Posts Tagged ‘Luuk Gruwez’

Luuk Gruwez. KADDISJ VOOR PINOKKIO

Monday, November 9th, 2015

eriek-verpale

In het laatste nummer van Poëziekrant verscheen onderstaand In Memoriam van Luuk Gruwez voor de in augustus overleden Eriek Verpale.

KADDISJ VOOR PINOKKIO

in memoriam Eriek Verpale

Wat zeg je dan, vraagt iemand me, wanneer je over de dood van Eriek Verpale moet spreken, jij, die toch ambivalente gevoelens tegenover hem had? Ik zeg dat hij twee meesterwerken heeft geschreven, Alles in het klein en de monoloog Olivetti 82, waarbij veel van wat tegenwoordig de hemel wordt in geprezen, onherroepelijk verbleekt. Dat ik met hem in hoofdzaak ter wille van zijn drankmisbruik gebrouilleerd was. Dat ik die fatale neergang en de verspilling van dat grote talent, waartegen ik vruchteloos tekeerging, niet meer kon aanzien. Maar dat ik glorieuze momenten met hem heb gekend, op de planken tijdens de lezingenreeks Geletterde Mensen: avond na avond, met een dozijn maagzweren en met al dat literaire verdriet van ons. En bovenal dat ik mij, zelfs als ik beter wist, graag liet inpalmen door zijn geschifte, hilarische, hyperbolische kijk op de realiteit. Hij graatmager, ik goed in het vlees: wij waren de Laurel en Hardy van de Vlaamse literatuur, maar dan in een langoureuze uitvoering.

Maar ook dient gezegd dat ik in het leven buiten de literatuur samen met hem gelachen heb dat het niet meer op kon, dat we dwaze fratsen hebben uitgehaald, getreurd hebben om wat zomaar zonder ons voorbijging, terwijl wat ons betrof juist alles moest blijven, behalve misschien het lompe parvenudom van wie niet wist wat mislukken is. Dat wij ooit samen hebben gerookt en  gedronken. Te veel. Hij vooral. Dat het zijn dood zou worden en dat ik dat wist. Dat hij verliefd werd, veel te vaak, deze enigszins slonzige jeune premier met zijn slechte gebit en zijn mankementige oren, om wie jonge meisjes, in een bepaalde fase van zijn leven, niettemin zwermden als bijen om een korf. En ook dit zeg ik dan tijdens zo’n gesprek: dat hij de lachende wanhoop was. Dat hij strategisch naar je kon luisteren en je hart roofde, maar dat hij, zodra hij dat had geklaard, zichzelf op de voorgrond plaatste, kon vertellen, kon kreunen en zuchten en klagen, onophoudelijk, om wat het leven hem aandeed. De grasmaaiers in zijn buurt: ze waren er alleen om hem te treiteren en het schrijven te beletten. Zijn vrouwen: idem dito. Zijn naaste familieleden: hetzelfde. Zij hebben beslist onder hem geleden. Zijn medemensen waren hem wel lief, maar bij momenten vervloekte hij ze. Hij was vooral gesteld op vrouwen in wie nog een jong meisje schuilging, zelfs als zij inmiddels tachtig waren en moeder Zulma heetten en een kroeg bestierden. Maar al had hij soms compassie met anderen, met alle geblutste en gekwetste anderen, meestal had hij het gevoel dat het wereldleed maar één persoon had uitgekozen: hijzelf.

Eriek Verpale was een mythomaan en een pseudoloog, een ziekelijke Pinokkio. Zijn hele levenssaga getuigt daarvan. Zowat vijfendertig jaar heb ik naar zijn fantasieën geluisterd, die vaak briljant waren, gebracht met de schwung van een meesterlijk verteller. Mij werd soms verweten dat ik hem klakkeloos adoreerde, dat ik zijn zelfverzonnen boterbrieven over zijn Joodse origine voor waar aannam. Hij kon liegen alsof hij het zelf geloofde, maar o, wat kon hij dat prachtig! Hij bracht het met zoveel overtuiging dat het in feite de werkelijkheid was die het verkeerd voor had. Hoe kon de wereld zich toch zo vergissen! Tot een jaar of zes geleden heb ik hem nooit onderbroken. Het was mij er niet om te doen zijn wanen door te prikken en zijn verzinsels te ontmantelen. Daarvoor waren zijn verhalen mij te dierbaar. Het leven wordt soms draaglijker wanneer men iemand in zijn waan laat. Ik hield van die rare snuiter. Wij waren samen de wijze en de zot. Ik vooral de wijze, hij de zot. Soms wisselden wij van rol. En toen, op een dag in januari 2008, waren hij en zijn toenmalige vriendin bij ons in Hasselt te gast. Hij zag er voor zijn doen nogal patent uit. Mijn vriendin en ik zouden de dag nadien naar Riga vertrekken. Ik nam afscheid van hem en ik zag hem nooit meer terug.

Vanaf een bepaalde tijd resulteerden Erieks wanen op een paar discutabele poëtische verzuchtingen na, niet langer in literatuur. Ook vroeger al kwam hij meestal alleen middels geweldige druk van buitenaf met zijn teksten op de proppen. Aan de monoloog Olivetti 82 die hij allang aan Bob de Moor had toegezegd, moest hij één maand voor de première nog beginnen. Ik moest voor alles achter hem aanzitten. Verpale was uiterst bedreven in  het uitstellen van de voltooiing van zijn werken, waardoor mijn vriendin hem op een dag lachend ‘Verpalle met zijn luie ballen’ noemde. Met dat epitheton had hij vrede. Zelfs begon hij zich zo te noemen. Intussen beloofde hij zijn uitgever van alles. Jaar na jaar werd de roman Spa rood in prospectussen aangekondigd. Het kwam er niet van. Er werd hem ondanks zijn niet nagekomen beloftes grootmoedig een redacteur ter beschikking gesteld die hem zou assisteren bij het verwerken van verspreide teksten en brieven tot een valabel boek. Maar voltooiing interesseerde hem geen zier. Misschien maakte die hem bang. Hij had bovendien geen enkel talent voor het bewerken van zijn eigen geschriften. En overigens was het nooit zijn schuld wanneer hij het niet tot een goed eind bracht. Het was altijd weer brute pech. In een klein bibliofiel boekje dat Deze man is krankzinnig heet en dat twee essays over hem bevat, heb ik destijds geschreven dat pech de motor van zijn schrijverschap was. En inderdaad: hij verhief pech tot iets transcendents. Hij moest ertegen kunnen sakkeren en schelden en jeremiëren. Hij vond dat al die zogenaamde pech zijn schrijven verhinderde, maar ik vraag mij af of die hem niet juist aan het schrijven hield. Over bovengenoemde grasmaaiers kon hij bijvoorbeeld pagina’s lang chicaneren. Hij liet zijn hele, toen nog Lebbeekse huis isoleren door een dure firma die ook in het geluiddicht maken van radiostudio’s was gespecialiseerd. Maar hij liet zijn raam openstaan. Dat alles de schuld van anderen was, zoiets kon je als buitenstaander even geloven, maar geen tien jaar. Het was de drank die hij enkel gedurende een korte periode kon laten. En het waren de duizenden en duizenden sigaretten die een uiting waren van zijn zelfdestructieve neigingen. Met in zijn keel, die enkel bestemd had moeten zijn voor het zingen en voor het vertellen, een uitgezaaide tumor als ultiem bewijs van het feit dat hij had geleefd. Hoe vaak niet had hij gezegd en geschreven dat hij zich op een dag doodleuk zou opknopen. Het hoefde nu niet langer.

Niet dat hij tijdens zijn laatste jaren niet meer schreef. Ongetwijfeld laat hij nu vele kilo’s ongepubliceerde tekst na. En intussen puilt mijn garage uit van vele dozen brieven, daterend van voor onze brouille. Alleen al daaruit zijn met wat goede wil waarschijnlijk nog één of twee boeken te distilleren. Ik heb mij laten vertellen dat hij ook in zijn huis ontelbare vellen beschreven papier heeft bewaard waaronder alvast meer dan veertig dagboeken. Ik kan me niet voorstellen dat daar her en der geen parel tussen te vinden is. Maar de gedichten die hij enkele jaren geleden nog publiceerde, waren benedenmaats, lang niet van het fraaie niveau van Nachten van Beiroet, de bloemlezing uit zijn oude dichtbundels. Alles bij mekaar was hij vooral een begenadigd prozaïst, een heel bijzonder briefschrijver. Wat, vraag ik mij af, is er toch gebeurd met die duizenden brieven en billets-doux die naar alle windstreken zijn weggefladderd? Die elegante, betoverende volzinnen, waarvan hij in zijn onbaatzuchtigheid nooit een kopie maakte?  Brieven die zowel komiek als melancholiek konden zijn en die – ik mocht ze soms lezen – niet alleen harten van meisjes, maar ook dat van mij deden smelten?

Er bestaat wijd en zijd een misverstand over Eriek Verpale. Men heeft hem op zijn woord geloofd telkens als hij zei dat er in zijn werk niets verzonnen was, dat het hem volstrekt ontbrak aan fantasie. Dat is pertinent onwaar. Hij barstte juist uit zijn voegen van de fantasie. Er waren soms aanleidingen in de werkelijkheid, dat klopt. Maar meer dan de gemiddelde schrijver liet hij er zijn ongebreidelde fabuleerzucht op los. Trouwens: zijn hele leven was verliteratuurd, inclusief de hele constructie van zijn Joodse origine. Zo intensief koketteerde Verpale daarmee dat na verloop van tijd niemand nog durfde te ontkennen dat hij een Jood was en dat hij het zelf misschien ook geloofde. Zijn zogenaamde ‘Jiddische’ overgrootmoeder, bij wie hij inderdaad gedeeltelijk was grootgebracht, was een gewone volksvrouw die alleen het Wachtebeeks machtig was.

Ik schrijf dit vandaag, 14 augustus 2015. Exact op de dag dat Eriek in Ertvelde begraven wordt, met enkel zijn enige zoon Mendel en diens moeder erbij. Hij is in grote eenzaamheid gestorven, alleen in een bed. Hij was de eenzaamste man op aarde, heet het in een krant. Geen mens verdient het volledig te worden vergeten. En ik, zijn oude vriend, soms denk ik nu: hij is er nog. Dit is zijn laatste farce. Hij die beweerde niets te kunnen verzinnen, hij heeft zelfs zijn dood verzonnen.

© Luuk Gruwez.

Luuk Gruwez. Annemarie Estor en de afgrond

Thursday, October 8th, 2015

voorplat-estor-geen-theater-meer

Annemarie Estor en de afgrond 

De afbeelding op het omslag van Dit is geen theater meer is van de hand van de dichteres zelf. Zij laat figuren zien die op de rand van een afgrond staan of gevaarlijk op een  rotspunt. Het is niet duidelijk welke richting het met ze uitgaat. En ook binnenin de bundel worden veel gedichten voorafgegaan door zo’n icoontje waarop een figuur met die afgrond lijkt te flirten. Nee, dit is geen theater meer. Annemarie Estor beschouwt de wereld en wikt en weegt wat daar constructief en destructief aan is. Want er zijn in deze bundel, zoals in veel poëzie, duidelijk twee tegenstrijdige en haast clichématige krachten aanwezig: die van eros en thanatos. De eerste indruk is dat die laatste het zal halen: wij zijn vanaf het begin bestemd voor het einde. Estor mag in haar aanvangsgedicht dan wel een hengst laten opdraven, vol vitaliteit, in haar nogal apocalyptische slotgedicht, ‘Berijd het eind’, figureert een merrie die zich moet laten doorboren. Maar in het slotvers duikt, minder somber, een stralend lam op. Ook al registreert de dichteres een hedendaagse wereld waarin vernietiging hoogtij viert en die haar doet verzuchten dat dit geen theater meer is, maar barre realiteit, toch houdt zij ondanks alles een pleidooi voor het leven en voor de fantasie die alles in beweging zet. Haar strijd tegen thanatos is niet enkel bedoeld voor eigen lijfsbehoud, maar – wie weet misschien uit eigenbelang – ook voor de redding van min of meer de hele mensheid.

Er is soms enige verbeeldingskracht nodig is om in deze poëzie binnen te dringen, maar wie bereid is zich te laten bedwelmen door de mysterieuze sfeer wordt beloond. Jazeker, sommige van haar verzen hebben een wat sombere, soms zelfs ruige of agressieve ondertoon, maar toch blijft een minimum aan optimisme overeind. Al in het eerste gedicht krijgt de Egyptische zonnegod Ra, de scheppende kracht die pal tegenover de god van de dood staat, zijn zegje. Hij kan, hij moet regeren. Anders zijn wij reddeloos verloren. De zon speelt overigens een cruciale rol, wat niet betekent dat duisternis afwezig is. Maar met de moed der wanhoop probeert de dichteres zich te verankeren aan het licht. Zij zoekt in alles de levensvatbaarheid. Vandaar misschien de dominante aanwezigheid van flora en fauna. Hoe gruwelijk en wreed de wereld ook is, hoe kwetsbaar alle culturen ook zijn, zij pleit ervoor bedreigingen het hoofd te bieden en aan de afgrond te ontkomen of die te overbruggen.

Er valt overigens een andere poging tot overbrugging op: die tussen de dichterlijke ik en haar medemens die steevast met het bijbelse ‘gij’ wordt aangesproken, wat afstandelijkheid suggereert en een zekere oninneembaarheid: ‘Steen zijt gij./ Gij handelt in gepijnigd licht./ (…)/ Gij trekt u van mij af. Verdwijnt/ om naar uw goud te staren./ (…)/ De kluis die op u wacht:/ gij draagt er de sleutels van.’ Deze verzen staan in ‘Het dunste vlies’, een cyclus waarin een poging wordt gedaan om met behulp van woorden bij de ander binnen te dringen. ‘Nu kunnen we beginnen:/ ik heb u leren kennen,’ staat er aan het eind. Estor heeft er alles voor over om te ontsnappen aan een wereld zonder anderen, hoeveel pijn daar ook voor nodig is. In een gedicht als ‘Kamer zonder ramen’ dat een perfecte metafoor is voor isolement en uitzichtloosheid, schrijft zij: ‘Na jaren hoor ik een mens,/ pantoffels sloffen op het zeil.’ De geringste relatie is te verkiezen boven helemaal geen relatie. Tekens van leven: daar gaat het om. Van welk leven dan ook.

Het laatste wat zij wil is totaal genegeerd worden. Ook al moet zij daarvoor in een cyclus die toepasselijk ‘Rechters’ heet voortdurend beoordeeld worden en desnoods gestraft. Veel gedichten lijken een secuur relaas van dromen, niet zelden nachtmerries, met de incoherentie, het gratuite, het absurdisme en de vanzelfsprekende logica die daar nu eenmaal eigen aan is. Alles kan, alles is waar, niets is theater zolang je droomt. Estor schrijft op de grens van het mogelijke en het onmogelijke, van de waan en de realiteit. Ze maakt daartoe gebruik van verschillende taalregisters. Er gebeurt allerlei geks in haar poëzie, maar met een zeker naturel. Het lijkt of zij ervan uitgaat dat zij haar lezer niets meer hoeft uit te leggen, dat hij al haar geheimen al kent. Wat opvalt in de confrontatie van de ‘ik’ met haar rechters is dat zij zich schuldig laat verklaren om de futielste redenen: ‘Zij heeft ‘s nachts de luiken opengezet, / een ladder gepakt,/ de lichten aangedaan,/ en met enkel een hemd aan de  ramen gelapt.’ De schuld die de ‘ik’ zichzelf toedicht, maakt deel uit van haar bestaansbewijs: zij is het die het heeft gedaan, niemand anders.

In haar zoektocht naar iets als een identiteit, confronteert de dichteres de culturen die haar omringen met elkaar, plaatst zij bijvoorbeeld het Indiase Goa tegenover ‘het Westland’, haar eigen habitat. Onder de vermeende superioriteit van die laatste legt zij een bom: ‘Wij dachten altijd dat we de baas waren./ We lachten met de dommen, (…).’ Nooit komt zij er helemaal achter wat de werkelijkheid is, waar het theater begint en waar het ophoudt. En wie is zijzelf?

____________________

ANNEMARIE ESTOR

Dit is geen theater meer

Wereldbibliotheek, 61 blz.,  19,95 euro.

©Luuk Gruwez / 2015

Luuk Gruwez. De winter komt

Saturday, March 28th, 2015

 

Luuk Gruwez. DE WINTER KOMT

 

Idyllen van Ilya Leonard Pfeijffer is helemaal niet idyllisch, wat er al meteen op wijst dat dit een bundel is die onder meer over waarheid en leugen gaat. Het is eerder een bedwelmende hellevaart, ter land, ter lucht en vooral ter zee met metaforische vehikels (schepen, vliegtuigen) langs het territorium van een avondland dat aan afbrokkeling onderhevig is. Voortdurend ligt de Apocalyps op de loer. Al ontkent Pfeijffer het misschien, hij geeft voortdurend vorm aan zijn ondergangsgedachte. Het enige wat vast staat, is dat het flink bergaf gaat. Met alles. ‘De winter komt,’ luidt het herhaaldelijk. Het wemelt van  motiefjes die zeer frequent herhaald worden en die daar op verder borduren. De dichter ondergraaft  intussen de schone schijn, onder meer door de beroemde regel van Nijhoff om de haverklap te citeren: ‘Er staat niet wat er staat.’ Het gaat slecht in de wereld; geen mens vindt er zichzelf nog in terug. Er is niemand die nog heet zoals hij zou willen heten. En het is overal nacht: ‘De nacht is aangezegd,’ is een van de vele leidmotieven, ‘de warre uren waaien’. Al van in de eerste versregels luidt het: ‘Ik weet niet hoe ik mij moet zijn.’ Dat komt allicht door een dreiging als deze: ‘Ieder tikkend uur/ is ieders  laatste uur.’ Pfeijffer doet er werkelijk alles aan om volop te bestaan, terwijl hij vast moet stellen dat anderen dit beter kunnen.

Is Idyllen een aangrijpende bundel? Nee, meestal niet. Is het een romantische bundel? Bah, eigenlijk ook niet: de romanticus wordt gedefinieerd als een lul. We lezen deze verzen: ‘De liefde is voor jou niets dan een slimme zet/ en romantiek hoort op het openbaar toilet, (…).’ Is het een bundel waarin de dichter veel empathie met zijn medemens etaleert? Evenmin. Is het een bedwelmende bundel? Jazeker. Zelden weet taalmuziek in gedichten je zo in te palmen: dat is alleen de allergrootsten gegeven: Pfeijffer toont zich de evenknie van Nijhoff en Eliot.

De dichter begeleidt ons naar de muffe krochten van de menselijke ziel. Hij doet dit in registers die variëren tussen het bacchanale, het hoerige, het scabreuze, het scatologische en hier en daar toch ook het sensuele. ‘Ze heette Juliet. Ze was een vol toilet,’ lezen wij ergens. Er wordt aan pikken gezogen met een gulzigheid die vergelijkbaar is met wat in de City Snack gangbaar is. Pfeiffer zit om geen vulgariteitje meer of minder verlegen, maar hij is niettemin op zoek naar zijn Juliette, Giulia, Julia: vrouwen die onder verwante namen zijn nogal absolute geliefde moeten belichamen. ‘Ik heb mijn rust aan zoveel Julia’s vergooid./ Begeren is uitputtend,’ heet het. Hij benijdt de vrouw bovendien omdat hij er zelf geen is. ‘Van wat ik heb gemist, heb ik het meest gemist/ om vrouw te zijn,’ staat er.

Dit is een bundel over missen en verliezen: ‘Aan alles valt altijd wel iets te restaureren./ Het leven is niets anders dan steeds repareren.’ En een paar regels verder heet het zo: ‘Ik repareer mezelf kapot.’ De dichtkunst als vorm van reparatie: een klassiek item. Maar aan al die pogingen tot herstel ga je wel kapot. De wereld is zichzelf kwijtgeraakt en is verworden tot een zwalpend schip waarvan ook de kapitein compasloos is. Er is geen groter geluk mogelijk dan in de gedachteloosheid: ‘Bestaan is tegen beter weten in te pogen/ om niet te denken wat je best zou kunnen denken (…).’. Tal van citaten kunnen deze stelling kracht bijzetten. ‘Ik wou dat ik soms even zonder woorden kon,’ voegt Pfeijffer eraan toe. Als lezer kun je overigens de hele tijd met het potlood in de aanslag zitten: de dichter heeft een groot talent voor  bon mots die niet zelden het wereldbeeld dat hij ophangt, ondersteunen. Dat beeld wordt voorts geïllustreerd door langere epische taferelen die zowel op de hellingen van wielerklassiekers, genre Ronde van Vlaanderen, als in Oekraïense hoerententen kunnen worden gesitueerd. Want Pfeijffer is niet voor één gat te vangen. ‘Soms ga ik onherkenbaar als mezelf vermomd/ naar plakkerige heiligdommen van weleer,’ schrijft hij.

Af en toe demonstreert hij enig zelfbeklag. Maar dat accepteer je omdat hij vele pagina’s lang niet nalaat zichzelf te kleineren. Hij stelt zijn eigen dichterschap en de ontvankelijkheid daarvoor bij zijn medemens ter discussie: ‘Het volk dat zich verzamelt rond het tabernakel/ heeft geen behoefte aan gedicht.’ Maar tot al dat nietige dat hij beschrijft, behoort hij in feite ook zelf.

Pfeijffer is zo’n slimme dichter die zich afvraagt of het wel een goede zaak is dichter te zijn. En welke soort dichter dan wel? Sinds zijn debuut verandert hij van poëtica als van ondergoed. Met Idyllen is zijn zekerheid beslist niet toegenomen. Alsof hij het zelf ook niet meer zo goed weet. Sterker: wil hij het wel weten? Voor een ‘zesmingedicht’ wil hij het beslist niet doen en hij gaat voluit de confrontatie aan met al die ‘lieve dichtertjes in Nederland en België’. Maar hij krijgt weinig vaste grond onder zijn wankele wereldbeeld. Veel meer zekerheid dan deze is er niet: ‘De winter komt en hij zal vele jaren duren.’

 

Ik heb vandaag mijn omaatje begraven. Heeft

wel honderd jaar geleefd. Een eeuw heeft haar beleefd.

Er was familie bij, die ik niet heel goed kende.

Er werd gehuild als bij een uitvaart. Maar het wende.

Ik had voor haar mijn mooie schoenen aangedaan,

waarop ik woorden sprak. Ik liet hen in de waan

dat blaadjes vallen in de herfst en kaarsen doven,

de shit waar alle rouwenden graag in geloven.

Maar toen de laffe, lauwe koffie werd geschonken,

toen ben ik teruggegaan. Ik hoorde haar al bonken.

Ze knipoogde toen ik de kist voor haar ontsloot.

‘Heb ik het goed gedaan?’ vroeg zij. ‘Leek ik echt dood?’

Ze droeg haar mooiste jurk. Ik hielp haar overeind.

Ze schopte alle bloemen van haar voeteneind.

‘U was de beste,’ zei ik. ‘Echt het middelpunt.

Als dode werd dat u door iedereen gegund. (…)’

(fragment uit gedicht 11)

 

_____________________

ILJA LEONARD PFEIJFFER

Idyllen. Nieuwe poëzie

De Arbeiderspers, 184 blz., 21,50 euro.

AANTAL STERREN:

****

 

 

Luuk Gruwez. SCHRIJVEN OM DE TAAL TE EREN

Friday, February 20th, 2015

 


De auteur: Zowel met de VSB Poëzieprijs, de Constantijn Huygensprijs als -recent- met de P.C. Hooftprijs bekroonde dichteres.

Het boek: Dichtbundel waarin Brassinga een gesprek met haar geliefde doden aangaat en in eerste instantie een eredienst voor haar geliefde, de taal, wil houden.

ONS OORDEEL: Dit is poëzie die niet alleen fascineert, maar velen ook zal afschrikken en zelfs irriteren vanwege haar soms nogal lukrake beeldenarsenaal.

 

SCHRIJVEN OM DE TAAL TE EREN

 

‘Om te schrijven als geen ander moet u eerst/ lezen alles wat geschreven staat, alles weten/ wat sinds Adam gedacht is en gezegd.’ Dat schrijft Anneke Brassinga in het gedicht ‘Kolos’ uit ‘Het wederkerige’. Dit is het credo dat hier geldt. Omwille van de frequente cultuurhistorische allusies wordt de lezer her en der omstandig tot navorsingswerk gedwongen. T.S.Eliot, Desiderius Erasmus, Lucretius, Rudolf Carnap, Guillaume Dufay, Stéphane Mallarmé, Walt Whitman, Hans Lodeizen en anderen: zij passeren allemaal de revue. De dichteres maakt wie haar leest deelachtig aan de kennis waarmee ze niet minder dan de wereld wil beheersen. Daar is niets tegen. Alleen drijft zij meer dan eens een wig tussen haar en de lezer. De enige liaison die zij met hem aangaat lijkt er soms een te zijn die enkel op het muzikale timbre van haar gedichten is gestoeld en op een taal die vrijwel altijd wil bedwelmen, in hoeveel  registers zij hier ook wordt gepresenteerd, niet zelden gelardeerd met archaïsmen en neologismen. Het volstaat even te googelen om vast te stellen dat velen zich mateloos ergeren aan wat zij, niet gehinderd door kennis, als geraaskal bestempelen. Het probleem met Brassinga’s poëzie is inderdaad dat van de interpretatie. Sommige gedichten zijn assemblages van ingrediënten uit diverse werelden, banaal of verheven, lukraak gelieerd aan elkaar, lijkt het. Mede daardoor laten zij soms nauwelijks een invalshoek toe. Het zijn de woorden die wel onderling een verband aangaan, maar niet met de lezer. Want de taal is autonoom en trekt zich van de gebruikers van het woord weinig aan: ‘Wat niemand weet, zei hij, is dat de taal,/ abstract van aard, uitsluitend zich bekommert/ om zichzelf (…)’. En in een interview in Poëziekrant bevestigt Brassinga deze verzen. Gepolst naar de mate waarop zij met haar lezer is begaan, repliceert zij als volgt: ‘De dichter zelf moet dat allemaal niets kunnen schelen. Hij schrijft om de taal te eren.’ Het wekt dan ook geen verbazing dat zij in verhouding meer bekroond dan echt gelezen wordt. ‘Woorden,’ schrijft zij, ‘zijn gruis in een taalloos kabaal,/ zelfs mijn knie/ snapt niet wat ik zeg (…)’.

De taal eren. Is er dan werkelijk niets anders waaraan die dienstig is behalve aan zichzelf? Jawel. Zij blijkt een instrument te zijn waarmee de dichteres zich teweerstelt tegen het inherente geweld van de natuur en de genadeloosheid waarmee die ons van onze geliefden berooft. Flora en fauna krijgen een prominente rol toebedeeld. Maar zij zijn niet altijd bevorderlijk voor de gemoedsrust, trekken zich ook al niet veel aan van een mens. Het behoort bovendien tot iemands eigenheid dat hij, net als elk dier, moet leven in een element, zeg maar een natuurlijke habitat, waarop hij niet noodzakelijk is gesteld:  ‘een waterdier’, bijvoorbeeld, ‘dat in het water/ niet van water houdt.’

Precies omdat er met die natuur zelf geen conversatie, laat staan een vergelijk, mogelijk is, voelt de dichteres zich geroepen te memoreren bij het leven. Brassinga wekt haar geliefden uitbundig uit de doden. Zij wil met hen het glas heffen over hun sterven heen en minstens zolang haar gedichten duren. Het wemelt van de in memoriams, onder meer voor collega en vriend Erik Menkveld. En in een briljant gedicht als ‘Auf Flügeln des Gesanges I’ staat te lezen dat doden dankzij de poëzie weer tot leven komen. Waarna je hen, helaas, opnieuw verliezen kan. Het maakt allemaal deel uit van het orfische karakter van veel van deze gedichten. De muzikale context, hier afkomstig van Schubert, genereert zowel winst als verlies. Net als in de mythe van Orpheus en Eurydice is er, zolang de muziek weerklinkt, sprake van hereniging met wie gestorven is: ‘Het wederkerige’ uit de titel betekent misschien ook datgene wat weerkeert. Maar net zo goed is daarna het verlies van de geliefde onherroepelijker.

Verlies is dus omnipresent. Ook in de de vertaalde gedichten van Deborah Digges achteraan de bundel. Zij is de Amerikaanse dichteres die in 2009 op negenenvijftigjarige leeftijd zelfmoord pleegde door van een sporttribune te springen. ‘Soms, als het me niet lukt om gedichten te schrijven, neem ik me voor om een einde aan mijn leven te maken,’ geeft ook Brassinga in hogergenoemde Poëziekrant toe. Vier prachtige gedichten van Digges heeft zij hier vertaald. Verzen geschreven op de scheidswand tussen leven en dood, met een absolute urgentie en met de nadruk op datgene waar het uiteindelijk om gaat: liefde. Ook in de epiloog van de bundel, een vertaling van een gedicht van Edna St. Vincent Millay, is dit de teneur. Een ik is van haar geliefde gescheiden door de dood. Alle plekken die haar aan hem doen denken omdat zij er met hem samen is geweest, beklemmen haar. Maar komt zij uiteindelijk daar waar zij nooit met hem was en waar niets aan hem denken doet, dan voelt zij zich net zo verslagen. Kennelijk maakt niets iemand zo aanwezig als wanneer hij wordt gemist. ‘Wat is een leven zonder liefdesglans?’ heeft Brassinga eerder al verzucht. Het is de onderliggende toon van al haar verzen.

 

__________________

ANNEKE BRASSINGA

Het wederkerige

De Bezige Bij, 72 blz., 18,50 euro.

 

*

Auf Flügeln des Gesanges

 

I

Vannacht zag ik de vuilnismannen op hun kar

stapvoets door de stegen gaan, in fervente onder-

werping aan het dionysisch ideaal, veelstemmig

 

Schubert ten gehore brengend; een verheffend

koorlied, rafelig als een vod. Ook op de been

was Freud, met in de hand zijn hogehoed van glas –

 

de droom navolgend die hij zelf had opgeschreven;

alwie ik zag was melancholisch aan het streven.

Zo kan ik doen alsof er nog een leven komt

 

waarin ik eindelijk jou ontmoet – alsof wij

in de schaduwen van morgen elkaar, hervonden,

opnieuw voorgoed verliezen konden.

 

(c) Anneke Brassinga (Uit: Het wederkerige, 2015: De Bezige Bij)

 

 

 

Luuk Gruwez. Roland Jooris – Een beeldhouwer van taal

Monday, December 29th, 2014

 

De auteur: Al vijfenvijftig jaar lang een dichter die zich, hoewel hij zich van woorden bedient, minstens evenzeer plastisch kunstenaar voelt.  

Het boek: Een soort ‘work in progress’. Bewust geen verzamelbundel, maar een keuze uit het eigen werk tot dusver, gelegitimeerd door de huidige poëtica en aangevuld met tien nieuwe gedichten.

ONS OORDEEL: Poëzie die vanwege de hoge abstractiegraad nogal wat vergt van de lezer, maar die overtuigt vanwege haar authenticiteit en consistentie.

 

Hoewel Roland Jooris een dichter is die zo precies mogelijk probeert te kijken, profileert hij zich als kampioen van de aarzeling. Wat hem aan het schrijven houdt, is het feit dat niets ooit voldoende adequaat bekeken kan worden:

 

 ‘in zijn donkere kamer

 ruimen de dingen

 voor vermoeden

 plaats’.

En inderdaad: vermoeden is een van zijn hoofdactiviteiten, veel meer dan weten. De middelen waarvan hij zich daartoe bedient, zijn evenzeer die van een plastisch kunstenaar als die van een dichter. Er is  er is in de Nederlandstalige poëzie niemand die zozeer op een plastisch kunstenaar lijkt. Al ettelijke decennia. Roland Jooris maakt met een pen in de hand schetsen die heel erg op woorden lijken. En met die woorden heeft hij het moeilijk wanneer zij hem te talrijk zijn. Hij heeft in zijn poëzie namelijk het minimalisme nodig van de door hem bewonderde kunstenaars en aan overtolligheid heeft hij een gloeiende hekel. Als een streep of een cirkel volstaat, dan hoeft daar niets aan toegevoegd. Het leven geeft al voldoende overbodig commentaar; in de kunst heeft enkel de essentie spreekrecht. Dat is bijvoorbeeld zo in een bundel die veelzeggend ‘Kromte’ heet. De meeste dingen, stelt Jooris vast, zijn krom. Deze overtuiging maakt van hem een ondogmatisch dichter die rechtlijnigheid schuwt, doordat zij te zeer verwant is aan het eeuwige gelijk. Zijn poëtische credo is te menselijk om zich met onwrikbaarheid te omkleden. Alles is krom in de wereld. In wat wij zien. In wat wij denken. In wat wij voelen. Er is geen andere waarheid dan het gebrek aan waarheid.

In zijn briljante inleiding bij deze bundel schrijft Carl De Strycker dat elke dichter van een vergelijkbaar kaliber zonder meer een verzameld werk verdient, maar dat Roland Jooris zulks onder geen beding verlangt doordat hij ervoor schroomt geconfronteerd te worden met te veel oud werk waar hij nu niet meer achter staat. Het is typisch Jooris om er zo over te denken. Hij is er blijkens een interview van overtuigd dat ook schrappen soms een toevoeging is. ‘Sculpturen,’ schrijft De Strycker, ‘is een bundel van de dichter Roland Jooris uit 2014 en dat is een schrijver die niet meer de neorealist is waarvoor hij, op basis van ‘Gedichten 1958-78′, doorgaat in de literatuurgeschiedenis.’ Het laatste oordeel is steeds het meest gezaghebbende en dat is wat deze dichter heeft nagestreefd door, naast een selectie uit het vroegere werk, de aandacht te vestigen op tien nieuwe gedichten.

Er kleeft iets contemplatiefs, om niet te zeggen iets mystieks aan het poëtische streven van Jooris. Enerzijds wil hij gedichten schrijven waarnaar je als het ware kunt kijken en die compleet op zichzelf staan, los van hun betekenis. Anderzijds wil hij ook voorbij die gedichten kijken naar het grote niets dat zich daar bevindt en waarin hij kennelijk een beetje Zensgewijs wil opgaan. Terecht merkt De Strycker op dat deze poëzie misschien wel meer over inzien dan over zien gaat, doordat de wereld die geschapen wordt er geen van registratie is, maar van verbeelding. Wat beschreven wordt, is een verbeelde wereld die er net uitziet als de echte wereld. Alleen is het er een die het verlangen naar een zekere onthechting wekt. Zo is poëzie voor Jooris toch ook een poging om aan de dood te ontsnappen. ‘Om te ontkomen,’ lezen we, ‘bestaan we’. Er  vindt daarbij een spel plaats tussen wat momentaan en wat oneindig is: ‘is het een ogenblik lang/ voorbijgaand toch/ eeuwig/ (…)/ zwemt iemand zich weg/ tot oneindigheid/ opduikt’. En nog: ‘boven het ondermaanse/ aan de zoom van een/ verwildering/ (…)/ altijd/ het alomtegenwoordig veraf/ nabije in het nietsvermoedend/ licht’. Het zijn verzen uit de tien nieuwe gedichten die de bundel afsluiten. ‘het onverklaarbare/ houdt ons/ overeind’, staat er. Roland Jooris wil de woorden ontwijken die hem te zeer aan alleen maar het dagelijkse kluisteren. Zijn verzen klinken evenwel nooit dogmatisch, want hij vermijdt zekerheden, ventileert nevel, wazigheid, gebrek aan rechtlijnigheid en een bewuste vaagheid. Hij houdt van wat nog ongevormd is. Of van wat in vormeloosheid uiteenvalt. Vandaar dat veel met wording te maken heeft. (Talrijk zijn overigens de woorden die eindigen op het suffix ‘-ing’ en daardoor naar een ontstaansgeschiedenis verwijzen.)

Het is treffend dat het slotgedicht van ‘Sculpturen’ ‘Genese’ heet. Uitgerekend wanneer je denkt: alles in deze bundel is nu afgerond. Maar nee, voor Jooris begint het daar juist. Nooit is zijn ‘work in progress’ af. Nooit is evenmin de mens af. Hier is een dichter aan het woord die suggereert dat wij er met zijn allen alles aan doen om niet te zeer te moeten sidderen voor de grote leegte.

__________________

ROLAND JOORIS

Sculpturen

Een keuze uit het werk

gekozen door Bart Van der Straeten

Poëziecentrum, 124 blz., 25,99 euro.

Luuk Gruwez. Binnen en buiten

Monday, November 24th, 2014


 

Het boek: ‘Altijd een raam’ is haar derde dichtbundel, waarin zij middels de confrontatie van binnen en buiten haar positie in de wereld probeert te bepalen.

ONS OORDEEL: De poëzie van Sylvie Marie heeft de roep helder te zijn. Maar deze keer is dat minder waar. Enkele transparante gedichten volstaan niet om de indruk te vermijden dat de suggestiviteit te zeer naar duisterheid neigt en de associaties te gratuit zijn.

Er is dat raam. Het is er al in de titel van de bundel en in het eerste gedicht dat aan twee cycli voorafgaat die respectievelijk ‘Binnenskamers’ en ‘Buitenshuis’ heten. Het bevindt zich op de grens tussen de besloten ruimte van de dichterlijke habitat en de uitwaaierende ruimte daarbuiten. Beide plaatsen roepen impressies op en zijn onderhevig aan de vraag naar de manier waarop de ik ze ervaart. Het is, zo zal in het slotgedicht van de bundel blijken, een vraag die hoofdzakelijk onbeantwoord zal blijven. ‘we vonden/ een vraag,/ we stelden/ (neen, we stalden)/ hem uit,’ staat er bij wijze van conclusie in verzen die ook het einde van de taal lijken te impliceren: ‘binnen was de taal gebroken/ rinkelend porselein.’ Marie beëindigt haar bundel met een antwoord dat er geen is, dat integendeel opnieuw een vraag is.

Tot een echte interpretatie van binnen- en buitenwereld komt het eigenlijk niet. De onmacht van de dichterlijke ik om zichzelf te definiëren is, zo wordt een paar keer gesuggereerd, misschien te verklaren vanuit de dominantie van een ‘vader’ die ook als lijk nog omnipresent is en die het anagram ‘daver’ oproept. Maar het is ook mogelijk dat juist de dood van die vader de wereld op zijn grondvesten laat beven, zeg maar ‘daveren’. In elk geval dringt de vader zich zelfs in gestorven toestand met veel gezag op. Het maakt dat het bestaan als erg zwaar wordt ervaren. ‘er staan/ tranen in je ogen en je zoekt een metafoor,’ schrijft Marie. En verder: ‘je snikt,/ niet omdat je pijn lijdt door het ondraaglijke gewicht,/ maar omdat het kan, naar een olifant/ op je hand kijken.’ Met andere woorden: ook de verbeelding biedt geen soelaas, want het leven blijft een last, zorgt onophoudelijk voor pijn.

Er is een verhaal van Géza Csáth, een auteur uit het voormalige Joegoslavië, dat ‘De kleine Emma’ heet. Het is een van de meest huiveringwekkende teksten die ik ken. Het hoofdpersonage, een jongen uit de tweede klas van de lagere school, is gefascineerd door  Emma, die één klas lager zit. Samen met zijn oudere broer en een paar nichtjes experimenteert hij met het ophangen van dieren. Nadat eerst een dashond er al aan heeft moeten geloven, is Emma het volgende slachtoffer. Precies dezelfde dreiging gaat er uit van wat misschien het beste gedicht van ‘Altijd een raam’ is en tevens het gruwelijkste. Zo vangt het aan: ‘mijn moeder hing gisterochtend de hond op.’ Vervolgens krijgen wij te lezen hoe de ik vreest dat die wreedaardige moeder het wel eens op haar zou hebben kunnen gemunt: ‘omdat ik ook wel eens jank,/ en blaf, en bijt.’ Het hier geschetste sadistische universum lijkt erg op dat van Csáth. Een moeder en een vader die doen daveren: de roots van de ik bevinden zich in een veld van angst.

Opvallend is het streven van Marie naar harmonie. Niet enkel tussen binnen- en buitenwereld, maar ook tussen de personages die zich erin bewegen. In de aan Gerrit Kouwenaar ontleende titel ‘totaal witte kamer’ schetst zij een paar dat in bed ‘lepeltje lepeltje’ tegen mekaar aanligt. Voortdurend is zij beducht voor wat de idylle zou kunnen verstoren, bijvoorbeeld alleen al de gedachte dat het alsnog verkeerd zou kunnen lopen: ‘we hadden die dagen zoveel geluk dat we dachten dat we droomden.’ Ongeluk vermijden is een kwestie van tactiek. Het geluk, zo wordt gesteld, mag niet naar de buitenwereld toe. Het dient opgesloten. Maar anderzijds staat er: ‘het huis werd een burcht, een ophaalbrug rees, de mazzel/ kon geen kant meer op.’ Het is maar de vraag waar geluk het minst bedreigd is: in de binnen- of de buitenwereld? De burcht kan namelijk ook een gevangenis zijn.

Niet altijd is Sylvie Marie zo duidelijk. ‘elders zijn lakens altijd witter, zeker/ als ze er vloerverwarming hebben (…),’ schrijft ze. Dit soort rare redeneringen lijkt haar handelsmerk. Haar gedichten bevatten de absurdistische associaties van dromen. Ze zijn geschreven in een idioom dat vanzelfsprekendheid ademt, maar lang niet altijd een concreet verhaal prijsgeeft. Dingen en mensen gaan met elkaar vaak een lukraak verband aan.

Een van de motieven waarmee de bundel is doorspekt is dat van de confrontatie tussen de romantiek van bijvoorbeeld de wilde verliefdheid en de alledaagsheid van een meer gesetteld bestaan. ‘in het begin waren we eindeloos/ op elkaar en onder (…),’ lezen we in een gedicht dat eindigt met deze regels: ‘als ik thuiskom van het werk/ en je bent er en je hebt gekookt,/(…)/ dan zeg ik dat het lekker is.’ De dichteres lijkt zich welbewust van de gevaren van de totale overgave. Voortdurend vraagt zij zich af waar zij moet kruipen. In het binnenkamerse wordt zelfs nog het binnen van een lichaam opgezocht: ‘om te overleven warmen we onze handen aan de binnenkant van dijen (…).’ In deze intieme context is het samenzijn bij Marie een bron van voortdurende verwondering. ‘vreemd hoe wij soms samen zijn,’ heet het. De voor- en nadelen van alleen en samen worden afgewogen, waarna uiteindelijk voor samen geopteerd wordt. ‘tot snel’, luidt het. Want Maries ultieme doel is noch min noch meer de liefde.

mijn moeder hing gisterochtend de hond op.

ik zie haar in gedachten de strop rond de nek leggen,

het dier naar boven  hijsen.

dat ze zwijgend toekeek tot hij stopte met schudden,

dat ze hem met even weinig woorden

liet zakken, het touw lostrok en de hond begroef in het bos,

verzin ik er zonder aarzelen  bij.

ik ken mijn moeder, ik weet hoe ze dingen doet.

ook zulke dingen.

eerst dacht ik dat ik wilde

dat mijn moeder zou opkijken, iets zeggen,

nu denk ik dat ik bang ben omdat ik ook wel eens jank,

en blaf, en bijt.

Sylvie Marie

__________________

SYLVIE MARIE

Altijd een raam

Uitgeverij Vrijdag en uitgeverij Podium, 61 blz., 16,50 euro.

AANTAL STERREN:

***

Luuk Gruwez. Dada & Co

Thursday, November 20th, 2014


Er gaapt een enorme discrepantie in de bloemlezing ‘Dan Dada doe uw werk!’ tussen het voortreffelijke nawoord van Hubert van den Berg en Geert Buelens enerzijds en de honderden Nederlandstalige gedichten die zij van vaak totaal vergeten avant-gardistische dichters uit de eerste decennia van de twintigste eeuw hebben verzameld. Het leeuwendeel van de laatsten weet namelijk niet één hedendaags lezer meer te boeien en de meeste van hun gedichten zijn het eerlijk gezegd ook niet waard aan de vergetelheid te worden onttrokken. Niets is – alvast in ons poëzielandschap – zo gedateerd, zo belegen en vaak ook ronduit lachwekkend als experiment van vroeger, moderniteit die in de loop der jaren zo onmodern geworden is. Zelfs een dichter als Paul van Ostaijen ontsnapt daar niet altijd aan.

Het is aannemelijk dat Buelens en Van den Berg een en ander in zijn historische perspectief hebben willen plaatsen. Zij ventileren zelf voorzichtig hun twijfel met betrekking tot het niveau van de avant-gardisten: ‘Over de poëtische kwaliteiten van de hier opgenomen gedichten doen we geen uitspraken. Toen ze verschenen, waren ze bijna zonder uitzondering marginaal, vandaag zijn ze dat (een paar gecanoniseerde uitzonderingen (…) niet te na gesproken) nog altijd.’ Dat klinkt allemaal academisch verantwoord en het is erg verdienstelijk, maar tegelijk enigszins wereldvreemd: zijn zulke slechte dichters zoveel ijver waard?

Wat blijft er niettemin overeind? Hier en daar een vers van Burssens, Marsman of Gilliams. Een lange en daardoor soms net iets te langdradige incantatie van Marnix Gijsen over de heilige Franciscus, een niemendalletje van Pierre Kemp, misschien een paar letterklankbeelden van I.K. Bonset (heteroniem van Theo van Doesburg) en uiteraard Paul van Ostaijen, verreweg de eminentste in deze bloemlezing. Het is al bij al iets te weinig om een aanzienlijke schare lezers tot lectuur te verlokken.

________________________

Hubert van den Berg & Geert Buelens (Samenstelling), Dan Dada doe uw werk!, avant-gardistische poëzie uit de Lage Landen, 247 blz., Vantilt, 19,95 euro.

AANTAL STERREN:

***

Luuk Gruwez. Tussen slak en God

Thursday, October 2nd, 2014



De mens is blijkbaar het enige wezen dat geen enkel talent voor sterven heeft: het  is een stelling die in twee verschillende gedichten van Marjolijn van Heemstra te lezen staat. ‘Meer hoef dan voet’ is een bundel waarin zij zich omstandig beraadt over haar plek in het bestaan. Kennelijk dichter bij het dier dan bij die mens. Waar bevindt die zich overigens? Het is een vraag die zij zich in haar evolutionaire verbazing voortdurend stelt. En zij suggereert een antwoord: allicht ergens tussen slak en God. En waar bevindt die laatste zich? Zowat overal: ‘God moest een sluiproute zijn, de ingang ergens vlakbij, het hoge raam/ in de meisjes-wc, (…).’ Het verwondert niet dat Marjolijn van Heemstra ook godsdienstwetenschappen heeft gestudeerd.

Merkwaardig vaak bezint zij zich over wat groter en kleiner dan een mens is en over de spanwijdte van diens habitat.  Zij is, kortom, op zoek naar een identiteitsbewijs dat tevens een definitie inhoudt van wat zijzelf is, alsook de mensensoort waartoe zij behoort en die zich misschien te weinig realiseert hoeveel dierlijkheid er in haar aanwezig is. Zit er inderdaad niet meer hoef dan voet in elk van ons? Het thema komt al aan bod in het eerste gedicht: ‘in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm/ terug naar het begin en een mens zich naar het einde (…).’ De mens is maar een schakel in de evolutie.

Veel van deze gedichten zijn geschreven in het ruimtevaartcentrum ESA  in Noordwijk. Groot is de dichterlijke fascinatie voor ruimtevaart, voor de aperte poging van een mens om letterlijk boven zichzelf uit te stijgen en zich van zijn benepen aardsheid te ontdoen. Het is een motief dat blijkbaar zelfs een kind al drijft, zij het bij wijze van spel: ‘Maar op een grasveld in Noordwijk lanceert een kind/ in astronautenpak een raket van colaflessen, (…)’. Van Heemstra heeft als dichter veel van een wetenschappelijk researcher op zoek naar sporen. Zo ontzagwekkend groot is het heelal dat wij geen klare kijk hebben op de ontstaansgeschiedenis en de verdwijningsgeschiedenis van de levende wezens die het ooit bevolkt hebben of nog bevolken: ‘(…) We weten niet/ waarheen de dieren zijn die zich traag, in duizend,/ duizend jaren, onttrokken aan het zicht.’  Het DNA-onderzoek naar de oorsprong lijkt onbegonnen werk. Het maakt de studie van de sporen die wij nalaten niet minder belangwekkend. En elk spoor is een metafoor. De dichteres legt misschien ongewild de vinger op de wonde wanneer zij stelt: ‘Het stikt hier van de metaforen’. In de wirwar van beelden dreigt de lezer inderdaad meermalen zelf het spoor te verliezen.

De relatie tussen het grote en het kleine: het is een van de belangrijkste thema’s. ‘Ik was reusachtig! Wat je nu ziet is verkleind/ tot een pak van bloed en tanden,’ lezen wij in één gedicht. En een paar regels verder staat te lezen dat ‘potvissen in/ aquaria zweven waar het licht van de mier/ en de melkweg schijnt’. Ook hier weer wordt een groot prehistorisch dier opgedist, de supersaurus, die in al zijn voluminositeit contrasteert met wat onooglijk klein is. Bovendien zit het kleine in het grote vervat, zoals dat bij matroesjka’s het geval is. Dat geldt ook voor moeders. In elke moeder zit er een andere moeder verborgen, zoals er in een matroesjka een poppetje zit, waarin opnieuw een poppetje zit, enzovoort. Van groot naar klein, met alle mogelijkheden vandien: ‘Vrouw was één van duizend dingen die wij konden worden.’ Maar er is, zo blijkt uit enkele gedichten over geboorte, niet alleen aandacht voor de wording, maar ook voor de verdwijning. Van Heemstra beschrijft in ‘Dooier’ iets wat op een miskraam lijkt: ‘Mijn eerste schopte het niet verder dan een klein/ kartonnen bakje, te nat voor een graf.’ Kennelijk is dit waar het haar om te doen is: ‘Ongedaan maken van verlies.’ Poëzie als vorm van regeneratie, zoals dit bij insecten als wandelende takken het geval is wanneer die per ongeluk een arm verliezen.

Wanneer de dichter haar wezenlijke zelf wil zien in een gedicht waarin een volledige bodyscan van haar gemaakt wordt, blijkt zij verbijsterd door de omvang van haar duisternis. Zij is niet meer dan een ‘ondermaats pantoffeldier’. Om dit euvel ongedaan te maken is het  zaak dat zij zichzelf restaureert tot zij een vaste identiteit verwerft. Dit gebeurt in ‘Collageen’, een van de mooiste gedichten. Zij schrijft en lijmt zichzelf bij elkaar tot de definitieve gedaante ontstaat, waaruit haar ware aard spreekt en waarbij zij van haar eigen lichaam een onverwisselbaar geheel maakt: ‘(…) ik ben steeds minder/ met een ander te verwarren.’

Van Heemstra is zich bewust van al het leven dat haar omringt. Maar geeft zich daarbuiten iemand werkelijk rekenschap van een mensenleven? In het heelal mag dit namelijk, zo blijkt uit ‘Beste Marsbewoner,’ het slotgedicht, maar op een schamele status rekenen. De allerlaatste verzen luiden zo: ‘Het wordt tijd/ dat iemand ons vindt.’ Iemand van Mars dus. Van de aarde met al haar tribulaties valt niet bijster veel te verwachten. Wij zullen het hogerop moeten zoeken. En daar is poëzie als deze misschien een geschikt vehikel voor.

__________________

MARJOLIJN VAN HEEMSTRA

Meer hoef dan voet

De Bezige Bij, 59 blz., 17,50 euro.

AANTAL STERREN:

***