Posts Tagged ‘Leonard Nolens’

Persbericht, Den Haag, 25 april 2012: Leonard Nolens

Thursday, April 26th, 2012

Leonard Nolens

De Vlaamse dichter en dagboekschrijver Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947) ontvangt dit najaar de Prijs der Nederlandse Letteren. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 40.000 euro.

 

Dit maakte de voorzitter van het Comité van Ministers van de Taalunie, de Vlaamse Minister van Onderwijs Pascal Smet woensdagavond bekend in een uitverkochte Bourlaschouwburg in Antwerpen, waar de 65ste verjaardag van Nolens gevierd werd.  

‘Nolens doet het Nederlands opnieuw zingen’, zo stelt de jury onder voorzitterschap van Herman Pleij. De jury noemt Nolens een ‘uitzonderlijk dichter en zeer begenadigd voorlezer’ en kenmerkt zijn werk als ‘een levenslange worsteling in taal en een zoektocht naar de eigen identiteit en die van de ander’. 

De laureaat werd woensdagochtend overdonderd door het bericht. Hij zat in zijn werkkamer toen minister Smet belde: ‘Het was of de buitenwereld op een onwezenlijke manier binnenkwam’.

Bij de aankondiging in de Bourlaschouwburg zei minister Smet: ‘Leonard Nolens wijdt zich al zijn hele leven aan wat allicht economisch een van de meest nutteloze bezigheden is, en daar heb je in deze tijden uitzonderlijk veel lef voor nodig. Maar zonder taal, gevoed door taalkunstenaars, is er van economie waarschijnlijk helemaal geen sprake’. 

 Nolens heeft sinds zijn debuut in 1969 een indrukwekkend oeuvre opgebouwd. Zijn bundel Liefdes verklaringen (1990) werd in Nederland bekroond met de Jan Campertprijs en in België met de Driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor poëzie. In 1997 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2008 werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend.

De Nederlandse Taalunie kent de Prijs der Nederlandse Letteren om de drie jaar toe aan een auteur van wie het werk een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandstalige literatuur. De ene keer overhandigt de Belgische koning de prijs, de andere keer de Nederlandse koningin.

De jury van de Prijs der Nederlandse Letteren 2012 bestaat uit Herman Pleij (voorzitter), emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, Universiteit van Amsterdam; Chandra van Binnendijk, publicist, redacteur in Suriname; Leen van Dijck, directeur Letterenhuis Antwerpen; Iris van Erve, docent Nederlands, hoofdredacteur Passionate Magazine, adviseur Nederlands Letterenfonds; Judit Gera, hoogleraar moderne Nederlandse Letteren aan de Universiteit van Boedapest, literair vertaler; Ruth Joos, radiomaker bij de VRT; Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren Universiteit van Amsterdam; Hans Vandevoorde, docent Nederlandse literatuur Vrije Universiteit Brussel.

 

Leonard Nolens is sinds de instelling van de Prijs der Nederlandse Letteren in 1956 de twintigste laureaat. De eerdere laureaten waren: Herman Teirlinck (1956), A. Roland Holst (1959), Stijn Streuvels (1962), J.C. Bloem (1965), Gerard Walschap (1968), Simon Vestdijk (1971), Marnix Gijsen (1974), Willem Frederik Hermans (1977), Maurice Gilliams (1980), Lucebert (1983), Hugo Claus (1986), Gerrit Kouwenaar (1989), Christine D’Haen (1992), Harry Mulisch (1995), Paul de Wispelaere (1998), Gerard Reve (2001), Hella S. Haasse (2004),Jeroen Brouwers (2007) en Cees Nooteboom (2009).

 

Het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie bestaat uit Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel (voorzitter); Joke Schauvliege, Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur; Marja van Bijsterveldt-Vliegenthart, Nederlands minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Halbe Zijlstra, Nederlands staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

 *

Carina van der Walt. Woordfees-gas: Wie is Leonard Nolens?

Monday, February 27th, 2012

 

Leonard Nolens

  

 Woordfees-gas: Wie is Leonard Nolens?

 

Leonard Nolens is die pseudoniem van die Vlaamse digter en dagboekskrywer, Leon Helena Sylvian Nolens. Hy is op 11 April 1947 in die Belgies-Limburgse dorpie Bree gebore. Na skool het hy aan die Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen gaan studeer.  In 1968 verhuis hy na Antwerpen waar hy as vryskut vertaler begin werk. Vanaf 1969 tot 1973 was hy redakteur van die eksperimentele tydskrif Labris.

Nolens voldoen aan die klassieke beeld van die eensame digter. 40 jaar lank al skuif hy soggens agter sy rekenaar in om te skryf. Hy het nooit ‘n voltydse beroep gehad nie, al wou hy dit graag hê. Skrywerskap was nie vir Nolens ‘n doelbewuste keuse nie, maar eerder ‘n keuse deur eliminasie van ander beroepsmoontlikhede. Hy gewaar by homself ‘n gebrek aan sosiale intelligensie, waarskynlik as gevolg van vereensaming. Hy is sku. Hy praat moeilik oor sy werk, want (soos hy in ‘n onderhoud sê): “je bent eigenlijk je werk”.

In 1969 debuteer Nolens met die digbundel Orpheushanden by Uitgewery Querido. Dit was die eerste van vier-en-twintig digbundels en vyf dagboeke wat oor ‘n tydperk van twee-en-twintig jaar by Querido sou verskyn. Die soliede manier waarop Querido sy skrywers ondersteun, is bewonderingswaardig. In die publikasiewêreld van vandag is dit byna lewensvreemd.

Vir Nolens – en dus ook vir Querido – kom die eerste formele waardering vanuit die breër leserspubliek met sy tiende digbundel. Hy verwerf met Liefdes verklaringen (1990) in Nederland die Jan Campert-prys en in België die Driejaarlikse Staatsprys. Sewe jaar later volg ‘n oeuvreprys, die Constantijn Huygens-prys (1997). ‘n Verdere tien jaar later verwerf hy die grootste poësieprys in die Nederlandse taalgebied vir sy digbundel Bres (2007): die VSB-Poësieprys.

‘n Eersteklas romantiese digter – dit is Nolens. Rym gebruik hy spaarsamig. Sy gedigte is liries en vry van vorm, sonder om ‘n hegte konstruksie in te boet. In 2007 was hy die digter van die Gedichtendag. In aansluiting daarby verskyn Een fractie van een kus met tien van sy gedigte. Hierdie gebruiklike Gedichtendag bundeltjie was egter te klein om Nolens se liefde vir reekse gedigte en siklusse uit te druk.

  

Die temas in Nolens se werk is so wyd soos die lewe self: liefde, identiteit, vriendskap, ouerskap, die vraende jeug, eensaamheid, afskeid, alkohol, God, geld en daardie droomvrou of -boek. Al hierdie temas vorm saam die konstruksie van ‘n asketiese skrywerslewe. Hy het nooit die gevoel dat hy êrens tuis is nie. “Ik ben niet van deze tijd”, sê Nolens in die reeds genoemde radio onderhoud.

 

  

In sy laaste bundel, Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen (2011) vertel Nolens dat hy nie ‘n familieman is nie. In die res van die bundel worstel hy met die verhouding tussen sy geskrewe “ik” en sy skrywende “ik”. Hy maak ‘n eerbetoon aan die muse van alle skrywers wat deur die Behoud de Begeerte geïnspireerd is. As voorbeeld hiervan geld miskien die volgende gedig:

 

Oogopslag

 

Toen je me vroeg waarom ik van je hou

Heb ik het antwoord veertig jaar verzwegen.

Veertig jaar ben ik bij jou gebleven

Om geen antwoord op je vraag te geven.

 

Het staat in kringen om ons heen geweven.

 

Neergeschreven. Vrienden en vreemden weten

Wat ik veertig jaar niet heb begrepen.

Wat ik veertig jaar probeer te lezen

In een oogopslag en zijn vragende blauw.

 (uit: Zeg aan de kinderen dat we niet deugen. Amsterdam, 2011)

 

In sy eensaamheid rig Nolens hom ook tot ander skrywersvriende soos Gerrit Kouwenaar, Anton Korteweg en Rutger Kopland en ook tot sommiges soos Joseph Brodsky, wat al oorlede is. Dit is almal liefdesverklarings waarin hierdie liriese, skrywende “ik” sy eie posisie teen ander skrywers afweeg. Aanvanklik het SKRYF miskien vir Nolens teen wil en dank ‘n manier van lewe geword. Hy hou dit ‘n lewe lank vol. “Heel ons leven pennen”.

Luister hier na ‘n besondere radiomoment tussen Leonard Nolens en Ruth Joos op die Belgiese Radio1:

http://www.cobra.be/cm/1.992066?view=popupPlayer

http://www.cobra.be/cm/cobra/boek/1.991959

 

Leonard Nolens lees sy gedig Vermoeidheid voor op Gedichtendag, 29 Januarie 2007:

http://www.youtube.com/watch?v=sYGXJw0HidM

 

Vir ‘n volledige oorsig oor Nolens se publikasies, besoek die web van Uitgewery Querido:

http://www.querido.nl/web/Auteurs/Auteur/Leonard-Nolens.htm

 

(deur Carina van der Walt)

 

Janita Monna. Leonard Nolens – Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen

Tuesday, July 12th, 2011

Leonard Nolens schrijft zichzelf. Zo zou Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen, zijn nieuwste bundel, samengevat kunnen worden. Zo zou zijn hele omvangrijke oeuvre getypeerd kunnen worden. Want daarin zijn autobiografie en wereldse zaken, persoonlijke worstelingen en de tijdgeest op intrigerende wijze ineengestrengeld.

Meteen in de eerste afdeling legt Nolens zijn kaarten op tafel. In het gedicht ‘De krantencommentaren’, klinkt het vermanend:

‘En wees niet bang voor de gedachtegang/ Van je bloedeigen stilte vanmorgen, (…)/ Het hoogstpersoonlijke wordt brandend actueel.’

Blijf dicht bij jezelf, spreekt de dichter zichzelf toe, en sluit het wereldnieuws in kranten en op de radio zoveel mogelijk buiten: ‘Zet je radio, je laptop, je televisie niet aan,/ Maak van je ogen en oren geen ramptoerist.’

Maar met die oproep tot buitensluiting van de wereld, heeft Nolens haar tegelijk het gedicht in gehaald. Waarmee hij zich ook in de aanhoudende discussie over straatrumoer in de poëzie begeeft. Een onderwerp waarover hij zich al vaker uitliet – bijvoorbeeld in het oudere gedicht ‘Engagement’: ‘Wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld?’

Hij stapt in ‘De krantencommentaren’ vloeiend van binnen naar buiten en terug, in taal althans. Want met de wil tot buitensluiten van krantenkoppen en journaals, is de verleiding om te weten wat er gaande is niet verdwenen. En na de strenge aansporing om ‘de koffiezwarte drukinkt van andermans ellende’ niet te drinken, wordt de krant toch mar gekocht. En via een toespeling op de actuele politieke staat van België, belandt het gedicht uiteindelijk weer bij persoonlijke plaatsen van herinnering.

Het gedicht hangt subtiel van tegenstellingen en samensmeltingen aan elkaar, Nolens zal niet voor niets een woordspelige toespeling op Hegel hebben gemaakt.

Leonard Nolens

Leonard Nolens

Nolens toont hier wat voor een machtige dichter hij is. Eén die het onbuigzame ijzer van de taal, het onwillige materiaal als een smid net zolang hamert en smeed tot het zijn vorm is geworden, tot de zinnen helder zijn, zingen en vonken doet wegschieten. Tot de bezwerende cadans in de regels zit die in Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen opnieuw nadrukkelijk voelbaar is. Zoals in de indrukwekkende cyclus ‘Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen’, over (falend) ouderschap, het doorgeven van gewoontes, gedachten, gebruiken van generatie op generatie, over onmacht.

 

Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen.

Zeg aan de dochter die danst in haar slaap

Dat een droom van een wals geen beroep is, zeg

Dat het draaiziek omhaal van een driekwartsmaat

Haar voeten verknoeit. Wij leerden haar lopen

 

Om traag en bedachtzaam ons leven te leiden.

 

Behalve een scrupuleus en streng getoonzet onderzoek naar wat ouderen aan de kinderen doorgeven, is het een poëticale cyclus, die aanschopt tegen hedendaagse kunstopvattingen.

Maar het bezwerende effect, dat iets wegheeft van de trans van de dansende derwisjen (Nolens gaf een van zijn eerdere bundels de titel Derwisj), is niet in de hele bundel even sterk. Dat kan ook haast niet bij een zo hoge inzet, en zo Spartaanse vorm. Er zijn momenten waarop die steeds herhaalde gebiedende wijs zijn kracht verliest en monotoon wordt. Iets drammerigs krijgt, zoals in de afdeling ‘Devies’ waarin minder pregnant verwoorde echo´s van eerdere bundel verzen klinken.

Dat neemt niet weg dat in Zeg aan de kinderen…in elke komma is voelbaar wat er voor de dichter op het spel staat. Dat schrijven leven is, en omgekeerd. Op het omslag van Zeg aan de kinderen… staat een beeld van een te grote, naakte rondhoofdige oude man. Het hyperrealistische beeld van Ron Mueck komt terug in de reeks ‘Broer’, opgedragen aan een overleden broer. Het is evengoed een beeld voor de dichter die zich blootgeeft, zich bewust dat die verschijning niet altijd even fraai is. Maar wordt de poëzie te zwaar op de hand, dan brengt een ietwat vettige klankherhaling, of een soms haast kinderlijke woordspeling de boel weer in proportie.

Misschien is Nolens’ poëzie wel het beste bewijs dat een dichter de barricaden niet ophoeft, om toch heel erg een dichter van nu te zijn.

 

Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen

 

1.

 

Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen.

Zeg dat wij kinderen maken ´s nachts

Om ze ´s ochtends zachtmoedig te kraken, zeg

Aan de zoon als hij dwarsligt aan tafel en zingt

Om met liedjes zijn honger te stillen, zeg

 

Dat wij de muziek uit zijn mond zullen nemen,

 

Dat wij hem klein zullen krijgen met melk

En slaag, met zuurverdiend brood en examens,

Zeg dat zijn dorst de manieren moet leren

Van ons, een dwergvolk van vaders en moeders.

Wij hebben geen noten op onze zang.

 

 

Leonard Nolens – Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen. Querido, 114 blz. isbn 9789 021 439 556

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Janita Monna was werkzaam als programmamaker bij het Poetry International Festival Rotterdam. Ze werkt nu als freelance journalist, en schrijft recensies, interviews en beschouwingen voor onder meer Dagblad Trouw en poëzietijdschrift Awater

 

 

Teenstrydige generasies

Thursday, April 14th, 2011
Omslag

Omslag

By die Nederlandse uitgewery Meulenhoff het daar onlangs ‘n besonder belangrike bloemlesing, De tegenstrijdige generatie, onder redakteurskap van Yves T’Sjoen verskyn. Wat dié boek interessant maak, is dat T’Sjoen die versplinterde groeperings wat sedert die 1970s in bykans alle digkunste ter wêreld geld, ignoreer en terugval op die haas uitgediende generasie-groepering; sonder om tematiese en stilistiese verskeidenheid in berekening te bring: “In De tegenstrijdige generatie zijn belangrijke Nederlandstalige dichters bijeengebracht die debuteerden in de jaren zeventig. Deze dichters, geboren tussen 1944 en 1954, zijn inmiddels gevestigde namen. Maar voor oeuvrebouwers en geleidelijk tot wasdom gekomen stemmen in het hedendaagse poëzielandschap, bestaat steeds minder kritische (en volgehouden) aandacht. Met deze bloemlezing krijgen deze dichters de plek die ze toekomt.” 

Yves T'Sjoen

Yves T

In totaal word 16 uiteenlopende digters in hierdie bloemlesing byeengebring, te wete: Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent. 

Volgens die berig by De Contrabas het Yves T’Sjoen hom soos volg hieroor uitgelaat: “[Er was] de vraag onder welke vlag de expositie moest worden gepresenteerd. Er werd eerst gedacht aan ‘Een bescheiden generatie’, maar dat klonk nogal geringschattend, want de dichters die tussen 1968 en 1984 hun eerste stappen op het poëzieforum zetten, zijn allerminst bescheiden te noemen. Ze zijn dan wel geen ‘omroepers van oproer’, hun dichterschap kan beslist niet als low profile worden omschreven. ‘De tegenstrijdige generatie’ leek beter te passen. (…) De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen. Het is mijns inziens het begrip ‘generatie’ zelf dat in deze titel geproblematiseerd wordt.”

En waarskynlik is dit die voorlaaste sin hierbo, “(d)e gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen”, wat ook die problematiek van ons eie groepie tagtigers onderstreep, aangesien hulle hulself ook nog nooit as “groep” beskou of aangebied het nie, en na alle waarskynlikheid as gevolg daarvan ook nie juis prominent in ons eie literêre geskiedskrywing gereflekteer word nie.

Nietemin, ter wille van volledigheid: Yves T’Sjoen se De tegenstrijdige generatie staan tans natuurlik ook in die spervuur vanweë die name wat volgens se benadering wél kwalifiseer, maar nogtans onbreek; digters soos Gerrit Komrij (gebore 1944, debuteer 1968) en Rob Schouten (gebore 1954,  debuteer 1978) word veral voorgehou as beduidende afwesiges.

Vir ‘n omvattende bespreking en beskouing van die digters wat hierin opgeneem is, kan jy gerus Chrétien Breukers se artikel gaan lees. As leestoegif plaas ek graag Luuk Gruwez se gedig “God skryf ‘n brief“, soos dit deur Hennie van Coller in Afrikaans vertaal is, hieronder.

***

Sedert gister het Marlies Taljard ’n gedig van haar eie geplaas, terwyl Andries Bezuidenhout ‘n stuk oor Paul Celan en sy ikoniese gedig Todesfuge gelewer het.

Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

God skryf ‘n brief

 

Ek het dit nie gedoen nie. Dit was iemand anders.

Ek was toe net besig met die miervreter, kopererts,

en al die visse

in die Atlantiese oseaan.

Dit was tog sekerlik nie ek nie.

 

Ek was nie daar nie, watter dag!

Pas het ek Saturnus en Uranus se mane klaar,

of sowaar, ek moes tyd en taal versin

en titels vir die meeste van my handewerk.

 

Ek was pootuit, vind nêrens rus,

want slaap was nog nie geskape nie.

My oeuvre het in omvang toegeneem.

Veral die vrou het vreeslik sorg geverg.

Sy moes nog skouers kry en ‘n kapsel,

verliefdheid, mymeringe, moederskap.

En erogene sones waarvan ek weinig weet.

 

Ek het geen tyd gehad, watter dag!

Daar’s van my verwag deur hulle wat toe nog nie was

dat daar ‘n oerknal sou wees in die heelal.

En dan die regte volgorde, ja dit veral:

die proefbuisbaba en die tandestokkie,

die boorplatform en ook ekself.

 

Eintlik wou ek net sê, liewe vriend:

dit was beslis iemand van ‘n ander oorde,

‘n konkurrent met meer talent,

wat iets so salig en sagaardigs

geskep het soos die dood.

 

© Luuk Gruwez (vertaling: HP van Coller, Bandelose gedigte, 2007: Praag Uitgewers)

 

 

Radio-onderhoud met Die Groot Stilte as gespreksmaat

Wednesday, April 6th, 2011
Leonard Nolens

Leonard Nolens

In ‘n vorige Nuuswekker het ek reeds oor die eksentrisiteite van Leonard Nolens, een van Vlaandere se mees senior digters, berig. Die afgelope weke was Nolens weer voluit in die nuus vanweë sy pasverskene bundel, Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen. En so word hy genooi vir ‘n radio-onderhoud met Radio 1 se Ruth Joos; ‘n katastrofiese onderhoud wat soos volg deur De Papieren Man beskryf word: “Een radiomoment voor in de annalen, dat was de algemene teneur. Talloze lange, haast pijnlijke stiltes vielen er tijdens het twintig minuten durende gesprek over Nolens’ nieuwe dichtbundel.”

In reaksie het Nolens sy stiltes toegeskryf aan die feit dat hy nie oor genoegsame ” sociale intelligentie”  beskik om te praat nie. “Ik ben mijn werk, ik ken slechts dat. En ik heb veertig jaar doorgebracht in een kamer. Nochtans had ik graag een beroep gehad. (…) Ik ben in zekere zin niet van deze tijd.”

Omslag

Omslag

Ruth Joss het eweneens toegegee dat dit ‘n ongewone onderhoud vir die radio was. Tog het sy beklemtoon dat sy nie bereid was om “beheer” te neem en Nolens tot praat aan te por nie, aangesien dit die “integriteit” van die geleentheid tot nadeel sou gewees het: “Ik gruwel ervan mocht men dit gesprek zien als een rariteitenkabinet. Je zit gewoon samen in een artificiële radioruimte met een van de meest integere kunstenaars van Vlaanderen. Dan moet je die in zijn waarde laten en geen showke opvoeren. Ik geloof dat hij het apprecieerde, want ik kreeg achteraf een warme handdruk.”

Nou ja, toe. (Hoor ek iemand die naam Karel Schoeman fluister?) Hoe dit ook al sy: vir jou leesplesier volg die openingsgedig uit Leonard Nolens se nuutste bundel onder aan die Nuuswekker.

***

Sedert gister is Marthinus Beukes se toespraak wat hy tydens die bekendstelling van Cas Vos se Duskant die donker / Before it darkens gelewer het, geplaas.  Ook het ons van Joan Hambidge ‘n nuwe gedig ontvang wat in haar verskamer opgeneem is, terwyl Edwin Fagel ‘n nuwe bydrae tot Wisselkaarten gelewer het.

Mooi bly.

LE

 

Spartaans

Sluit de ramen.
Vergrendel de voordeur.
Verbrand de krant.

En blijf. Blijf hier. En loop in huis
Je vluchtgedrag, je reislust voor de voeten.
Dat gindse gedoe ruïneert je spartaanse verveling.

Een tafel, een stoel en een bed meubileren perfect
Je hoofd en je hart en je handen, wat zei je?
Waarheen met die lang overdachte verlangens?

Ze gaan als een trein door de kamer,
Ik weet toch waarover ik spreek,
Ik ben drieënzestig.

Maar geeft men zijn ogen de kost
Door het huis en je blik te blinderen
Met nietsdoen?

Werk elke dag een beetje.
Maar bijt je niet vast in het brood
Als het beest in zijn prooi.

Er is honger genoeg om zijn tijd te verdoen.
Heeft iemand, heeft iets ons gevraagd
Een oogst aan te vatten die vaag is en traag

Als het kiemen, het priemen van zaaizaad?
Misschien.
En dat ritme dicteert onze toekomst.

Het gaat nu proberen om eten te maken
Van mij.
Het huis is potdicht en de tafel gedekt.

© Leonard Nolens (Uit: Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen, 2011: Querido)

 

Kortlys vir Paul Snoek Poëzieprys bekend

Thursday, March 4th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Die kortlys vir die Paul Snoek Poëzieprys, wat al om die derde jaar toegeken word, is pas bekend gemaak. Die ses genomineerde digters is: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje (Atlas, 2009), Eva Gerlach, Situaties (De Arbeiderspers, 2007), Peter Holvoet-Hanssen, Navagio (Prometheus 2008), Roland Jooris, De contouren van het verstrijken (Querido 2008 – foto), Bart Meuleman, Omdat ik ziek werd (Querido 2008) en Leonard Nolens, Bres (Querido 2007).

Die paneel beoordeelaars bestaan uit Bart Vanegeren, Yves T’Sjoen, Chrétien Breukers en Friedl’ Lesage. Die prys word op 25 April deur die stadsbestuur van Sint-Niklaas aangekondig en die prys geld beloop 4,000 euro.

Vorige wenners van dié gesogte prys is Joost Zwagerman, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Anneke Brassinga en Nachoem Wijnberg.

Wat vir Nuuswekker ‘n besonderse lekkerkry is hieromtrent, is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die pasaangestelde stadsdigter van Antwerp en bydraer tot hierdie webblad, Roland Jooris vanweë Yves T’Sjoen, nog ‘n gereelde medewerker, se bespreking van Jooris nuutste digbundel, Leonard Nolens vanweë my eie ongemak met die man se ego en natuurlik Chrétien Breukers, wat een van De Contrabas se vaste redakteurs is.

Nou ja, toe. Laat daar nie gesê word dat ons jou nie ingelig hou nie. Of hoe? Nietemin, vir jou leesplesier plaas ek vanoggend een van my gunstelingedigte deur Paul Snoek: die vyfde gedeelte van sy reeks Maria Magdalena.

***

Vanoggend is daar twee bydraes tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks, en toevallig is albei vanuit die ander halfrond: Marie-Alice Boshoff vertel van ‘n besonderse kunsprojek by die Poëziecentrum in Gent, terwyl Chris Coolsma vanuit Groningen skryf oor Billy Collins se gedig oor die kunsmuseum in Brooklyn. Ook is daar ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge geplaas.

Lekker lees en geniet die dag wat in jou hand gegee is.

Mooi bly.

LE

Gedichten voor Maria Magdaleen, V

Van je eerste tot je laatste lichaam,
liefste, laat mij al de minnaars zijn.
Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam,
die je speeksel zoekt en drinkt als wijn.

Later de gevreesde die zijn mieren
jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade.
Soms de sterke met verstilde spieren,
hemelsbreed van blijdschap en genade.

Laatst de vader die het zaad zal dragen,
van je vrucht de vruchteloze pijn,
en aan je lichaam zal vragen:
liefste, laat mij de geliefde zijn.

© Paul Snoek (uit:Gedichten voor Maria Magdalena, 1971: Spermalie Uitgewers)

 

Herman de Coninck-pryswenners

Wednesday, January 27th, 2010
Paul Bogaert

Paul Bogaert

Gister is die wenners van die Herman de Coninck-pryse deur Friedl’ Lesage en sy paneel beoordelaars bekend gemaak. En helaas, Roel Richelieu van Londersele – ons voorkeurkandidaat – het dit toe nié gemaak in die kategorie vir die beste Vlaamse digbundel in 2009 nie. Dié eer het Paul Bogaert te beurt geval vir sy bundel de Slalom soft. Die prysgeld beloop €6,000. Ander genomineerdes, afgesien van bogenoemde twee digters,  was: Eva Cox, Charles Ducall en Leonard Nolens. Die prys vir die beste debutant het gegaan aan Andy Fierens vir sy bundel Groterige smerige vlinder.

Goeie nuus is egter dat Roel Richelieu van Londersele se gedig “Mats” glo loshande die wenner was onder die vyf geselekteerde gedigte uit die bundels van die vyf genomineerdes vir die Herman de Coninck-prys vir beste digbundel. Hierdie gedig sal op ‘n spesiaal-ontwerpte plakkaat aangebring word wat gratis tydens die Gedichtendag-vierings môre versprei sal word.

Die prysuitdeling sal môreaand tydens die slotseremonie in Antwerpen geskied. Al vyf genomineerde digters sal optree, saam met Joke van Leeuwen, uittredende stadsdigter van Antwerpen, en Peter Holvoet-Hanssen as nuutaangestelde stadsdigter van dié stad.

En natuurlik – Roel se kroonvers volg vanoggend hieronder vir jou leesplesier. (Maar ek is seker dat jy dit reeds ken; jy het immers daarvoor gestem, het jy nie?) Nietemin, lees dan sommer ook die onderhoud wat onlangs met dié besonderse digter gevoer is indien jy dit nog nie onder oë gehad het nie.

***

Dan het die jaarlikse Suidoosterfees ook gister ‘n aanvang geneem. Nuuswekker sou baie graag daaroor wou berig het, maar helaas, aangesien daar geen sweempie van poëse op dié uitgebreide program voorkom nie, was dit ietwat onvanpas. Daarom – indien jy graag wil meedoen aan ‘n erg gekommersialiseerde fees wat meer gefokus is op ‘n “bums on seats”-benadering as die bevordering van die letterkunde, kan jy dit gerus bywoon. Die program kan op hul webtuiste bekyk word. En mag ek dit sê? Dankie tog vir Die Woordfees wat ‘n uiters belangrike korrektief op die kommersialisering van feeste is …

***

Op die webblad is daar vanoggend ‘n hele paar lekkerlees items: briewe van Elna Pritchard en Christine Barkhuizen le Roux in die Brieweboks oor ons blogfokus vir Januarie, plus twee nuwe inskrywings deur Andries Bezuidenhout en Ilse van Staden onder die blogs. Op Klikbord is daar ‘n skakel wat jy gerus na LitNet kan volg om ‘n verslag deur Carina van der Walt oor die onlangse Winternachten-fees in Den Haag te lees.

En onthou – die tyd vir bydraes vir hierdie maand se blogfokus raak min. So, stuur gerus daardie brief oor jou bekoring tot poësie en kwalifiseer vir die koopbewys as prys.

Lekker lees aan alles en bly tog aan die regte kant van die pad vandag.

Mooi bly.

LE

 

Mats

je zadelt mijn rug en sterk
rijden we een nieuwe ochtend in

meesterlijk, vanuit de hoogte, kies je
het golvend landschap voor je dag

jij, de uitvinder van de kleine glimlach
en van de ernst, als je waakt over onze vissen

in bad warmen we samen het water
en geven het aan kapiteins en matrozen

een lied en het schoonschrift word je,
ik de plek om stem en papieren te bewaren

je bent de tekening en het krijt
meer dan ik uit mij verwachtte

mijn voorraad ben je elke dag
je houdt mij op de wereld

© Roel Richelieu Van Londersele (‘Tot zij de wijn is’, p.50)

Onbenolenswaardig bevind

Tuesday, January 5th, 2010
Leonard Nolens

Leonard Nolens

Vanweë die afstand tussen ons hier in die ander halfrond en ons kollegas in die Laer Lande is dit soms moeilik om te verstaan waarom bepaalde digters daar so prominent en roemryk aangehang word en ander weer nie. Een só ‘n enigma vir my was nog altyd die Vlaamse digter Leonard Nolens. Dié man produseer teen die spoed van wit lig en het hom al bykans elke prys en verering te beurt geval. Maar die vraag wat my nog altyd gekwel het, is: Hoekom? Ek meen, tegnies is Nolens goed, selfs báie goed, maar hemel, sulke selfbehepte, teneerdrukkende en selftevrede skryfwerk kom jy selde teë. Maar nou ja, daar’s seker maar ander kodes werksaam in ander digkunste, het ek my gebrek aan waardering jeens Nolens probeer salf.

Onlangs het daar egter ‘n resensie deur Chrétien Breukers, een van ons vennote by De Contrabas, in Poezierapport verskyn oor Nolens se volgende uitgawe in sy reeks dagboeke. En nou voel ek darem nie meer heeltemal so gestuit in my gebrek aan entoesiasme nie.  ”Leonard Nolens is alles wat het grote publiek van een dichter verwacht. Hij is diepzinnig, hij heeft zich van de wereld afgekeerd, hij heeft een zekere mate van compromisloosheid tot handelsmerk gemaakt, én hij is altijd bereid om, in vele interviews, zijn moeizame levenswandel en zijn afkeer van publiciteit uit te meten,” skryf Chrétien Breukers en dan later: “Ik heb niks tegen ernst, maar Nolens maakt het in zijn gedichten en in zijn prozawerk wel heel erg bont. Zijn dagboeken, die nu ter recensie voorliggen, bevatten 1000 bladzijden zonder lichte formulering, zonder comic relief; duizend bladzijden vol met Nolens, Nolens en nog eens Nolens, en alle Nolensen kijken ons somber en bestraffend aan, want wij hebben niet dezelfde ernst als Nolens. Het boek is 1000 keer 1000 keer 1000 Nolens, en al die 1000-en Nolensen verwekken 1000 keer 1000 Nolensen, die allemaal samen in loden ernst iets opschrijven, en zo voorts.”

Mmm, nou ja toe. Gelukkig beskik ons digkuns darem nie oor iemand van hierdie wonderbaarlike statuur nie. Of wat verbeel ek my nou?! Vir jou leesplesier plaas ek ‘n gedig van Leonard Nolens hieronder. Die besonderhede van die boek ter sprake, is soos volg: “Dagboek van een dichter – Leonard Nolens” (2009: Querido, Amsterdam). Terloops, Protea Boekwinkel op Stellenbosch het heelwat van Leonard Nolens se publikasies in voorraad indien dit jou sou interesseer. Insluitend sy vorige dagboeke.

***

Dan verwelkom ons vanoggend ook vir Andries Bezuidenhout terug na sy tydsame reis deur die Tankwa-Karoo. Sy blog-inskrywing is ‘n móét lees, veral weens die bygaande gedig. Aan die jammerkant neem ons vanoggend afskeid van Ronel Nel as blogger. Sy was sedert Julie by die webblad betrokke en veral haar blogs oor “Oopmond” en die “gedigte in klip” was iets baie besonders. Baie dankie vir jou deelname, Ronel. En voorspoed met al jou planne …

En daarmee eers weer groet met die hoop dat jou Dinsdag stewig in sy groewe sal (bly) lê.

Mooi bly.

LE

 

Ik

 

Vandaag hebben vijf miljard mensen ik gezegd
Met een zoen, een scheermes, een bord spaghetti, een schot.
Het maakte mij uit. Het maakte mij vijf miljard ik.
Wij noemen dat werkelijkheid. Het heeft geen naam.

Vannacht hebben vijf miljard mensen jij geroepen
In brieven, op straat, in kroegen, in bedden, op bruggen.
Het maakte mij uit. Het maakte mij vijf miljard.
Wij noemen dat wereld. De wereld. Het heeft geen naam.

Maar ik ben het. Ik ben het hier vijf miljard keer.
De wereld is altijd vijf miljard ik.
De werkelijkheid is altijd vijf miljard.
Vandaag hebben vijf miljard mensen mij gezegd.

 

© 1999, Leonard Nolens (Uit: Laat alle deuren op een kier. Verzamelde gedichten)
Uitgegee deur: Querido, Amsterdam, 2004.

 

 

Yves T’Sjoen. Glacéhandschoenen & originele rupsen

Friday, October 2nd, 2009

À titre personnel. Over vertalen en hertalen van poëzie

Open brief aan een vertaler

Begin december 1991 wijdt de dichter Leonard Nolens in het cahier dat hij al sinds 1979 bijhoudt een beschouwing aan het naar zijn opvatting dwingend verband tussen het schrijverschap en de werkzaamheden als vertaler. Schrijven en vertalen worden in termen van een als existentieel ervaren osmose voorgesteld: ‘[...] omdat ik als schrijver een vertaler ben en omdat vertalen mijn enige, onontkoombare manier van leven is’ (De vrek van Missenburg. Dagboek 1990-1993).

Leonard Nolens

Leonard Nolens

Bijna een decennium tevoren had diezelfde dichter opgetekend: ‘ik moet [...] terug naar de vertalerij om mijn pen weer in contact te laten komen met het idioom van anderen’ (Stukken van mensen. Dagboek 1979-1982). In zijn dagboeken, die intussen zijn gebundeld in het duizend pagina’s tellende Dagboek van een dichter, reflecteert Nolens over teksten die op uiteenlopende manieren uitnodigen tot ‘onontkoombaar’ terugschrijven. Als lezer krijgen we al sinds 1989 inzage in Nolens’ ‘neerslag van een bewustzijn’, toen de dagboekaantekeningen uit de periode 1979-1982 in boekvorm op het publieke forum kwamen. Een van de principes die Nolens in velerlei varianten naar voren schuift, is dat schrijvers zich voeden aan het idioom van schrijvers en teksten met wie zij affiniteit ervaren.

Niet alleen het lezen van vertalingen en van anderstalige literatuur – Nolens wijst in een zelfgesprek in Een lastig portret. Dagboek 1994-1996 op de ‘beïnvloeding door de Duitse literatuur [die] doorklinkt in [mijn] poëzie’ – maar ook het vertaalwerk dat hijzelf onder handen heeft, wordt door de dichter aangeduid als een manier om de eigen schrijftaal altijd weer te vormen.  De dagboeknotities zijn doorspekt met bespiegelingen over het dagelijkse en altijd weer absolute gevecht met de taal, het bevechten van een eigen idioom in de taal die ‘bezoedeld’ doet verlangen naar stilte (en dus ‘reiniging’). Dergelijke verzuchtingen kunnen als romantisch worden bestempeld, maar zijn veel meer dan uitdrukkingen van een zelfbespiegelend ego. Het streven van de dichter bestaat erin het ik en de ruimte van het volledig leven in taal te vatten, vanuit een grenzeloos geloof in de kracht van het woord dat identiteitsbepalend is. Maar ook, en misschien nog meer, in de overtuiging dat zwijgen uiteindelijk niet verbeterd kan worden. Het verlangen is de drijfveer van Nolens’ gecondenseerde dagboekaantekeningen die in de schaduwzijde staan van, en vooral de humuslaag vormen van, de poëzie .

De passages die ik zonet citeerde uit de verzamelde cahiers van Nolens, vertaler van onder meer Caligula en Jean Améry’s Jenseits von Schuld und Sühne (zie de notities van 1995 en 1996), laten uitschijnen dat het dichterlijk idioom zich ook door ‘vertalerij’, of dus door confrontaties met andere idiomen, ontwikkelt.

In zijn repliek op mijn bijdrage over de hertalingen die Hugo Claus van anderstalige gedichten construeerde (‘Hugo Claus & de vertaler’), en die de dichter in de reeks Dichterbij publiceerde,  refereert Bernard Odendaal, zelf dichter en vertaler (van onder andere de liedteksten van Jacques Brel naar het Afrikaans, in samenwerking met Naòmi Morgan), aan Breyten Breytenbachs ‘hertaling’ (of ‘transformerende variasies’) van teksten van de Palestijnse schrijver Magmoed Darwiesj.

Breytenbach

Breytenbach

Die hertalingen zijn onlangs gebundeld in oorblyfsel/voice over (2009). Deze ‘omzettingen’, of wellicht ook toe-eigeningen, worden als ‘’n relatiewe nuwigheid’ in de Afrikaanse literatuur getypeerd. Naast de manier waarop een dichter anderstalige literatuur in het ritme en de klankstructuren van de eigen taal vorm geeft, wijst Odendaal ook op een andere decisieve factor die de bewerking kan sturen. Een ethisch uitgangspunt kan bepalend zijn om net die teksten van een auteur naar een andere taal om te zetten en te introduceren (te ‘importeren’) in een ander literair systeem. De selectie van de brontekst is nooit vrijblijvend. Het onderzoek van hertalingen uitsluitend toespitsen op de act van het hertalen is voorbijgaan aan een complex van factoren die poëticale en institutionele relevantie hebben. Ideologische beweegredenen doen (vanzelfsprekend) dienst als selectiecriterium. Ik geloof vast dat Breytenbachs keuze voor de laatste teksten van de Palestijnse dichter Darwiesj, behalve door persoonlijke amicale banden, is ingegeven door diens kritiek op een stereotiep beeld van de traditionele Afrikaner ‘identifikasie met die oudtestamentiese Israeliete en ook met moderne Israel’.  Een pertinente vraag is inderdaad in welke mate ook Claus, en vele andere dichters, politiek-ideologische maatstaven hanteren om een gelijkaardige selectie te bepalen. In het geval van Claus zijn het niet alleen ideologische criteria maar in het geval van Dichterbij (medio jaren tachtig) overwegend poëticale overwegingen die aan de grondslag liggen van de reeks. Een criticus merkte op dat de gebloemleesde bronteksten, van bekende en minder bekende auteurs, in mindere of meerdere mate ‘surrealistisch’ getint zijn. Claus’ rol als hertaler is meer dan intermediërend, laat staan louter didactisch. Blijkens het interview dat Hugo Camps met de dichter had, en ofschoon vraaggesprekken met deze dichter steeds tot argwaan moeten leiden, wilde Claus niet alleen ‘de bakkersvrouw’ in contact brengen met deze teksten. De bronteksten, die hij uit de meest diverse publicaties verzamelde (van krantenbijlagen tot bloemlezingen), heeft hij naar eigen particuliere poëticale inzichten herschreven. In dat opzicht kan het verhullende begrip ‘vertaling’ als een schaamlapje voor de directe en ingrijpende bemoeienis van de scheppende kunstenaar worden beschouwd. Claus’ eigengereide herschrijvingen behoren onmiskenbaar tot diens poëtische oeuvre. Vanuit comparatief perspectief zou het revelerend kunnen zijn ook andere vertalingen of hertalingen (zoals Onder het Melkwoud (1957-1958) op basis van Dylan Thomas’ hoorspel Under Milkwood, 1954) bij het onderzoek naar Claus’ vertaalwerk te betrekken. Ik verwijs in dat licht graag naar de aflevering van het tijdschrift Filter (‘Claus, vertaler pur sang’, najaar 2008).

Herman de Coninck

Herman de Coninck

Hertalingen kunnen dusdanige transformaties of toe-eigeningen zijn, dat ze onderdeel worden van een poëtisch oeuvre. Zoals bijvoorbeeld Herman de Conincks hertaling van drieëndertig sonnetten van de onconventionele Amerikaanse dichteres Edna St. Vincent Millay ook tot diens primaire teksten worden gerekend (gepubliceerd onder de titel Ter ere van de goedertieren maan, eerst in het periodiek Tirade en de opstellenbundel Over de troost van pessimisme (1983), later (postuum) opgenomen in De gedichten, 1998). In het eerste deel van De Conincks verzamelde gedichten zijn de gedichten, ‘vrij, respectievelijk zeer vrij’ naar St. Vincent Millay, tussen Zolang er sneeuw ligt (1975) en Met een klank van hobo (1980) opgenomen (ed. Hugo Brems). De Coninck zelf nam deze ‘bewerkingen’ al eerder zelf op in zijn verzamelbundel Onbegonnen werk. Gedichten 1964-1982 (1984). De Conincks keuze van parlandistische teksten van de Amerikaanse dichteres kan poëticaal worden geduid. Zijn affiniteit met de parlandistische, neoromantische poëzie van de jaren zeventig heeft de selectie en daarna de bewerking sterk bepaald. Zoals bijvoorbeeld ook J. Bernlefs keuze voor hertalingen van poëzie van Marianne Moore, Elizabeth Bishop, William Carlos Williams, Lars Gustafsson en Tomas Tranströmer (verzameld in Alfabet op de rug gezien. Poëzievertalingen (1995)) vanuit een poëticale invalshoek kan worden verklaard.

J. Bernlef

J. Bernlef

Desondanks heeft Bernlef, in tegenstelling tot De Coninck, deze vertalingen niét in een afdeling van zijn verzamelbundel Achter de rug. Gedichten 1960-1990 (1997) opgenomen. De volgende alinea in de zelflegitimerende inleiding is dan ook veelzeggend, en verklaart Bernlefs keuze voor ‘glacéhandschoenen’, voor ‘de schaduw van de originele rups’. Citerend uit een essay van Rudy Kousbroek over de Griekse schrijver Kavafis stelt hij: ‘’[...] De gangbare controverses over het vertalen, en meer speciaal over het vertalen van poëzie, zijn weer te geven als de vraag wat beter is: handschoenen gevoerd met een stof die zo perfect mogelijk de geliefde huid imiteert – zelf dus een produkt van kunstige fabricage, maar uit hoofde daarvan tegelijk een onherroepelijke barrière tegen de echte huid eronder – of integendeel handschoenen waarvan alleen wordt verlangd dat ze zo dun mogelijk zijn, ook al geeft dat onvermijdelijk een droog en klinisch gevoel’. Bernlef voegt toe: ‘Het is een gelukkige vergelijking omdat zij de nadruk legt op de zintuiglijke eigenschappen van poëzie. Voor beide soorten handschoenen valt wat te zeggen. Zelf heb ik de neiging te kiezen voor glacéhandschoenen, misschien omdat ik zelf niet te veel tussen de lezer en de originele dichter wil gaan staan. Liever de schaduw van de originele rups dan het geheel verpopte produkt van de vrije vertaling’. Dichters-vertalers, zoals De Coninck en Bernlef in deze casus, hanteren deviante uitgangspunten als over de vrijheid van vertalen gaat. 

In Bernard Odendaals reactie op mijn beschouwing ‘Claus & de vertaler’ heb ik enkele zinsneden aangestreept waar ik zijdelings nog wat aandacht aan besteed. Inherent aan de canon is de discussie over die canon. Een consensus is van tijdelijke aard want wordt continu geproblematiseerd, zodat het gesprek als een intrinsieke eigenschap van de canon kan worden geduid. Een vergelijkende studie van de samenstelling van het canoniserende Groot verseboek, eerst onder de redactie van D.J. Opperman en later van André P. Brink, mag dat illustreren. Een canon kan dus geen absolute waarde hebben. Hertalingen van literaire teksten (uit het taaleigen of anderstalige literaire systemen) en die zoals in de gevallen Breytenback, Claus en De Coninck tot het oeuvre worden gerekend, kunnen uiteraard probleemloos doorsijpelen tot een literaire canon. Het is vanzelfsprekend dat dit gebeurt. Zoals ook hertalingen van scheppend werk door tekstbezorgende dichters, d.w.z. adaptaties in het taaleigen literair systeem, een eigen statuut van ‘klassieker’ kunnen verwerven (ik denk aan Kloos’ bewerking van Jacques Perks Mathilde-krans en, zoals recent en nog ongepubliceerd onderzoek van Mathijs Sanders heeft aangewezen, E. du Perrons inbreng in de constructie van Jan van Nijlens dichterlijke persoonlijkheid met behulp van bloemlezingen).

Ik heb niet meteen voorbeelden paraat, maar kan me niet inbeelden dat er geen enkele Nederlandstalige poëziebloemlezing bestaat waarin hertalingen van een anderstalige brontekst onder de naam van de Nederlandse of Vlaamse hertaler-dichter is opgenomen. Zoals André P. Brink klaarblijkelijk wel deed vanaf Groot verseboek 2000 (met de vertalingen van Uys Krige) en vooral vanaf 2008 (met ver- en hertaald dichtwerk door H.J. Pieterse, Antjie Krog en anderen).

De problematiek van de hertaling, het onderzoek naar de beperkingen van de dichterlijke vertalersvrijheid, en de manier waarop dichters hun eigen idioom ‘in contact brengen met [dat van] anderen’, zijn andere kwesties dan de exploratie van thematische bronnen. Dat wil zeggen, het onderzoek naar confrontaties en interacties tussen verschillende literaire systemen, zoals de doorwerking van M. Nijhoff in de Afrikaanse poëzie of het functioneren van Ingrid Jonker, Elisabeth Eybers, Breyten Breytenbach en Antjie Krog in het Nederlandse en Vlaamse literaire systeem (door bemiddeling van vertalingen, bloemlezingen, documentaires, wetenschappelijk onderzoek et cetera).

Met collega Odendaal ben ik het eens dat een revelerende anthologie is samen te stellen waarin op dergelijke productieve interrelaties wordt gefocust. Het boek dat Ronel Foster, Thomas Vaessens en ik samenstelden, Over grenzen. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/Oor grense. ‘n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie (ACCO, 2009), kan voor een dergelijke onderneming een bescheiden aanzet betekenen.

Hugues C. Pernath

Hugues C. Pernath

Tot slot. Het ontstellende verhaal waarmee Odendaal de relativiteit van een discussie over intersystemische literatuur(beschouwingen) en de rol van de vertaler-dichter scherp stelt, doet mij teruggrijpen naar gedichten van Hugues C. Pernath. Leonard Nolens, wiens uitspraken over vertalen ik als aanzet voor deze open brief citeerde, erkent de impact van Pernaths poëzie op het eigen dichtwerk. In Stukken van mensen schrijft hij ter gelegenheid van de toekenning van de Hugues C. Pernathprijs in 1980: ‘Ik vermoed dat ook voor hem het gedicht de laatste manier was om zijn verlangen naar onschuld en kinderlijke ernst vorm te geven, in het droevige besef dat schrijven een verraad betekent aan de onmondigheid van het kind. De schuld begint bij het spreken, bij het eten van de boom der kennis’. Wetende dat elke omgangstaal ‘bezoedeld’ is, zoals de jonge vrouw uit Thabong, kan een leven – ook een schrijversleven – voldoening vinden in de zoektocht naar het alomvattende woord. Het verlangen is niet gericht op het bereiken van een doel, maar in het afleggen van een weg.  Het woord dat zalvend is, bestaat niet. Er is alleen een weg die daarheen kan leiden.    

 

Leonard Nolens, Het dagboek van de dichter. 1979-2007. Querido, Amsterdam 2009.

Onderhoud met Alfred Schaffer

Monday, May 18th, 2009

Diversiteit in Nederlandstalige poësie

Alfred Schaffer in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Alfred Schaffer (1973) woon van 1996 tot begin 2005 in Kaapstad, waar hy sy doktersgraad behaal aan die Universiteit van Kaapstad by die Departement Afrikaans en Nederlands. Vir Beeld en Die Burger skryf hy rubrieke oor Nederlandse poësie en saam met Antjie Krog is hy samesteller van Nuwe Stemme 3. Hy debuteer in 2000, met sy digbundel Zijn opkomst in de voorstad, en sy sesde en voorlopig laaste bundel, Kooi, het in 2008 verskyn. Tans bly hy in Amsterdam, waar hy werk by die literêre uitgewery De Bezige Bij.

 

Alfred Schaffer

Alfred Schaffer

 

Alfred, vir ons hier in die ander halfrond lyk dit asof die Nederlandse digkuns een van die mees dinamiese digkunste in wêreldliteratuur is; nie net vanweë produksie nie, maar ook in terme van gehalte. Kan jy vir ons ’n idee gee van hoeveel digbundels (min of meer) per jaar by die gevestigde uitgewerye verskyn en wat die gemiddelde verkope per bundel is?

 

Die internasionale ekonomiese krisis ten spyt, lyk dit vir my asof daar nie juis minder digbundels verskyn in die Nederlandse taalgebied nie – ons praat nou van Nederland en België saam. Die Vlaamse digter en kritikus, Herman de Coninck, het in 1996 begin met die uitgee van die honderd beste gedigte van die lopende jaar. Die boek met die honderd beste gedigte van 2008 is saamgestel deur die digter en kritikus Rob Schouten. In sy voorwoord skryf hy dat daar in 2008 106 bundels by gevestigde uitgewers verskyn het, wat meer digbundels is as in 2007. Vir so ’n klein taalgebied is dit sekerlik baie gedigte vir een jaar. Die gemiddelde verkope is moeilik om vas te stel. Ek dink die meeste digters verkoop so om en by die tweehonderd, driehonderd boeke, dan is daar verskeie digters wat tussen seshonderd en ‘n duisend verkoop. Jy het natuurlik ook dié wat meer as tweeduisend of drieduisend verkoop, struktureel of insidenteel, maar hulle is tog skaars. Die gemiddelde lê, dink ek, iewers rondom vyfhonderd eksemplare. Gehalte is moeilik om vas te stel – hoe kan mens so iets meet? Smaak word bowendien kultureel bepaal. Sekerlik word daar mooi en baie poësie geskryf in Nederland, maar ons het nie regtig kandidate vir die Nobel-prys nie; veral nie na Hugo Claus se afsterwe verlede jaar nie. In Afrikaans is daar darem steeds Breytenbach en Antjie Krog. Tog dink ek dat ons hier ’n groot groep kwalitatief goeie digters het; onder elke tien digters tel ’n mens dalk sewe sterk digters. Maar dit bly alles maar growwe veralgemening; poësie is immers nie ’n sport waar ʼn mens hoef te kompeteer oor wie die beste is nie. 

 
 

 

In Suid-Afrika is daar jaarliks ’n beduidende hoeveelheid bundels wat nié by gevestigde uitgewers verskyn nie; dikwels met wisselende sukses. Bestaan daar dieselfde tendens in Nederland en hoe word hierdie bundels in die algemeen ontvang?

 

 

 

Daar is wel digbundels van digters wat nie by gevestigde uitgewers verskyn nie, maar jy sal hulle nie maklik vind in die deursnee boekwinkel nie. Meestal is die verspreiding maar deur websites en blogs, sowel as vriende en familie. So daar’s nie eintlik ’n ontvangs vir sulke boeke in terme van resensies of ander publikasies nie. Digters wat op die lang termyn in “eie beheer” uitgee, is eintlik per definisie nie baie interessant nie, sou ’n mens kon sê, anders sou hulle al ontdek gewees het deur gevestigde uitgewers – ek wed jou hulle het almal op ’n slag hul luck probeer by een. Ook sal jy sien dis dikwels mense wat veral digter wil wees, nie noodwendig wil dig nie. Dis poësie vol clichés en platgewalste emosies. As redakteur by De Bezige Bij sien ek sulke manuskripte elke week weer met die pos kom, die een nog slegter as die ander. Gaande oor hul eie werk, en begeleidende briewe (nogal in die derde persoon enkelvoud gestel, asof hulle reeds ’n flapteks skryf) waar jy lees dat hulle vriende en familie mal, mál was oor hulle skitterende gedigte. En wat jy dan vervolgens lees, is so onstellend sleg dat jy wonder of hulle ooit een gedig gelees het.

 

Ten einde ’n bepaalde digkuns dinamies uit te bou en lewenskragtig te hou, word besonderse inisiatiewe en projekte vereis. Kan jy dalk ’n paar van hierdie inisiatiewe noem wat die Nederlandse literatuur van ander – en meer spesifiek die Suid-Afrikaanse – onderskei?

 

Daar is genoeg aktiwiteite, sowel in Nederland as in Vlaandere. Party digters dink selfs daar is te veel; dat dit die poësie vervlak, aangesien dit bloot die entertainment element van die poësie belig, en die moeiliker en uitdagender soort verse en digter negeer. ʼn Mens kan dink aan die reeds genoemde boek wat elke jaar 100 gedigte uitlig van die afgelope jaar, ’n soort klein jaarlikse kanon. As só iets in Afrikaans uitgegee sou kon word, sou dit ’n groot stimulerende tradisie ook in die Afrikaanse poësie kon skep. Miskien ietwat minder as 100 gedigte, aangesien daar in Afrikaans nie so baie digbundels in ʼn bepaalde jaar verskyn nie. Dan was daar die aandag rondom die verkiesing van die “Dichter des Vaderlands”, met gepaardgaande tv-optredes en interviews met die benoemde digters. Voorts kry jy festivals en geleenthede soos Poetry International, de Week van de Poëzie, Gedichtendag, Koningsblauw en Saint Amour (beide in Vlaandere), de Nacht van de Poëzie, en jaarlikse geldpryse, soos die VSB Poëzieprijs (€ 25.000) en talle ander groot en kleiner pryse.

Daar is nog altyd baie literêre tydskrifte wat primêre werk publiseer en analiseer, al is die intekenare dikwels bitter min. Gevolglik verdwyn meer en meer tydskrifte, enersyds as gevolg van die kompetisie met die internet, en andersyds as gevolg van die afnemende belangstelling vir kuns en kultuur in die algemeen. En natuurlik is daar baie subsidies beskikbaar. Die NLPVF (Nederlands Literair Productie -en Vertalings Fonds) en Het Fonds voor de Letteren, wat geld gee vir projekte (vertalings, reise, besondere uitgawes), en skrywers en digters geld gee om ’n bepaalde bundel of roman te skryf, met bedrae tussen € 10.000 en € 60.000. Dan is daar natuurlik ook nog die Poetry Slams, op klein skaal in kafees en op groter skaal op festivals, en daar is groot literêre festivals deur die land waar poësie en letterkunde welkom is te midde van ander kuns-dissiplines (teater, musiek, beeldende kuns), soos De Wintertuin (Nijmegen), Crossing Border (Den Haag), Winternachten (ook Den Haag) en Geen Daden Maar Woorden (Rotterdam). Literatuur het nie meer so ’n groot plek in die Nederlandse onderwysstelsel soos 10 of 20 jaar gelede nie, so al hierdie inisiatiewe is ’n manier om aandag te vestig op poësie. Maar dikwels is dit veral spoken word wat mense aantreklik vind, gesigte en persoonlikhede; of dit egter die boekverkope bevorder, kan ons ernstig betwyfel.

Dit help juis ook nie wanneer koerante al hoe minder aandag aan poësie bestee nie; dis amper minagtend. Daar verskyn wel resensies op internet, maar die impak (status) en die gehalte van dié artikels is dikwels maar bedenklik.

 

Indien ’n mens kyk na die aantal Afrikaanse digters wat die afgelope jare genooi is na Poësie-feeste in Nederland, asook die toenemende teenwoordigheid van Afrikaanse poësie in vertaling, wil dit voorkom asof daar ’n groeiende belangstelling in Afrikaanse digkuns daar in die noorde bestaan. Is dit ’n korrekte afleiding en indien wel – wat sou jy sê is die rede(s) hiervoor?

 

Daar is steeds belangstelling in die  Afrikaanse poësie, ja. Veral Gert Vlok Nel en Antjie Krog is regtig populêr, soos ook Ingrid Jonker. Gert Vlok Nel (‘Beautiful in Beaufort-Wes’) en Jonker (‘Korreltjie niks is my dood’) het hier gewild geraak deur dokumentêre-films op tv wat die Nederlanders aangrypend gevind het. Daarna het hulle poësie begin verkoop. En Antjie maak opslae deur middel van haar optredes en voordrag. Die mense is gaande oor haar skitterende gedigte ook, en dit werk baie goed saam met haar persona op die verhoog, en haar gedurfde en intense lees. Sy verkoop seker meer gedigte as die meeste Nederlandse digters. So, die Afrikaanse poësie is goed verteenwoordig, met die name wat tel daar in Afrikaans – Breytenbach en Stockenström is ook al in Nederlands vertaal. En dan is daar die besonderse geval van Elisabeth Eybers, wat op ’n manier ook ’n bietjie ’n Nederlandse digter geword het. Andersom is daar ongelukkig min belangstelling vir wat hier in Nederland en Vlaandere aan die gebeur is. De Coninck en Gruwez is vertaal, ja, en selfs Stef Bos se ‘gedigte’ word uitgegee in Afrikaans, maar dit is nie eintlik die digters wat régtig tel nie, en daar is genoeg, soos: K. Michel, Tonnus Oosterhoff, Astrid Lampe, Leonard Nolens, Hans Verhagen, Miriam Van hee, Mustafa Stitou, Esther Jansma, Arjen Duinker, Eva Gerlach, Peter Verhelst, Menno Wigman, Nachoem Wijnberg, you name it. Dit is asof die Afrikaanse leser tog veral iets wil lees wat nie te uitdagend is nie; iets wat maar net lekker gevoelens verwoord. Dalk het dit ook te doen met die behoudende smaak van die Afrikaanse vertalers wat uit Nederlands na Afrikaans vertaal. Ek het dit byvoorbeeld weer besef toe ek in Berlyn met Antjie gesels en haar vertel het van Harry ter Balkt. Dis een van die grootste lewende digters in Nederland. Ek het toe later van sy werk vir haar gestuur en sy was gaande daaroor, heeltemal oorrompel, geskok, omdat sy dit nie geken het nie. Daar is baie belangriker en kragtiger Nederlandstalige poësie as wat nou in Afrikaans beskikbaar is.

 

Is dit moontlik vir jou om ’n paar opmerkings rakende ooreenkomste en verskille tussen die Afrikaanse en Nederlandse poësie te maak? Vir my wil dit byvoorbeeld voorkom asof daar tans in die Nederlandse digkuns ’n voorkeur is vir meer kriptiese, serebrale verse terwyl daar in die Afrikaanse digkuns die afgelope jare ’n sterk neiging tot vertelverse met ’n meer anekdotiese inslag is. Ek besef dat hierdie ’n gruwelike veralgemening is, maar dit is tog ’n wesenlike verskil, is dit nie?

 

Ek dink die grootste verskil met die Afrikaanse digkuns is dat daar maar net méér gehalte digters is, omdat daar in totaal méér digters is wat publiseer in Nederlands. Dis bloot ’n kwessie van kwantiteit. Ek dink ook die poëtiese diversiteit is groter in die Nederlandstalige poësie. Jy kry hier praatverse, of konseptuele anekdotiek (K. Michel, Tjitske Jansen, Mustafa Stitou) tot hardcore eksperimentele poësie, wat in Afrikaans selde verskyn of geskryf word. By ons is daar byvoorbeeld die gedigte van die Vlaamse digters Paul Bogaert en Dirk van Bastelaere, en in Nederland Tonnus Oosterhoff (www.tonnusoosterhoff.nl), of Astrid Lampe, Nachoem Wijnberg, Arjen Duinker en F. van Dixhoorn. 

 Alhoewel die eksperimentele gehalte in Nederland en Vlaandere self nie te opvallend is nie, is dit wel so dat die eksperiment baie meer hoofstroom is hier as in Afrikaans. Duinker, Wijnberg, Bastelaere, Lampe, Oosterhoff; ek ken nie eintlik soortgelyke digters wat prominent in Afrikaans aanwesig is nie, behalwe Breytenbach miskien. Aan die ander kant is die Afrikaanse poësie baie meer betrokke by sy omgewing, sowel die politieke as die natuur. Die Westerse individualisme is by baie Afrikaanse en Suid-Afrikaanse digters sterk vermeng met protes, politiek en algemene betrokkenheid. Jy sien dit ook by die Suid-Afrikaanse digkuns in die breë, met name soos Tatamkhulu Afrika, Gabeba Baderoon, Keorapetse Kgositsile of Rustum Kozain. Hulle is vertellers, nie digters wat nuwe taalkonsepte uitdokter nie. Digters soos Antjie Krog en Gert Vlok Nel – en nou byvoorbeeld Ronelda S. Kamfer weer, of selfs Charl Pierre Naudé, is regtig anders, ‘Afrika’ digters – dit is waarskynlik hoekom hulle so gewild is hier. Hulle beskryf nie net wêrelde wat ons nie in Europa ken nie, hulle is inderdaad die beliggaming daarvan. 

 

Ons vra om verskoning vir die feit dat die laaste gedeelte van Alfred Schaffer se antwoord hier bo, beginnende met “Alhoewel …”, met die aanvanklike plasing van die onderhoud nie die oordrag van dokument na webblad meegemaak het nie.

 

 

 

 

 

Gedig deur Alfred Schaffer

IMPASSE

Vertier in wissewasjes zoeken, zo blijft een mens overeind.

Toonladders oefenen. Eindeloos van iemand houden. Maar,

wat een afknapper is de mens, dweepziek, een slaaf van zijn

agenda, en zint hem iets niet, dan verbreekt hij de verbinding.

 

Je ruikt hoe ik bederf, ook al ben ik er niet, je ligt, zo stel ik

me voor, verrukt te staren naar een monitor, naar de eerste

bewijzen van leven op Mars, daar beweegt iets onschuldigs,

iets wat kans van slagen heeft, en zonder je blik af te wenden

 

grijp je mijn hand – die er niet is, druk doende dit alles alvast

neer te krabbelen, ergens waar ik pelgrimstochten onderneem

naar hooggelegen gebouwen, ver voor Christus opgeleverd.

 

Mijn sleepdraad is geknapt, ik krijg me niet aan land gehesen.

Als straks het stadsgeluid bezinkt, zou ik met deze nachtkijker

meer moeten zien. Voor alle zekerheid. Maar meer is er niet.

 

(Uit: Kooi, De Bezige Bij, 2008)