Posts Tagged ‘Joris Iven gedigte’

Joris Iven. Twee gedigte (Je ging de verkeerde richting uit…; Je vrienden zeggen dat… )

Sunday, December 15th, 2013

JE GING DE VERKEERDE RICHTING UIT…

aan Katherina M.

 

Mijn vader heeft me gevraagd je zijn bidprentje te sturen.

Ik ben vaak in zijn voetstappen getreden, ook als hij

jou bezocht. We hebben ons op het plein,

in Brasserie Le Soleil,

een middag lang zitten vervelen,

nippend van het glas, biljart spelend, telefonerend.

De hel heeft een verleden, een naam

en een gezicht.

Ze ligt beneden aan het eind van de A 604,

aan de overkant van de Maas,

rechtsaf, afslag Boverie.

Alles is er grijs, de lucht, de heuvels, de huizen. Rookwolken stijgen op

uit koeltorens en opslagtanks. Schoorstenen, elektriciteitsmasten,

antennetorens zijn als pijlen van god in de stad neergeploft. Het sombere

Cockerill Sambre. Jij dwaalde in de armoe van textielateliers,

ingestorte daken, stukgeslagen ramen. Je droomde

jezelf ver weg naar Las Vegas. De vrachtwagens die het Lager verlieten

waren afgeladen vol. Jonge mannen, uitgemergelde lijven, verscheurde harten.

Fremdarbeiter, Fremdkörper. Jij wilde niet meereizen met hen.

Je bent alleen de weg van Kassel naar hier gegaan, je ging

de verkeerde richting uit, je bent net

niet ver genoeg gegaan. 

We hebben de verkeerde keuzes gemaakt,

Kathya, we hebben de verkeerde keuzes gemaakt.

Je bent gestrand

op de Place des Tourterelles

Had je op de hele wereld geen andere plek kunnen vinden, jij, vleugellamme

tortelduif? Ik zie je staan met deze brief, dit prentje, in je hand,

zes hoog, bij het raam. In je gezichtsveld

grijze natuurstenen woonkazernes, afvalbakken, wilgenbomen,

verroeste speeltuintuigen. Een oude vrouw loopt gebogen naar binnen,

een dochter laadt boodschappen uit haar wagen. Het plein is verlaten.

De wind regelt het ritme van de regen. Druppels plakken even

aan het glas,

en glijden er dan langzaam af.

De ruiten beslaan.

Je herinnert je

die middag met mijn vader.

Jaren van zoeken, woelen en de slaap niet kunnen vatten

vullen de kamer. Een straal licht valt binnen –

en ontploft in de glazen luchter

boven de tafel.

Op de kast trilt de foto van je evenbeeld. Niemand zegt iets

over een dochter, een wandelstok, een hoorapparaat.

Het was dat verdomde bloeden van je hersens dat je heeft verlamd. 

Je duizelt, ook als je ligt.

Je hebt jicht. 

Je gebaren vertragen. 

Ik geef je een sigaret

en je zegt:

dit is alles wat ik nodig heb.

 

*

 

JE VRIENDEN ZEGGEN DAT…

aan Pearse H.

 

Gister was ik op Cap Gris Nez, niet ver van hier. 

Ornithologen zaten er op vouwstoeltjes

in het hellinggras. Ze bestudeerden met verrekijkers het migratiegedrag

van vogels. Deze kaap

is een oriëntatiepunt op hun trek naar het zuiden. 

Collega’s zeggen dat je breekbaar bent geworden, ook je vrienden

zeggen dat. Ik ken het pad van de kroeg

langs de achtertuinen naar je huis. Catalaanse muts, eeuwige regenjas,

draagtas met blikken Heineken. Ik ken je pad.

Je moet niets verklaren,

je moet voor niets verontschuldiging vragen. Er is weinig gebeurd

sinds we elkaar laatst zagen. Ik ben teruggekeerd naar

deze uithoek waar altijd weinig gebeurt. Het is genoeg geweest,

ook, het is genoeg geweest. Heel soms

tuft een auto door de straat en waaien bladeren van berken en wilde

kastanjebomen op. In de vooravond tikt

de verwarming. Vanmorgen tijdens een wandeling

zag ik late paddestoelen in het bermgras.

Ik praat in termen van een gebeurtenis.

Het is oktober. Je handen zijn bijna doorzichtig geworden,

je stappen bijna richtingloos. Ook dat zeggen je vrienden. En jij –

onnozele ziel die in ware zachtaardigheid leefde –

zocht hen op waar ze ook waren.

Op Cap Gris Nez kon ik sommige vogels –

sternen, paapjes en tapuiten – nauwelijks onderscheiden

van de rotsrichel waarop ze zaten. 

Slierten dichte mist hingen voor de kust –

een sedimentatie van kalksteen, krijt en leem,

zandsteen en zand. Jij las gedichten in het Keltisch, zocht taallagen in

plaatsnamen, strandde in Achnasheen. 

Barcelona, Belfast, Achnasheen.

Uiteindelijk strandde je. Ik praat deze dagen vaak met je,

in gedachten. Mensen als wij oriënteren zich op mensen

als wij. Mijn moeder zegt: kluizenaars,

dronkaards. Hoe dan ook,

als ik je kom bezoeken, breng ik Belgisch bier mee,

en boeken.

 

© Joris Iven / 2013



Joris Iven. Twee gedigte (Wat ik je wil vragen vannacht…; Gedicht alleen voor nu)

Tuesday, December 10th, 2013

WAT IK JE WIL VRAGEN VANNACHT…

aan Tua F.

 

Het spijt me dat ik vanavond niet bij je kon zijn.

De kinderen slapen. Het is twee uur ’s nachts

en stil in huis. Ik heb de radio aan.

Elke stem kan je inspiratie geven –

dát heb jij gezegd.

Over enkele uren zul je terugkeren. Je hebt me

weinig keuze gelaten, Tua.

Die stem, donker aan de andere kant van de kamer,

zegt dat zeeën een eigen leven leiden,

los van dat van ons. Ook wij leiden een leven

los van elkaar, los van ons huis en ons bed, en los van

onze boeken en onze gedachten.

Wij leven met onze handen.

Ik schrijf zeeën en denk meteen aan weeën,

aan glijdende pijnen. 

Wat ik je wil vragen vannacht, Tua, is

of ik je een zus mag noemen.

Ik stel mijn hoop op je ernstige aard. 

Je antwoord zal toch los staan van wat tussen ons ligt

en ons dagelijks scheidt. En los van onze lichamen. 

Hier is vandaag de herfst ingetreden. In mijn achtertuin

drijft een ochtendlijke nevel over het gras

en mijn adem vormt een vluchtige wolk

in de kouder wordende lucht.

Jij komt vandaag vroeg in de ochtend thuis –

laat de koffers uit je handen vallen

naast het bed. Je dwaalt rond in dat oude schoolgebouw.

In een andere jurk ga je weer naar het meer kijken,

met andere ogen, zonder je af te vragen

wie iets voor jou verborgen houdt.

Ik ben geen groot verhalenverteller, Tua. Ik wil alleen

maar weten hoe jij je dagen doorbrengt in Ekenas.

In stilte? Zelfs zonder

het gehinnik van een paard,

met alleen maar stemmen

’s nachts in je huis?

 

*

 

GEDICHT ALLEEN VOOR NU

 

1

 

Vergeet haar: ze zal niet komen,

omdat ze de hele ochtend niet,

de hele dag niet is weggeweest;

ze zal niet komen, omdat ze is

gebleven, de hele ochtend, de

hele dag, hier, alleen maar hier,

naast me, staande bij het raam,

alleen, maar staande bij het raam

is ze gebleven.

 

2

 

              Zo zal ze altijd blijven,

zoals ze toen, stil staand, met

twee stappende vingers door

mijn haren ging, zo roekeloos,

zoals toen, zal ze altijd blijven,

zo wijdbeens als de zee breed,

zo golvend als mijn huid haar,

zo zal ze altijd blijven, zo

dichtbij als het ruisen, zo

veraf als de zee, zo zal ze

altijd blijven.

 

3

 

              En daar, staande

bij het raam, bij de zee,

zegt ze dat ik dat niet zeggen

mag, dat ik daar niet van haar,

nu niet, ooit niet, niet van haar,

als we daar staan, zegt ze,

als we bij het raam, bij

de zee staan, zegt ze,

dat zeg je niet.

 

 

               Ook vroeger heb ik

gezegd dat het zo nooit eerder

was geweest, maar zoals nu

is het nooit eerder geweest,

zo wijdbeens, zo omarmend,

zo hemelsbreed, het ruisen,

het golven, het missen, haar haar,

mijn huid, zo, heeft ze gezegd

dat het zoals nu niet verder

kan, niet blijven kan, dat het

zo nooit is geweest.

 

5

 

                   Ik heb haar niet,

en altijd bij me; ik heb haar

twee keer, niet naast me,

en naast me, zoals het ruisen,

zo dichtbij, en zoals de zee,

zo veraf, zoals ze zo roekeloos

kon komen, zo blijft ze.

 

6

 

Zo sta ik bij het raam, bij

de zee, zoals altijd, is het zo

niet goed, niet goed genoeg,

zoals altijd, gaat het fout, zoals

altijd, het gaat zoals het gaan

moet, behalve met haar en

met mij, het gaat, zoals

het ruisen, eeuwig durend,

zoals het missen, het gaat.

 

© Joris Iven / 2013



Joris Iven. Twee gedigte (Het zijn die Novemberdagen..; Het was een jaar van afscheid nemen…)

Tuesday, December 3rd, 2013

HET ZIJN DIE NOVEMBERDAGEN…

aan Cliodhna S.

 

Het is waar, ik heb je niet geschreven dat ik kwam. 

Ik kon niet. Het zijn die novemberdagen, Cliodhna.

Je was de stad uit, bij een oom in Mayo

die ik niet kende. Als je thuis was geweest,

hadden we elkaar dan ontmoet? In de Dogan’s,

in de Stag’s Head? Daar

had het overvloedige, achttiende-eeuwse hout onze stemmen kunnen dempen,

en wie weet, onze herinnering. Heb jij die foto nog

waarop ik je omarmde? Volle tafels, lege borden;

lege glazen, uitgeputte, lachende gezichten. Ik herinner me al die

plekken, die chaotische dagen, die nachtelijke intimiteiten

niet meer. Er is zoveel veranderd,

ook, er is zoveel veranderd.

We waren te roekeloos. ‘s Middags

stonden we op en liepen we gebogen in zware jassen over de Ha’penny Bridge

de stad in. Altijd uitgeput, altijd lachend. We dronken te veel.

Ik sta nu aan de overkant,

leunend tegen een van die gevels van Wellington Quay, met opgetrokken been

en met mijn voetzool steunend tegen een bakstenen muur.

De avond is gevallen. Het water in de stad stroomt zwart als stout.

Zware vrachtwagens denderen voorbij. De regen

valt als naalden in de Liffey. Druppels rollen

over mijn brillenglazen. En die ene zin –

She should have beaten me to death

blijft tollen in mijn hoofd. 

Je bent niet thuis. Er brandt geen licht in apartment five

Het rozenstruikje dat we plantten,

staat verwaarloosd op het terras. Jongelui komen luid pratend

dichterbij. Ik ga –

nog één keer, de deur uit, langs de Winding Stairs,

tot bij de Woollen Mills, en dan de brug op,

langs het smeedwerk, de lantaarnpalen, de bedelaars,

de stad in. The heart beats in the center,

zei je. Ik herinner me te veel,

deze novemberdagen. Alles wordt vertrouwd,

keert terug, herhaalt zich. De vuilnis op het trottoir,

Guinness Is Good For You, de regen

die ons bij Tara Street het station in jaagt. Bij Landsdowne Road

herinner ik me je honkbalspel, jij en de meisjes onder elkaar,

bij Sandymount, hoe je onder de douche staat,

bij Sydney Parade, je navel, je schaam- en okselhaar,

bij Booterstown, je bed, je bank, hoe vast je slaapt, bij Blackrock,

hoe je met je handen zwaait, bij Seapoint

dat ik je midden in de nacht verlaat. Bij Monkstown

stap ik af. In het donker blaft een hond

die achter de trein aan holt.

 

*

 

HET WAS EEN JAAR VAN AFSCHEID NEMEN…

aan Saviana S.

 

Ver achter ons liggen de feiten, de beloftes, de herfstkleuren. 

Vandaag hangt hier een ochtendlijke geur

van natte takken en bladeren,

damp die opstijgt van de grasvelden en het asfalt

tussen de namaakboerderijen

die in dit domein zijn opgebouwd. 

Iets van hier roept

iets van ginder op. 

Petrila, Petrosani, Lupeni, de dorpen waar ik kwam,

nadat we afscheid hadden genomen.

Het was een jaar van afscheid nemen.

Ik heb me herinnerd wat er gebeurde.

We keken vanuit de hotelkamer neer

op de daken van de stad –

dakramen als ogen

die ons de hele nacht hadden bespied.

Ik stond naast je bij het raam,

zag je lippen bewegen, maar hoorde je niet.

Ik was weggezonken,

ademde, maar taalde naar niets. 

Was het de whisky of ‘de verveling van de verschrikking’,

zoals een dronken dichter het noemde?

Wat achter ons ligt, achtervolgt ons,

Saviana. Of zeg ik, Vava?

Heb je een voorkeur voor de troetelnaam

die ik van je kleine nicht ontleende?

Herinner jij je nog de geur van versgebakken brood

die ons die nacht op straat tegemoet waaide?

De bakker begroette ons, wit als een spook.

Jij kon schrikken als geen ander.

Je kon niet wennen aan het geluid van de stokslagen

waarmee kelners zigeunerkinderen

het restaurant uitdreven.

Je haatte het steunen bij het neuken

aan de andere kant van het gordijn

dat jouw bed scheidde van het bed van het echtpaar

dat je de kamer verhuurde.

We hadden veel te vertellen, veel verhalen

zonder verschiet. Andere mensen

hadden ons kunnen ontvallen, andere

hadden samen kunnen zijn.

Vava, ik had die laatste brief moeten beantwoorden.

Wat is er met je aan de hand?

Wat is er gebeurd?

Ben je me vergeten?

De dag vordert vandaag minuut na minuut. Stapelwolken drijven voorbij.

Het is laat op de middag en de regen

valt bij tussenpozen. Berkenbladeren trillen in de wind

achter in de tuin. Ik luister naar het cello concerto

in B minor, opus 104, van Dvorák

en blijf worstelen met je vragen.

 

© Joris Iven, 2013

 

 

 

Joris Iven

Joris Iven (°1954) publiceerde samen met H. Ter-Nedden een essaybundel over Latijns-Amerikaanse literatuur, Uit de bek van de hel (1980). In 1981 verschenen poëzievertalingen van Nâzim Hikmet, Turkse gedichten, en van Tahar Ben Jelloun, De amandelbomen zijn aan hun verwondingen bezweken. In 2003 verscheen een meer uitgebreide vertaling De mooiste van Hikmet, in 2006 de vertaling van de Indiase dichteres Sujata Bhatt, Naaktzwemmen in de geschiedenis, in 2008 de vertaling van de Amerikaanse dichter Charles Simic, Hotel Slapeloosheid en in 2009 de vertaling van de Zuid-Afrikaanse Zulu dichter Mazisi Kunene, De Voorvaderen en de Heilige Berg. Zulu gedichten.

Hij publiceerde de dichtbundels, Galerie De Taxus (1987), Egyptisch zwart (1993), Perkament/Testament (2001), Alles bij elkaar (2005), Ninglinspo (2009), Sluiter/Sluier (2009), Braziliaans blauw (2012) en Shimizu, zuiver water (2013). Meer informatie: www.joris-iven.be

Deelname aan poëziefestivals:

Leuven, 1990; Euskirchen, 1991; Sibiu, 1992; Brussel, Antwerpen, Groningen, Rotterdam, 1993; Huelva, 1993; Alora, 1994; Dún Laoghaire, 1996, 1997, Groningen, 2001, 2004, 2005, Maastricht, 2006, Dumfries, 2009