Posts Tagged ‘Luuk Gruwez recensie’

Luuk Gruwez. Gedichten als explosieven

Wednesday, September 10th, 2014

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

Luuk Gruwez. Gedichten als explosieven

Dichter-performer Andy Fierens (°1976) is met Wonderbra’s & Pepperspray pas aan zijn tweede dichtbundel toe. Publiceren doet hij nog niet heel lang. Optreden met zijn groep ‘Andy and the Androïds’ of solo al veel langer. Fierens afficheert zich graag als een buitenbeentje in de Vlaamse poëzie, pretendeert met weinigen affiniteit te voelen en moet het hebben van verzen die in het beste geval hilarisch zijn en in het slechtste geval afgaan als gillende keukenmeiden. Er zit veel antiburgerlijke epateerzucht in hem, veel noise, overtuigde baldadigheid, maar gelukkig ook humor. Hij ontpopt zich als een fusion-poëet die diverse taalregisters, van hoog tot laag, van gezwollen tot simplistisch, van rechttoe-rechtaan tot onnozel en woordspelerig, van naïef tot pornografisch, van geestig tot flauw, met elkaar samplet in gedichten die, zeker in hun geschreven vorm, de spanning niet altijd een bundel lang even levendig kunnen houden. Fierens hoort het allicht niet graag, want hij wil poëzie te allen prijze ontdoen van haar odium van saaiheid. Niet altijd slaagt hij daarin. Te veel gedichten gaan werkelijk nergens over. Hij blijkt dit overigens ook zelf te beseffen. In een ironische zelfreflectie stelt hij: ‘je schrijft veel te lange gedichten die je zelf niet begrijpt’.

Dit alles betekent niet dat hier en daar geen briljante vondsten te lezen zijn of dat je een enkele keer niet mee wil op het bedwelmende woordencarrousel. Er is bijvoorbeeld het knappe slotgedicht, ‘mama’s en papa’s’, waarin Fierens het verschijnsel overspel uitlegt aan kinderen en een spanning weet op te bouwen tussen de vermeende onschuld van zijn toehoorders en de malicieuze manier waarop volwassen mensen hun partner soms ontrouw zijn. Vanuit het door de dichter intensief beleefde adagium dat het leven kort is, verklaart hij waarom overspel nog zo kwaad niet is, doordat sommige mensen nu eenmaal een surplus aan liefde hebben: ‘liefde heeft een houdbaarheidsdatum/ dat wil zeggen/ dat ze zuur kan worden/ net als melk/ wat moet zo’n papa of mama doen/ met dat surplus?/ het slecht laten worden?/ (…)/ of kunnen ze er/ misschien/ iemand anders gelukkig mee maken?’.

Je zou willen dat een  dichter met het potentieel en het elan als dat van Fierens over de goede smaak en de zelfkritiek beschikte om zijn stembanden wat meer in bedwang te houden en minder pompeus uit de hoek te komen. Maar allicht is hier iemand aan het woord die zijn creativiteit juist put uit zijn vitalistische nood aan overdaad.

__________________

Andy Fierens

Wonderbra’s & Pepperspray

De Bezige Bij, 94 blz., 18,50 euro.



Luuk Gruwez. Nooit meer dood

Sunday, September 7th, 2014

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. Nooit meer dood

Remco Campert viert zijn vijfentachtigste verjaardag en is inmiddels zo’n vijfenzestig jaar aan het publiceren: columns, romans, verhalen, poëzie. Het recente Licht van mijn leven bevat naast gedichten ook litho’s van zijn vriend Ysbrant. De bundel bestaat uit een korte cyclus die ‘Gelegenheden’ heet en de langere cyclus ‘Gebeurtenissen’. Maar eigenlijk gaat het in beide cycli om gelegenheidsgedichten die zich perfect laten vangen onder de titel van een vorige bundel: ‘Nieuwe herinneringen’ (2007). Campert memoreert zijn geliefde doden – Claus, Wolkers en Komrij – en hij continueert datgene waar hij inmiddels al jaren mee bezig is: de reconstructie van wat geweest is. Al die vrienden: zij mogen nooit meer dood. In een In Memoriam voor Jan Wolkers beschrijft hij hoe zijn intentie om zich niet langer met het sterven in te laten, vloekt met de realiteit: ‘terwijl ik net besloten had/ om zolang ik nog te leven heb/ niet meer aan de dood te denken (…)’. De poëzie die hij schrijft, palmt de lezer vooral in door de openhartigheid waarmee hem een inkijk wordt gegund in de leefwereld van iemand die het vanwege zijn bejaardheid nog enkel over fonkelende voorbije gebeurtenissen kan hebben.

Campert schaamt zich niet voor zijn nostalgie. Integendeel: hij koestert ze en weet daar sympathie mee op te wekken. En intussen sluipt steeds meer dood in zijn poëzie. ‘Licht van mijn leven’, het meest overtuigende vers van deze bundel, is zowel bundeltitel als titel van het slotgedicht. Daarin blikt de dichter vooruit op zijn eigen dood en hij droomt zich een ideale sterfscène: ‘laat me dan, dat moment gekomen, / opnieuw nog even / zweven boven het Stedelijk / dan verder al hoger / boven de bomen in het Vondelpark / waarna ik, mijn tijd opgeheven, / voor eeuwig uiteenval, me verenig / met het fijnstof van de stad, / met de spiegeling van het zonlicht / in het water van de gracht / en word meegenomen met de glimlach / en de dromen van het meisje / dat ik eens op een tramhalte zag’. Dat meisje op die tramhalte komt ook in vroeger werk van Campert voor. Zij is de nooit gerealiseerde, volmaakte geliefde. Zij vertegenwoordigt in al haar achteloosheid het meisje dat boven alle andere meisjes staat. In haar eentje is zij de incarnatie van Eros, de antipode en het zusje van de dood, die meer en meer beslag op de dichter weet te leggen.

__________________

Remco Campert

Licht van mijn leven

De Bezige Bij, 48 blz., 24,90 euro.



Luuk Gruwez. Niet helemaal niets

Sunday, August 31st, 2014

 

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

Luuk Gruwez. Niet helemaal niets

 

Het is moeilijk ongereserveerd van de mensen te houden wanneer je vaststelt dat jezelf tot hen behoort en dat je jezelf voldoende kent om zo nu en dan  met je neus op je gebreken te worden gedrukt. Stijn Vranken verwoordt het als volgt: ‘Sommige mensen zijn weinig meer dan niet erg, / om van mezelf nog maar te zwijgen.’ Vandaar allicht dat hij verkiest zijn soortgenoten vanop een aftand gade te slaan en ze niet meteen tot hem toe te laten. Haast voltijds vertolkt hij de rol van buitenstaander en observator. Die positie kleeft hij aan uit de aard van zijn natuur of misschien uit angst om door anderen geannexeerd te worden. Dat hij te allen tijde afstand wil bewaren spreekt het frappantst uit het prachtige gedicht ‘Geachte’: ‘Al enkele jaren moet ik vaststellen u in het geheel / niet te kennen. Dat doet me plezier.’ Het zijn regels die doen denken aan een chanson als ‘La non-demande en mariage’ van Brassens, waarin de zanger zichzelf de eer toedicht om iemand niet ten huwelijk te vragen.

De dichter schildert de mens doorgaans in zijn lijdende gedaante: ‘Ecce homo’. Diens leed kan amper verholpen worden: ‘Wij zijn niet eens reddingsboeien voor elkaar.’ Bovendien lijkt het bestaan op een dystopia, ‘deze stoet van altijd weer wij, wij, wij, (…)’: de mensheid is veelkoppig en vertoont in zijn collectiviteit geen eenheid; het is niemand om de ander te doen. Het is een vaststelling waaruit wij, mensen, ons niet kunnen bevrijden, ook al zijn wij met zijn allen ‘vreemde vluchtelingen (…) per toeval ontsnapt uit onwetendheid’ en is er geen enkele vorm van denken die een oplossing biedt. Vranken laat zich in zijn bundel haast nergens van zijn zonnigste zijde zien. Hij gelooft in lots- en voorbestemming. Je zou hem, alle verhoudingen in acht genomen, een poète maudit kunnen noemen, maar daarvoor is hij eigenlijk te schattig en is zijn attitude er te zeer een van distantie. Niettemin heeft hij bepaald geen hoge dunk van het leven: ‘dit nog / en nog en dan nog maar wat bestaan.’ Zij wereld wordt bovendien gekenmerkt door monotonie, bijna ennui. Alles is herhaling van herhaling, totterdood. Enkel heel af en toe corrigeert hij zijn somberte middels ironie, suggererend dat het leven toch ‘niet helemaal niets’ is. Want, stelt hij vast: ‘Tot op zekere hoogte functioneren / onze lichamen niet onaardig.’ Maar verder heet het: ‘Het is niet dat ze niets kunnen. / Maar het scheelt toch niet veel.’

De dichter, zijn lichaam en de spiegel waarin het weerspiegeld wordt: het is een bijna belegen thema. Het verbaast niet dat lichamelijkheid hier als problematisch wordt bestempeld. ‘Dit lichaam,’ staat er, ‘is niet gelogen, maar toch / zingt het zijn waarheid steeds voorzichtiger (…)’. Her en der duikt dat rare woord ‘waarheid’ op. Soms ontpopt Vranken zich als een ethisch dichter, inderdaad op zoek naar een enigszins aftands begrip als ‘dé waarheid’. Het spreekt voor zich dat hij zich die niet weet te verwerven. Doordat hij voortdurend twijfelt en doordat die twijfel hem ertoe aanzet met verve nu eens deze en dan weer gene mening te ventileren. Hij deinst er niet voor terug soms in twee opeenvolgende gedichten tegengestelde standpunten in te nemen. ‘Van dit leven bestaat er / naar men vreest maar een, / stap dus nooit uit je moeder / met het verkeerde been.’ Zo luidt het motto bij de aanvang van deze bundel. Maar al van bij de eerste gedichten lijkt het of de dichter wel met het verkeerde been uit zijn moeder is gestapt. Heel sterk overheerst het gevoel dat, om J.C. Bloem te parafraseren, het leven alleen maar betekent dat het tussen twee stiltes heel even luid is. De geboorte als een blijmoedige entree? Vergeet het. ‘Ik herinner me nog mijn eerste nacht / als mens. Als de dood was ik.’, lezen wij.          

Twijfelaar als hij is, wantrouwt de dichter uiteraard ook woorden. Hij streeft vruchteloos de absolute stilte na en de perfectie van het ongeschrevene. Het beste werk is het verzwegene en hij realiseert zich dat geen woorden, maar alleen onze daden een heel enkele keer onze pietluttigheid verdrijven: ‘wij zijn op ons best / wanneer we verdwenen zijn / in wat we doen (…)’. Pas naar het einde van de bundel toe wordt even geopteerd dat het menselijke bestaan toch wel een wonder is, zij het een dat geen grote voldoening schenkt. Gewenning aan het lot is zowat het hoogste wat een mens mag verwachten. Misschien omdat hij het enige levend wezen is dat weet heeft van zijn eindigheid en zich daardoor, in een wanhopige poging om eeuwigheid te bedenken, ook in hoge mate van zijn voorbestemdheid bewust is.

Stijn Vranken ervaart de meetbare realiteit van het lijf als pijnlijk en hij wensdroomt dat hij ergens tussen bestaan en onbestaan mag vertoeven in iets dat maar een vermoeden is of dat op vage hoop is gebaseerd. Niets is namelijk echt te realiseren en alles laat je uiteindelijk onbevredigd achter.

__________________

Stijn Vranken

Maak plaats van mij

De Bezige Bij Antwerpen, 62 blz., 19,99 euro.



Luuk Gruwez. DW B en de verwondering

Friday, July 6th, 2012

DW B EN DE VERWONDERING

‘De verwondering is sinds de oudheid een centraal concept in de filosofie. Het is ook de voedingsbodem voor wetenschap en de muze van poëzie.’ Dat staat te lezen in een van de bijdragen van het jongste nummer van DW B. DW B moet zowat het meest academische literaire blad van de Lage Landen zijn. Dat heeft voor- en nadelen. Om met het laatste te beginnen: de persistent erudiete toon van veel bijdragen zal zelfs bij uitgeslapen lezers een zekere geeuwerigheid verwekken. Dat is niet anders voor het jongste nummer. Ondanks het overkoepelende thema van de verwondering, dat nu net aanstekelijk zou horen te zijn, wordt de saaiheid niet geheel vermeden.

DW B heeft een traditie in themanummers. De samenstellers van het jongste nummer zijn Jan Lauwereyns en Heidi Thomson. De eerste, woonachtig in Japan, is neurowetenschapper en bij ons inmiddels genoegzaam bekend als dichter en recent nog als laureaat van de VSB-poëzieprijs. Ook Heidi Thomson is een academica. Zij buigt zich vanuit het Nieuw-Zeelandse Wellington onder meer over de poëtica van Hans Faverey, reikt ons een handleiding voor de lectuur van John Keats aan en een interessante correspondentie met de veelgeprezen Amerikaanse auteur Richard Powers.

Positief is dat de erudiete toon van DW B dit voordeel heeft: een onmodieus sérieux als antidotum tegen de joligheid en de spektakelwaarde waarin de literaire sector soms dreigt te verdrinken. Het reflecterende gehalte van het blad mag dan al plausibel zijn doordat het nooit de diepgang schuwt, het best zijn de bijdragen die de muffe professorengeur van zich af weten te slaan. Huub Beurskens, toevallig geen academicus, in hart en nieren schilder zelfs, weet dit te realiseren in een zeer genuanceerde bijdrage waarin hij uitgaat van een oude recensie van ‘Naar Merelbeke’ van Stefan Hertmans. Het is verfrissend hem te lezen en hij getuigt van minstens evenveel inzicht als zijn geleerder klinkende collega’s, die soms net iets te veel oreren alsof hun lezers nog in de schoolbank zitten. Ook Lauwereyns en Thomson ontsnappen niet helemaal aan dit euvel. Vraag is natuurlijk: academisch, is dat een scheldwoord en moeten wij ons niet veeleer verheugen over de visie en het analytische vermogen die ons geboden worden?

Want laten we wel wezen: uiteraard valt hier ook veel fraais te lezen. Verwondering is wat de hoogbejaarde Leo Vroman ervaart wanneer hij zich dichtenderwijs bezint op zijn stokoude lijf dat maar doorgaat met bestaan alsof het onkundig in sterven is: ‘Wel blijft mij een bepaald/ gevoel van onzekerheid:/ wordt het niet langzaamaan tijd/ dat ik word opgehaald?’ Tom van de Voorde brengt, naast eigen poëzie, ook zijn vertaling van een gedichtencyclus van Michael Palmer en stelt in een begeleidend essay: ‘Er wordt rakelings langs sentimentaliteit gescheerd, om te overleven, om levenslust uit verwondering te halen.’ Met die stelling vestigt hij als het ware de aandacht op het profijt dat literatuur kan puren uit de afwijking van het dogma en de loutere reflectie. ‘In het veld’ is een lang verhaal van Lauwereyns zelve. In mijn oren klinkt het intrigerend, maar ik kan mij net zo goed voorstellen dat het lezers afstoot.

En zo is het eigenlijk bijna voortdurend in dit nummer: er staat haast geen tekst in waarvan je niet de indruk krijgt dat hij zowel tot bewondering als tot irritatie kan leiden. Terwijl de uiteindelijke aim net deze was: inzicht verschaffen in verwondering. In welke mate verschillen verwondering, bewondering en ergernis? We leven tussen initiële verwondering en finale verwondering, wordt ergens geopperd. En daartussen ligt, soms, als alles goed gaat, bewondering. Dat lijkt mij een wonderlijk optimistische kijk op de gang van zaken in een schrijversleven, bij uitbreiding zelfs in het leven van elke mens. Ik kan mij namelijk net zo goed voorstellen dat tussen verwondering en verwondering alleen maar ergernis ligt. Ergernis om al die eigen ongevraagde overtolligheid, om maar iets te noemen. Maar er zijn nu eenmaal schrijvers. En ondanks alles blijven die zich verwonderen en soms blijven zij zich ook ergeren. Het is de vraag of het verwondering of ergernis is die ze gaande houdt en hoe vaak die twee begrippen haast elkaars synoniem zijn.

 

 

_____________________________

DW B 2012 3, Oud-Heverleestraat 65, 3001 Leuven. Abonnement 45 euro (studenten 35 euro). Los nummer: 12 euro.

 

AANTAL STERREN:

***

Luuk Gruwez. Dichter en Cipier

Wednesday, July 4th, 2012

 

Elke maand schrijft Luuk Gruwez in zijn rubriek De Sirene een recensie over de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft weten te trekken. Deze bespreking verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

LUUK GRUWEZ. DICHTER EN CIPIER

 

Een kortsluiting, schrijft Van Dale, is onder meer een ‘onbepaald en toevallig contact waardoor iets nieuws op cultureel en geestelijk gebied ontstaat.’ Dit is dan de positieve kijk op het begrip. Maar voorts definieert hetzelfde woordenboek een kortsluiting in de figuurlijke zin als ‘een totaal (wederzijds) onbegrip, met name reikend tot een (hevig) conflict.’ In ‘Celinspecties’ ontpopt Ester Naomi Perquin zich als de dichteres die kortsluitingen in deze beide betekenissen registreert, interpreteert en inspecteert. Het is bekend dat zij een aantal jaren als cipier heeft gewerkt om haar studie te bekostigen. Haast onvermijdelijk is zij daarbij voor tal van celbewoners een luisterend oor geweest. Je zou kunnen stellen dat die nu voor een soort wederdienst zorgen: vele gedichten in haar bundel dragen als titel hun voornaam en het initiaal van hun familienaam. Zij staan in alfabetische volgorde, her en der afgewisseld met anders getitelde gedichten die vaak net zo goed het gekooide bestaan als thema hebben.

‘Celinspecties’, zo heet de bundel, gaat dus over contact, in het bijzonder over wat daarmee verkeerd is gelopen, met delinquentie als onvermijdelijk gevolg. Soms lijkt het erop dat Perquin de ultieme elektricien is die erover waakt dat de stukke zekeringen van de gedetineerden onder haar supervisie tijdig vervangen of gerepareerd worden. Het gaat er haar evenwel niet enkel om poëzie over ontspoorden te schrijven, maar over hoe communicatie je zowel groter kan maken als kan kleineren tot er haast niets meer van je rest. Perquin huldigt, geloof ik, de zeer humane intentie dat niets van een mens verloren mag gaan. Alleen al door haar grote vermogen tot empathie is zij veel meer op verzoening dan op distantie uit en voelt zij niet de geringste aanvechting om rechter te spelen tegenover haar gespreksgenoten. Dat schept een intiemere band. De gevangenen krijgen onderdak in haar, in iemand die tot de wereld van de vrijheid behoort. Natuurlijk wordt de dichteres nooit helemaal diegene in wie zij zich inleeft. Wel toont zij respect voor wie van dat al bij al toch vaak discutabele rechte pad is afgedwaald.

De vele vragen die Perquin zich in haar bundel stelt, overigens in samenspraak met wie zij dient te bewaken, zijn deze: wie treft schuld, wat was er te vermijden geweest, waarmee straf je iemand op een decente wijze en waar begint en eindigt de vrijheid? Al in het eerste gedicht is daar de vraag in welke mate er interactie met een ander mogelijk is en in hoeverre een ander door je kan worden gestuurd. Sommige gedetineerden vluchten in de ontkenning (‘Ik was er niet bij die nacht.’) of in het zwarte gat dat hen van alle schuld vrij zou moeten pleiten. Anderen leggen de verantwoordelijkheid voor hun ontsporing buiten zichzelf, bij wezens over wie zij geen gezag hebben. ‘Wat ze ook willen, die dolle honden in mijn kop hebben altijd honger (…)’, beweert een gedetineerde die Michael van W. heet. En Jakob De B., kennelijk een seksuele delinquent, toont zich net zo goed het slachtoffer van een geaardheid die hij nu eenmaal niet in bedwang kan houden: ‘Altijd denk je aan de meisjes, zo gauw de wereld ‘s morgens openklapt/ aan hun huppel het huis uit, hun sprong in het zicht, hun dansende/ fietsende benen je dansende fietsende hart (…).’ De zoektocht naar het absolute meisje houdt hem gegijzeld en het grote verlangen blijft bij hem ook in de laatste strofe van het gedicht nog overeind, al beseft hij dat zijn gevangenschap een ernstig obstakel is. Een obstakel overigens dat hem tegelijk tegen zichzelf in bescherming neemt: ‘en je denkt aan de deur, de stalen geur van zelfbehoud, je denkt/ aan de meisjes, hun huppel het huis uit, nooit te weten of er/ eentje van haar fiets springt, op je afrent, van je houdt.’

Alle personages die Perquin ten tonele voert, blijven dromen, piekeren, verlangen, vanuit de kooi van hun lijf, waar het niet zo heel erg anders is dan in de doordeweekse wereld. Allen onderzoeken zij de grenzen tussen binnen en buiten, tussen vrijheid en gevangenschap. Verandert het je wezenlijk opgesloten te zitten? Het is anders, maar het went, suggereert de dichteres in het gedicht ‘Binnen beperkingen’, waardoor het bestaan in de cel inderdaad niet direct zinlozer lijkt dan dat daarbuiten. Ongelukkig is wie geen vrede neemt met zijn begrenzingen. Dit neemt niet weg dat wie zich met een cel tevreden moet stellen van een kamer en bij uitbreiding zelfs van een tuin kan dromen. Zo aast iedereen uiteindelijk op de hele wereld als territorium. Maar al is ontsnappen theoretisch mogelijk, metaforisch gesproken is dit eigenlijk niet het geval: ‘Buiten de omheining/ springen felle lampen aan.’ En dus is er de nood aan het compromis: ‘Later leer je dat je genoeg moet vergeten om ruimte te maken/ voor wat er nog komt (…).’

Merkwaardig is het dat Ester Naomi Perquin minstens een paar keer de link legt tussen criminaliteit en kunst. Bijvoorbeeld in het prachtige ‘Carlo ‘de veroveraar’ da C.’ Hier krijgt een inbreker het woord die nooit in een materiële buit geïnteresseerd is geweest. Hij is alleen geïnteresseerd in visuele verovering, vooral als het gaat om plaatsen die oninneembaar lijken. Hij ervaart het als een esthetische betrachting kamers te betreden ‘waar geen vreemden kwamen’. Deze man, koning van het nauwelijks betreedbare, is een van de aimabelste misdadigers in de bundel. Het gedicht waarin hij zich uitspreekt, verdient het klassiek te worden. Je krijgt het gevoel dat iets als straf hier niet op zijn plaats is. Een hommage aan wat hij heeft verricht was allicht plausibeler geweest.

Wanneer is straf overigens rechtvaardig? In wat veelbetekenend ‘Legale activiteiten’ heet, wordt niet zonder schamperheid een klein betoog opgezet over straffen die ondanks hun legaliteit toch tot het domein van het sadisme behoren, doordat zij de identiteit van wie gestraft wordt vernietigen. Perquin legt het verschil bloot tussen legaliteit en humaniteit. Haar engagement is ruimer dan literair. Zij wil gevangenen de vrijheid geven om zich uit te spreken, ook al is zij diegene die de deur achter hen moet sluiten. In het lange, aangrijpende slotgedicht, staat dit: ‘Maar jij zei: mijn laatste adem wil ik graag voor thuis bewaren/ en ik lachte om je woorden, lachte even om je Bennie./ Sloot de deur achter je rug.’

De dichteres van deze regels laat haar personages pendelen tussen vrijheid en gevangenschap. Soms is de loopafstand daartussen groot, soms niet. Maar de stem waarmee zij onder meer deze handeling beschrijft, is in enkele jaren tijd behoorlijk onvergetelijk geworden.     

 

CARLO ‘DE VEROVERAAR’ DA C.

 

Dat ze mij in handen kregen; het kan de buit niet zijn geweest. Ik sloeg

niets op en leefde nergens van. Ik had geen helers. Zo’n droeve,

hongerige dief op zoek naar spullen was ik niet.

 

Een kijker, ja. Ik zie steeds weer een opening, een kier

waar niemand ruimte ziet. Ik zet karakter in.

 

Was er een huis, uit ijzer en beton gegoten, zes man bewaking op de muur,

toegangswegen afgesloten; ik kwam erin. Ik nam niet eens iets mee,

geen schat of souvenir – dit zat de oude rechter dwars, een man

die nooit de schoonheid zag van ergens zijn, van kamers

waar geen vreemden kwamen – hij ging maar door

op wat te halen viel – alsof ik dat niet zag.

 

Ik hoef hun televisie niet. Wat er te halen viel, dat heb ik nóg.

Ze nemen me geen meter af van elke afstand die ik won,

van elke kamer die ik zag en ieder dak dat ik

beklom en waar ik stond en koning was.

 

Ester Naomi Perquin

___________________

ESTER NAOMI PERQUIN

Celinspecties

Uitgeverij Van Oorschot, 72 blz., 14,50 euro

Luuk Gruwez. De lezer wordt schrijver (Toon Tellegen).

Sunday, October 23rd, 2011

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

DE LEZER WORDT SCHRIJVER

Toon Tellegen

Toon Tellegen

Er heeft altijd wel wat experimentele filosofie gescholen in de poëzie van Toon Tellegen. Filosofie in negligé, ontdaan van de plechtstatigheid van pak en das. Dit is ook hier weer het geval. ‘Schrijver en lezer’ brengt het relaas van een driehoeksverhouding tussen de schrijver, de lezer en het woord. Het is poëzie over het schrijven zelf, over de grens tussen leven en schrijven en over het spanningsveld van aantrekking en afstoting, identificatie en distantie tussen schrijver en lezer. Met tussen beiden in die vermaledijde woorden, die het hier evenzeer voor het zeggen hebben als de schrijver of de lezer. Want zo zit Tellegens poëzie in mekaar: hij legt een staaf dynamiet onder het vanzelfsprekende gezag van de dichter en laat zijn woorden naar hartenlust rebelleren. Ook al voert hij zijn potentiële alter ego, ‘de schrijver’ genaamd, telkens weer prominent op in de eerste, in het rood afgedrukte regel van bijna alle gedichten. En ook al zorgt Boris Tellegen voor een ascetisch tegenwicht door strak gestapelde kubussen te tekenen bij de meandrische verzen van zijn vader.

Dit kan niet voorkomen dat het met die woorden, gepersonifieerd en voorzien van een eigen willetje, vaak een heel gebakkelei blijft. Zij zijn namelijk te duchten medespelers: ‘er ontstaan vechtpartijen,/ voor- en tegenstanders van onsterfelijkheid gooien met modder/ naar elkaar’. Hoe vaak lezer en schrijver begrip voor elkaar proberen op te brengen, ook tussen hen is het niet altijd rozengeur en maneschijn. Vandaar dat deze bundel zich eveneens laat lezen als het verslag van een machtsstrijd. Daarbij schijnt nu eens de ene partij het te zullen halen, dan weer de andere. De dichter, beladen met schuldgevoel en plichtsbesef, twijfelt intussen zijn gedichten bij elkaar.

Tellegen rebelleert net zo goed zelf tegen de woorden en hun dwingelandij. Hij verzet zich tegen hun eis om neergeschreven te worden, streeft in minstens één gedicht naar een wereld zonder woorden, al beseft hij de vergeefsheid daarvan: ‘De schrijver schrijft:/ ik moet niets,/ maar hij weet dat hij zich vergist (…)’ Schrijven blijft zijn verdomde plicht, omdat hij ‘een kleine, maar significante en duurzame afstand/ tussen hem en de wanhoop moet scheppen – / (…) dat alles moet hij,/ moet hij nu’. Met andere woorden: door te schrijven probeert de schrijver de wanhoop te ontvluchten. Het verschil tussen schrijver en lezer blijkt verderop in dit gedicht dat tussen kunnen en niet kunnen te zijn. De lezer probeert zich op te trekken aan de schrijver, is in eerste instantie volkomen afhankelijk van diens kunnen: ‘de lezer denkt:/ ik kan niets – / hij bloost,/ zijn moeder aait hem zachtjes over zijn hoofd:/ “armoedige jongen van mij…”.’

Niettemin gedraagt diezelfde zich soms vijandig tegenover de schrijver. Misschien net doordat hij niet zonder hem kan. Bovendien blijkt hij door diens verkleefdheid aan woorden besmet. Alleen vindt hierin naar het einde toe een ommekeer plaats. Terwijl de schrijver met toenemende intensiteit naar een wereld zonder woorden streeft (‘waarin mensen geen mensen zijn,/ God geen god is’) en naar een bestaan zonder schrijven, blijkt de lezer het in het slotgedicht van de schrijver over te nemen. Hij eigent zich zijn woorden toe, wordt zelf schrijver en voelt diezelfde pijn, misschien wel de motor van de hele schrijverij.

Simultaan gaat dit gepaard met het verlangen van de schrijver zich van zijn ik te bevrijden binnen een wereld die hem te vaak een leiband omdoet en van hem onophoudelijk engagement en betrokkenheid vereist. De schrijver ‘herinnert zich weer de schoonheid van genade/ en van niet schrijven, niet denken en niet zijn,/ gonst als een hommel tussen de vitrages en verdwijnt in het grote, blauwe niets.’ Aan de basis van de wens niet langer te bestaan, ligt vermoeidheid. ‘De schrijver is het schrijven moe,’ lezen wij. En verder: ‘hij wist niet dat woorden zo zwaar konden zijn.’ Hij ziet zich voor het bekende dilemma geplaatst: schrijvenderwijs deelnemen aan de wereld of er juist afstand van nemen. Zijn onvoorwaardelijke trouw aan de woorden richt hem hier letterlijk te gronde: ‘als het donker wordt en de weg langzaam omhoog gaat/ bezwijkt hij/ (…)/ zijn “ja” wordt hem fataal.’

Waar het de schrijver in wezen om gaat, is de definitie van de eigen identiteit. Hoe ziet dat ik eruit, is het nog herkenbaar en hoe maak je het vatbaar voor verbetering? Er is een punt in de bundel waarop hij vaststelt dat hij zichzelf nog amper herkent en zichzelf nooit meer tegenkomt en daar met zijn schrijven verandering in wil brengen. Net dan is niet hij het, maar de lezende lezer die zichzelf herkent. Het wemelt in deze gedichten van wederkerige voornaamwoorden als ‘mijzelf’ en vooral ‘zichzelf’. De schrijver wil op het ene moment zijn eigen ik wel kwijt in het ‘grote, blauwe niets’ dat hem zo lokt , maar op een ander moment staat hij zijn ik niet toe dat het hem ontglipt, precies alsof hij niet goed weet waar zijn voorkeur naar uitgaat: naar bestaan of naar niet bestaan. In deze houding verschilt hij overigens niet van de lezer: ‘weten schrijvers soms niet dat lezers ook wel eens niet/ hadden willen worden geboren?’

Het is dan ook in relatie met de lezer dat de schrijver zich aan de hand van woorden zoekt te definiëren. Dit staat er: ‘Toen de schrijver de wereld had verbeterd/ rustte hij en dacht: wat zal ik nu eens gaan verbeteren? mijzelf? (…) hij dacht langdurig na over zichzelf,/ ontleedde zichzelf/ (…).’ En ook dit: ‘de lezer, (…)/ hoorde hem krassen in zichzelf/ (…) en probeerde begrip voor hem op te brengen.’ Die rustende schrijver roept natuurlijk connotaties met de scheppende God op, die na gedane taak een rustdag invoert. Maar zo overtuigd van de perfectie van zijn schepping als God in al zijn zelfgenoegzaamheid beweert te zijn, is de schrijver nooit, reden waarom hij ten slotte met scheppen moet doorgaan: nooit is het werk af. Het is uiteraard zeer verraderlijk in de schrijver niemand minder dan Toon Tellegen zelf te lezen. De vraag is: doet dit er iets toe? Eigenlijk niet. Zelfs als dat zo is, dan is hier in elk geval iemand aan het woord die afstand doet van zijn particuliere biografie en voor universaliteit opteert.

Er zit doodshunker in deze gedichten, maar net zo goed de wil om te ontkomen. De ‘schrijver’ laat zich motiveren door liefde, maar evengoed vindt hij ‘liefde’ een overbodig woord dat maar best weggegooid kan worden. Deze voortdurende twijfelzucht maakt dat de lezer uiteindelijk veel vrijheid van interpretatie wordt gegund en de dichter zowel naar het niets als naar het leven volgen kan.

 

De schrijver wil niet langer over liefde schrijven –

 

waarom zouden mensen van elkaar houden?

er is daar geen enkele noodzaak toe

 

hij gooit zijn pen weg, klimt op de tafel

en roept:

‘nog niet het begin van een noodzaak is daartoe!’

 

maar telkens als hij niet over liefde schrijft,

wat een enkele keer gebeurt,

opent zich een afgrond voor hem,

net groot genoeg om in te vallen

 

en de lezer komt binnen, ziet hem vallen,

springt hem achterna.

 

 

© Toon Tellegen.

 

 

_______________________

TOON TELLEGEN

Schrijver en lezer

Met tekeningen van Boris Tellegen

Querido, 73 blz., 18,95 euro