Luuk Gruwez. Gedichten van een wonderbejaarde
Friday, August 26th, 2011
Deze recensie over de laatste bundel van Leo Vroman verscheen eerder in De Standaard der Letteren.
zwarte bladeren.’
Posts Tagged ‘Leo Vroman’Luuk Gruwez. Gedichten van een wonderbejaardeFriday, August 26th, 2011
Deze recensie over de laatste bundel van Leo Vroman verscheen eerder in De Standaard der Letteren.
GEDICHTEN VAN EEN WONDERBEJAARDE
Dat zoiets als een wonderkind bestaat: oké, dat wil je wel aannemen. Maar het bestaan van een wonderbejaarde is al veel minder evident. Toch is het geen overstatement Leo Vroman zo te noemen. ‘Daar’ is een verzameling gedichten van maar liefst 216 bladzijden die de thans zesennegentigjarige dichter tijdens de afgelopen jaren bijeengeschreven heeft. Onvermijdelijk is dat soms met een zekere rijmlust en op automatische piloot gebeurd. Maar net zo goed is hier en daar een pareltje te lezen. Het bewijst dat Vroman niets van wat men met een log cliché als ‘frisheid’ bestempelt, verloren heeft. Wat levert ouderdom overigens op voor de poëzie die hij schrijft? Alvast een grotere betrokkenheid op het lichaam met zijn soms bizarre kwaliteiten en zijn toenemende mankementen, alsook een focus op het essentiële, om niet te zeggen het primaire, datgene wat de zintuigen direct frappeert. En verder vanzelfsprekend een vermogen om de dingen die voorbij zijn met voldoende relativiteitszin en heel veel zelfspot naar waarde te schatten. Maar daaraan heeft het Vroman nooit ontbroken.
Zoals zovelen van zijn collega’s wijdt hij gedichten aan het schrijven, hier – meer specifiek – aan het schrijven op de oude dag, alsof hij daarmee wat hij ‘het einde van het einde’ noemt, almaar uit probeert te stellen, hoewel hij beweert dat hij inmiddels overal vrede mee heeft. Vorige bundels van zijn hand droegen laconieke titels als ‘Nee, nog niet dood’ en ‘Soms is alles eeuwig’. Zolang dat einde er niet onomkeerbaar is, blijft Vroman vanwege zijn sprankelende geest veeleer de dichter van het begin van het einde dan van ‘het einde van het einde’. Sprankelen is wat deze gedichten in elk geval willen doen, bijvoorbeeld in zeer fysieke gedichten over de spijsvertering. Zij moeten de dichter zelf en zijn lezer wakker houden. Zij ademen volop levendigheid en levenslust in de schaduw van een dood die wel enigszins dreigend over de dichter heen blijft balanceren, maar kennelijk niet weet hoe te vallen.
Niet te geloven dat hier nog altijd een haast kinderlijke verwondering regeert over al het bestaande. Zij wordt gekoppeld aan het nuchtere waarnemingsvermogen en de nieuwsgierigheid van de wetenschapper die Vroman tenslotte ook is: misschien is deze alliantie wel het geheim van zijn lange leven. De poëzie blijkt een terrein waarop hij sinds zijn kindertijd nooit ouder is geworden. Wat hem daarnaast ook in leven houdt, is zijn absolute weigering om zich door een poëtische burn-out te laten aanvreten. Deze gedichten vormen met hun onverstoorbare getol een soort perpetuum mobile waarmee de dichter ook zichzelf draaiend houdt. Sommige van zijn collega’s beschouwen de eeuwigheid als een tijd die hun na de dood vergund zal zijn. Vroman doet er alles aan om dichtenderwijs te bekomen dat hij dat eeuwigheidsgevoel al tijdens zijn leven mag beleven, vanwege het feit dat er geen einde aan zijn einde komt. ‘Al voel ik een einde naderen,’ schrijft hij, ‘toch blijf ik groeien/ als een beuk met
zwarte bladeren.’
Geestig is deze dichter in hoge mate. Niet alleen wanneer hij het over zijn eigen lijf heeft en hoe dat er onderhand uitziet. Ook, bijvoorbeeld, in een gedicht gericht aan zijn uitgevers: ‘Staar ik voor het laatst achterom/ als ik aan het eindpunt kom/ en zie mijn verzamelde werken/ toch nog niet uitgegeven/ dan zal ik jullie wel even/ iets pijnlijks laten merken:/ dan blijf ik doodgewoon leven.’ Als lezer weet je na zo’n uitspraak niet wat je moet wensen: dat de dichter onverzameld in leven blijft of dat zijn verzameld werk nu eindelijk eens uitgegeven wordt.
____________________
LEO VROMAN
Daar
Querido, 19,90 euro
The Forward book of poetry, 2010Friday, January 15th, 2010Een van die opwindenste projekte in Brittanje is die jaarlikse publikasie van The Forward book of poetry wat as oogmerk het om die beste gedigte wat in ‘n bepaalde jaar in Engels verskyn het, byeen te bring. So het die 2010-uitgawe enkele weke gelede in die boekwinkels gearriveer en inderdaad is dit ‘n besonderse publikasie aangesien verlede jaar beslis ‘n blomjaar vir die Britse digkuns was. Gedigte van hul vernaamste digters, sowel as nuwelingdigters, is hierin opgeneem. Die beoordelaars vir die drie Forward-pryse, wat dus ook die samestellers van dié publikasie is, het die bloemlesing soos met vorige uitgawes ingedeel volgens die kategorieë waarin die beoordeling plaasgevind het, naamlik beste digbundel van die jaar, beste debuutbundel en beste gedig, gevolg deur 70 “hoogs aanbevole” gedigte deur ‘n verskeidenheid digters. As sulks is The Forward book of poetry waarskynlik die suiwerste aanduiding van die stand van Britse digkuns wat jy te lese kan kry. Onder die digters wat vir die beste bundel van die jaar genomineer is, tel literêre reuse soos Don Paterson (wat uiteindelik as wenner aangekondig is), asook Glyn Maxwell, Sharon Olds, Peter Porter, Chrisopher Reid (wat intussen die Costa-prys vir poësie gewen het) en Hugo Williams. As toegif plaas ek vanoggend die titelgedig uit Don Paterson se bekroonde bundel Rain (2009: Faber & Faber) heel onder. Die besonderhede van die boek is soos volg: TITEL: The Forward book of poetry, 2010 SAMESTELLERS: Josephine Hart, et al UITGEWER: Forward, London ISBN: 978 0571 2536 30 PRYS: R150.00 *** Vanoggend lê die eerste wisselkaart, wat deur Luuk Gruwez gespeel is, op die tafel. Hierdie eerste aflewering van ons nuwe projek is ‘n bespreking van Leo Vroman se nuutste digbundel, Soms is alles eeuwig. Verdermeer kan jy Ian Raper se toespraak, wat verlede jaar tydens die bekendstelling van Lucie Möller se bundel, Watermerke, gelewer is, lees. In die vertaalkamers is daar verskeie toevoegings soos die heerlike gedig van Peter Holvoet-Hanssen wat deur Charl-Pierre Naudé vertaal is, asook gedigte van Yannis Ritsos en Sylvia Plath wat deur Johann de Lange vertaal is. *** Dan is dit vandag Hans du Plessis se verjaarsdag. Hans is uiteraard bekend vir sy gedigte wat geskryf is in die Griekwa-dialek en as sulks een van die mees geliefde en gewaardeerde digters in Afrikaans. Veels geluk, Hans. Mag dié jaar vir jou ‘n blomjaar wees. Nou ja, toe. Die naweek is op hande. Gebruik dus die geleentheid om ietsie oor jou eerste swig voor die sjarme van poësie te skryf en na die Brieweboks te stuur. Die tyd raak min, want volgende maand is daar ‘n nuwe tema met nog ‘n kompetisie wat wag … Geniet die naweek. Nuuswekker hervat Maandag weer. Mooi bly. LE
Rain Don Patterson
I love all films that start with rain: rain, braiding a windowpane or darkening a hung-out dress or streaming down her upturned face;
one long thundering downpour right through the empty script and score before the act, before the blame, before the lens pulls through the frame
to where the woman sits alone beside a silent telephone or the dress lies ruined on the grass or the girl walks off the overpass,
and all things flow out from that source along their fatal watercourse. However bad or overlong such a film can do no wrong,
so when his native twang shows through or when the boom dips into view or when her speech starts to betray its adaptation from the play,
I think to when we opened cold on a rain-dark gutter, running gold with the neon of a drugstore sign, and I’d read into its blazing line:
forget the ink, the milk, the blood- all was washed clean with the flood we rose up from the falling waters the fallen rain’s own sons and daughters
and none of this, none of this matters.
(c) Don Paterson (Uit: Rain, 2009: Faber & Faber)
Luuk Gruwez. Ik zal alles, alles missenThursday, January 14th, 2010DE SIRENE
In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken.
IK ZAL ALLES, ALLES MISSEN
Vroman is een dichter die zich net als Lucebert (‘Dit was ik. En dat was het heelal.’) heel erg bewust is van zijn nietige plek in de kosmos, maar die daar niet te erg onder gebukt gaat. Hij wapent zich met speelsheid en met het koele registratievermogen van de hematoloog die hij van opleiding is. Zijn vorige bundel heette: ‘Nee, nog niet dood’. De titel van zijn nieuwste, ‘Soms is alles eeuwig’, illustreert opnieuw die voor een vierennegentigjarige uiterst ludieke omgang met iets wat nu toch echt geen eeuwigheid meer uitgesteld kan worden. Het mag een atletische prestatie heten dat de dichter ons vrij kort na zijn vorige bundel opnieuw een indrukwekkende collectie van meer dan tachtig gedichten brengt.
De ludofilie van deze dichter wordt hierin automatisch gelieerd aan de experimenteerzucht van de wetenschapper. Hij ziet de kosmos in hoge mate als Systeem (’s dichters laïcistische woord voor God). Dit gebeurt onder meer exhaustief in het lange Engelse gedicht dat ‘This time’ heet. Er zijn zat veel dichters die het over de vergankelijkheid hebben. Het unieke aan Vroman is dat deze hem niet alleen licht melancholisch stemt, maar dat hij haar vooral heel precies constateert. Dat hij geen dichter voor de eeuwigheid is, beseft hij maar al te goed. Er heerst een spanning tussen wat al ‘miljoenen jaren voorbij’ is en dit opdringerige besef: ‘Wat ik een halve eeuw geleden/ om I reden heb geschreven/ zal mij om een andere reden/ nog een of twee, weet ik hoeveel/ jaren kunnen overleven.’ Maar wat er ook van zij: een dichter is iemand die geen verstand heeft van afscheid nemen en dit toch voortdurend doet. Verzen uit het slotgedicht: ‘Ik zal alles, alles missen: een echte appel mogen eten, echt iets drinken, en bij mijn weten echte urine mogen pissen.’ De vraag die met dit besef samengaat luidt: ‘(…) hoe dood wordt men later?’ Er zitten in het achterhoofd van de bioloog Vroman hier en daar referenties aan de stabiliteit van de materie. Naast een temporele zit er een grafische spanning in deze bundel: die tussen de Nederlandse geboortegrond die hij verlaten heeft en Texas, het land waarnaar hij geëmigreerd is. ‘Of ik Holland niet mis?’ heet het ergens. Het antwoord luidt: ‘Nee, maar ik wil wel weten/ wat voor temperatuur het nu is (…).’ Ook in dit gedicht gaat het over afscheid, maar het is er een waarvoor de dichter gekozen heeft. Wanneer je vierennegentig bent, dan mag je je gelukkig prijzen dat je nog over een gezondheid beschikt die herinnering toestaat. Hoeveel geheugen gaat er in één man? Vroman, met zijn ongelofelijke vermogen tot serene overweging, kan zijn herinneringen blijkbaar fenomenaal precies oproepen. (Al kan het natuurlijk dat hij een en ander verzint: hij is tenslotte een dichter.) In het licht hiervan rijst de vraag wat werkelijk is en wat niet. Hij hoopt dat hij zich met betrekking tot de realiteit levenslang heeft vergist en ‘dat de dingen die werkelijk leken/ dat werkelijk niet waren.’ Hij hoopt ooit met een alziend oog en met een alternatief bewustzijn d’outre tombe de werkelijkheid te kunnen ontmaskeren, alsof hij de kans niet uitgesloten acht dat het bewustzijn door de dood niet wordt uitgeschakeld en alsof iets als het einde niet echt bestaat. Wel vaker twijfelt Vroman er in zijn gedichten aan of het bestaande echt is. Zo ook in het lange twaalfdelige ‘This time’, een Engelstalig gedicht met een zeker T.S. Eliot-gehalte en met onder meer deze vraag: ‘Can it then be (…) that space and time do not exist?’ Natuurlijk heeft een hypothese als deze zo zijn emotionele voordelen voor wie allicht toch op de drempel van de dood staat. Vroman probeert de heersende kracht in de kosmos mededogen voor onze onbeduidende planeet af te smeken: ‘System, do not laugh at little Earth.’ De Engelstalige gedichten in de bundel zijn vanwege hun meer uitgesproken filosofische aard overigens anders van toon dan de Nederlandstalige. Toch weigert Vroman de alleenheerschappij van de gedachte: ‘Waarom moet iets altijd/ ergens over gaan?’ Soms gaat het inderdaad nergens over. Deze poëzie tendeert een paar keer naar gerijmel en ook wel eens naar het light verse. Het lieftallige en het schattebouterige is er soms wat te veel aan. Maar het verschil tussen hem en echte light verse dichters is dat hij naar een andere balans streeft: er zit meer zwaarte in zijn lichtheid, meer ernst in zijn jolijt en zijn gein, meer zwart in zijn frivoliteit. Als hoogbejaarde kan hij het zich bovendien zonder schaamlap permitteren nostalgisch te zijn: ‘Graag zie ik na de dood mijn geest/ door het gesloten venster zweven/ en dalen waar ik in mijn leven/ gelukkig ben geweest.’ Toch wel een redelijk clichématige mededeling, dunkt mij, waarvoor wie een halve eeuw jonger is zich genoodzaakt zou zien een justificatie te formuleren. Vanwege de terreur van het heden is heimwee als je twintig, dertig of zelfs zestig bent een omstreden gevoel. Maar één keer vierennegentig, is er op het vlak van de emotionaliteit misschien niet veel anders meer over. Of het zou de liefde moeten zijn. In het geval van deze dichter: die voor Tineke, van oudsher zijn vrouw, en een van de weinige bewijzen in de hedendaagse Nederlandse literatuur dat langetermijnliefde bestaat. Voor haar heeft hij onder meer een hypothetisch klinkend gedicht klaar dat treffend ‘Als het waar is’ heet. Het is een van de krachtigste uit de bundel en het is bedoeld voor wanneer hij er straks niet meer is en zij nog wel. Vroman is zich heel sterk bewust van het feit dat ook de mens een diersoort is, bijvoorbeeld in ‘Mijn dierenleven’. Hoe dan ook is hij meer dan ooit en met de hem zo kenmerkende zelfspot met zijn lichaam begaan. Hij stelt vast dat de wetenschap het de dag van vandaag mogelijk maakt ‘voor verdere studie of voor de grap/ verzorgde stukjes in leven (te laten) blijven’ en zich afvragend welk van zijn uitstekende lichaamsdelen daarvoor het meest in aanmerking dient genomen, komt hij uit bij zijn neus. Wat er nu nog is en wat daar na de dood nog van overblijft: daar gaat het om in deze bundel. De hoop op onsterfelijkheid, in welk vorm dan ook, wordt gerelativeerd met een aansporing tot bescheidenheid: ‘Wie sterft na meer dan negentig jaar daar hoeft ook niemand om te grienen; die mag hoogstens hier of daar een aardig stukje krant verdienen.’ Niemand zal er rouwig om zijn wanneer dit in het geval van Vroman een ietsje meer is.
__________________________ LEO VROMAN Soms is alles eeuwig Querido, 150 blz., 17,95 euro.
Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren, de boekenbijlage van de Belgische krant De Standaard. |