Posts Tagged ‘Luuk Gruwez resencies’

Recensie: Paul Demets. De klaverknoop (Resensent: Luuk Gruwez)

Sunday, January 20th, 2019

 

Met zichzelf in de knoop

Recensie door Luuk Gruwez

 

Een flauw dogma luidt dat het gezin de hoeksteen van de maatschappij is. Bij Paul Demets die voor het eerst sinds De bloedplek uit 2011, bundel waarmee hij de Herman de Coninckprijs binnenrijfde, imposant nieuw werk aflevert, heet dat gezin met een neologisme ‘de klaverknoop’. De klaverknoop staat voor verbondenheid en de broosheid daarvan. Het refereert op zijn best aan het klavertje-vier, symbool van amper te vinden geluk. Waarschijnlijk is deze bundel niet heel toevallig, zij het middels discrete initialen, opgedragen aan de drie leden van het gezin waarvan Demets, vierde blaadje van het klavertje-vier, de pater familias is.

De dichter vergelijkt twee gezinnen: dat van vroeger, waarin zijn ik-figuur is opgegroeid, en dat waarvan die thans deel uitmaakt. Het eerste staat hier in een kwalijk daglicht. Tot de moeder, van wie wij al meteen een weinig flatteus portret krijgen, voelt hij zich niet bepaald aangetrokken. Zij wordt als dreigend ervaren, omdat zij zich realiseert dat haar zoon, door geboren te worden, ophoudt van haar te zijn. Zij gijzelt hem:

 

‘Ik houd mij ver van haar, maar ze trekt mij dichterbij.

 Wat ze in zich droeg, rust rood als in watten  gedoopt

 op tafel. De slagader klopt in haar lies. De stift

 likt haar lippen. Deze kamer kent geen buiten.’

 

In de weinig zachtzinnige aanvangscyclus zit, onder de titel ‘Moedervlek’, meteen ook een veelzeggende assonantie met De bloedplek, Demets’ vorige bundel. Daar deed het woord ‘bloedplek’ mij  toen qua klankkleur aan ‘broedplek’ denken.

De vader dan! Een gezinshoofd kun je hem niet noemen. Hij is verworden tot een vage, naamloze schim die gedwee naar de pijpen van zijn vrouw danst binnen de omtraliede ruimte van een gezin, waaruit niet te ontsnappen valt en waarin de ik, bedolven onder het gewicht van zijn moeder, onfortuinlijk naar adem snakken moet: ‘Ik ben met pik en al / in haar patroon gestikt.

Hoe anders gaat het eraan toe in het tweede gezin dat Demets schetst, dat waarvan de zoon inmiddels zelf vader geworden is. Hij lijkt daarin een herhaling van vroegere ervaringen te willen voorkomen, bindt de strijd aan met zijn bezwarende herinneringen. De broze binding die hij nastreeft, is er een van vereniging en omarming, niet van gevangenschap of kneveltouw.

Alles rijmt op alles in deze hecht doortimmerde bundel met een doorgaans strakke strofevorming. De vele binnenrijmen en herhalingen zorgen voor een hechte samenhang. Demets steekt van wal met een cyclus van zeven gedichten onder de titel ‘Moedervlek’. Dat woord roept natuurlijk een associatie met het levensbegin op, de plaats waar zijn personage een identiteit moest zien te krijgen. Maar altijd, ook waar zijn wereld zich tot ver buiten het gezin verbreedt, is er die spanning tussen verbondenheid en ontbinding, tussen toenadering en afscheiding, tussen een ego dat in zijn confrontatie met dat van een ander naar zijn eigenheid op zoek is. Ook daar zit hem de knoop. Hak je die door of laat je jezelf erdoor binden? De continue interactie met medemensen, ook met migranten, maakt de ik tot wat hij is: iemand waarin veel vreemden huizen die  bewijzen dat een mens altijd ten onrechte vermoedt dat hij uitsluitend uit zichzelf bestaat. Demets bedient zich − hij is niet voor niets plattelandsdichter van Oost-Vlaanderen − van veel natuurbeelden. Zo grijpt er  in de laatste cycli, een ontwikkeling van larve tot vlinder plaats. De hele bundel kun je lezen als het wordingsproces van een dichter die zich het vliegen wil eigen maken, maar zich tegelijk realiseert dat hij aan de grond blijft gekleefd. Dat roept vragen op. Wat is van onszelf en wat van een ander? Hoeveel anderen kunnen wij toelaten in onszelf als wij onszelf willen blijven? Hoeveel van buiten ons is daarvoor nodig en hoeveel van wat zich bij de geboorte al binnen ons heeft gevestigd?

De dichter legt er, mede aan de hand van citaten van postmoderne filosofen als Deleuze en Kristeva, de nadruk op dat iets als een eigen identiteit misschien nooit zal bestaan, evenmin als geest vol cohesie en harmonie. Alleen door middel van vermomming kan men zich in zijn wereld enigszins overeind houden. De mens is en blijft een ‘nomade’ (titel in deel II), op zoek naar een ‘monade’ (anagram van ‘monade’ en titel van deel I). Een monade is in de filosofie een ondeelbare eenheid. Het is de mens eigen daarnaar te snakken. Dat doet ook de ik-figuur hier heel intensief, maar tegelijk vruchteloos. De conclusie is dat iedereen een nomade blijft die het huis niet vindt waarvan hij had gehoopt dat het hem als een huid zou passen. Hij slaagt er niet in zich te vestigen en een leefbare identiteit te verwerven. Hij is en blijft te midden van zijn medereizigers een ‘eigenheimer’ − zie de titel van de slotcyclus. Hij ligt met zichzelf in de knoop. Een citaat van Julia Kristeva resumeert het perfect: ‘L’ étranger nous habite.’ Dit klinkt als een variant op de bekende uitspraak van Rimbaud, overgenomen door Lacan: ‘Je est un autre.’ Nooit kom je daarmee thuis.

 

MOEDERVLEK

 

6

 

Haar armen in huid gehuld zijn doorzichtig.

Haar vingers verplichten mijn lippen tot een kus.

Op haar wenken. Haar tong drukt mij

uit. Speeksel heeft haar mond op mijn wang

 

nooit bezegeld. Handen tasten als een vreemde

af. Ze kleedt zich op om niets bloot

te geven. Schoorvoetend past ze haar schoenen.

Tegen het raam een klap. Stof en veertjes

 

blijven kleven. Het liefst, zegt ze, zou die

zijn beeld achterna zijn gevlogen.

In  het raam slaat ze mijn blik af. Het wit

van de kamer, het woedend wit van haar ogen.

 

Paul Demets

 

_________________

PAUL DEMETS

De klaverknoop

De Bezige Bij, 74 blz., 19,99 euro.

 

AANTAL STERREN:

****

 

 

Resencie: Huub Beurskens. Gedurig nader (Resensent: Luuk Gruwez)

Wednesday, December 26th, 2018

Van schijn en wezen: Gedurig nader

Resensent: Luuk Gruwez

Van bij de aanvang van zijn nieuwe bundel is de toon gezet en heeft Huub Beurskens zijn keuze gemaakt. Hij bepaalt zijn positie in confrontatie met een stichtelijk embleem van Jan Luyken uit 1711 dat ‘Gedurig nader’ is getiteld. Gedurig nader: zo luidt ook de titel van zijn bundel. Maar Beurskens bedoelt daar iets heel anders mee dan Luyken. Voor de laatste impliceert het een voortdurend smachten naar een onvergankelijk hiernamaals, voor de eerste een omarming van een aards heden dat juist door eindigheid wordt gekenmerkt. Voor Beurskens is de wereld waar Luyken naar verlangt er alleen maar een van schijn en waan, wat niet noodzakelijk onheilzaam is. Het wezen van de echte wereld ligt evenwel in zijn tastbaarheid. Het is aan de dichter een modus vivendi te vinden in ons precaire bestaan. Zijn gedichten zijn daar een poging toe.

Beurskens zou niet ook een beeldend kunstenaar zijn wanneer hij in zijn fraai meanderende, van neologismen doorspekte verzen, die tegelijk op een klassieke leest zijn geschoeid, geen oog had voor het produceren van beelden. Ten tijde van Jan Luyken was dit voor strikte protestanten een heikele aangelegenheid. Ook Cornelia Bosman, de vrouw met wie hij getrouwd was, verbood hem vanuit haar geloof nog langer iets af te beelden. Luyken volgde haar in haar oekaze en werd diaken. Er zijn geen schilderijen meer van hem bekend van na zijn veertigste. Hoe anders gaat het er bij Beurskens aan toe. Hij zweert juist bij de exuberantie van de verbeelding, laat die ongelimiteerd tot zijn verzen toe. Dat een mateloos genietend figuurtje van Goya op het voorplat van de bundel afgebeeld staat, is geen toeval. Beurskens dolt met de taal. Een heidens schrijfplezier spat van zijn poëzie af. In een akte van ongeloof komt hij in opstand tegen een mogelijke God. Een zogezegd waardig afscheid met samenzang rond urne of kist is niet aan hem besteed. Zo ziet hij zijn einde:

‘(…) Mocht het mij treffen wil ik mijn strot

 (…) rauw schreeuwen, van God los en s.v.p. alleen,

 waarbij ik alle porselein dat ik in handen krijgen kan

 tegen de muren zal keilen in mijn nonsjoel,

 onkerk of nikspagode, stijf kutwijf, klotedood!’

Houdt zo’n vitalistische houding in dat de wereld die hier wordt geschetst er een van rozengeur en maneschijn is? Welnee. De dichter zit herhaaldelijk op de wip tussen de mogelijkheid om met al zijn zintuigen het bestaan te omhelzen en de angst die steeds weer de kop opsteekt. In het gedicht ‘Erfgoed’ luidt het zo: ‘Die angst/ om niet meer te bestaan, waar kwam die toch vandaan?’ Want misschien, denkt hij, is het feit dat je bij de dood helemaal verdwijnt een illusie. Niets vergaat, maar alles transformeert in iets anders: ‘Geen wezen kan tot/ niets vervallen (…)’. Het is waar dat geen enkel ik heel lang ik kan zeggen, maar onze cellen blijven wel ononderbroken muteren. Wij zijn met zijn allen erfgoed van erfgoed dat ons is voorgegaan. De dichterlijke aandacht gaat niet enkel uit naar het vergankelijke. Want dat is niet wat het lijkt: het is veeleer veranderlijk. Er vindt alleen een metamorfose plaats: iets als die tussen rups en vlinder. Daar hoeven wij niet bang voor te zijn, al is het waar dat wij geen herinnering bewaren aan wat wij ooit zijn geweest.

Toch is deze poëzie, evenmin als kunst, de ultieme truc om het tijdelijke te vereeuwigen. ‘Alle kunsten worden antiquiteiten voor hooguit eeuwen,’ staat er. En verder: ‘Fijn wel dat om dit ook/ echt te zien de maker geen tijd is gegeven.’ Met andere woorden: het is voor een kunstenaar soms goed dat de schijn niet wordt doorgeprikt zodat hij kan geloven dat zijn kunst blijft. En het is een zegen dat geen enkele maker zo oud wordt dat hij er getuige van kan zijn voor hoe lang zijn kunst maar mag overleven. Namelijk tot die uiteindelijk zelfs geen antiekwaarde meer heeft. Het maakt de dichter wel vaker ‘als een kind zo bang’ dat alles vergaat, zelfs de zon: ja, ook die. Het montert de dichter niet op dit allemaal te weten. Hij mag dan wel veel weten, maar hij is bij nader inzien geen  onvoorwaardelijk liefhebber van kennis. Laat de wereld zoals hij is maar betijen, lijkt hij te stellen, zonder dat wij er te veel angstaanjagend inzicht in krijgen.

In een van zijn opvallendste gedichten, het voorlaatste van de bundel, beschrijft Beurskens hoe hij tegen de avond ‘een knar van ver in de tachtig’ bij een oude eik ziet staan klungelen met een touw, waardoor hij ontsteld aanneemt dat hier een verhanging op til is. Maar in de laatste strofe blijkt het om iets heel anders te gaan: ‘…Verdomme, daar hoorde ik de hoogbejaarde kraaien/ en zag ik hem hoog schommelen onder de eik! Dat wou/ ik ook! Niks indommelen of broekkakken, geen gezeik (…)’. De dichter is afgunstig op het personage dat hij beschrijft en dat aan het schommelende figuurtje van Goya op de kaft refereert: net als hij wil hij kraaiend van plezier in een schommelstoel gaan hangen. Maar dan volgt nog een slotgedicht waaruit blijkt dat hij eigenlijk niet goed weet wat hij op het einde aan moet met ‘het inzicht dat alle zin waan is.’ Hij laat ook de lezer in het ongewisse achter.

_________________________

HUUB BEURSKENS

Gedurig nader

Koppernik, 55 blz., 16,50 euro.

AANTAL STERREN:

****

MIJN ONVERLAAT

Ik heb een engel geloof ik bij me binnen,

nu eens beloken stil, dan vergeet ik hem,

dan weer voel ik zijn gefladder beginnen

in mijn darmen, hem mijn hart met klem

omarmen, ruisen in mijn oren, in een kies

of knook pulseren. Werd hij door een God

gezonden? Uit zijn antwoorden valt niets

te leren: nu eens stijgt hij tot hoogst genot

op in mijn lid, waarna hij wreed weer zit

te wringen in mijn heupgewricht. Kadee,

linkmiegel die telkens weten laat dat dit

mijn ik zijn leven is. Het is geen duivel, nee,

die kan ik missen. Alleen weet ik niet of

ik hem wel zo mag: hang zo van hem af.

Huub Beurskens

Luuk Gruwez. Recensie: als werden wij ergens ontboden (Miriam Van hee)

Sunday, November 12th, 2017

als werden wij eregns ontbodem

STILLEVENS DOEN BEWEGEN

 

Miriam Van hee heeft veel talent voor eenzaamheid. Die inspireert haar en doet haar scherper kijken, niet afgeleid door een medemens. Niet dat zij niet begaafd in samen zou zijn. Samen wandelen, bijvoorbeeld, wijn drinken, deelnemen aan een vertaalworkshop, reizen en nog zoveel meer: daar wordt net zo goed groot enthousiasme voor opgebracht. In alsof wij ergens ontboden werden, haar nieuwste, staan dan ook zowel gedichten die vanuit isolement zijn geschreven, als andere die de weerslag van een grote verbondenheid zijn. Samenkomst en afscheid zijn in gelijke mate aanwezig. Wat die eerste categorie betreft, is de slotcyclus, ‘Lente in Käsmu’, een van de hoogtepunten. Käsmu in Estland: zij verbleef er in een schrijversresidentie. Alleen. Meer van haar gedichten zijn in zo’n residentie ontstaan. Ook op de eilanden Comacina of Texel. Altijd tovert Van hee daarin erg filmische beelden op het netvlies van de lezer. Zij ontpopt zich als een bijzonder sensitief en geraffineerd waarnemer. Zo ook in het gedicht ‘de weekendtrein naar Volchovstroj’: ‘in strepen licht trekt het groen voorbij met vlekken/ van seringen, een gordijn van berkenstammen/ als in droomlandschappen, mensen stappen op met appelbomen en tomatenplanten en / (…)/ op zondagavond keren zij bezweet terug met/ rugzakken en thermosflessen (…)’ .

Kijken is al van bij het motto van Robert Walser het bindmiddel van deze poëzie: ‘Je hoeft niet veel bijzonders te zien. Je ziet zo al veel.’ Het zal inderdaad gaan over de blik en over hoe die tot poëzie kan leiden. Van hee wil alles wat zij ziet, ook al dringt het zich niet erg op, redden uit de klauwen van de vergetelheid door het te beschrijven. Zij legt de dingen die haar omringen een soort verplichte democratie op, weigert ze onder te brengen in een hiërarchie waarin het ene op meer voorrechten aanspraak zou mogen maken dan het andere. Het is de kracht van haar woorden dat zij alledaagsheid minutieus weten te registreren, waardoor die alsnog heel bijzonder wordt, precies omdat de dichter die zij is die misschien vaker dan een doorsneemens als dusdanig ervaart. Het landschap bevat van zichzelf al voldoende dramatiek om zoiets te wettigen. Soms sluipt er ook tragiek in. In het gedicht ‘Koekoek’ doen de dennen haar aan de hoop en de wanhoop in concentratiekampen denken.

Wat opvalt is dat Miriam Van hee vaak indrukken collectioneert door zich te verplaatsen. Het kijken, haar leidmotief, is gelieerd aan haar immense, aan Wanderlust grenzende mobiliteit. Als vanzelf valt daardoor de nadruk op plekken van vertrek en aankomst, afscheid en bestemming, plekken in binnen- en buitenland. In ook daar valt het licht, haar vorige bundel, ging al veel aandacht naar precies dat licht dat de dingen op een speciale manier onthult. Het lijkt wel of zij zich met het zonlicht wil meten. Net als dat laatste zorgt zij ervoor dat dingen zichtbaar worden, maar dan in woorden. Poëzie is een vorm van belichting. Al dan niet bewust wordt gepleit voor een voortbestaan dat door de subtiliteit van het kijken mogelijk moet worden gemaakt. Het verleent dit werk een grotere affiniteit met de schilderkunst dan met de muziek. Maar stillevens zijn haar gedichten niet. Of misschien toch? Stillevens, die, als je maar secuur genoeg kijkt, door de dichter in beweging worden gezet.

Het gaat evenwel om meer dan enkel registratie. In een gedicht als ‘Reis en bestemming’ voegt zij interpretatie toe aan wat zij zo intensief waarneemt. Overal zoekt zij ‘aanknopingspunten’. Bijvoorbeeld als zij het over vogels heeft die op draden met elkaar aan het overleggen zijn en op een teken zitten te wachten om gezamenlijk op te vliegen. Mens en dier krijgen gelijkwaardige aandacht. Misschien benijdt zij hun bestaan omdat dit zoveel vanzelfsprekender dan dat van mensen lijkt: ‘(…) we gissen naar betekenis,/ zij niet en wij vergissen ons (…)’. Er zit in dieren een rustige vastheid die mensen doorgaans vreemd is en die hen immuun maakt voor de wind die de menselijke soort zo vaak ‘huilend doet verlangen’. Interpreteren wat zij ziet: Van hee kijkt daartoe meermalen door een raam. Zij wil de werkelijkheid namelijk omkaderen om haar beheersbaar te maken. Daardoor lijkt het wel alsof zij wil voorkomen dat alles wat zich buiten die raamlijst bevindt, haar gemoedsrust in de weg staat. Ramen zijn er om zich met uitzicht te vullen. Daarbuiten heerst de verlatenheid. Tijdens een wandeling met de geliefde, gaat er op een bepaald ogenblik dreiging uit van de natuur. In de wolken is een donkere grot te zien, mogelijk een metafoor voor de wenkende dood. ‘als werden/ wij ergens ontboden’ schrijft Van hee. Maar voorlopig slagen de ik en haar geliefde erin, solidair met elkaar, weerstand te bieden: ‘het was nog te vroeg’.

De dichter weegt het verre en het dichtbije nauwkeurig tegen elkaar af. Zij doet voortdurend aan positiebepaling, definieert als het ware haar identiteit binnen de grenzen van haar entourage. Dit staat er: ‘gebogen/ over de kaart om te zien waar we waren’. Voortdurend is zij onderweg. Wanneer zij in het gezelschap van een ander is, schept dit een band die erop gericht is de afstand te verkleinen: ‘we voelden ons verbonden/ alsof we wijn gedronken hadden (…)’. Die verbondenheid wil zij ook delen met haar lezer. In wat misschien haar beste bundel tot dusver is.

 _______________________

MIRIAM VAN HEE

als werden wij ergens ontboden

De Bezige Bij, 72 blz., 18,99 euro.

AANTAL STERREN:

****

 

Luuk Gruwez. Recensie: Leger (Mieke van Zonneveld)

Tuesday, August 8th, 2017

WAAROM WIJ ONZE VACHT VERLOREN ZIJN

 

In Leger, haar poëziedebuut, neemt Mieke van Zonneveld (°1989) al meteen de taak op zich de wortels en de bestemming van haar hele bestaan af te tasten. Zijzelf of wie voor haar dichterlijke ik moet doorgaan (het is verleidelijk om dit onderscheid niet te maken) doet dat met het mes op de keel, of beter met het infuus in haar lijf. Hoe jong die ik namelijk ook is, hij/zij bevindt zich in de wurggreep van de dood. Het lijf is in een duel gewikkeld met wat heel expliciet ‘acute promyelocytenleukemie’ wordt genoemd. Het gaat om een ziekte als een gevangenschap en het is zaak daar, bewaakt door een ‘leger’ vijandige cellen, alsnog uit te ontsnappen. Het laatste gedicht heet dan ook ‘Desertie’. De vraag is of er erg veel verschil is tussen een lichaam dat nog niet door ziekte is belaagd of inmiddels genezen is en een lichaam dat zich ondanks de genezing net zo goed gekluisterd voelt. En of het na die genezing − tweede betekenis van de titel − daardoor niet ‘leger’ wordt. Blijft men niet ongeneeslijk? Een vanwege de herhaling nogal criant, maar tegelijk enigszins gelaten citaat van Ramses Shaffy leidt de bundel in: ‘Maar we leven nog, maar we leven nog./ (…) / We leven nog, en niet zeuren.’ Zeuren doet Van Zonneveld allerminst. Ze laat alleen zien dat de mens, gezond of niet, door zijn lichaam gegijzeld wordt. Ze vraagt zich af waarom wij het zo weinig voor het zeggen hebben, waarom mensen in tegenstelling tot sommige collega-zoogdieren niet kunnen profiteren van de geborgenheid van een vacht, hoe het komt dat haast niemand in zijn lichaam past. Er waakt over elk van ons, zo schijnt ze te denken, en over alles wat wij zijn een cipier die wij de ene keer omhelzen en de andere keer verfoeien.

Ik kan mij niet ontdoen van de indruk dat het instrument daartoe in de wereld van Van Zonneveld onder meer de religie van de kinderjaren is. Haar God raakt zijn hoofdletter maar niet kwijt, laat zich de deur niet wijzen, is zelfs present in zijn afwezigheid, dicteert wat mag en wat niet, bepaalt de grenzen van goed en kwaad, markeert de voorwaarden van elk lichamelijk genot en staat te dreigen met zijn toorn. Er treedt, als diens mogelijke vertegenwoordiger op aarde, een vaderfiguur op die heel sterk zijn overtuiging wil doordrukken dat alle kwaad van begeerte afkomstig is.  Van Zonneveld is het daar aanvankelijk niet oneens mee: ‘Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het / kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het / te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me uitgebraakt.’ Hoewel er een zeker schuldbesef aan haar ziekte kleeft, toch komt zij op een bepaald moment in de bundel gedecideerd in opstand tegen dit vaderlijke dictaat en laat zij geliefden ruim tot haar leefwereld toe, zich ervan bewust dat ziekte lang genoeg een concentratie van gemiste min heeft opgeleverd. Dit vereist een breuk met het verleden die zich in deze bundel overigens in hoge mate laat voeden met het idioom van de christelijke en de antieke cultuur. Het aanvangsgedicht van de bundel zet al de toon. Het gedicht gaat over Babel, de stad die in het Oude Testament staat voor het centrum van de spraakverwarring, geen ontoepasselijke metafoor in een dichtbundel waarin de dichter zich middels de taal een identiteit probeert aan te meten. Omringd door ziekte. ‘Tussen levenslust en doodsdrift / hurkt een uitgemergeld meisje. / Voed haar of dood haar.’, staat er verderop te lezen. Maar zij weigert nog langer te gehoorzamen aan een ziekte die haar onbeholpen en afhankelijk maakt en haar reduceert tot een aangelijnd hondje. De vraag is of dit refuus haar zoveel gelukkiger maakt. Zij heeft dan wel het geloof in een God ingeruild voor de ‘plakkerige afgod’ die vrijheid heet, maar die is ‘een deken die haar niet werkelijk bedekt’. ‘Ik mis U’, zo spreekt zij haar oude God aan, ‘en dat is het. Te worden aangeraakt. Te worden opgewekt.’ En weer is er dat besef: hoe komt het toch dat wij, mensen, het zonder vacht moeten stellen?

Niet alle gedichten die naar de hellenistische en christelijke wereld verwijzen, zijn even helder. Het mysteriegehalte van Van Zonnevelds poëzie is soms groot, maar net zo goed lezen wij keelsnoerend heldere gedichten over de ziekte waarmee zij heeft gekampt. Een ervan heet ‘Nee’. Het behoort tot de mooiste poëzie die ik het afgelopen decennium gelezen heb. De titel alleen al verwijst naar de weigering nog langer voetstoots het dagelijkse te accepteren dat haar aangeboden wordt. Misschien omdat de ik die zij ten tonele voert niet zomaar beaat is van haar herwonnen gezondheid. De vraag is namelijk wat verkieslijker is, het gezonde lijf of dit dat tot een ongewilde veldslag wordt gedwongen? Typerend hiervoor zijn deze verzen: ‘Want toen ik dagelijks achtentwintig / pillen slikte, sliep aan een infuus / en douchte onder toezicht / (…) / was ik niet zo ziek als nu.’ Niet altijd laat men zich zijn ziekte afnemen. Want zij betekent ook identiteit. Dit is hoe dan ook poëzie die op zoek naar een aankleding gaat. Het is moedig van Van Zonneveld dat zij dat in dit tijdsgewricht klaarspeelt door eigenzinnig en overvloedig gebruik te maken van culturele referenties waarop weinigen nog een beroep doen zonder dat zij aan eigentijdsheid inboet. In een bundel die misschien wel het beste debuut sinds jaren is.

.

Nee

 

Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand

die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben

niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je

vies geworden, overal ligt zand. Ik werd lamlendig

wakker. Op  al mijn wegen nooit één teken maar

in dromen worden ze bij menigtes gegeven.

Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en

zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel

de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug

verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

.

Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te

temmen, het joeg me op, beloofde me een weelderig

bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het

kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het

te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me

uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede,

geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld

nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar

tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij

nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

.

© Mieke van Zonneveld / 2017

 

_______________________________________

MIEKE VAN ZONNEVELD

Leger

De Bezige Bij, 61 blz., 16,99 euro.

AANTAL STERREN:

****

 

Luuk Gruwez. Resencie: New Romantics (Michaël Vandebril)

Tuesday, December 13th, 2016

tumblr_o6wl3wmrbk1tgywyso1_1280

Een Ik Bestaand Uit Vele Anderen

De auteur: Dichter die in 2013 de Herman De Coninck Debuutprijs in de wacht sleepte en een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs verwierf.

Het boek: ‘Poëzie zal romantisch zijn of zal niet zijn,’ lezen wij op de achterflap. En ja: Vandebril zet het begrip romantiek naar zijn hand in wat soms een persiflage van een persiflage lijkt.

ONS OORDEEL: Gedichten die deel uitmaken van een doordacht concept dat sommigen misschien te gekunsteld zullen vinden en anderen juist zullen weten te waarderen.

Er is een zin van de helaas bijna vergeten Nederlandse romancier J. Van Oudshoorn die ik vaker citeer omdat hij zo typisch is voor wie zichzelf schrijvenderwijs wil ontplooien: ‘Alle anderen had hij kunnen zijn, alleen zichzelve niet.’ Op Michaël Vandebril is die zin bij uitstek van toepassing: hij is de dubbelganger van een dubbelganger. Of misschien net niet. In een recent nummer van Staalkaart schrijft hij namelijk: ‘Wat is echt en wat is schijn, het is een wederkerend thema in de filosofie en de kunst, maar ook in de politiek of de economie. De mens heeft onweerlegbaar een drang naar authenticiteit, naar oprechtheid. (…) Echtheid was ook een van de streefdoelen van de historische romantiek.’ Het zou dus kunnen dat deze dichter zijn poses net zo echt vindt als wat anderen daar doorgaans onder verstaan: het tegenovergestelde. Misschien is die vermeende echtheid in zijn ogen evenzeer een constructie. Wel koketteert Vandebril naar hartenlust met zijn ‘romantische’ poses, al meteen in een eerste cyclus die ‘Vijf pozes’ heet. Of nog eerder: op het voorplat van zijn bundel waarin hij poseert als een dandy met een pruik vol pijpenkrullen en een hemd met een overdaad aan ruches. Hij schaamt zich er niet voor om wat zijn poëzie al in extreme mate ademt, nog eens te intensiveren in de grafische vormgeving.

Centraal staat bij hem dan ook de vraag wat kitsch en wat romantiek is, wat schijn en wat werkelijkheid. En ja dus: wat leugen en wat oprechtheid is, wat pose en wat echtheid. De dichter stapt niet op onder een vlag als ‘de nieuwe romantiek’, maar onder de Engelse term ‘New Romantics’. Dit insinueert dat hij niet kiest voor een poëzie die alleen maar een neoversie van een neoversie en nog eens een neoversie van de historische romantiek is, maar dat hij bijvoorbeeld de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft gekend en de Engelse generatie van de new romantics: lustig doet hij aan kruisbestuiving tussen uiteenlopende tijdperken en  diverse iconen uit  de wereld van de literatuur met onder meer de synthpop van de jaren tachtig. Maurice Gilliams en David Bowie, Duran Duran en Rainer Maria Rilke, Brian Eno en Jean Cocteau: allen zijn zij bien étonnés de se trouver ensemble. Vandebril heeft de enigszins antieke neiging zichzelf als een gepokt en gemazeld narcist te zoeken in een spiegel. ‘in de spiegel ben ik dichter/ dan in werkelijkheid,’ dicht hij. Daartegenover staat dat hij zich blijkbaar graag bedient van een citaat waarmee hij zijn potentiële critici voor wil zijn. Het is van Cocteau: ‘Ne faites jamais confiance aux miroirs,/ ils vous montrent toujours à l’envers.’ Citeren doet hij trouwens onophoudelijk: pose heeft haast per definitie citeerdwang nodig. Maar natuurlijk is het wel discutabel dat hij de lezer in zijn afsluitende notities instructies oplegt over de manier waarop hij de al dan niet imaginaire soundtrack bij deze gedichten moet lezen: ‘To Be Played At Maximum Volume (While Reading).’ Waarna, per gedicht, de namen volgen van Simple Minds, Kraftwerk, Ultravox, e.a. (Eén bedenking: zou hij ook voeling hebben met een zangeres als Taylor Swift en haar song die evenals zijn eigen bundel ‘New Romantics’ heet?)

Men kan bezwaar maken tegen al dit geposeer, dat na-apen van het na-apen. Niettemin gaat het ook om poëzie die wordt gevoed door een epoque in de jeugd van de dichter en om een poging uit alles wat zich ooit op literaire, muzikale of artistieke wijze aan hem heeft voorgedaan een soort synthese te destilleren waarin hij zich op eclectische wijze kan vinden. Eigenlijk wordt hier een ouderwetse queeste naar identiteit ondernomen. ‘mijn naam is michaël’ schrijft hij her en der in zijn bundel, alsof hij de lezer toch wil herinneren aan zijn burgerlijke status. Hij voert zichzelf op verschillende leeftijden verifieerbaar ten tonele. ‘ik werd vijf in 1977’, lezen wij.  Of nog: ‘ik werd negen in 1981’. Al omschrijft hij ook dit feit als zijn ‘mooiste schijnbeweging’. De dood dan maar als ultieme ernst? Welnee, ook die behoort maar tot een acteerprestatie: ‘(wij) zetten onze/ dood in scène’. Wat mag daar de oorzaak van zijn, vraag je je als lezer af en je hebt de neiging te denken dat de dichter een egelstelling inneemt omdat hij geen bijzondere fiducie in zijn medemens heeft: ‘ik heb genoeg/ aan een handdruk/ (…) om te weten/ (een mens liegt/ (…)/ zes keer per dag)/ hoe laat het is’. Nogmaals: de pose is de werkelijkheid, niet de biografie van een verjarend lijf. Vandebril wil zichzelf verwekken, blijkt uit één gedicht. Zo raakt hij zichzelf niet kwijt.

Er is in deze poëzie veel dat naar koude en naar ondoordringbaarheid verwijst: beelden van koudbloedigen als hagedissen, afgekoelde lippen. Beelden van  glas, steen, edelgesteente, ijzer. Maar in de laatste twee cycli lijkt het of er een doorbraak plaatsvindt: naar de anderen toe en weg van het verloren paradijs en de eigen plek. Vandebril onderneemt een reis langs diverse steden, van Belgrado tot Istanbul, in wat hij zijn ‘Grand Tour’ noemt. En weer legitimeert hij zijn onderneming met een citaat, dit keer van Rilke: ‘Um eines Verses willen muβ man viele Städte sehen’. Een dichter op zoek naar iets anders dan zijn identiteit, namelijk naar zijn gedicht? Of valt zijn gedicht juist samen met zijn identiteit?  En wordt niet alles ondergraven door dit ene besef: ‘overal waar ik kom is een dichter/ me voor geweest’?

 

VERLOREN PARADIJS

 

toen ik hier wegging had ik alles

maar nu kom ik met lege handen

.

naar deze aardkloot van afval en glas

geen vissen geen vogels enkel stilte

.

die elk oor verdooft onze verlaten

huizen staan te blinken in de helle zon

.

op deze plek spleten wij de vrucht

en aten ons vol weldadige warmte

.

toen hoorden wij een stem van bliksem

en verstopten ons waar bedelaars

.

en zwervers zich verschuilen vuil

en onbeschermd tegen het vlammend

.

geweld dat als een zondige wolk

in onze volnaakte lichamen sluipt

.

toen ik hier vertrok had ik alles

en aan u toon ik mijn lege handen

.

Michaël Vandebril

 

____________________

MICHAËL VANDEBRIL

New Romantics

Polis, 64 blz., 19,95 euro.

AANTAL STERREN:

***