Posts Tagged ‘Luuk Gruwez’

Luuk Gruwez. De laatste der Azteken

Friday, February 3rd, 2012

Erik Spinoy

Deze bespreking van het gedichtendagessay 2012 van de hand van Erik Spinoy verscheen eerder al in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. DE LAATSTE DER AZTEKEN

Het zijn barre tijden voor het genre poëzie. Dreigt de teloorgang? Volgens Erik Spinoy, schrijver van ‘As/zteken’, het jongste gedichtendagessay, is die allerminst ondenkbaar: ‘Poëzie is in Nibelungenachtige nevelen ontstaan. Poëzie zal dus, in een toxische apocalyps, beslist ook een keer verdwijnen. Volgens sommigen ligt dat moment (…) misschien niet eens meer zó ver van ons vandaan.’ Ook dit staat er: ‘De nakende verdwijning of op zijn minst de complete marginalisering van de poëzie valt niet uit te sluiten.’ Poëzie is inderdaad zijn maatschappelijke prestige kwijt en krijgt nauwelijks nog aandacht op scholen, in kranten en weekbladen.

De auteur buigt zich al in het tweede van zijn eenentwintig korte hoofdstukjes over de wisselende waarde die men aan een auteur toekent tot er uiteindelijk iets als een consensus ontstaat. Hij vernoemt daarbij Louis Paul Boon als schoolvoorbeeld. ‘Eén oordeel is het dominante geworden,’ schrijft hij. Wie daarvan probeert af te wijken dreigt zich te excommuniceren, ook al is geen enkele consensus zaligmakend. De geschiedenis van de poëzie is in hoge mate een van dichters die in tegengestelde discoursen het gelijk aan hun kant proberen te krijgen. Herman de Coninck (over wie hier wordt beweerd dat hij aan het eind van de twintigste eeuw als geen ander de Vlaamse poëzie naar zijn beeld en gelijkenis heeft geboetseerd) eigent zich op deze wijze het nieuw-realisme toe, net zoals Spinoy zelf dat in zekere zin met het postmodernisme doet door er juist afstand van te nemen. Postmodernist is hij eigenlijk in hoofdzaak door het feit dat hij zich tegen dat etiket afzet. Want wordt hij doorgaans als dusdanig omschreven, hij ziet zichzelf veeleer als een romanticus, in zijn definitie niet zozeer iemand die zweert bij de renovatie, maar bij de negatie, iemand die in opstand komt tegen het aangepaste en - zoals dat hier herhaaldelijk heet - ‘in het ongebondene gaat’. ‘Met de romantiek is iets fundamenteels in de poëzie voorgoed veranderd,’ schrijft hij. Het gaat hem hier niet zozeer om een historische stroming, maar om een proces van voortschrijdend inzicht. Hij adstrueert zijn stelling aan de hand van gedichten van Claus, Faverey, Dickinson en Gezelle.

Kon je de zogenaamde ‘postmodernen’ destijds misschien enig sektarisme aanwrijven, dan is  hier duidelijk dat Spinoy daar wars van is. Bovenal omschrijft hij poëzie als iets lichamelijks, als iets dat zich op het riskante af laat inspireren door onze diepste drift. De dichter is iemand die voor insubordinatie gaat, die zich ontdoet van de conventies waarnaar men hem probeert te kneden, het askruis van zijn voorhoofd wist en zich als een Azteek weigert te onderwerpen. Die nadruk op het lichamelijke leidt soms tot aardige constataties, bijvoorbeeld daar waar hij een affiniteit ziet tussen Gezelles gedicht ‘Ego Flos’ en het ‘Je t’aime moi non plus’ van Serge Gainsbourg. Ondanks diens reactionaire ideologie, ziet hij Gezelle als de ‘Gainsbourg van de neogotiek’. (Spinoy is een par keer niet vies van spitante, maar misschien wel ware beweringen. Bijvoorbeeld waar het om de tanende interesse van media en overheden voor poëzie gaat. Hij stelt vast dat de provincie West-Vlaanderen hierop een uitzonderig vormt en voegt daar kwansuis aan toe dat het daar is dat de bakermat van half dichtend Vlaanderen gelegen is.)

Al dreigt poëzie onmogelijk te worden, toch beweert de auteur dat ‘haar onmogelijkheidsvoorwaarde tegelijk haar mogelijkheidsvoorwaarde’ is. Of om het simpeler te stellen: uit het onmogelijke wordt het mogelijke geboren. Hij beëindigt zijn essay dan ook met een onversneden eloge aan de dichter, die laatste der Azteken: ‘Saluut daarom aan de dichter, aan zijn lezer: eeuwige Azteek, niet te stuiten zombie. Geest die niet uitgedreven raakt.’

Het is onmogelijk om dit rijke essay, dat nog over zoveel meer gaat, binnen een kort bestek als dit recht te doen. Een enkele keer klinkt het te wollig en te academisch en is het te frequent gelardeerd met termen uit het Engels, het Frans of het Duits. De titel klinkt bovendien wat geforceerd inventief. Maar voor de rest is het gedichtendagessay 2012 een ‘grand cru’ en bevat het een visie die uiterst verdedigbaar is en niets dan applaus verdient.

 

(Luuk Gruwez, 2012)

 

 

Luuk Gruwez. Tussen broedplaats en bloedplek

Monday, January 9th, 2012

DE SIRENE   In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Zijn recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Tussen broedplaats en bloedplek

Luuk Gruwez

Paul Demets (foto: Kristien Buyse)

Paul Demets (foto: Kristien Buyse)

Een klein decennium geleden is het dat Paul Demets, gerenommeerd recensent bij onder meer De Morgen en Cobra.be, ook als dichter nog iets van zich heeft laten horen. Hij deed dit toen met de bundel ‘Vrees voor het bloemstuk’, die zoals gebruikelijk bij een bibliofiele editie minder aandacht kreeg dan ‘De papegaaienziekte’, zijn debuut van enkele jaren daarvoor. Nu ligt hier eindelijk een opvolger: ‘De bloedplek’. Die titel staat een meervoudige duiding toe. Hij verwijst uiteraard naar leven, meer specifiek naar het menselijk lichaam als een soort huis van vlees waardoor bloedbanen lopen. Maar tegelijk, kun je stellen, refereert hij meer specifiek aan wat daarin gehavend is, aan de plek van een bloeduitstorting, aan bloedverlies of bloedvergieten, bijvoorbeeld. Het is zeer de vraag of hier niet in even grote mate naar de dood als naar het leven wordt verwezen. De bloedplek, is dat niet ook een naam die je zou kunnen bedenken voor een slachtpartij of op zijn minst, bijvoorbeeld, voor een plek waar iemand gewond is geraakt? De gedichten die voor ons liggen en die ondanks hun woelige toon veelal keurig gekleed gaan in een maatpak van kwatrijnen, zijn verspreid over vier afgelijnde cycli die al deze interpretaties ruimhartig toestaan.

Bovendien genereert het woord ‘bloedplek’ vanwege de assonantie ook een associatie met ‘broedplek’. En dat brengt ons inderdaad bij de essentie van deze bundel: de broedplek, een plek waar geboren wordt, blijkt in hoge mate een bloedplek te zijn, een plek die het einde in zich draagt. Heel opvallend wordt dit in de laatste, allicht meest dramatische cyclus van de bundel waarin de hoofdrolspeler telkens weer met ‘het’ wordt aangeduid. Wat is ‘het’? Wat heeft dat zo frequent voorkomend persoonlijk voornaamwoord hier te betekenen? ‘Het’: dat is voor mij in de allereerste plaats de lichamelijke incarnatie van de dreiging. En vooral iets dat zelf ongrijpbaar is, maar je voortdurend in zijn greep houdt. Het gaat, geloof ik, om een verwikkeling in de zwangerschap die er verantwoordelijk voor is dat een kind in de moederschoot, waarvan je normaal gesproken zou denken dat het iets als blijde verwachting oproept, gelijktijdig paniek zaait en uiteraard buiten zijn wil om terreur uitoefent. ‘Het’: dat is een kind dat in totale disharmonie met zijn moeder op zijn geboorte wacht, een wezen dat nog niet ‘ik’ kan zeggen en het precies daardoor - vanwege zijn ongedefinieerdheid - zo angstwekkend voor het zeggen heeft. ‘Het’: dat is een soort geliefd en tegelijk verafschuwd ding dat zijn wetten oplegt aan diegenen die het nochtans alleen uit liefde hebben gemaakt.

Wanneer kan iemand ‘ik’ zeggen? Deze kwestie kaart Demets ons al vanaf de eerste cyclus  aan. Hier geen ‘het’ dat het hoge woord voert, maar een ‘hij’. Voor de omschrijving van diens identiteit wordt zelfs een soort dubbelganger ingeschakeld als levend bewijsstuk van het feit dat niemand zich los van zijn sociale omgeving op rechtmatige wijze ‘ik’ kan noemen. ‘We zijn / hem niet, maar kennen hem. Alleen zijn naam ontbreekt (…),’ schrijft Demets. En verder: ‘Een lichaam sjouwen, in andermans schoenen staan, / tassen zwaar. Het schudt ons duchtig door elkaar.’ De dichter laat zijn personage enigszins getormenteerd flaneren in een wereld die alle sporen vertoont van onze westerse habitat en zijn nood aan onmiddellijke bevrediging. Het decor is er een van supermarkten, kapsalons, fitnesscentra en wat dies meer zij.

Paul Demets schrijft gedichten over kamers in de hoop die vervolgens te kunnen stapelen tot een soort toverslot waarop de tijd geen vat meer krijgt. Plekken zijn overigens uiterst betekenisvol in zijn poëzie. Titels van gedichten en van cycli versterken die indruk. ‘Horst’, ‘perimeter’, ‘bloedplek’, ‘lounge’, ‘doka’, ‘huls’: het zijn maar enkele termen die op plaatsbegrenzing wijzen. Zij helpen de dichter tot een definitie te komen van het personage dat hij opvoert, dat misschien zijn alter ego is en blootgesteld is aan wat in de Griekse tragedie ‘sparagmos’ heet: de fase waarin de held ervaart hoe zijn persoonlijkheid desintegreert. Het is maar een kleine stap van ‘hij’ naar ‘ik’. Elk ‘hij’ is een ‘ik’ en iedereen is in zekere zin iedereens dubbelganger. Soms misschien zelfs de dubbelganger van zichzelf. (Maar uitgerekend de supermarkt of een andere gedepersonaliseerde plek van dat genre, waar iedere consument verwisselbaar lijkt, is dit wel in extreme mate.) De vraag die Demets zich stelt, klinkt in een motto uit ‘De dubbelganger’ van Dostojevski als volgt: ‘Nu, hij is net zo iemand als jij (…) Nou, wat is daar voor ergs aan?’ Niets allicht, behalve dat elk persoonlijk leed ook wereldleed is. Vandaar dat er zoveel fluïdum heerst in de poëzie van Demets. En daarmee bedoel ik niet enkel bloed: alles vloeit, op welke manier dan ook, in alles over. ‘Ginds is hier,’ lezen wij ergens. De dichter dreigt in al dat fluïdum te verdrinken, maar het is ook de brandstof van zijn leven. Hij weet dat elke geboorte ongeneeslijkheid impliceert, maar spreekt in zijn slotgedicht toch enige lenteachtige hoop uit: ‘Het kwam, / het komt terug. Het brengt ons dagelijks voort.’

Dit zijn gedichten over het lijf. Soms lijkt het of zij er een putsch op willen plegen, er de plaats van willen innemen omdat het zelf niet sterk genoeg is om zich te redden. Op andere momenten lijken zij zich er uit zelfbehoud van te willen distantiëren. Maar doorgaans vindt er een duel plaats tussen hen en wat het lichaam zoal bedreigt. Ook gaan zij - dat is het andere belangrijke thema - tekeer tegen de onmogelijkheid om voor jezelf een definitie van je identiteit te formuleren als je niet eens weet waar die van de ene begint en die van de andere eindigt. Zoveel is zeker: elke identiteit is er een in functie van een context.

Er is een donkere kamer in het leven van Paul Demets. Het gaat hem zowel om een concrete locatie als om een metafoor. Daar is het dat het belangrijkste gevecht zich afspeelt en waar de vraag wordt gesteld of uit de duisternis ooit licht zal ontstaan. Het is de context van een bedreigd bestaan die deze dichter ertoe dwingt te voorkomen dat wie hem lief is zichzelf kwijtraakt en verwordt tot een ding dat je met niets anders meer kunt aanduiden dan met het het onpersoonlijk voornaamwoord ‘het’. Met inzet van al zijn dichterlijke troeven moet hij de geschiedenis van het lichaam neer zien te schrijven. Gelukkig heeft hij er daar niet weinig van.

 

Doka

Het zand in je navel, een ijsje in je hand.

Smelt het, dan zand erover. Strand vlakt uit.

Je noemt de wind een val, blaast hem aan

bovenhuids. Uit de zee doemt mist die jou

 

inkuilt in een glazen kist. IJsbloem in de zomer.

Doorzichtig bijna achter een raam met leeftocht staan.

Het licht te doorwaden met een lens. Tintelingen

in een figuur. Slaap je uit, schrik ik

 

van water, verzonken in een opgelicht donker.

Zo kom je in beeld. Daarbinnen ga ik in jouw

zwijgen op. Je ligt glashard in je huid.

Wat nu aan het zicht benomen is, ruist

 

achter een gordijn. Is een hand die zich opent,

sluit in die van mij. Een hand die afdrukt.

 

Dat het uitlekt mijn hand te zijn.

 

 

                          Paul Demets

 

 

__________________________

PAUL DEMETS

De bloedplek

De Bezige Bij, 64 blz., 16,50 euro

 

AANTAL STERREN:

**** 

                                                                                     

Luuk Gruwez. Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges

Tuesday, November 29th, 2011

 

Luuk Gruwez besprak de verzamelde gedichten van de Argentijn Jorge Luis Borges in een vertaling van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer. Zijn recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

NOG BEN IK, HOEWEL GEDEELTELIJK, BORGES

Vanaf de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw verwierf de reputatie van de Argentijn Jorge Luis Borges iets pontificaals, iets onbetwijfelbaars, hoewel het Nobelprijscomité jaar na jaar aan hem voorbijging. Inmiddels is die glorieperiode enigszins voorbij. Toch bewijst de editie van zijn verzamelde gedichten, vertaald door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer, dat hij met name in zijn hoedanigheid van dichter een van de indrukwekkendste schrijvers van zijn eeuw is geweest. Merkwaardig, omdat hij zijn allerbeste poëzie pas na zijn zestigste heeft geschreven, nadat hij als dichter al dertig jaar had gezwegen. Hij was toen al goeddeels blind, maar beschikte kennelijk over iets als een klare inwendige blik.

Borges is de dichter van de denkbeeldigheid. Hij is de man van de mogelijkheden, van wat hij zelf ‘things that might have been’ noemt. In zijn werk kent hij aan de droom een onschatbaar belang toe. Eén gedicht van zijn hand gaat over een man die het nogal megalomane plan opvat het heelal in letters te vatten en die, wanneer hij meent dat hij zijn taak heeft volbracht, omhoogkijkt en tot zijn schrik merkt dat hij domweg de maan over het hoofd heeft gezien.  Deze geschiedenis confronteert Borges met de vele hindernissen die zich voordoen voor wie de werkelijkheid in woorden wil vatten.

Allicht hebben enkele feiten sterk bijgedragen tot de incubatie van zijn schrijverschap. In Buenos Aires, zijn geboortestad, openbaarden zich twee totaal verschillende werelden aan hem: enerzijds de bibliotheek van zijn vader en anderzijds Palermo, wijk van messentrekkers. Daar is het dat hij het belang van moed begint in te zien. In zijn gedichten krijgen dappere militairen en vrijheidsstrijders uit zijn voorgeslacht een eminente rol. In hun voetsporen, beseft hij, zal hij nooit kunnen treden. Op school wordt hij gepest. Zijn vader, daarvan op de hoogte, voegt hem toe: ‘Laat ze weten dat je een man bent.’ De moed die hij gaat aankleven is evenwel van alternatieve aard: het is maar een literaire poging die het in zijn ogen niet kan halen van de moed omwille van de moed die van de messenvechters afstraalt.

Een van mijn lievelingsgedichten van Borges heet ‘Wroeging’. Het handelt over de discrepantie tussen leven en kunst. De dichter beseft tegen het eind van zijn bestaan dat hij te veel oog heeft gehad voor dat laatste en te weinig voor het leven dat hij als een cadeau van zijn ouders heeft meegekregen met de expliciete opdracht gelukkig te zijn. Borges realiseert zich maar al te goed dat zijn schrijven nooit zal kunnen opwegen tegen het leven. Ook al ontpopt hij zich als een auteur met een nauwelijks evenaarbare eruditie. Ook al probeert de blinde bibliothecaris die hij is met elk boek van zijn bibliotheek en met elk woord dat hij schrijft een gelukzalig paradijs te creëren. Tot dat andere paradijs, dat van het leven, krijgt hij maar geen toegang. Hij vindt dan ook dat hij het geschenk van het leven niet op de juiste manier gevalideerd heeft: ‘Ik heb de grootste van de zonden die er zijn/ bedreven. Ik was niet gelukkig.’

Toch rest hem niets anders dan een geslaagd schrijver te zijn ter compensatie van het feit dat hij een beschadigd mens is. Hij moet de vergetelheid - een van de sleutelwoorden in zijn oeuvre - te lijf, maar heeft daar onvoldoende wapens voor. Want ook dit is hier een van de klassieke thema’s: de spanning tussen eeuwigheid en vergetelheid. Wil hij overigens wel het gevecht met die laatste aanbinden? Hij schrijft namelijk ook dit: ‘Laat ons dankbaar zijn/ voor de vergetelheid en voor de wormen.’ Anderzijds blijkt hij tegen het eind van zijn leven te geloven dat alles eeuwig is. ‘Hoe kan een vrouw of een man of een kind sterven, die zoveel lentes en zoveel bladeren is geweest, zoveel boeken en zoveel vogels en zoveel ochtenden en nachten,’ schrijft hij in een prozagedicht voor een vriend. En verder: ‘(…) ik weet dat er op aarde niet één ding is dat sterfelijk is en niet zijn schaduw werpt. Vannacht heb jij, Abramowicz, gezegd dat wij de dood in moeten gaan als iemand die naar een feest gaat.’

Borges bedient zich in ‘Alle gedichten’ van een heel disparaat arsenaal: zowel vormvaste gedichten als breed uitdijende verzen krijgen een kans. Een speciale plaats is er in zijn oeuvre ingeruimd voor de milonga, zeg maar een zang die aan de basis van de tango heeft gelegen. Daarnaast verplaatst hij zich moeiteloos van de ene cultuur naar de andere en is hij bijzonder topografisch geïnspireerd. Aan talloze landen, streken, steden en dorpen wijdt hij een eloge, niet het minst aan Buenos Aires: een stad die voortdurend herkenning, maar in toenemende mate ook vervreemding oproept. Een plek die balanceert op de rand van bestaan en onbestaan, eigenlijk net als de dichter zelf, die zich afvraagt of de werkelijkheid geen schijn is en of dit mutatis mutandis ook niet geldt voor zijn eigen ik. ‘Nog ben ik, hoewel gedeeltelijk, Borges,’ stond in zijn prozaboek ‘De Zahir’ al te lezen. Al is dit niet voldoende, de dichter leeft in een bestaan dat noch min noch meer uit de hele cultuurgeschiedenis is opgetrokken.

Niet voor niets stelt hij zich het paradijs voor als een bibliotheek. ‘Na al die jaren,’ schrijft hij geheel terecht, ‘heb ik begrepen dat het mij niet gegeven is de magische cadans, de opmerkelijke metafoor, het tussenwerpsel, een goed opgebouwd boek of een werk van lange adem te beproeven. Mijn lot is de zogenaamde intellectuele poëzie.’ Toch affirmeert hij op zijn zeventigste voor de zoveelste keer dat hij niet over een esthetica beschikt. Elk onderwerp vereist zijn eigen esthetiek.

Hoewel ik doorgaans vind dat een dichter niet is gebaat bij iets als een exhaustieve verzameling van zijn gedichten, misschien zelfs een reus als Borges niet, kan ik voor het minutieuze werk van Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer alleen maar mijn hoed afnemen. Ook zij hebben zich hiermee op titanenhoogte gehesen.

____________________________

JORGE LUIS BORGES

Alle gedichten

vertaald door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer

De Bezige Bij, 59,90 euro

 

WROEGING

 

Ik heb de grootste van de zonden die er zijn

bedreven. Ik was niet gelukkig. Mogen

de gletsjers van het vergeten mij het ravijn

in sleuren, wissen, zonder mededogen.

Mijn ouders maakten mij voor het geduchte

maar wonderschone spel van het bestaan,

voor de aarde, het water, voor het vuur, de lucht.

Ik stelde hen teleur. Ik voldeed niet aan

hun jonge wil. Ik heb alleen geleefd

voor koppige symmetrieën van de kunst

die onbeduidendheden samenweeft.

Zij gaven me de moed. Ik heb die gunst

versmaad. Dit achtervolgt mij nog het meest:

ik ben een ongelukkig mens geweest.

 

Jorge Luis Borges

Luuk Gruwez. De zwarte prins

Tuesday, October 11th, 2011

Dit korte signalement verscheen eerder in De Standaard der Letteren. 

De swarte prins 

Jotie T'Hooft

Jotie T'Hooft

Je kunt Jotie ‘t Hooft bezwaarlijk miskend noemen. De objectiviteit gebiedt ons evenwel vast te stellen dat hij een middelmatig en in elk geval onvolgroeid dichter was, die bovendien met zijn moedertaal worstelde: al in de eerste strofe van het gedicht dat voorafgaat aan ik heb geen woorden meer getuigt daarvan een enorme grammaticale flater. Dat hij een memorabele cultfiguur is geworden, heeft dan ook alles met zijn dandyeske junkiebestaan en zijn sensationele dood te maken en maar weinig met zijn gedichten. Desondanks beschikte hij  over een zekere graad van poëtische hoogbegaafdheid. Zijn onvoldragen verzen weten op enkele (te) schaarse momenten te bedwelmen door hun incantorische karakter.

 Al is het niet echt te bewijzen, toch was Jotie T’ Hooft misschien de meest beloftevolle Vlaamse dichter van zijn generatie. Een strengere begeleiding en een fortuinlijker biografisch gesternte hadden er allicht voor kunnen zorgen dat zijn talent op de lange duur ook vruchten afwierp. Uiteraard zullen wij nooit weten in hoever hij, toen hij op 6 oktober 1977 in het Sint-Lucasziekenhuis van Assebroek aan een overdosis stierf, al niet het beste van zichzelf gegeven had.

Wat nu al enkele generaties lang blijft, is de zorgvuldig in stand gehouden mythe. Marie Lesy, veelgeprezen samensteller van het Verzameld Werk van Jotie T’ Hooft, dat vorig jaar boven de doopvont werd gehouden, zorgt thans voor een soort becommentarieerd fotoalbum dat een en al de sfeer van - vooral - de jaren zeventig van de vorige eeuw uitademt. Zij doet dat met een bewonderenswaardige precisie die aan liefde grenst, maar gelukkig aan de verblinding van de verliefdheid ontsnapt. Los van alle mogelijke overwegingen blijft T’ Hooft voor haar de Zwarte Prins. Zo’n rijk gestoffeerd, fraai vormgegeven album genereert natuurlijk een schat aan anekdotes die los van elkaar niet altijd even revelant zijn. Bij elkaar opgeteld vormen zij niettemin een samenhangend beeld van een leven dat, veel te snel geknakt, niet tot de voorgespiegelde grootte is kunnen uitgroeien.

___________________

MARIE LESY

‘ik heb geen woorden meer’

Jotie T’Hooft, een leven in beelden

De Bezige Bij Antwerpen, 24,95 euro

 

 

Luuk Gruwez. Waterdicht

Tuesday, September 6th, 2011
Lies van Gasse (1983), sinds haar eerder dit jaar verschenen bundel ‘Brak de waterdrager’ ongetwijfeld een van de meest beloftevolle Vlaamse dichters van haar generatie, heeft in Peter Theunynck (1960) een literaire compagnon de route gevonden. Hij is niet alleen bekend als dichter van onder meer ‘Naar een nieuw zeeland’, maar ook als de gedegen biograaf van Karel van de Woestijne. Het resultaat van beider onderlinge samenwerking is ‘Waterdicht’, een ‘graphic poem’, zijnde een soort beelddicht dat uit Engeland is overgewaaid en waarbij verzen in tekeningen of schilderijen worden geïncorporeerd. Van Gasse, ook beeldend kunstenaar, heeft in het genre vorig jaar al een proeve van bekwaamheid afgeleverd met ‘Sylvia’. Nu heeft zij het poëziedebuut van Theunynck ter hand genomen dat ook ‘Waterdicht’ heet, er de strofes van uit elkaar gerukt en onderdak geboden in een nieuwe, plastische context. 

Het motto dat voorafgaat aan dit Gesamtkunstwerk is van Shakespeare: ‘Wij zijn van dezelfde soort/ stof waaruit dromen gemaakt worden/ en ons korte leven is/ omringd met slaap.’ Het zet niet alleen de toon van het samenwerkingsverband, maar wil ook een indicatie zijn van de gezamenlijke queeste die Theunynck en Van Gasse in een verdroomde wereld ondernemen.  De dichter vat een heroïsche queeste aan, in casu een jacht op de walvis. Die zou in principe zijn prooi moeten zijn. Maar veeleer zijn de rollen aan het eind omgekeerd: zijn uitwendige zoektocht levert de dichter in toenemende mate een besef van innerlijke verlichting op: ‘Dan klimmen wij,/ balein na balein, veerkrachtig/ in het gewelf dat hemel heet.’
Van Gasse en Theunynck leveren hier samen een bundel af waarnaar je makkelijk teruggrijpt, die het mysterie oog houdt en de lezer blijft intrigeren, niet alleen vanwege visuele aantrekkelijkheid, maar ook doordat hij zoveel meer dan een plaatje bij een praatje te bieden heeft.      

______________________

LIES VAN GASSE & PETER
THEUNYNCK
WaterdichtWereldbibliotheek, 19,90 euro 
AANTAL STERREN:****(op vijf) 

 

Luuk Gruwez. De dichter als reparateur

Saturday, June 25th, 2011

DE SIRENE 

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel (oorspronkelijk Nederlands of in Nederlandse vertaling) die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

DE DICHTER ALS REPARATEUR

In zijn bundel met de intrigerende titel ‘Ezelskaakbeen’ voert Peter Ghyssaert zijn meest nabije familieleden op. Centraal staat vooral de vader, maar ook een gestorven zuster komt aan bod. En er is een bedwelmende cyclus die over een ziek dochtertje lijkt te gaan. De dichter draagt zijn bundel overigens op aan zijn dochter Eleonore. Eén constante valt alleszins op: hij rekent het zich als taak aan te focussen op het herstel van een contact dat door dood of ziekte verbroken is of verbroken dreigt te worden. Aan de orde is het in principe onherstelbare. Er heerst in deze verzen een voortdurende spanning tussen doofheid en muziek, tussen de duisternis van de dementie en de helderheid van het licht, tussen desintegratie en reconstructie. De dichter is een reparateur, die een naam moet geven aan het naamloze, opdat het zou kunnen bestaan.

In zijn knappe aanvangsgedicht ‘De strijkstok’ evoceert Ghyssaert, beroepshalve violist, de geschiedenis van een strijkstok. Hij schenkt niet alleen aandacht aan de herkomst ervan, het hout waaruit dat ding gesneden is, maar ook aan zijn persoonlijke geschiedenis en die van een heel tijdperk: ‘Waar was hij toen de Grote Oorlog/ uitbrak en de veldkeukens als reizende orkesten vol/ met zenuwlijders langs de kerken raasden?’  Deze confrontatie van het strict particuliere met het algemene zal in de loop van de bundel meermalen opvallen. Zoals nagenoeg alle dichters blijkt ook Ghyssaert daarbij uitgerust met een meer dan gemiddeld verwelkingsbesef: ‘Die jeugd te zien doet pijn/ en maakt je oud (…).’ De vraag die hij zich stelt is die naar een mogelijk verweer hiertegen. Hoe puur je alsnog winst uit pijn?

Muziek moet doofheid uit de wereld bannen. De dichter voert de dove Smetana, de dove Beethoven en en passant zelfs een dove kapper op. Het idioom waarvan hij zich bedient is vaak bijzonder welluidend, alsof hij een tegenwicht wil vormen. Je hoeft niet te weten welk beroep hij uitoefent om vast te stellen dat hij muziek in het lijf heeft. Het verdient aanbeveling zijn gedichten hardop te lezen, omdat hier iemand aan het woord is die tot een helaas schaars geworden categorie van dichters behoort: de categorie die het nog over schoonheid durft te hebben zonder altijd weer de aanvechting te voelen dit tongue in cheek te doen. In een gedicht dat ‘Reisnecessaire’ heet, trekt de ik-figuur met een hem nog onbekende beauté op reis. Zij is eigenlijk zijn enige reisnecessaire. Hij is ervan overtuigd dat zij hem mooi maakt: ‘met jou vertrekkend word ik mooi.’ Schoonheid blijkt aanstekelijk.

Al van in zijn eerste bundels zijn de eigenschappen die Ghyssaert aan dit begrip toedicht herkenbaar. Tot op zekere hoogte is het wel waar dat schoonheid - om met Lucebert te spreken - ‘haar gezicht (heeft) verbrand’, maar anderzijds is het onder meer het verval dat schoonheid genereert. Nooit is zij onproblematisch. Voortdurend dreigt zij verstoord te worden. Zonder verval geen schoonheid: ‘Schoonheid slaapt in hem/ als een getroebleerd kind/ in een bijna leegstaand huis; ontvelde muren, spijkers/ waar de schilderijen hingen (…).’

Aan dat verval, zoals het bijvoorbeeld vorm krijgt in een langzaam verdwijnende vader, wijdt Ghyssaert een cyclus prozagedichten onder de titel Onze-Lieve-Heer van de Dementie. Hierin wordt de historiek van het contact tussen vader en zoon uitgeplozen. ‘Waar raakte ik je ook alweer kwijt?’ vraagt de zoon zich af. Zijn vader, de hersteller, is nu zelf stuk. Het is nu de beurt aan zijn zoon om hem in zijn hoedanigheid van dichter te herstellen, want dementie heeft hem in een staat van onechtheid gebracht. De echte vader is deze die het nog voor het zeggen had. Niet de man met het ontmantelde tijdsbesef en met de inmiddels failliete literaire eruditie. ‘Loop even uit je dood weg, naar me toe,’ maant zijn zoon hem aan.

Ook in ‘Bittere chocola’, een aangrijpend gedicht dat anticipeert op de onvermijdelijke verwijdering tussen vader en zoon, wordt beschreven hoezeer, juist op het ogenblik dat de dood op de loer ligt, de ene meer vader wordt en de andere meer zoon: ‘toen dan werd je mijn vader/ en ik werd je zoon, (…), toen ik je koude hand vasthield,/ je klauw tegen de nacht vasthield/ en voelde hoe een pees versprong-.’ Het is een verhaal over verdwalen dat Ghyssaert hier ophangt, over de gids die nu gegidst moet worden: ‘Eén keer, op weg naar niets,/ kreeg je een toeval in mijn armen/ en je was loodzwaar, papa, loodzwaar,/ al was je uitgeteerd,/ en jij die nooit verdwaalde/ was verdwaald.’

Wat vermag het woord van een dichter? Tegen het grote niets staat het uiteindelijk machteloos. Het kan geen verandering in de status van iemands dood aanbrengen, daar hoogstens voor enige brille zorgen. ‘Mijn dood is zichtbaar./ Mijn dood is een korrel zuiver goud/ tussen miljoenen korrels op het strand, (…)’: zo vangt een gedicht aan. Maar tien regels verder is de conclusie hieraan tegengesteld: ‘Mijn dood is onzichtbaar (curs. van mij).’ De mens evolueert van naamdrager naar naamloze. Zelfs genialiteit kan dit niet verhelpen, hoeveel hoogverhevenheid Ghyssaert in haar ook onderkent: ‘De bliksem slaat niet in maar is een draad geschoten/ uit het hoofd van de peinzende naar de hemel, (…).’ Genialiteit ontstaat uit een wisselwerking tussen hemel en aarde, tussen een individu en de natuur in haar totaliteit. 

Die natuur speelt hier een primordiale rol. Niet minder dan vier gedichten handelen over bomen: de beuk, de wilg, de pruimelaar en de baobab. Onder meer zon, licht en water zijn overweldigend present. En er is ook een gedicht over boterbloemen dat het - zoals dat heet - verdient klassiek te worden. Hierin wordt beschreven hoe de ik-figuur ’s nacht met dieven op stap gaat en hoe het dat schijnsel van hun kleine, bedeesde zaklampen is dat niet alleen de straat, maar ook de ik-figuur zelf en de boterbloemen in de voortuin geboren doet worden. Ook hier weer die idee: het is de belichting die iets doet ontstaan, pas dan kun je een naam krijgen en die is vereist om te bestaan. In het bijzonder heeft de dichter hier oog voor het onopvallende. De dieven die hij ten tonele voert, zijn eigenlijk geen dieven. Zij zijn er niet echt op uit dingen te stelen, maar voegen middels het licht uit hun lampen juist schoonheid aan ze toe. Precies zoals Peter Ghyssaert dat met zijn woorden doet. 

_______________________

 

PETER GHYSSAERT

Ezelskaakbeen

Uitgeverij Atlas, 75 blz., 17,95 euro

 

BOTERBLOEMEN

 

Ik ging met dieven wandelen in de nacht;

ze kwamen met hun zaklamp aan de deur

en we bekeken, langzaam schijnend, planten in de voortuin,

kleine, ronde boterbloemen die men dom

zou kunnen noemen, of verlegen; gevels van huizen

stonden aan de horizon als grijze jeugd.

De nacht bruiste; de dieven waren naamloos

en de straten waar we liepen en ikzelf

werden net geboren in het schijnsel van hun kleine,

bedeesde lampen; onnodig en ook onbeleefd om dan te vragen

wie we eigenlijk waren.

 

Peter Ghyssaert

Kortlys vir C. Buddingh-prys bekend gemaak

Monday, April 25th, 2011
Lieke Marsman

Lieke Marsman

Volgens ‘n berig by De Contrabas is die kortlys vir vanjaar se toekenning van die C. Buddingh-prys verlede week bekend gemaak. Dié prys, wat soortgelyk is aan ons eie Ingrid Jonker-prys, beloop € 1.200 en word jaarliks aan die beste poësiedebuut van die voorafgaande jaar toegeken.

Die genomineerdes (in alfabetiese volgorde) is: Y.M. Dangre (Meisje dat ik nog moet), Dennis Gaens (Ik en mijn mensen), Marjolijn van Heemstra (Als Mozes had doorgevraagd) en Lieke Marsman (Wat ik mijzelf graag voorhoud).

Die beoordelaars is Anja de Feijter, Koen Stassijns en Maarten Elzinga. Die prys sal tydens vanjaar se 42ste Internasionale Poësiefees te Rotterdam op Donderdag, 16 Junie, aangekondig word. (Die fees self duur van 14 tot 19 Junie 2011.)

Omslag

Omslag

Nietemin, geoordeel aan die reaksie in die Nederlandse media, moet Lieke Marsman na alle waarskynlikheid beskou word as een van die gunstelinge om met dié gesogte prys bekroon te word. In sy bespreking van haar bundel het Luuk Gruwez soos volg geskryf: “Wat ik mijzelf graag voorhoud, het debuut van de tweeëntwintigjarige Lieke Marsman, wordt door enkele Nederlandse recensenten bejubeld als een der beloftevolste debuten van de jongste jaren. Daar valt inderdaad veel voor te zeggen, hoewel - zoals steeds bij een debuut dat boven het maaiveld uitsteekt - het klassieke gevaar van overschatting dreigt [...] Doorgaans komt een debutant niet los van zijn ik, stelt hij zich daarover geen vragen. Niet zo Lieke Marsman. Zeer matuur is deze bespiegeling van haar waarmee zij zich onthecht van de persoonlijke biografie: ‘We zijn heel stil terwijl ik haast voor het eerst een gedicht schrijf/ waarin ik niet begin met enkel ‘ik’ (…).’ Het zijn woorden die erop wijzen dat de dichter, hoe jong ook, al beseft dat het persoonlijke pas interessant is wanneer het tot iets universeels wordt getransformeerd. En inderdaad, hier spreekt iemand die, precies omdat zij in staat is los te laten, de buitenwereld toelaat zonder dat zij er haar eigen identiteit moet bij inboeten.”

Mmm, Klink beslis indrukwekkend. Vir jou leesplesier volg die openingsgedig waarna Luuk so prominent verwys in sy bespreking van haar bundel, onderaan. (Lees ook die volledige bespreking by Wisselkaarten.)

***

Sedert Vrydag het Philip de Vos ‘n nuwe blog geplaas oor boeke wat sy lewe verander het. Pure leesplesier, soos altyd. 

Geniet dit. En so ook hierdie week wat (hopelik) rus-rus gaan verloop.

Mooi bly.

LE 

 

Vasthoudendheid

 

Er bestaan vele redenen waardoor je niet stil
kunt blijven liggen, ’s nachts. Als je steeds
moet hoesten, bijvoorbeeld, zal je lichaam
op en neer schokken alsof je op een rijkoets ligt en
als je erg ziek bent, een lijkwagen. Of het is zo
dat je niet weet waar je moet kijken, omdat alles
voor je ogen rood is. Je ogen zijn zo rood, omdat
iemand heeft gezegd dat je ogen zo blauw zijn en
dat heeft je geraakt. Het fijne aan geraakt worden
is dat het niet lang hoeft te duren om lang
te blijven duren en het vreemde aan geraakt zijn
is dat het nagalmt en nastampt en toch ben je
er stil van. Het mooie aan het woord stil is dat het
iets zegt over geluid en beweging en het bijzondere
aan geluid is dat het bestaat uit beweging. Het fijne
aan beweging is dat het zo ingetogen is, je kunt
heel zacht je huid laten voelen dat iemand anders
je huid voelt. Tegelijkertijd is het fijne aan beweging
juist dat het uitbundig is, je kunt heel hardnekkig
een dansend monster in je voeten hebben zitten, dat
je hakken de hele avond de grond in wil stampen.
Maar het vreemde aan een hele avond is dat je soms
niet weet welke vorm van beweging je het liefst
lang laat duren. Gelukkig is het goede aan iets lang
laten duren dat alles op den duur weer terug stil valt.
En wat ik het allermooiste aan het woord stil vind,
is dat je er in het Engels een l aan kunt plakken,
waardoor we elkaar kunnen vragen, waarom we
nog steeds niet gaan slapen

 

© Lieke Marsman (Wat ik mijzelf graag voorhoud, 2010: Uitgeverij G.A. van Oorschot)

 

Teenstrydige generasies

Thursday, April 14th, 2011
Omslag

Omslag

By die Nederlandse uitgewery Meulenhoff het daar onlangs ‘n besonder belangrike bloemlesing, De tegenstrijdige generatie, onder redakteurskap van Yves T’Sjoen verskyn. Wat dié boek interessant maak, is dat T’Sjoen die versplinterde groeperings wat sedert die 1970s in bykans alle digkunste ter wêreld geld, ignoreer en terugval op die haas uitgediende generasie-groepering; sonder om tematiese en stilistiese verskeidenheid in berekening te bring: “In De tegenstrijdige generatie zijn belangrijke Nederlandstalige dichters bijeengebracht die debuteerden in de jaren zeventig. Deze dichters, geboren tussen 1944 en 1954, zijn inmiddels gevestigde namen. Maar voor oeuvrebouwers en geleidelijk tot wasdom gekomen stemmen in het hedendaagse poëzielandschap, bestaat steeds minder kritische (en volgehouden) aandacht. Met deze bloemlezing krijgen deze dichters de plek die ze toekomt.” 

Yves T'Sjoen

Yves T

In totaal word 16 uiteenlopende digters in hierdie bloemlesing byeengebring, te wete: Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent. 

Volgens die berig by De Contrabas het Yves T’Sjoen hom soos volg hieroor uitgelaat: “[Er was] de vraag onder welke vlag de expositie moest worden gepresenteerd. Er werd eerst gedacht aan ‘Een bescheiden generatie’, maar dat klonk nogal geringschattend, want de dichters die tussen 1968 en 1984 hun eerste stappen op het poëzieforum zetten, zijn allerminst bescheiden te noemen. Ze zijn dan wel geen ‘omroepers van oproer’, hun dichterschap kan beslist niet als low profile worden omschreven. ‘De tegenstrijdige generatie’ leek beter te passen. (…) De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen. Het is mijns inziens het begrip ‘generatie’ zelf dat in deze titel geproblematiseerd wordt.”

En waarskynlik is dit die voorlaaste sin hierbo, “(d)e gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen”, wat ook die problematiek van ons eie groepie tagtigers onderstreep, aangesien hulle hulself ook nog nooit as “groep” beskou of aangebied het nie, en na alle waarskynlikheid as gevolg daarvan ook nie juis prominent in ons eie literêre geskiedskrywing gereflekteer word nie.

Nietemin, ter wille van volledigheid: Yves T’Sjoen se De tegenstrijdige generatie staan tans natuurlik ook in die spervuur vanweë die name wat volgens se benadering wél kwalifiseer, maar nogtans onbreek; digters soos Gerrit Komrij (gebore 1944, debuteer 1968) en Rob Schouten (gebore 1954,  debuteer 1978) word veral voorgehou as beduidende afwesiges.

Vir ‘n omvattende bespreking en beskouing van die digters wat hierin opgeneem is, kan jy gerus Chrétien Breukers se artikel gaan lees. As leestoegif plaas ek graag Luuk Gruwez se gedig “God skryf ‘n brief“, soos dit deur Hennie van Coller in Afrikaans vertaal is, hieronder.

***

Sedert gister het Marlies Taljard ’n gedig van haar eie geplaas, terwyl Andries Bezuidenhout ‘n stuk oor Paul Celan en sy ikoniese gedig Todesfuge gelewer het.

Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

God skryf ‘n brief

 

Ek het dit nie gedoen nie. Dit was iemand anders.

Ek was toe net besig met die miervreter, kopererts,

en al die visse

in die Atlantiese oseaan.

Dit was tog sekerlik nie ek nie.

 

Ek was nie daar nie, watter dag!

Pas het ek Saturnus en Uranus se mane klaar,

of sowaar, ek moes tyd en taal versin

en titels vir die meeste van my handewerk.

 

Ek was pootuit, vind nêrens rus,

want slaap was nog nie geskape nie.

My oeuvre het in omvang toegeneem.

Veral die vrou het vreeslik sorg geverg.

Sy moes nog skouers kry en ‘n kapsel,

verliefdheid, mymeringe, moederskap.

En erogene sones waarvan ek weinig weet.

 

Ek het geen tyd gehad, watter dag!

Daar’s van my verwag deur hulle wat toe nog nie was

dat daar ‘n oerknal sou wees in die heelal.

En dan die regte volgorde, ja dit veral:

die proefbuisbaba en die tandestokkie,

die boorplatform en ook ekself.

 

Eintlik wou ek net sê, liewe vriend:

dit was beslis iemand van ‘n ander oorde,

‘n konkurrent met meer talent,

wat iets so salig en sagaardigs

geskep het soos die dood.

 

© Luuk Gruwez (vertaling: HP van Coller, Bandelose gedigte, 2007: Praag Uitgewers)

 

 

Luuk Gruwez. Een verzonnen bestaan

Monday, February 28th, 2011

DE SIRENE

 

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel (oorspronkelijk Nederlands of in Nederlandse vertaling) die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie is eerder al in De Standaard verschenen.

 

EEN VERZONNEN BESTAAN

Lieke Marsman

Lieke Marsman

‘Wat ik mijzelf graag voorhoud’, het debuut van de tweeëntwintigjarige Lieke Marsman wordt door enkele Nederlandse recensenten bejubeld als een der beloftevolste debuten van de jongste jaren. Daar valt inderdaad veel voor te zeggen, hoewel - zoals steeds bij een debuut dat boven het maaiveld uitsteekt - het klassieke gevaar van overschatting dreigt. Waarom charmeert deze poëzie? Lieke Marsman is jong en fris. Op foto’s die men in de pers gretig van haar afdrukt, oogt zij ontwapenend. En zij staat er: haar gedichten laten voor iemand van haar leeftijd een onmiskenbare eenheid van toon horen, iets wat haar blijkens een uitspraak in een interview na aan het hart ligt. Vrijwel alles in haar bundel is herkenbaar uit dezelfde pen gevloeid. Wat zij schrijft zijn absurdistische reflecties, meditaties, bespiegelingen. En als Marsman haar bestaan niet bijeen denkt of droomt, verzint zij het wel. Want ja, om het systeem in de wereld te achterhalen, moet je het verzinnen. Verzinnen is een vorm van zingeving: ‘(…) ik kan door alle bomen het bos zien,/ omdat ik achter alles iets verzin.’ 

Al in het eerste gedicht, toepasselijk ‘Vasthoudendheid’ genoemd, wordt de lezer getrakteerd op dat onverstoorbare malen in haar hoofd, op een concatenatie van overpeinzingen die elkaar blijven uitlokken. De dichter gebruikt voor de weergave daarvan een overvloed aan herhalingen. Dat is wat haar gedicht in beweging houdt. Beweging is trouwens datgene wat heden en verleden aan de toekomst linkt. Marsman schrijft: ‘(…) wat ik het allermooiste aan het woord stil vind,/ is dat je er in het Engels een l aan kunt plakken,/ waardoor we elkaar kunnen vragen, waarom we/ nog steeds niet gaan slapen.’ Daar is het haar om te doen: dat het minieme nog even voortduurt, zodat zij al wat zij zichzelf blijkens de titel van haar bundel voorhoudt, nog even mag behouden. Zij is uit op tijd die blijft, verleent een boost van betekenis aan het woord ‘nog’. Misschien is dit niet in de eerste plaats een bundel waarin eeuwigheidshunker het hoogste doel is, maar veeleer een waarin de dichter het op toegevoegde tijd heeft gemunt. Voor iemand van wie zelfrelativering bijna op een demonstratie lijkt, is eeuwigheid namelijk te hoog gegrepen. Liever jongleert zij complexloos met het alledaagse. Zo onschuldig als Lieke Marsman op haar foto’s oogt, is zij overigens niet. Soms neigt zij zelfs tot het vileine. Ook dat maakt haar herkenbaar voor de modale lezer met een haast natuurlijke fascinatie voor respectabele rampen. Bijvoorbeeld in het gedicht ‘Western’, waarin zij eerst een accuraat sfeerbeeld oproept van een trein in een of ander cowboyland met alle clichés die daarbij horen en vervolgens bekent dat zij erop hoopt dat de brug waarover hij straks dient te rijden, instort. Zij ontpopt zich hiermee als een wellustige ramptoerist. Er staan in de bundel wel meer van dit soort laconieke medelingen waarmee de dichter er niet voor terugdeinst zichzelf zonder pardon onderuit te halen. Misschien is dit zelfs een van haar kwaliteiten: haar zelfspot is een kritische reflectie die bepaald gevederd lijkt voor een dichter die nog maar pas uit het ei is gekropen.

Doorgaans komt een debutant niet los van zijn ik, stelt hij zich daarover geen vragen. Niet zo Lieke Marsman. Zeer matuur is deze bespiegeling van haar waarmee zij zich onthecht van de persoonlijke biografie: ‘We zijn heel stil terwijl ik haast voor het eerst een gedicht schrijf/ waarin ik niet begin met enkel ‘ik’ (…).’ Het zijn woorden die erop wijzen dat de dichter, hoe jong ook, al beseft dat het persoonlijke pas interessant is wanneer het tot iets universeels wordt getransformeerd. En inderdaad, hier spreekt iemand die, precies omdat zij in staat is los te laten, de buitenwereld toelaat zonder dat zij er haar eigen identiteit moet bij inboeten. 

Soms krijg je de indruk dat de gedachten met Lieke Marsman aan de haal zijn gegaan, maar misschien vindt zij dit helemaal niet erg. Misschien streeft zij dit juist na. In het interview dat ik hierboven al heb vermeld, beweert zij dat zij af moet van het idee dat elk woord betekenisvol moet zijn. Natuurlijk is dit zo. Maar alles is een kwestie van balans. Hier en daar lijkt haar formulering mij toch iets te gratuit. Het is zaak te weten hoeveel betekenisloosheid poëzie verdraagt. Natuurlijk, de realiteit die Marsman beschrijft, lijkt er soms een tussen slapen en waken in. Zij streeft die bizarre mix tussen het bijzondere en het triviale na, lijkt het overzicht te verliezen op wat waar is en wat niet. Bijvoorbeeld in een gedicht als ‘Fabels’ dat eindigt met het vers ‘terwijl het niet waar is’. Zo rationeel is zij wel: niet voor niets studeert zij filosofie. En zelfs als zij zichzelf laat gaan, dan behoudt zij nog voldoende zelfreflectie. Haar dromen mogen, maar op haar condities. Hoewel! ‘Ik zie hoe we zijn/ opgebouwd uit lagen waar we niet langer/ aanspraak op maken (…),’ heet het. Verlies je als dichter dan toch niet je gezag over wat je geschreven hebt en begint dit geschrevene, of je het nu wil of niet, dan toch niet zijn eigen leven te leiden?

Deze vaststellingen hebben uiteraard gevolgen voor de lezer. Die krijgt de indruk dat hij Lieke Marsman voor even volgen kan. Maar al snel blijkt dat hij zich vergist. Het is de dichter te doen om de ontbloting van een systeem dat ook in het onlogische, zeg maar het ogenschijnlijk nonsensikale, kan schuilgaan. Zij zingt een lied van schijn en wezen. ‘Ik wist nog niet/ goed wat echt was (…),’ heet het. De angst voor het  gecreëerde: het is het eeuwenoude thema van de schepper die bang wordt voor zijn eigen schepping. Hier luidt het als volgt: ‘Ik ben voor helemaal/ niemand bang, maar wel/ bang voor het woord/ niemand.’ Niemand is wat zij met man en macht vermijdt te zijn. In het titelgedicht schrijft zij: ‘De hele dag draag ik mezelf/ boven mezelf uit.’ Om gelukkig te zijn is het soms zaak te denken dat je gelukkig bent. En ook elders houdt deze problematiek van bestaan of niet bestaan haar bezig. ‘Stel je voor/ dat je jezelf enkel voort kunt planten/ door niet meer te bestaan.’ Het is prettig te lezen hoe Marsman voor de definitie van haar identiteit microkosmos en macrokosmos met elkaar confronteert. De oerknal zit als het ware ook in haar eigen lijf.

 

Luuk Gruwez

_____________________

Wat ik mijzelf graag voorhoud

Omslag

Omslag

LIEKE MARSMAN

 

Uitgeverij G.A. van Oorschot, 56 blz., 14,50 euro

AANTAL STERREN:

***

 

 

 

 

OERKNAL

 

’s Avonds zegt een natuurkundige op televisie

dat het ook mogelijk is dat het heelal op een dag

niet langer zal groeien, maar langzaam, sneller

dan het licht, ineen zal klappen. In dat geval

zouden er na ons nog triljoenen heelallen

kunnen ontstaan en hangen we nu slechts

onder aan een stamboom van universa. Stel je voor

dat je jezelf enkel voort kunt planten

door niet meer te bestaan.

 

’s Ochtends, wanneer ik bij de start

van een dag zie hoe ik opnieuw ben gaan

ademhalen, vergelijk ik dit heen en weer

gegooi van sterren met mijn op en neer

gaande borsten, met de antenne van

een radio, die je doelloos in en uit

kunt blijven schuiven en vervolgens,

vooralsnog mijn meest geslaagde poging,

met een zeeanemoon.

 

                      Lieke Marsman

The Forward book of poetry, 2010

Friday, January 15th, 2010
Omslag

Omslag

Een van die opwindenste projekte in Brittanje is die jaarlikse publikasie van The Forward book of poetry wat as oogmerk het om die beste gedigte wat in ‘n bepaalde jaar in Engels verskyn het, byeen te bring. So het die 2010-uitgawe enkele weke gelede in die boekwinkels gearriveer en inderdaad is dit ‘n besonderse publikasie aangesien verlede jaar beslis ‘n blomjaar vir die Britse digkuns was.  Gedigte van hul vernaamste digters, sowel as nuwelingdigters, is hierin opgeneem.

Die beoordelaars vir die drie Forward-pryse, wat dus ook die samestellers van dié publikasie is, het die bloemlesing soos met vorige uitgawes ingedeel volgens die kategorieë waarin die beoordeling plaasgevind het, naamlik beste digbundel van die jaar, beste debuutbundel en beste gedig, gevolg deur 70 “hoogs aanbevole” gedigte deur ‘n verskeidenheid digters.

As sulks is The Forward book of poetry waarskynlik die suiwerste aanduiding van die stand van Britse digkuns wat jy te lese kan kry.

Onder die digters wat vir die beste bundel van die jaar genomineer is, tel literêre reuse soos Don Paterson (wat uiteindelik as wenner aangekondig is), asook Glyn Maxwell, Sharon Olds, Peter Porter, Chrisopher Reid (wat intussen die Costa-prys vir poësie gewen het) en Hugo Williams.

As toegif plaas ek vanoggend die titelgedig uit Don Paterson se bekroonde bundel Rain (2009: Faber & Faber) heel onder.

Die besonderhede van die boek is soos volg:

TITEL:                                    The Forward book of poetry, 2010

SAMESTELLERS:                 Josephine Hart, et al

UITGEWER:                         Forward, London

ISBN:                                     978 0571 2536 30

PRYS:                                     R150.00

***

Vanoggend lê die eerste wisselkaart, wat deur Luuk Gruwez gespeel is, op die tafel. Hierdie eerste aflewering van ons nuwe projek is ‘n bespreking van Leo Vroman se nuutste digbundel, Soms is alles eeuwig. Verdermeer kan jy Ian Raper se toespraak, wat verlede jaar tydens die bekendstelling van Lucie Möller se bundel, Watermerke, gelewer is, lees. In die vertaalkamers is daar verskeie toevoegings soos die heerlike gedig van Peter Holvoet-Hanssen wat deur Charl-Pierre Naudé vertaal is, asook gedigte van Yannis Ritsos en Sylvia Plath wat deur Johann de Lange vertaal is.

***

Dan is dit vandag Hans du Plessis se verjaarsdag. Hans is uiteraard bekend vir sy gedigte wat geskryf is in die Griekwa-dialek en as sulks een van die mees geliefde en gewaardeerde digters in Afrikaans. Veels geluk, Hans. Mag dié jaar vir jou ‘n blomjaar wees.

Nou ja, toe. Die naweek is op hande. Gebruik dus die geleentheid om ietsie oor jou eerste swig voor die sjarme van poësie te skryf en na die Brieweboks te stuur. Die tyd raak min, want volgende maand is daar ‘n nuwe tema met nog ‘n kompetisie wat wag …

Geniet die naweek. Nuuswekker hervat Maandag weer.

Mooi bly.

LE

 

Rain

Don Patterson

 

I love all films that start with rain:

rain, braiding a windowpane

or darkening a hung-out dress

or streaming down her upturned face;

 

one long thundering downpour

right through the empty script and score

before the act, before the blame,

before the lens pulls through the frame

 

to where the woman sits alone

beside a silent telephone

or the dress lies ruined on the grass

or the girl walks off the overpass,

 

and all things flow out from that source

along their fatal watercourse.

However bad or overlong

such a film can do no wrong,

 

so when his native twang shows through

or when the boom dips into view

or when her speech starts to betray

its adaptation from the play,

 

I think to when we opened cold

on a rain-dark gutter, running gold

with the neon of a drugstore sign,

and I’d read into its blazing line:

 

forget the ink, the milk, the blood-

all was washed clean with the flood

we rose up from the falling waters

the fallen rain’s own sons and daughters

 

and none of this, none of this matters.

 

(c) Don Paterson (Uit: Rain, 2009: Faber & Faber) 

 

Luuk Gruwez. Ik zal alles, alles missen

Thursday, January 14th, 2010

DE SIRENE

 

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken.

 

IK ZAL ALLES, ALLES MISSEN

 

Leo Vroman

Leo Vroman

Vroman is een dichter die zich net als Lucebert (‘Dit was ik. En dat was het heelal.’) heel erg bewust is van zijn nietige plek in de kosmos, maar die daar niet te erg onder gebukt gaat. Hij wapent zich met speelsheid en met het koele registratievermogen van de hematoloog die hij van opleiding is. Zijn vorige bundel heette: ‘Nee, nog niet dood’. De titel van zijn nieuwste, ‘Soms is alles eeuwig’, illustreert opnieuw die voor een vierennegentigjarige uiterst ludieke omgang met iets wat nu toch echt geen eeuwigheid meer uitgesteld kan worden. Het mag een atletische prestatie heten dat de dichter ons vrij kort na zijn vorige bundel opnieuw een indrukwekkende collectie van meer dan tachtig gedichten brengt.

 

De ludofilie van deze dichter wordt hierin automatisch gelieerd aan de experimenteerzucht van de wetenschapper. Hij ziet de kosmos in hoge mate als Systeem (’s dichters laïcistische woord voor God). Dit gebeurt onder meer exhaustief in het lange Engelse gedicht dat ‘This time’ heet. Er zijn zat veel dichters die het over de vergankelijkheid hebben. Het unieke aan Vroman is dat deze hem niet alleen licht melancholisch stemt, maar dat hij haar vooral heel precies constateert. Dat hij geen dichter voor de eeuwigheid is, beseft hij maar al te goed. Er heerst een spanning tussen wat al ‘miljoenen jaren voorbij’ is en dit opdringerige besef: ‘Wat ik een halve eeuw geleden/ om I reden heb geschreven/ zal mij om een andere reden/ nog een of twee, weet ik hoeveel/ jaren kunnen overleven.’ Maar wat er ook van zij: een dichter is iemand die geen verstand heeft van afscheid nemen en dit toch voortdurend doet. Verzen uit het slotgedicht:

‘Ik zal alles, alles missen:

 een echte appel mogen eten,

 echt iets drinken, en bij mijn weten

 echte urine mogen pissen.’

De vraag die met dit besef samengaat luidt: ‘(…) hoe dood wordt men later?’ Er zitten in het achterhoofd van de bioloog Vroman hier en daar referenties aan de stabiliteit van de materie.  

Naast een temporele zit er een grafische spanning in deze bundel: die tussen de Nederlandse geboortegrond die hij verlaten heeft en Texas, het land waarnaar hij geëmigreerd is. ‘Of ik Holland niet mis?’ heet het ergens. Het antwoord luidt: ‘Nee, maar ik wil wel weten/ wat voor temperatuur het nu is (…).’ Ook in dit gedicht gaat het over afscheid, maar het is er een waarvoor de dichter gekozen heeft. Wanneer je vierennegentig bent, dan mag je je gelukkig prijzen dat je nog over een gezondheid beschikt die herinnering toestaat. Hoeveel geheugen gaat er in één man? Vroman, met zijn ongelofelijke vermogen tot serene overweging, kan zijn herinneringen blijkbaar fenomenaal precies oproepen. (Al kan het natuurlijk dat hij een en ander verzint: hij is tenslotte een dichter.) In het licht hiervan rijst de vraag wat werkelijk is en wat niet. Hij hoopt dat hij zich met betrekking tot de realiteit levenslang heeft vergist en ‘dat de dingen die werkelijk leken/ dat werkelijk niet waren.’ Hij hoopt ooit met een alziend oog en met een alternatief bewustzijn d’outre tombe de werkelijkheid te kunnen ontmaskeren, alsof hij de kans niet uitgesloten acht dat het bewustzijn door de dood niet wordt uitgeschakeld en alsof iets als het einde niet echt bestaat. Wel vaker twijfelt Vroman er in zijn gedichten aan of het bestaande echt is. Zo ook in het lange twaalfdelige ‘This time’, een Engelstalig gedicht met een zeker T.S. Eliot-gehalte en met onder meer deze vraag: ‘Can it then be (…) that space and time do not exist?’ Natuurlijk heeft een hypothese als deze zo zijn emotionele voordelen voor wie allicht toch op de drempel van de dood staat. Vroman probeert de heersende kracht in de kosmos mededogen voor onze onbeduidende planeet af te smeken: ‘System, do not laugh at little Earth.’ De Engelstalige gedichten in de bundel zijn vanwege hun meer uitgesproken filosofische aard overigens anders van toon dan de Nederlandstalige. Toch weigert Vroman de alleenheerschappij van de gedachte: ‘Waarom moet iets altijd/ ergens over gaan?’

Soms gaat het inderdaad nergens over. Deze poëzie tendeert een paar keer naar gerijmel en ook wel eens naar het light verse. Het lieftallige en het schattebouterige is er soms wat te veel aan. Maar het verschil tussen hem en echte light verse dichters is dat hij naar een andere balans streeft: er zit meer zwaarte in zijn lichtheid, meer ernst in zijn jolijt en zijn gein, meer zwart in zijn frivoliteit. Als hoogbejaarde kan hij het zich bovendien zonder schaamlap permitteren nostalgisch te zijn: ‘Graag zie ik na de dood mijn geest/ door het gesloten venster zweven/ en dalen waar ik in mijn leven/ gelukkig ben geweest.’ Toch wel een redelijk clichématige mededeling, dunkt mij, waarvoor wie een halve eeuw jonger is zich genoodzaakt zou zien een justificatie te formuleren. Vanwege de terreur van het heden is heimwee als je twintig, dertig of zelfs zestig bent een omstreden gevoel. Maar één keer vierennegentig, is er op het vlak van de emotionaliteit misschien niet veel anders meer over. Of het zou de liefde moeten zijn. In het geval van deze dichter: die voor Tineke, van oudsher zijn vrouw, en een van de weinige bewijzen in de hedendaagse Nederlandse literatuur dat langetermijnliefde bestaat. Voor haar heeft hij onder meer een hypothetisch klinkend gedicht klaar dat treffend ‘Als het waar is’ heet. Het is een van de krachtigste uit de bundel en het is bedoeld voor wanneer hij er straks niet meer is en zij nog wel.

Vroman is zich heel sterk bewust van het feit dat ook de mens een diersoort is, bijvoorbeeld in ‘Mijn dierenleven’. Hoe dan ook is hij meer dan ooit en met de hem zo kenmerkende zelfspot met zijn lichaam begaan. Hij stelt vast dat de wetenschap het de dag van vandaag mogelijk maakt ‘voor verdere studie of voor de grap/ verzorgde stukjes in leven (te laten) blijven’ en zich afvragend welk van zijn uitstekende lichaamsdelen daarvoor het meest in aanmerking dient genomen, komt hij uit bij zijn neus.

Wat er nu nog is en wat daar na de dood nog van overblijft: daar gaat het om in deze bundel. De hoop op onsterfelijkheid, in welk vorm dan ook, wordt gerelativeerd met een aansporing tot bescheidenheid:

‘Wie sterft na meer dan negentig jaar

 daar hoeft ook niemand om te grienen;

 die mag hoogstens hier of daar

 een aardig stukje krant verdienen.’    

Niemand zal er rouwig om zijn wanneer dit in het geval van Vroman een ietsje meer is.

 

__________________________

LEO VROMAN

Soms is alles eeuwig

Querido, 150 blz., 17,95 euro.

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren, de boekenbijlage van de Belgische krant De Standaard.

Luuk Gruwez - vertaling in Afrikaans

Tuesday, November 17th, 2009

Luuk Gruwez - vertaal deur H.P. van Coller

[http://versindaba.co.za/2009/04/01/onderhoud-met-luuk-gruwez/]

 

 

MOEDERS

 

 

Mens herken hul van ver en van vroeër: altyd in rep en roer,

altyd die bekende rumoer. Of ons nie te koud kry nie

miskien, dat ons ons truie toe moet knoop, dat ons

van daardie slegte vriende liewers weg moet bly. Ensovoorts,

 

ensovoorts. Hulle is van oordosisse versigtigheid vervul,

van lewenslange ensovoorts, rare roeringe in buik en boesem.

Opvallende besonderhede, eeueoud van eenvoud: spermavlekke wat hulle

stil, met dromerige oë uit die lakens van hul seuns uitwas,

 

meisies wat hul halsoorkop uit die vroue uit moet vee

wat hulle intussen ook geword het. Dit kan in goeie ma’s

geweldig sneeu, veral wanneer geen mens

dit ooit verwag, begin November, sodra die gestorwenes koning kraai.

 

Hulle gee aan kleuters wolserpe en moffies mee. Piesangs.

lets weerbaars teen trane. En van hul eie ma’s, wat hulle

al hoe meer ontglip, raak hul die laaste moeders. Tot hulle

die hande wantrou wat hul nie langer vas kan hou nie.

 

November word dit nooit nie, November breek aan. Soos aand.

Lug verplaas sy diepste rooi in blare van beuke en eike.

en vanweë alles wat hul nie meer vas kan hou, hou hy op:

hul wêreld van ensovoorts, en so voort tot die dood.

(vertaling: Hennie van Coller)

 

 

 

MOEDERS

 

 

Men herkent ze van ver en van vroeger: altijd in rep en roer,

Altijd dat vertrouwde rumoer. Of wij het niet te koud hebben

misschien, dat onze jas wat hoger moet geknoopt, dat wij

die slechte vrienden beter kunnen mijden. Et cetera,

 

et cetera. Zij zijn van overdosissen voorzichtigheid vervuld,

van levenslang et cetera, stupide stuwingen in buik en boezem.

Fluorescente details, eeuwenoud van eenvoud: spermavlekken die zij

stil, met dromerige ogen uit de lakens van hun zonen wassen,

 

meisjes die zij halsoverkop uit de vrouwen moeten wissen

die zij tussentijds geworden zijn. Het kan in goede moeders

allemachtig sneeuwen, voornamelijk wanneer geen mens

het al verwacht, begin november, zodra de doden victorie kraaien.

 

Zij geven kleuters sjaals en wollen wanten mee. Bananen.

lets dappers tegen tranen. En van hun eigen moeders die hun

meer en meer ontglippen, worden zij de laatste moeders. Tot zij

de handen wantrouwen die hen niet langer vasthouden kunnen.

 

November wordt het niet, november valt. Als avond.

Lucht verplaatst zijn diepste rood in bladeren van beuk en elk.

En wegens alles wat zij niet meer kunnen houden, houdt hij op:

hun wereld vol et cetera, et cetera en totterdood.

 

© Luuk Gruwez

 

 

 

 

DIKKE MENSEN (BG, bl. 90)

 

I

 

Dikke mensen weten alles van de liefde,

tot in de meest verloren uithoek van hun lijf,

de catacomben van hun vlees.

 

Hun buik is buitenland waarin zij wonen,

aldoor verlangend naar de slankste tailles

die hen doen watertanden als gebak.

 

Er is geen mens oprechter droef,

zo goedlachs treurig in die afgelegen balg,

die verre tenen en die bolle billen,

 

alsof zij slechts uit overschot bestaan:

zo ’n kleine honderd kilo niets

die niemand ooit zal willen.

 

II

 

Zij kunnen zich zo dwaas vermaken met hun vlees

dat aast op suikerspin of speculaas,

tot in hun laaste kilo ridicuul

op zoek naar al het zoets der liefde.

 

Hun lichaam is het hunne niet.

Elk klein teveel is groot gemis.

Maar stropen zij het zwoerd af van hun ziel,

zij blijven ingeduffeld in hun vet

 

dat zij nooit ontberen kunnen:

alsof zij slechts van buik en billen

niet al te onbemiddeld zijn

en enkel dat behouden willen.

 

Want ieder afscheid weegt hun zwaar.

Wie staat er klaar met gul applaus

wanneer zij straks in aller ijl

de glijbaan naar het graf afgegaan?

 

(c) Luuk Gruwez 

 

 

 

 

VET MENSE

 

I

 

Vet mense weet alles van die liefde,

tot in die verste uithoeke van hul lede,

die katakombes van hul lyf.

 

Hul buike is die buitepos waarin hul woon,

voortdurend hunkerend na die slanke lyf

waarna hul smag soos na koekstruif.

 

Daar is geen mens só hartlik hartseer nie,

só doodtevrede treurig in die afgeleë pens,

die veraf tone en die bultende boude,

 

asof hul uit oorskot slegs bestaan:

so amper honderd kilo niks

wat niemand ooit wil hê nie.

 

II

 

Hul kan hulself so dwaas vermaak met hulle lywe

wat aas op suikerdons of spekulaas,

tot in hul laaste lawwe kilogram

op soek na soetheid in die liefde.

 

Hul liggaam is hul eie nie.

Elke klein oordaad is groot gemis.

Maar pluk hul ooit die siel se vetlaag af,

hul bly soos in ’n jas gehul in vet

 

wat hulle nooit kan mis nie:

asof hul slegs van boude en buik

nie al te arm is nie

en slegs dít wil gebruik.

 

Want elk afskeid is vir hulle swaar.

Wie staan gereed met gul applous

wanneer hul later in aller yl

met die glybaan na die dood toe pyl?

 

(c) HP van Coller