Posts Tagged ‘Judith Herzberg’

Janita Monna. Terloops onvergetelijk

Wednesday, April 16th, 2014

 

Judith Herzberg – Liever brieven

 

Ooit vroeg dichter J.C. Bloem zich vertwijfeld af ‘Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten,/ voor de rechtvaardiging van een bestaan’. Jawel, het zijn vaak maar een paar gedichten die een dichter onsterfelijk maken en niet per se een kloek verzameld werk. Gedichten die, al zijn ze honderd jaar oud en oneindig vaak gebloemleesd, hun kracht houden.

Ook Judith Herzberg heeft een stuk of wat, of zeg maar gerust een behoorlijke stapel, onvergetelijke gedichten op haar naam staan. Neem haar beroemde ‘Kinderspiegel’, of haar bewerking van het Hooglied in 27 Liefdesliedjes, of ‘Zoals’, over het vaak ongemerkt intuïtieve handelen van de mens.

Herzberg laat het oog vaak langs het centrum glijden en richt de aandacht op wat zich in de randgebieden afspeelt. Die observaties verwoordt ze tastend, met een zekere aarzeling, wat haar gedichten een aangename openheid geeft.

Onlangs verscheen een nieuwe bundel van de P.C. Hooftprijswinnaar, Liever brieven. Een kleine bundel, die niet in zijn geheel geslaagd is.

Want waar in Herzbergs beste gedichten de scheve blik onnadrukkelijk is, als terloops opgemerkt, lijkt die hier nogal eens gezocht. Neem ‘a single turtle’, naar aanleiding van een onderschrift bij een foto van plastica, gevonden in de maag van een schildpad. ‘A single turtle’ is te lezen als ‘een enkele schildpad’. Maar Herzberg bewandelt een andere weg, en vat ‘single’ op als ‘alleenstaand’, in de zin van ‘vrijgezel’.

 

Zien wij als singles geen verschil

of zijn verloofde turtles net zo vraatgraag

happen ze net zo dom naar wat er dobbert,

wordt afval lukraak opgeslokt?

 

Een beetje flauw. Dan is een onzingedicht als ‘Aarzelaarshakhout’ beter geslaagd, vooral om het sterke taalspel: namen van bomen worden soepel maar gedecideerd in de rol van werkwoord of bepaling gedwongen: ‘Plataan!/ trek je van dat abeel/ en die kornoelje/ toch niets aan/ en taxus rustig.’

Toch bevat Liever brieven ook een paar nieuwe klassiekers, zoals die waarin de ouderdom doorschemert. Want daarin is niks geforceerd, maar zijn pijn en verdriet te voelen in nuchtere woorden. Daar wordt het wrang als de dichter vrienden ‘bij wie liefde en geheimen/ veilig leken’, onbetrouwbaar noemt omdat zij zomaar stilletjes de dood in zijn geslopen.

En ook dit is een echte Herzbergstrofe, uit een gedicht waarin behoedzaam wordt geanticipeerd op het eens onvermijdelijke afscheid, met ‘voorverdriet’ en ‘onverliefd’, als van die typische Herzberg woorden: ‘Het voorverdriet/ de angst voor onvermijdelijk/ verlies, maakt preventief/ vast onverliefd.’

Aan het stapeltje klassiekers uit haar werk zou ook dit gedicht toegevoegd mogen worden: ‘Toegift’. Het werd ooit geschreven voor een man die alleen, zonder vrienden en familie, stierf. Zelfmoord waarschijnlijk. Het is zonder enige poespas, zonder troost, maar toch vol mededogen.

 

TOEGIFT


Natuurlijk haal je liever iemand uit het water

die nog te redden is. Maar stel dat hij nog leefde

wat hadden we dan voor hem kunnen doen. Hem vragen

waar zijn wanhoop op berustte, hem zijn geliefde

 

weer terugbezorgen, of zijn werk, of zelfvertrouwen?

Nu kunnen we een heel klein beetje rouwen

niet eens om hem, omdat we hem niet kennen,

maar uit een vaag gevoel van menselijk fatsoen.

 

De bijna-liefde, bijna aandacht die hij straks nog

meekrijgt in zijn kist was misschien nét dat

kleine beetje dat hem had kunnen redden,

dat hij bij leven heeft gemist.

 

Judith Herzberg – Liever brieven. De Harmonie, 15,90 euro, 56 pagina’s, isbn 9789076168586

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Het uur van de wolf – ‘Bijna nooit, Judith Herzberg’ (documentaire, 2010)




Annemarié van Niekerk: Judith Herzberg

Sunday, February 17th, 2013

Vir poësie om ’n houvas te kry op die breë publiek, moet dit sigbaar wees, energie uitstraal, deelneem aan die lewe. As mens nie gereeld ’n mooi gedig teëkom nie, kan jy ook nie daardeur bekoor word nie, kan jy geen smaak daarvoor ontwikkel nie. So bly dit ʼn ontoeganklike paradys waarvan net ingewydes die toegangskode ken. Dit is nie net poësie in die algemeen en digters en hul werk wat hierdeur skade ly nie, maar ook gewone mense wat nooit die krag van poësie leer ken nie.

‘Trouw’, die Nederlandse koerant waarvoor ek resenseer, is uitgesproke in sy waardering vir poësie. Elke week word daar in die ‘Letter&Geest’-blad (waarvan die boekeblad deel is) twee volle bladsye aan poësie bestee. Die eerste bladsy plaas ’n spesifieke digter in die kollig en op die tweede bladsy verskyn ’n gedig van hom/haar. Met pragtige uitleg en ʼn mooi lettertipe vul die gedig ’n hele bladsy – so uitnodigend dat dit moeilik is om dit nie te wil lees nie. Boonop gee dit die leser die gevoel dat poësie deel is van die alledaagse lewe, net soos sport, geldsake, gesondheid, vermaak, politiek, wetenskap, wat ook al.

Getrou aan sy liefde vir die digkuns het ‘Trouw’ onlangs weer met ’n nuwe idee gekom om poësie sigbaar te maak. Hierdie keer is dit ʼn 10-delige poësie-versameling waarvoor die Trouw-redaksie ’n seleksie gemaak het uit die mooiste gedigte van die beste Nederlandse digters. Die resultaat is 10 pragtig versorgde sagteband bundels, elkeen met ʼn omslag in ’n skakering van steen. Die omslae het so ’n heerlike tekstuur dat jy nie kan help om daaroor te streel as jy dit in jou hande het nie, jy’t ook nie lus om dit gou weer neer te sit nie. Die 10 digters gekies vir hierdie versameling is Judith Herzberg, Remco Campert, Eva Gerlach, K. Michel, Gerrit Kouwenaar, Ester Naomi Perquin, Lucebert, Ingmar Heytze, Rutger Kopland en Ida Gerhardt.

Judith Herzberg

Die eerste bundel wat sopas uit is, word gewy aan Judith Herzberg, een van die mees geleesde en mees geliefde Nederlandse digters, deur Komrij beskryf as ʼn ‘ware koorddanser’: “Door haar aftasten en verbaal haperen schept ze ruimte tussen zichzelf en de lezer. Ze creëert een spanning door te doen of ze alles geeft en door tegelijk een strenge structuur te hanteren van herhaling, echo en climax waarbij ze persoonlijk buiten schot blijft. Ze beheerst het wankelen.”

Herzberg (1934) wat behalwe gedigte, ook toneel, filmscenario’s en joernalistieke prosa skryf, is die dogter van skrywer en regsgeleerde Abel J. Herzberg, wat net soos sy ook die P.C.Hooftprijs (1972) ontvang het. Tydens die Tweede Wêreldoorlog het Judith by verskeie gesinne geskuil toe haar ouers weggevoer is na die konsentrasiekamp Bergen-Belsen, waar hulle gelukkig oorleef het. Die nagevolge van die oorlog is die tema in haar trilogie ‘Leedvermaak, Rijgdraad en Simon’, wat ook verfilm is deur Frans Weisz.

Herzberg debuteer in 1961 met haar eerste gedigte in ‘Vrij Nederland’ en word in haar lang digtersloopbaan verskeie kere bekroon, o.a. met die Jan Campert Prijs en die P.C. Hooftprijs in 1997. Haar gedigte is oop, vragend, bespiegelend, behoedsaam. Haar toon is natuurlik, asof sy met iemand gesels, soms selfs asof sy al pratende na woorde soek, hul betekenis op verskillende manier toets. Kyk maar na die eerste strofe van LIEDJE:

 

Lieg alsjeblieft niet tegen me

niet over iets groots niet over iets

anders. Liever hoor ik het

vernietigendste dan dat je liegt

want dat is nog vernietigender.

 

Alledaagse dinge fassineer haar, daardie dinge wat sy om haar sien, hoor, voel en beleef. Hieruit skep sy haar gedigte, uit klein en versigtige maar tog presiese observasies van dinge wat haar omring: kinders, ouers, vriende, vreemdelinge op straat, objekte, woorde, voëls, pyn, noem maar op. Haar poëtiese verhouding met alledaagse dinge skep ook dikwels ’n vergelyking tussen haar en die Poolse Nobelpryswenner, Wislawa Szymborska. ‘Brieven’ is ’n mooi voorbeeld van haar besinning oor klein dinge:

 

BRIEVEN

 

Wij wisten niet, toen wij nog lange brieven schreven

op papier, dat wij de laatsten waren

die nog op die manier van elkaar hielden

met langzaam overdachte woorden

die we meenden.

 

So skryf sy ook ’n treffende gedig oor die woordjie ‘ja’, soos deur ’n onbekende man op straat uitgespreek.

 

            JA

 

            Hij loopt met iets zwaars voor haar uit.

            Zij blijft staan.

            Zij roept, van de straat, hem iets na,

            hij, terwijl hij een huis binnengaat,

            een kort ‘ja’.

 

            Niet het jaha van moeders die zich vervelen

            niet het ja van oja goed want bijna vergeten

            niet het ja van wees maar gerust

            niet een ja als een knal

            niet een ja uit twee delen

            zo’n ja waar een nee onder schuilt

            niet een ja van: ik ben zo terug

            niet een ja van: hou me niet tegen.

 

            Niet een ja half als vraag:

            dat zien we nog wel

            een misschien, een vermoeden –

 

            Maar een dag-in dag-uit ja

            een ja ten overvloede.

 

En een oor sneeu en pyn:

 

            EN OF HET HIER GESNEEUWD HEEFT

           

            Eerste sneeuw. Ja eerste sneeuw,

            maar wie heeft ogen voor de laatste,

            de laatste sneeuwpop, het smelten

            van de voeten, wie let daarop?

 

            Zo gaat het ook met pijn.

            Je voelt het onbarmhartige

            begin maar het verdwijnen

            maak je op uit het verdwenen zijn.

 

Die raaisels wat Herzberg besig hou wanneer sy die dinge om haar betrag, word ook in haar gedigte rondgerol. Sy kom nie met klaar uitgewerkte, vasgelegde antwoorde nie, haar gedigte dink en wonder saam met haar eie vraende blik. Vir Herzberg is dit wat groots is te vind in die kleine, terwyl sy weer die groot dinge maklik reduseer tot ‘vat’bare grepe. Sy het ’n keer gesê: “Ik geloof niet zo in god, wel ken ik soms een veel te groot gevoel, naar aanleiding van een kleinigheid.” Dit merk mens onder andere in dié pragtig weemoedige en relativerende gedig waarin die paradyslike en die eet van ’n pakkie slaptjips mekaar se maats word:

 

HIERNAMAALS

 

Als ik, nadat ik dood ben, nog

ergens rond mag dolen, laat het dan

op de markt zijn, in geur en kleur.

En mag die markt dan open zijn

onder de blote hemel. En mag ik dan

als vroeger met mijn moeder

zo ’n puntzak gloeiend hete frites

(met veel zout uit zo’n gebutste

strooibus) met haar delen.

 

As iemand wat nog nie die kans gehad het om voor poësie te swik nie, toevallig die gedigte van Judith Herzberg teëkom, is die kans groot dat daar iewers ’n luik sal oopgaan. Goeie poësie maak nou eenmaal iets in ʼn mens oop wat toe was.

 

Janita Monna. Subtiele melodietjes

Thursday, December 15th, 2011

 

Judith Herzberg – Klaagliedjes

 

Alweer veertig jaar geleden maakte Judith Herzberg een bewerking van het Hooglied; de Bijbelse liefdeslyriek hertaalde ze in 27 Liefdesliedjes. Het werden gedichten die bijna zwevend van verliefdheid over de pagina’s trippelden, gedichten die ook nu nog nergens gedateerd aandoen.

De Klaagliedjes die onlangs van Judith Herzberg verschenen, roepen in titel – en ook in uiterlijk van de bundel – meteen die liefdesliedjes in herinnering. De gedichten werden geschreven op verzoek van componist Boudewijn Tarenskeen, en zullen gezongen gaan worden.

Maar anders dan bij het Hooglied, zijn de Klaagliedjes geen vertaling van de Bijbelse ‘Klaagliederen’. In dit Bijbelboek, toegeschreven aan de profeet Jeremia, wordt de verwoesting van Jeruzalem beweeklaagd. In de eerste regels wordt de stad voorgesteld als een weduwe. Die metafoor leverde het idee voor de liedjes, want Herzberg keerde de vergelijking om: nu geen stad in de hoofdrol, maar een vrouw, een weduwe. ‘Als een vernielde stad die ooit vol pracht/ en leven was, zit zij daar, verloren, armlastig.’ De Klaagliedjes zijn gedichten over rouw, en de metafoor van de rouwende vrouw als ruïne houdt de dichter eenendertig gedichten lang vol.

Er rijst een beeld op van een vrouw, en van het leven en huwelijk dat zij had. Een gelukkig huwelijk, zo lijkt het, als je regels als deze leest:

 

Krankzinnige ideeën die we vroeger hadden

over later.

Beloven deden we en daarin geloven!

Nooit en voor eeuwig en altijd

elkanders hoofdpersoon!

En wie het na de dood van zijn man heeft over darmen als ‘ingeklonken klei’ in zijn lijf, die voelt een groot en zwaar verdriet, dat zich uitsluitend in een nieuwe taal beschrijven laat. De vergruizelde stad, ‘puinhopen hoog als bergen’, is in de verwoording van het gevoel van gemis en ontheemding een bijna voor de hand liggende, en daarom zo rake metafoor.

Maar ondanks dat gemis, is het beeld van de gestorven man dat uit de Klaagliedjes opstijgt nauwelijks eenduidig: een vroegere gierigaard, die in een later leven geld verdiende als water maar niet helemaal fris was. Het is zelfs de vraag of zijn dood wel zo vreedzaam was: ‘Ik vond hem/ in zijn bloed/ vingers vol gouden/ ringen. Poep/ in zijn broek.’

Anders dan in de ‘Klaagliederen’ wordt er geen God of Heer als schuldige of veroorzaker van leed aangewezen. Ook is er geen trooster; zo er al sprake is van een God, dan van meer dan een. En waar de Bijbelse tekst donker eindigt, klinkt het verlangen naar de gestorvene waar Herzberg mee eindigt hoopvoller. De liefde blijft, ook door de dood heen.

In de Klaagliedjes staan gedichten waarbij je al lezend ongemerkt bijna een melodietje zit te neuriën. Een droeve regel als ‘Een huis hoort te zingen/ maar ons huis zwijgt’ kan zomaar dagen in je hoofd zitten. Een lied stelt andere eisen aan een tekst dan een gedicht dat louter – of hoofdzakelijk – voor papier is bedoeld. Herzberg heeft voor vele genres, lied, toneel, gedicht, vertaling, een uitzonderlijke en scherpzinnige gave. Haar taal laat ruimte voor muziek en is niet volgeladen met metaforen of zinswendingen waarbij een toehoorder in een zaal het spoor bijster zou kunnen raken.

Toch missen de Klaagliedjes op papier een zekere soliditeit, ze zijn soms wat dun: ‘Hoeveel is een biljoen?/ Hij legde uit:/ in honderd dollar briefjes,/ die, op elkaar gelegd,/ dan wordt die stapel dertig/ kilometer hoog.’ Het is overigens een van de weinige keren dat de tekst ritmisch niet helemaal lekker loopt.

Herzbergs Liefdesliedjes zijn nog altijd geen spat verouderd. Haar heldere taal is bestand tegen tijd, trekt zich niets aan van modes of gewilde thema’s. Verouderen zullen daarom ook de Klaagliedjes niet snel. Maar voor een klassieke status, zoals de Hoogliedbewerking die heeft, schiet de bundel uiteindelijk tekort. De Bijbelse ‘Klaagliederen’ werden eerder getoonzet. Ik kijk uit naar de muziek van Tarenskeen. Want liedjes moet je niet alleen lezen, die moet je ook horen.

Het zal nog jaren duren

voor straten,

pleinen, boulevards

weer geplaveid zijn.

 

En wij, in licht katoen en

zijden kleren, weet je nog

zeg ik steeds vergeefs

weet je nog?

 

Flirtend flanerend

glanzend bloot

onder licht wapperende

kimono’s gebloemd

camparirood?

 

Judith Herzberg – Klaagliedjes. De Harmonie, 15,90 euro, 40 pagina’s, ISBN 978 90 6169 994 1

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.