Posts Tagged ‘Les Murray’

Janita Monna. Interview met Les Murray

Tuesday, July 5th, 2011

Aussie Les Murray (1938) is in Rotterdam. Voor de vierde keer is hij te gast op het Poetry International Festival. Zijn imposante oeuvre dat meer dan veertien dichtbundels telt, naast talrijke essays en een roman in verzen, maakt hem al jaren een Nobelprijskandidaat. Voeg daarbij zijn opvallende, corpulente verschijning, onopvallend gehuld in slobbertrui en baseball cap, en je hebt een dichter van wereldformaat.

Murray komt net uit Schotland, het land dat zijn voorouders in 1848 verlieten om met een houten boot de overtocht naar Australië te maken.

Hij groeide op in Bunya, een geïsoleerd dorp gelegen in een vallei tussen twee heuvels. Zijn vader, aanvankelijk houthakker, werkte op de boerderij van zijn grootvader. ‘Hij werkte gratis, in ruil voor de belofte dat het land later van hem zou zijn,’ verhaalt Murray de geschiedenis die op een drama zou uitlopen. ‘Mijn grootvader liet mijn vader uiteindelijk niets na. Hij hield mijn ouders arm.’ Murray is ervan overtuigd dat de miskramen die zijn moeder kreeg mede veroorzaakt werden door zorgen. Ze stierf tijdens de derde zwangerschap, Murray was dertien.

Veel van de familiegeschiedenis – de Schotse komaf, portretten van zijn vader, moeder – is, meer of minder expliciet, in zijn poëzie te vinden. En al schreef hij ooit het gedicht ‘Thinking about aboriginal land rights, I visit the farm I will not inherit’, hij kocht een huis in de buurt en woont een groot deel van het jaar in de bush waar hij opgroeide. De rest van het jaar reist hij, leest hij voor op festivals, geeft lezingen.

Bij zijn laatste bezoek aan Poetry International, in 1998, hield hij een lezing ter verdediging van de poëzie. Heeft poëzie die verdediging nog altijd nodig?

‘Nee en ja. Poëzie zit in de ziel van alle kunst, in zoverre zal ze altijd voortbestaan. Maar als kunstvorm op zich moet poëzie verdedigd worden. Ieder mens heeft een gevoel voor poëzie, en toch is ieder mens geneigd ervan weg te lopen, er beschaamd over te doen. Diezelfde schaamte voelen mensen bij religie. Ingewikkelde zaken liggen sociaal nu eenmaal lastig. In gesprekken moet de toon licht blijven. Over diepe zaken mag je best praten, als je er maar geen woorden voor gebruikt. Je mag het uiten in muziek, of dans, of een beeldhouwwerk, maar niet in taal. Ik beschouw poëzie als een completere manier van spreken dan enige andere vorm van communicatie. In een gedicht kun je meer doen dan in een roman. Het zijn ideeën die ik voor het eerst uitwerkte in ‘Poezie en religie’.

Dat gedicht (uit 1987) opent als volgt: ‘Religies zijn gedichten. Ze verenigen/ ons daglicht-ik en onze dromende ziel, ze brengen/ onze emoties, instinct, adem en aangeboren gebaren// bij elkaar in het enige hele denken: poëzie.’

Murray: ‘Het is voor mij nog steeds belangrijk. Ik zie een gedicht als een kleine, snelle religie; omgekeerd is een religie een groot en traag gedicht, dat eeuwen nodig heeft om tot wasdom te komen. Een gedicht lees je één, twee keer in je leven. Het is snel, maar heel compleet. Het heeft, in tegenstelling tot religie, niets van buiten nodig. Een gedicht ontvangen mensen in stilte, niet met gejuich of geschreeuw, zoals rock ‘n roll. Ik zou doodsbang worden als ik werd toegejuicht na het lezen van een gedicht, zou denken dat mijn woorden vergiftigd waren. Voor de waarheid zijn we stil.’

Zijn werk is veelomvattend. Naast zijn familiegeschiedenis, toont het verbondenheid met Australië, de aboriginalcultuur, de natuur – de mooie en gewelddadige kanten – zijn liefde voor snelheid, voor machines (hij portretteerde de graafmachine, de straaljager, landbouwmachine). En nu en dan laat hij zich stevig uit over de Australische critici, de literair-wetenschappelijke wereld en maatschappelijke zaken. ‘Veel van die maatschappijkritische verzen vind ik achteraf te oppervlakkig. Maar soms zijn er dingen waarover ik móet schrijven. Ik ben in mijn tienerjaren flink gepest, enig kind van het platteland, een dikkerd. En nog altijd kan ik er niet tegen als mensen onheus behandeld worden.’ Hij nam het bijvoorbeeld in het gedicht ‘A deployment of fashion’ op voor Lindy Chamberlain: haar baby verdween spoorloos. Ze zei dat het kind door een dingo was geroofd, maar werd niet geloofd en belandde voor moord in de gevangenis. In de kranten werd een heksenjacht op de vrouw geopend. Murray haalde fel uit tegen met name de vrouwelijke journalisten, ‘who’ve moved/ from being owned by men, to being owned by fashion’. Het gedicht had z’n effect, het bashen stopte.

Als vanzelf belandt Murray bij wat hij lachend ‘the poets flew’ noemt, zijn depressies. ‘De eerste depressie was mild, die verdween toen ik trouwde en ging werken. Rond mijn vijftigste werd ik opnieuw overvallen door depressiviteit, nu veel erger.’

In Rotterdam leest hij onder andere het gedicht ‘Paniekaanval’, met de regels: ‘Het brein was een leegte/ of een ontplofte kamer…/ flarden spraak daarin,/ splinters lust en gebed.’

Murray vertelt: ‘Zo’n paniekaanval is een soort fantoomdood. Je kan niet praten, denken, niks, je bent kreupel. Het is of je doodgaat, maar dat gebeurt niet. Na de laatste, langdurige depressie ben ik opgehouden met het schrijven van proza. Ik wilde m’n energie nog alleen stoppen in wat ik écht belangrijk vond.’ Wel schreef hij daarna een roman in verzen, Fredy Neptune.

Ondanks die depressiviteit en een ernstige leveraandoening waarvan hij na drie weken coma herstelde, is zijn werk vrijwel nergens zwaar, maar vol leven, met een haast overweldigende beeldenrijkdom. Het is gevat en geschreven in een dansend ritme dat goed te horen is als Murray nu en dan tijdens het gesprek enkele regels voorleest. Zoals uit het zinnelijke ‘Rijp in het prieel van de neus’ waarin hij het heeft over ‘de bijziende smaak van een citroen’. Al kan hij het ook niet laten om zijn eigen enthousiasme over het gedicht te temperen met een kritische kanttekening: ‘Ach ja, er zit al zoveel koeienurine in de grond, dat ik maar citrusfruit ben gaan verbouwen.’

Venijniger is hij als het gaat om groene politiek: ‘Natuur is meedogenloos. Ze heeft bloeiende bloesems maar de tanden van een dingo. Twee jaar geleden waren er afschuwelijke bosbranden in Victoria, door de groene politiek die ieder onkruid laat woekeren stierven er meer mensen dan er zonder al die regels voor natuurbehoud zouden zijn gestorven. En er verdween meer bos. Groene politici zijn onwetend en hypocriet, na de bosbranden hoorde je ze niet meer.’

Murray beschouwt de mens en wat hij voortbrengt als vanzelfsprekend onderdeel van het universum dat zich uitsterkt in ruimte en tijd. Hij leest een fragment uit ‘Maanman’, waarin hij de maan voorstelt als levend wezen, dat op zijn beurt de condities voor leven op aarde mogelijk maakt: ‘Maanman, de eerste geboorte ooit/ die nog altijd zijn moeder masseert/ en haar licht stuurt, als dank// dat hij volwassen werd geboren.’

Het gedicht verpakt min of meer wetenschappelijke feiten in mythologische beeldtaal. ‘Het zou een aboriginal mythe kunnen zijn,’ zegt Murray, ‘maar is dat niet.’ En hoewel zijn denken en zijn poëzie zijn doortrokken met aboriginal invloeden, is hij er de laatste tijd terughoudend mee om in zijn werk van de aboriginal cultuur te lenen.

‘Ja, dat is ineens verdacht. In de ogen van de critici althans. Er zou al zo veel van ze gestolen zijn.’ Trekt Murray zich daar als outsider binnen de poëzie en criticaster van het establishment iets van aan? ‘Ja, toch. Ik ben alleen, zij zijn met duizend. Het zijn net dingo’s.’ En als hij de Nobelprijs krijgt, verandert de houding van de critici dan niet? Murray schaterlacht: ‘Dan wordt het alleen maar erger. Dat zou gezien worden als de overtreffende trap van mijn arrogantie.’

 

Kinderlogica

 

Het kleinste meisje

in de bende van de wildebras

onderwierp haar vinger

aan zijn strijdbijlfantasie…

 

Het deed erge pijn, toen die eraf viel.

Hij wist dat hij te ver was gegaan

en holde weg, met de rest op sleeptouw.

Later zou hij haar broer nog verminken.

 

Ze bleef in het bos

tot zonsondergang, schreef

er met bloed op de stammen,

haar gekliefde hand omklemmend, bang

 

wat haar ouders wel niet zouden zeggen

over een kwijtgeraakte vinger.

Niet opgepast. Domme kinderen.

Ze moest ergens iets fout hebben gedaan.

 

 

Les Murray

vertaling: Maarten Elzinga

 

Dit interview verscheen eerder in Trouw.

 

Janita MonnaJanita Monna was werkzaam als programmamaker bij het Poetry International Festival Rotterdam. Ze werkt nu als freelance journalist, en schrijft recensies, interviews en beschouwingen voor onder meer Dagblad Trouw en poëzietijdschrift Awater

 

 

Alfred Schaffer. Over ‘The Future’ van Les Murray

Saturday, March 20th, 2010

The future

 

There is nothing about it. Much science fiction is set there

but is not about it. Prophecy is not about it.

It sways no yarrow stalks. And crystal is a mirror.

Even the man we nailed on a tree for a lookout

said little about it; he told us evil would come.

We see, by convention, a small living distance into it

but even that’s a projection. And all our projections

fail to curve where it curves.

                                            It is the black hole

out of which no radiation escapes to us.

The commonplace and magnificent roads of our lives

go on some way through cityscape and landscape

or steeply sloping, or scree, into that sheer fall

where everything will be that we have ever sent there,

compacted, spinning – except perhaps us, to see it.

It is said we see the start.

                                        But, from here, there’s a blindness.

The side-heaped chasm that will swallow all our present

blinds us to the normal sun that may be imagined

shining calmly away on the far side of it, for others

in their ordinary day. A day to which all our portraits,

ideals, revolutions, denim and dishabille

are quaintly heartrending. To see those people is impossible,

to greet them, mawkish. Nonetheless, I begin:

‘When I was alive – ’

                               and I am turned around

to find myself looking at a cheerful picnic party,

the women decently legless, in muslin and gloves,

the men in beards and weskits, with the long

cheroots and duck trousers of the better sort,

relaxing on a stone verandah. Ceylon, or Sydney.

And as I look, I know they are utterly gone,

each one on his day, with pillow, small bottles, mist,

with all the futures they dreamed or dealt in, going

down to that engulfment everything approaches;

with the man on the tree, they have vanished into the Future. 

 

Les Murray (door David Naseby)

Les Murray (door David Naseby)

Het is een flaptekst die tot de verbeelding spreekt, achterop De slabonenpreek (1997), een keuze uit het werk van Les Murray, weergaloos vertaald door Maarten Elzinga:

‘De Australische dichter Les Murray (1938) woont de ene helft van het jaar in een afgelegen streek van Australië en reist in de andere helft door de wereld om her en der zijn poëzie ten gehore te brengen en lezingen te houden – geen wonder dat de spanning tussen een teruggetrokken en een werelds leven deel uitmaakt van zijn werk. In zijn gedichten, die prachtig het midden houden tussen spreektaal en verheven taal, stelt hij een aantal universele thema’s op geheel eigen wijze aan de orde […].’ Dit is niet alleen een prachtige, ruimtelijke karakterisering, ook ontstaat hier een schitterend verhaal. Dat van de wereldwijze kluizenaar, de profeet die de Waarheid verkondigt aan de mensen, na een periode van afzondering en meditatie.

Het is eigenlijk verbazend dat Murrays poëzie die mythologisering ook nog eens rechtvaardigt; ik ken weinig dichters die zo krachtig over of naar aanleiding van concrete ‘onderwerpen’ dichten, en tegelijkertijd zulke ongrijpbare gedichten schrijven, een ‘poëtische’ waarheid benaderen. Zijn gedichten zijn van taal gemaakt, maar vooral ook van praktische zaken als thema’s, invalshoeken. Bij de Nederlandse dichter H.H. ter Balkt vind je diezelfde waarden terug, en in mijn ogen zijn de twee dichters dan ook verwant, misschien niet in zienswijze, maar wel in aanpak, werkwijze.

Murrays poëzie is bij uitstek een oefening in denken en kijken, en dat alles met een feilloze intuïtie voor het onnavolgbare. Zoals hij het zelf stelt in het grootse ‘Poetry and Religion’: ‘Full religion is the large poem in loving repetition;/ like any poem, it must be inexhaustible and complete/ with turns where we ask Now why did the poet do that?’

Die waarheid, of eerder wijsheid, die Les Murray dikwijls lijkt te verbergen, verraadt zich door weggemoffelde ‘kennis’ in een bijzin of bijvoeglijke bepaling, een korte bijstelling, een zogenaamd terloopse toelichting op het voorafgaande, vaak met een beeld, zoals in een andere sublieme passage in ‘Poetry and religion’: ‘It is the same mirror:/ mobile, glancing, we call it poetry,// fixed centrally, we call it a religion,/ and God is the poetry caught in any religion,/ caught, not imprisoned.’ [mijn cursivering, as] Dit is geen truc, maar een vanzelfsprekend gevolg van de heldere spreektaligheid die Murray’s gedichten dikwijls voorwenden. Het zijn retorische toevoegingen, eerder dan ‘dichterlijke’.

Vandaar misschien dat Murray zo makkelijk grote onderwerpen aanpakt; zijn taal kan dat aan, omdat die even krachtig is als zwervend, zoekend, formulerend – sterker nog, zijn taal verheft het onderwerp en maakt het subliem, zuiver, en dus voor ons blote oog in zekere zin onnavolgbaar. Wat niet hetzelfde is als onleesbaar.

Zo is het ook met ‘The Future’. De toekomst: een groot leeg vat. De naam van een zeilschip, de jeugdopleiding van een voetbalclub. Onderwerp voor verkiezingen, kernwoord in speeches van managers en ministers. Belofte en teleurstelling ineen. Kijk je terug, dan lijkt de toekomst vaststaand, bepaald, wat misschien verraderlijk is, maar ook een bevestiging van het Lot en een ontkenning van het Toeval.

In ‘Een foto’ schrijft Joseph Brodsky: ‘Vreemd en onprettig is het te bedenken dat/ zelfs ijzer zijn eigen lotsbestemming niet kent’. Dat is waar, maar wat Murray in ‘The Future’ probeert, is niet het onder woorden brengen van een frustratie, van de ultieme onwetendheid, en daarmee van onze onmacht, maar het mechaniek verbeelden van onze wedergang, van ons heden en ons verleden, de projecties die elk toekomstbeeld subjectief maken.

Het lijkt of Murray de toekomst ziet als ‘reeds ingevuld’, alleen noodgedwongen onkenbaar. Dat ook hij dus niet ontkomt aan een persoonlijke invulling van het onbepaalde is te lezen in de slotregels, wanneer het verleden, dat ooit toekomst was, wordt neergezet met beelden die onmiskenbaar particulier aandoen. ‘[A] cheerful picnic party,/ the women decently legless, in muslin and gloves,/ the men in beards and weskits, with the long/ cheroots and duck trousers of the better sort,/ relaxing on a Stone verandah.’ Een in mijn ogen schilderachtig, koloniaal tafereel, in feite volkomen inwisselbaar, maar door de beeldende en retorische kracht van het gehele gedicht een voorstelling van dé geschiedenis, en hét verleden.

Murrays benadering van de toekomst is ontuchterend, al direct gedemonstreerd in de eerste regel: ‘There is nothing about it.’ Die stelling is in al zijn beknoptheid meteen de kern van dit gedicht. Ze is zowel een gesloten deur, als een uitnodiging ons hier en nu te omarmen, in de berustende wetenschap dat met de beste wil niet meer dan dit over het vooruitzicht van een menselijk leven kan worden gezegd.

Meer ontnuchtering. Sciencefiction speelt zich af in de toekomst, maar handelt niet óver het vooruitzicht op lange termijn. Dat is scherp gezegd. De toekomst doet niets bewegen dat nu leeft, nu buigt. Het magische kristal, materiaal van de voorspelling, geeft geen diepte, maar reflectie – het verraderlijke aan holle retoriek: die dient als (verleidelijke) spiegel, niet als telescoop.

‘Even the man we nailed on a tree for a lookout/ said little about it; he told us evil would come.’ Dat is wat mij betreft een van de mooiste regels in het oeuvre van Murray, omwille van het beknopte godsbegrip, dat valt en staat bij devotie en vertrouwen, niet bij ‘weten’ – en Murrays volkomen aardse benadering van het mystieke, én de terloopse medeplichtigheid in het woordje ‘we’. Ja, wij zijn schuldig en we verkeren in het ongewisse over ons lot, vandaar het belang van de toekomst. Juist door de achteloze typering – een man vastgespijkerd aan een stuk hout, aan een boom –, maakt de geloofsovertuiging verankerd, vanzelfsprekend, en het gedicht daardoor tragischer, universeler. Wat tevens meeklinkt is dat onzekerheid eerder een bron is voor angst of kwaad dan voor hoop of bevrijding, zeker in de christelijke traditie. Toch is het gedicht verre van deprimerend, hooguit berustend.

Murray ziet, zoals velen, de toekomst als een ruimtelijke entiteit, als een ‘small living distance’. Een lineaire lijn dus, maar alleen volgens afspraak. En we zien slechts het begin. Onze projecties buigen niet waar de toekomst afbuigt – ze is dus grillig –, we kunnen haar niet tot het einde volgen.

Ook vormtechnisch beantwoordt het gedicht aan deze laatste constatering. Er is in een goed gedicht altijd een moment waarop je als lezer als het ware achterop raakt, achter het gedicht aan begint te hollen, dat zelf de geest krijgt en opstijgt. Ergens voorbij de helft van ‘The Future’ weken retoriek en begripsvorming door de opeenvolging van ontkenningen langzaam los, en zorgen (poëtische) kennis en waarheid voor een uitdijend begrip.

Het dierbare verleden begroeten, is op een aandoenlijke wijze hoogst sentimenteel. Waarom koesteren we dat verleden dan toch, zoals de dichter zelf ook volhoudt (‘nonetheless, I begin’)?

Het antwoord schuilt misschien in het raadselachtige ‘When I was alive – ’. Raadselachtig, want het is immers geen dode die tot ons spreekt. Wat volgt is dat schilderachtige, koloniale tafereel, onherroepelijk tot het verleden behorend, en daarmee opgelost in de toekomst.  

Het is die paradox, die deze poëzie zo uitzonderlijk maakt, en het toekomstbegrip zodanig ververst dat het uiteindelijk toch haaks komt te staan op het cliché en alles wat in een essay onmogelijk te verbeelden zou zijn. De verbeelding van die paradox, en de zakelijke voorstelling van het bijzondere, maken dit gedicht tóch ongrijpbaar, alleen tot op zekere hoogte na te vertellen.

Ceylon

Ceylon

Zoals alle goede poëzie, gaat ook dit gedicht over het dichten zelf, en vooral het lézen van een gedicht: net als met het begrip ‘De Toekomst’, kun je van een goed gedicht alleen bij benadering de coördinaten bepalen. Een regel als ‘It is the black hole out of which no radiation escapes to us,’ is een poëticale stellingname. ‘The Future’ is een bewijs van die stellingname, bevestigd in de regel: ‘It is said we see the start.’

Het begin verraadt de diepte die wij vermoeden achter het tast- en zichtbare, en zo schept ook het gedicht haar eigen mythologie. Een hoopvol gedicht, ondanks ons blijvend tasten in het duister.  

 

De toekomst

 

Er is niets dat er over gaat. Veel science fiction speelt er

maar gaat er niet over. Profetie gaat er niet over.

Duizendbladstelen worden er niet door beïnvloed. En kristal is een spiegel.

Zelfs de man die we als uitkijk aan een boom hebben gespijkerd

had er weinig over te melden; hij zei dat onheil naakte.

We denken graag dat onze blik er een korte levende spanne in doordringt

maar zelfs dat is projectie. En geen van onze projecties

kromt zich met haar kromming mee.

                          Het is het zwarte gat

waaruit geen straling onze kant op ontsnapt.

De alledaagse en de sublieme paden van onze levens

strekken een eind weegs door landschap en stadschap

of duiken langs puinhellingen omlaag, tuimelen in die loodrechte val

waar alles zal zijn wat we er ooit heen zonden,

gebald, tollend – behalve wij misschien, om het te zien.

Men zegt dat we het begin zien.

                                Maar hiervandaan heerst verblinding.

Het zijdelings opgetaste ravijn dat al ons nu straks opslokt

verblindt ons voor de gewone zon, waarvan je je kunt voorstellen

dat hij rustig doorschijnt aan de andere kant – voor anderen

op hun doodgewone dag. Een dag waarvoor al onze portretten,

idealen, revoluties, denim en deshabillé

wonderlijk ontroerend zijn. Die mensen te zien is onmogelijk,

hen te groeten nogal sentimenteel. Maar desondanks begin ik:

`Toen ik leefde…’

                     en merk dat ik word omgedraaid

en opeens sta te kijken naar een vrolijke picnic,

de vrouwen beschaafd beenloos, in mousseline en handschoenen,

de mannen in baard en gilet, met hun lange corona’s

en broeken van eersteklas Engels leer, zich vermeiend

op een stenen veranda. Ceylon, of Sydney.

En terwijl ik kijk, weet ik dat zij weggevaagd zijn,

elk op zijn dag, met hun kussens, flesjes, mist,

met alle toekomst die ze beloofden of droomden, verzwolgen

door die ene muil waar alles zich naartoe beweegt;

samen met de man aan de boom zijn ze in de Toekomst verdwenen.

 

Vertaling: Maarten Elzinga, te verschijnen in Les Murray, De planken kathedraal (Meulenhoff, 2010)

Dit artikel verscheen eerder in een themanummer van het Nederlandse tijdschrift Liter (nummer 55, jaargang 12; september 2009) over de poëzie van Les Murray.

Alfred Schaffer. Mank

Tuesday, February 9th, 2010

Dichters zijn net vampiers. Niet zelden leven ze van andermans poëzie, poëzie die hen raakt of irriteert, en inspireert tot het schrijven van een eigen tekst, als in een antwoord. Poëzie die de dichter laat zien wat al gezegd is, en wat er nog te zeggen valt zonder in herhaling te vallen.

Zelf ben ik eind jaren negentig op het spoor gezet door het werk van de Amerikaan John Ashbery en de Nederlander Nachoem Wijnberg, die vorig jaar nog te gast was op Die Woordfees in Stellenbosch. Daarna kwam daar de Nederlander Kees Ouwens bij. En het Afrikaanse trio Antjie Krog, Charl-Pierre Naudé en Peter Blum. De laatste grote invloeden zijn voorlopig de Australiër Les Murray, de Canadese Anne Carson en de Rus Joseph Brodsky.

Maar je hoeft de verrassing niet altijd ver van huis te zoeken. Laatst had ik dan eindelijk weer eens tijd om wat te grasduinen in nieuwe poëzie, buiten mijn werk als redacteur om. Een goede manier om de schrijfspieren, die nagenoeg verlamd zijn na mijn laatste bundel, wat op te warmen. Ik merk dat ik op dit moment blijf hangen bij poëzie die op het oog direct welsprekend is, zonder eenduidig of clichématig te zijn. Een week of twee terug las ik een nummer van tijdschrift Het Liegend Konijn, van oktober 2009. Een mooie aflevering. Het Liegend Konijn verzamelt uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, en ook is er ruimte voor enkele debuten. Je vindt altijd iets verrassends. De nieuwe gedichten van Alexis de Roode (geb. 1970) bijvoorbeeld. Een reeks van 10 gedichten, getiteld ‘Dierkunde’. Sprekend werk vond ik het, en ook grappig, voor een Afrikaanse lezer waarschijnlijk niet al te ingewikkeld om te volgen:

 

De jacht

 

Ik had een vriendin

haar vader was jager

hij had een eland geschoten

en nu was hij wereldberoemd in Canada

de mensen in het vliegtuig klapten voor hem

 

Zij hield een keer een spreekbeurt over de jacht

iedereen op school was tegen

maar na afloop was iedereen voor de jacht zei ze

iedereen wilde haar vader ontmoeten

 

Haar hele huis hing vol hertenkoppen

ik denk wel een stuk of 300 koppen

als ik naar de wc ging ’s nachts

kwam ik zeker vijf herten tegen

de ene nog mooier dan de andere

 

Ik was gek op herten

niet op een sentimentele manier

ik had wel een hert willen schieten

als je van de natuur houdt hou je ook van jagen

maar ik zou geen hertenvlees eten

dat is een grens die je niet overschrijdt

 

Als je een gazelle bent op de savanne

heb je genoeg leeuwen om je op te eten

maar hier heb je als hert geen vijanden

je moet het wild een beetje scherp houden

anders gaan ze in de steden wonen

 

 

De (gespeelde) naïviteit, de bewust onhandige herhalingen, het geeft het gedicht vaart en beeldende kracht. En het is erg fijn als je ook om poëzie kunt lachen.

 

Jagen

Jagen

 

 

Heel anders is het korte maar uiterst krachtige gedicht van Mustafa Stitou (geb. 1974), in hetzelfde nummer:

 

Houd mijn hand vast.

Ik mis een pink. Ik ging,

 

kind was ik, een dag

uit moorden. Een kleine

 

eeuw geleden. Een zomerdag.

Zonder reden

 

herinner ik mij. Hommels.

Mussen. En toen

 

een zwaan. Aan de rand

van de vijver zag ik

 

de duivel staan. Grienend

sloeg hij mij gade.

 

Dit is zo’n gedicht dat ik zelf geschreven zou willen hebben.

 

Poëzie werkt dikwijls het sterkst als je niet te hard zoekt naar betovering – daarom is het mooi om door een literair tijdschrift van achter naar voren te bladeren. Zo kom je eerst de gedichten tegen, pas daarna de naam die erbij hoort.

Vorige week bladerde ik in een boekhandel door Digitale hemelvaart, de nieuwe bundel van de Irakese dichter Rodaan Al Galidi. Hij woont sinds 1998 in Nederland en schrijft poëzie en proza in het Nederlands. Ik las het volgende:

 

Het wonderei van Rodaan Al Galidi

 

Normaal gesproken

leg ik mijn gedachten op papier,

maar twee weken geleden

legde ik een ei.

 

Uit respect voor mijn gedachten

en wat eruit kon komen,

bouwde ik een nest in de hoek van de kamer

en zat op het ei.

 

Vrienden en collega’s

geloofden niet dat ik een ei uitbroedde.

Ze dachten dat ik

mijn wereld niet wilde verlaten.

 

Hoe lang zal mijn broeden nog duren?

Hopelijk niet een leven lang.

 

Wat komt eruit?

Hopelijk geen mens.

 

Je moet na het lezen van zo’n gedicht niet wanhopig op zoek naar nog meer moois, maar de bundel dichtslaan, aanschaffen, en rustig de winkel uit lopen. Mensen kijken, een eindje fietsen, een broodje eten, beetje staren naar de boten. Zoiets.

Of nee, misschien toch nog één gedicht dan, ’s nachts voor het slapen. Maar dan een gedicht dat minstens even sterk is. Dus pak ik Kaplyn erbij, van die fenomenale Afrikaanse dichter Gilbert Gibson, die maar gauw eens naar Poetry International moet komen:

 

hink

 

in omtrent die jaar van onse

negentien vyf

en sewentig of so het

 

op ’n reënerige vrydagmiddag

’n melktenker van die

middevrystaatsuiwelkoöperasie wat in die

spruit vasgesit het

oor my pa se bene gery

 

schalk die lorriebestuurder was angstigrig

vir my ma: tannie

moet nou nie skrik nie,

 

sê hy, en het hulle twee

met die kar en die handdoeke

en bloedbene winburg

toe gery en toe per ambulans

rooilig gesnel tot die

 

nasionale hospitaal in

bloemfontein. dieselfde aand

het ek in ’n kinderkrans-

 

konsert gespeel onder blindes

eenoog die saaier, onder leiding van ’n

paar tannies. en het ek

my voor dit alles verbeel en

geoefen ’n man uit gelykenisse

 

hy

loop

mank

 

Maar dan is het genoeg. In een paar dagen tijd een handvol goud, daar moet je zuinig mee zijn. Niet te veel ineens willen. Eerst eens kijken of deze gedichten mijn spieren een beetje hebben kunnen opwarmen.