols

nog in die luister

torings wat reik

pilare wande beeld

van hierdie katedraal

 

gevorm in jou hande

word ek uit klip gehaal

lewend gebed

binne die fluister

van die vel

 

© Christine Barkhuizen le Roux