Posts Tagged ‘Luuk Gruwez’

Luuk Gruwez. Een remake van de schepping

Tuesday, July 1st, 2014


***

De auteur: Een van de grootste en meest aangrijpende Nederlandse dichters.  

Het boek: Na ‘Het hebben van schaduw’, drie jaar geleden verschenen, een dichtbundel waarin de aloude thematiek van de menselijke conditie, het verlies en hoe dit in een poging tot vitalisme om te buigen, verder wordt uitgediept.

ONS OORDEEL: Een bundel die niet alleen overtuigt door zijn vakmanschap, maar ook door de wijze waarop hij de lezer emotioneel betrekt bij de retouches van de schepping.

***

Wat is archaïsch in de poëzie van Hester Knibbe? Datgene wat mensen, zoniet met dieren, dan toch met hun voorouders gemeen hebben, simpele rituelen waarin zij een confrontatie aangaan met allerlei goden die hen de kans zouden moeten bieden uit te stijgen boven de beperkingen van de menselijke conditie. In deze poëzie worden allerlei handelingen ondernomen, offers gepleegd, kleine en grote daden gesteld waardoor een mens zich probeert te onderscheiden en uit te stijgen boven het feit dat hij in essentie ook maar een dier is.

Dat dier zelf is schuldeloos. Zo niet de mens. Hij heeft iets van zijn simpele dierlijkheid behouden, maar is daarnaast beladen met angst en schuld. Dit besef is er al vanaf het motto van Queen (‘very, very fright’ning me’). Waarom zijn wij toch zo bang en wat maakt ons zo schuldig? Daar hebben een leeuw en een lam vast geen last van.

De mens, daarentegen, is van meet af aan een dader, indien al niet een misdadiger. Tenminste vanuit onze huidige blik. Knibbe neemt evenwel diens verdediging op zich. De titel van het eerste deel van de bundel, ‘Vrijspraak voor Kaïn’, geeft daarvan blijk. Veel in deze verzen getuigt er namelijk van dat een mens een gedetermineerd wezen is. Waarom dient Kaïn vrijgesproken? Omdat hij het ook niet helpen kan dat hij een product van dierlijkheid is. Hij verschilt niet wezenlijk van een roofdier, maar heeft in feite niets kwalijks in de zin. Hij volgt alleen maar zijn natuur. Het is een kwestie die hier permanent aanwezig wordt gesteld. In een interview van eind 2013 met het tijdschrift Liter stelt de dichteres onomwonden deze vraag: ‘Wat maakt een mens tot wat hij is: een heilige of een misdadiger?’

In de hele eerste cyclus ‘Pro domo’ houdt Hester Knibbe zich bezig met de schepping. Zij herschrijft die als het ware ten behoeve van haar pleidooi voor Kaïn. En ze buigt zich over hoe het allemaal begonnen is en over hoe het straks eindigen moet. Uit de gang der natuur en de groei der vruchten leidt zij het volgende af: ‘Dus moest er wel (…)/ meer zijn onder de zon, iets/ wat je aanvang zou kunnen noemen en einde.’

Vanaf dan ontstaat er iets dat mede oorzaak van een pak ellende is: het grote weten,  instrument van de bedreiging. Zelfs dieren zijn ermee behept, want zij kunnen geluid interpreteren als een sein voor gevaar. Maar bij mensen resulteert het weten in meer dan alleen maar een dierlijke impuls. In een hele woordenschat bijvoorbeeld (en a fortiori in poëzie). Maar alwetendheid is beslist niet alleen een zegen. Zij is, schrijft Knibbe, iets wat wij ongewild mee hebben gekregen en is controversieel: zij houdt namelijk ook het besef van vergankelijkheid in.

De mens ervaart zijn lichamelijkheid op zich als schuldbeladen, of dit nu terecht is of niet. Nooit is zij geheel vrij te pleiten van vernietigingsdrift. ‘ondanks je zachtheid ben je/ geschapen voor de verwoesting,’ staat er. Die vernietigingsdrift lijkt zelfs noodzakelijk voor de bevestiging van het eigen bestaan. En in de aangrijpende cyclus ‘Zog’ blijkt hoeveel eigenlijk met de moedermelk is ingegeven. Het is in deze poëzie niet altijd even helder wie dader en wie slachtoffer is. De moeders, hier nogal talrijk present, zijn bijvoorbeeld lang niet altijd onschuldig. Zulks moge bijvoorbeeld blijken uit een gedicht over de zaak Sietske H., een moeder die vier van haar pasgeborenen heeft vermoord, in koffers heeft opgeborgen en op zolder bewaard. ‘Ik baarde/ vormfout op vormfout,’ laat Knibbe haar beweren. En ze laat haar een spel van dood en leven aangaan. Enerzijds wil zij haar kinderen niet in leven laten, anderzijds wil zij hen wel bewaren: ‘wat je in je/ (…)/ droeg wil je niet kwijt.’. Ook in Knibbes vroegere poëzie was dit al een belangrijk thema. De doden mogen nooit helemaal dood. Ze moeten weer tot leven worden gezongen in een zang die niet schuldeloos is en waarin de anderen – mens of dier –  soms dienen geslacht: alsof zij pas dan zelf tot ontplooiing kunnen komen. Allemaal goed en wel, zegt Knibbe, maar de kinderen dienen met rust gelaten. Dit is haar morele amendement: ‘Onder de Melkweg zonovergoten/ archaïsch de dieren. Maar laat/ (…)/ de kinderen met rust, zij moeten nog/ komen te weten.’

Als vanouds zitten er ook nu weer veel ingrediënten uit de bijbel en uit de Grieks-Latijnse beschaving in deze verzen. Wij krijgen een bijzonder intrigerend beeld van het Griekse Thebe, waarvan de archeologische site inmiddels verdwenen blijkt. Thebe zou de stad moeten zijn waarin men thuis kan komen en zich geborgen kan weten, maar wat hier wordt geschetst, is juist een plek die voor afwezigheid staat: ‘Waar zijn de poorten van de oude stad?/ De poorten zijn afgebroken.’

‘Er is altijd’, het tweede deel van de bundel, bevat tableaux vivants waarin de seizoenen elkaar opvolgen en waarin op zoek wordt gegaan naar het nog maar net ontstane, waaraan met behulp van verzen betekenis moet worden toegevoegd. Want dat is bij uitstek wat Knibbe fascineert: het eerste en het laatste. Zij onderzoekt wat het verschil daartussen is. Zij maakt het bestek op van wat zij ongeschonden kan overhouden en van wat dichterlijke restauratie behoeft. Zij trekt daarbij van leer tegen de menselijke geschondenheid. In absoluut fascinerende verzen.

 

Thebe

*

Waar is de oude stad?

De oude stad ligt iets verderop.

Waar ligt iets verderop?

Voorbij de splitsing, die moet je over.

Waar is de splitsing die ik over moet?

Vlak voor de plek die je zoekt.

Waar ligt de plek die ik zoek?

Binnen de poorten van de oude stad.

Waar zijn de poorten van de oude stad?

De poorten zijn afgebroken.

(c) Hester Knibbe

 

__________________

Archaïsch de dieren

De Arbeiderspers, 81 blz., 18,95 euro.

AANTAL STERREN:

****

Hester Knibbe


Luuk Gruwez. Verbijsterend heelal

Thursday, May 2nd, 2013

 

Deze recensie verscheen eerder in ‘De Standaard der Letteren’.

Luuk Gruwez. VERBIJSTEREND HEELAL

De auteur: zo langzamerhand een van de prominentste Nederlandse dichteressen.

Het boek: dichtbundel van iemand die zich voortdurend beraadt op haar positie in het haar omringende heelal en daar soms bang van wordt.

ONS OORDEEL: prachtig gecomponeerde bundel.

De recentste bundel van Maria Barnas vertoont een cyclische structuur. Hij begint met een gedicht over de oerknal. ‘Het heelal slaat de vleugels uit,’ heet het daar. En het eindigt met het ultrakorte gedicht ‘Oeverloos’: ‘De o van dood.’ Het is alsof in de dood alles weer heel wordt, alsof daar de perfect ronde en eindeloze staat van oeverloosheid wordt bereikt. Het heelal dat sinds de oerknal aan het uitwaaieren was geslagen en in fragmenten uit elkaar was gevallen, krijgt er als het ware zijn heelheid en zijn eenheid terug. Helaas enkel voor de duur van deze bundel.  Op de kaft staat, zwart tegen een witte achtergrond, een zwerm vogels afgebeeld. Die doen mij vanwege de dreiging die van ze uitgaat heel erg aan de ‘The Birds’ van Alfred Hitchcock denken. En inderdaad, in het eerste gedicht kun je met wat goede wil een bevestiging hiervan lezen: ‘Angst is een zwerm die rust in een boom.’

Het lijkt alsof Maria Barnas moeizaam overweg kan met het almaar meer gefragmenteerde heelal dat ons omringt. Zij schetst een werkelijkheid die ter wille van haar versplintering angstaanjagend is en gaat op zoek naar een herstel van de eenheid. Het bladzijdelange tweede gedicht van de bundel draagt als titel ‘Waar men bang voor is’. En dan volgt een vrijwel eindeloze opsomming van datgene waarvoor men zoal bang kan zijn: zowel voor huidziekten als voor orkanen, voor seks als voor flauwvallen, voor de paus als voor Rusland, voor de eeuwigheid als – ja, het staat er – voor ‘alles’. Angst, soms ontaardend in paniek, is de dominante in deze bundel van Barnas. Zo groot is hij dat de dichter de suggestie wekt te willen verdwijnen. Daarvan getuigt ‘Gesloten hoofd’, een gedicht opgedragen aan de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker, die zich heeft gesuïcideerd en waarin twee andere door zelfmoord omgekomen dichters ten tonele worden gevoerd: Sylvia Plath en Anne Sexton. Een ander gedicht brengt het getuigenverslag van de verdrinking van een vrouw. Dat ontlokt Barnas deze bedenking: ‘Ik aarzel aan het water zoals wandelaars / die aan het water staan. We aarzelen niettemin.’ En in de beschrijving van haar ouderlijke huis in Schoorl, waar zij niet langer in kan omdat er inmiddels andere mensen wonen, heeft zij het over de wens ‘om elke dag iets trager / uit het zicht te verliezen en ronduit in te verdwijnen.’

Zoals zoveel dichters die hun identiteit zoeken in de diaspora van plaatsen waar zij korte of lange tijd hebben verbleven, vergeefs op zoek naar iets als een absoluut onderkomen, focust ook zij zich op de plekken van haar bestaan. En dat is niet enkel Schoorl. Maar net zo goed Parijs of Amsterdam of Istanbul of Rome. Of Berlijn, de stad waar zij thans woont. Zij is overal op zoek naar een plaats waarvan zij kan zeggen dat zij er thuis is. Of dat helemaal lukt, is de vraag. ‘Ik ben hier thuis op een manier,’ klinkt het ergens met enige reserve. Eén plek op IJsland, vlak bij de ondergesneeuwde top van de Vatnajökull, confronteert haar weer met de essentie, met die hele kosmos waar zij zich geen raad mee weet: ‘Het is wit in mijn hoofd. Kan iemand me details geven? / Ik sta in het midden van een verbijsterd heelal.’ Die tot ontreddering leidende spanning tussen een individu en de hem omringende oneindigheid doet even aan een regel van Lucebert denken: ‘dit was ik en dat was het heelal.’ ‘De oeverloze tijd en ik’: om deze relatie gaat het hier namelijk van het eerste tot het laatste woord. Het is het benoemen van de dingen dat de dichter enige grip op het bestaan moet geven. Daarzonder regeert chaos. Tegelijk is het twijfelachtig of woorden die kunnen bedwingen.

Chaos: dat is ook de haast ontembare dagelijksheid, de tijd met al zijn trivialiteiten die je ten goede of ten kwade afleidt van de plechtstatige onbereikbare eeuwigheid en het meesterwerk dat zelfs ambieert een anderssoortig leven te zijn. Heel pregnant en met onvermijdelijke ironie verwoordt Maria Barnas haar dagindeling in het gedicht ‘De kinderen’: ‘Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen / neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden / mogen slaan met pannen en dieren / schoppen en deuren en niet op het kleed poepen / en er met een trein doorheen rijden (…).’ En verder: ‘Nog acht minuten voor een meesterwerk (…).’ Fnuikender dan hier is de clash tussen de realiteit en de literatuur nergens. De strijd tegen de tijd moet het afleggen tegen een paar futiele  besognes. ‘Jaja de oerknal,’ klinkt het nog ergens in het heelal, maar het is precies alsof alleen heel ondermaans en heel banaal op een kleed wordt gepoept. Maria Barnas heeft moeite met al die dagelijksheid. De goodwill waarmee zij het enthousiasme van haar kinderen voor iets als voetbal op televisie registreert, is matig. Maar ach, dat voetbal? Het zorgt soms voor extra time, voor verlengingen als enige min of meer aanvaardbaar alternatief voor de eeuwigheid.  

____________________

MARIA BARNAS

Jaja de oerknal

uitgeverij De Arbeiderspers, 48 blz., 18,95 euro

 

AANTAL STERREN:

****

 

DE KINDEREN

 

Nog dertien minuten

nee twaalf.

 

Ik had de hele dag om te werken

maar ik ging lezen en sorteren en kijken

hoe ik de dag het best kon indelen en nu

heb ik er nog maar elf.

 

Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen

neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden

mogen slaan met pannen en dieren

schoppen en deuren en niet op het kleed poepen

en er met een trein doorheen rijden

en niet je neus aan je broer afvegen

en nu moet je echt slapen slapen slaap nu toch eens

in je eigen bed en niet schreeuwen niet schreeuwen schreeuw niet zo!

 

Het hikken in mij

als de ochtend die ik

in schok schokken voorbij zie gaan.

 

Nog acht minuten voor een meesterwerk

of laat het een begin zijn.

 

Iets wat zo kan klinken.

Maria Barnas

Luuk Gruwez. De strijd met de tijd

Tuesday, December 11th, 2012

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. De strijd met de tijd

 Er verandert niet veel in de poëzie die Jean Pierre Rawie (°1951) de voorbije decennia geschreven heeft. Zijn thema is en blijft de strijd met de tijd. Een vroege bundel als ‘Het meisje en de dood’ (1979) had net zo goed door de inmiddels vijfenzestigjarige dichter geschreven kunnen zijn. Ook nu weer laat die zich voeden door domme illusies, maar hij weet dat hij niet eens mag hopen op een ex-aequo. Tot daar de niet erg verkwikkende gedachte die door dichters en door bomma’s en opa’s van alle tijden geregeld wordt geventileerd, zij het niet altijd op zo’n expliciete wijze als hier. Mogelijk daardoor en ook omdat er weinig variatie schuilt in de teneur van zijn poëzie, ondervind ik enige moeite om een kwaliteitsoordeel over Rawies jongste te vellen. Zijn gedichten zijn niet vies van romantische clichés en het is al vaker opgemerkt dat de maker ervan zich in zijn jargon van eeuw heeft vergist. Enkele schaarse nuances daargelaten, zou hij zijn poëzie in de negentiende eeuw hebben kunnen schrijven of zelfs in de renaissance: daarvan getuigen de vertalingen van voornamelijk Italiaanse renaissancedichters die als slotcyclus in ‘De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag’ zijn opgenomen. De wijze waarop het Tempus fugit-motief hier wordt behandeld is nergens bijster origineel. Wat meer is: Rawie schijnt niet in iets als vernieuwing te geloven. Wat baat het, lijkt hij te pretenderen, dat je je vernieuwt? In het licht van de voortvliedende tijd lijkt dat namelijk een ijdele – om niet te zeggen dwaze – onderneming.

Toch gaat er van deze poëzie steeds weer een herkenbare charme uit, met een aanzienlijke schaar van lezers tot gevolg. Misschien komt dit wel door het feit dat er maar weinig gerenommeerde dichters meer werkzaam zijn die niet terugdeinzen voor enig discutabel geflirt met het cliché of de kalenderwijsheid. Er gaat van iemand als Rawie na lectuur van een overvloed aan cerebrale poëzie in zekere zin iets verfrissends uit. De charme is, mij dunkt, vooral aan dit adagium toe te schrijven: je zult dan wel met zijn allen voor de verdommenis zijn bestemd, het is zaak enige grandeur te behouden, met chique wandelstok in de hand en binocle aan een kettinkje in de vestzak. Want weltschmerz is hier al vanouds een appellation controlée, het dichterlijke aroma dat van het antiquariaat. De ingrediënten van het romantische wereldbeeld zijn bekend. Er is de vergankelijkheidsgedachte die steevast culmineert in de dood. In ‘Necropolis’ dat over het Venetiaanse kerkhofeiland San Michele gaat, waar tal van beroemdheden hun laatste onderkomen hebben gevonden, staat dit te lezen: ‘De meeste doden liggen hier maar kort:/ de bodem biedt geen ruimte aan zovelen./ Hun resten worden zonder rituelen/ straks naamloos in een knekelput gestort.’ En het gedicht eindigt met deze regel: ‘waar zelfs de dood nog voor de dood moet wijken.’  Rawie heeft in zijn kleurenpalet altijd wel een zwart voorhanden dat nog zwarter is dan zwart. Niettemin zou hij geen Nederlander zijn wanneer hij zijn uitzichtloosheid niet kon opleuken met romantische ironie. Zo bijvoorbeeld in deze verzen: ‘Op straat kwam ik een middelbaar/ geworden dame tegen,/ en dacht met schrik dat ik met haar/ eens samen had gelegen./ (…) Ik wist haar naam niet meer, (…).’. 

Dat de dood komt, is een zekerheid, maar behalve middels ‘dichtkunst’ probeert de dichter hem te weren zonder zich te laten afhouden van zijn queeste naar de superieure geliefde, die helaas niet zelden een femme fatale is. De geliefde? Ofwel voert zij haar minnaar naar de afgrond, of zij is zelf al jaren dood, zonder dat het met de ik-figuur iets geworden is. Dit is met name het geval in ‘Eerste liefde’, een van de mooiste en tegelijk eenvoudigste gedichten in deze bundel. Hier is Rawie niet enkel charmant en dandyesk, maar ook aangrijpend. Iedereen weet van kindsbeen af dat alles voorbij moet gaan, maar toch houdt iedereen geen moment op te verlangen naar iets wat niet komt: ‘(…) wij hebben ons een leven lang verheugd/ op iets wat levenslang op zich liet wachten.Elders staat deze parafrase op Caesars ‘Veni, vidi, vici’: ‘(…) je kwam, je zag, en er was niets te winnen.’ En nog elders: ‘Je weet wel wat je wilt, maar niet of het bestaat.’ Een mens wordt gedreven door krachten die sterker zijn dan de ratio die hem dicteert dat alles op een nederlaag uitdraait.

De dichter is gefascineerd door het onherbergzame en het nagenoeg voorgoed verlatene. Dat uit hij in een aantal verzen met het Nederlandse landschap als onderwerp. Maar ook schetst hij een aantal Venetiaanse taferelen waarin hij zijn ik-figuur laat circuleren. Daarbij komt de tegenstelling aan bod tussen die ik voor wie het definitieve einde zo langzamerhand in zicht komt en de Dogenstad waarvan delen wel eens onder water komen te staan, maar die het toch steeds weer haalt van de zee. Dat definitieve einde openbaart zich op zijn scherpst in gedichten waarin Rawie het heeft over de beroerte die hem met verwaarloosbare handicaps heeft opgezadeld. Hier heerst een zekere gelatenheid, het gevoel dat het zoveel erger had kunnen zijn. Het is zelfs alsof die beroerte enige monterheid aan de tragiek toevoegt: ‘Hoe wankel ik ook sta. Ik handhaaf mij.’  En weer is die handhaving het meest mogelijk door de literatuur. Herstellend van zijn ziekte, vertaalt de dichter verzen ‘die ooit een Italiaan/ (…) voor iemand had geschreven.’ De fictie, die mogelijke vorm van onbestaan, blijkt dan toch troost te kunnen bieden. Anders gaat het er toe in verzen over zijn stervende moeder. In twee gedichten krijgen wij een inventaris van haar leven: ‘Een zevental dozen en zakken,/ een leven van negentig jaar/ liet zich in een paar uur verpakken,/ het was in een halve dag klaar.’ Dat is wat Jean Pierre Rawie in al zijn dichtbundels doet: een inventaris opmaken van een mensenleven en tot de vaststelling komen dat er aan het eind niet veel meer is dan bij het begin.

 

 

EERSTE LIEFDE

Mijn eerste liefde is al jaren dood.

De vijfde klas. Zij telde elf, ik tien.

Een voorjaarsdag. Haar voeten waren bloot

en in haar bloes kon ik haar schouders zien.

 

Ik was een knaap, zij werd al bijna vrouw,

en dit gevoel was nog te veel voor mij.

Ik wist geen woord voor wat ik zeggen wou,

mijn hart stond stil wanneer zij zelf iets zei.

 

Ze zat schuin vóor mij, en haar nek en rug

vormden het centrum van mijn klein heelal.

Dat zij bestond, maakte mij duizelig.

Zo was de wereld vóor de zondeval.

 

Er is nooit wat geworden tussen ons;

zij werd al vrouw, ik was nog maar een knaap.

De aarde dekt haar toe. Wat ondergronds

met haar gebeurd moet zijn, verstoort mijn slaap.

 

                      Jean Pierre Rawie

 

_______________________________

JEAN PIERRE RAWIE

De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag

Uitgeverij Bert Bakker, 65 blz., 15 euro

 

AANTAL STERREN:

 

***

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. Een kamer vullen met aanwezigheid

Monday, November 26th, 2012

 

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

EEN KAMER VULLEN MET AANWEZIGHEID

 ‘Licht overal’, de jongste dichtbundel van Cees Nooteboom, gaat in hoofdzaak over aanwezigheid en afwezigheid. Al in het motto van Lucebert wordt ons dat thema aangekaart: ‘maar wat je ontkracht en verwart/ niemand te zijn en nergens/ en dan nog iemand te zijn en hier.’ De dichter wil op alles zijn licht laten schijnen om het bestaan ervan te bewijzen. In het gedicht ‘Leeftocht’ luidt dat zo: ‘Een kamer vullen met aanwezigheid,/ gebaren, stemmen, vragen./ Alsof je voor het eerst een engel ziet/ en weet dat die niet bestaat,/ (…)’ Tussen bestaan en onbestaan navigeert de dichter. Zijn poëzie is het middel bij uitstek om zijn eigen bestaan te bewijzen en tekeer te gaan tegen de teloorgang van het woord. Hoe lastig dit wel is blijkt bijvoorbeeld uit ‘Avond’, een gedicht in memoriam Hugo Claus. Nooteboom refereert aan de ziekte van Alzheimer waaraan de schrijver langzaam zijn woordenschat, zijn ‘vergruisde grammatica’ en derhalve ook zijn identiteit moet afstaan. ‘Wat zit daar nu, een man of een gedicht?’, vraagt hij zich één gedicht verder af. En bij herhaling stelt hij zich  de vraag hoeveel er nodig is om te bestaan en hoeveel om niet langer te bestaan. Want de mens is een ‘onherbergzaam soort’ en ‘alles moet veroverd worden’. Zijn bestaan is, met andere woorden, niet vanzelfsprekend. 

Talrijk zijn de gedichten waarin de dichter zich afzet tegen de tijd. Zijn gedichten voor jarige en op pensioen gestelde collega’s (Frans Budé, H.C. ten Berge en Anton Korteweg) zijn in die zin meer dan louter gelegenheidsgedichten, ook al heet de cyclus in kwestie ‘Ter gelegenheid’. Nooteboom legt als het ware hun jaren en hun tijd op aarde vast opdat zij niet verloren zouden gaan. ‘Oud zijn is dodelijk’ heeft hij immers al aan het begin van zijn bundel laconiek vastgesteld. ‘Licht overal’ is hoe dan ook een bundel waarin dode en levende, Nederlandstalige en anderstalige dichters en denkers opvallend present zijn. De dichter put vooral uit het buitenlandse literaire erfgoed met gedichten over Juarroz, Wittgenstein, Hesiodus, Meng Chao, Shelley, Borges, Descartes, Ungaretti en Stevens. Andere dichters kijken voortdurend over zijn schouders mee, soms uitentreuren: van Auden tot Pound. ‘Alles van woorden is echt,’ dicht hij. Hij schenkt zijn dode voorgangers de realiteit van de levenden terug. Want gedichten zijn levende wezens in deze poëzie: ‘Het ene gedicht heeft het andere gegeten. (…) Hoeveel gestaltes heeft het verzinnen gekregen, wie, die er niet is, staat bij de heg in de tuin?’ Dit geloof in de overleving middels de macht van het woord klinkt misschien wat naïef, maar het wordt hardnekkig beleden. Poëzie is ook in staat tot vernietiging. ‘de dag voor hij stierf/ aan een vergiftigd/ sonnet.’ staat er te lezen.

Er hangt een waas van diepzinnigheid over de meeste van deze gedichten die veelal wijdlopig zijn. Nooteboom laat heel graag zien dat hij een homme de lettres is en koketteert te pas en te onpas met zijn culturele bagage. Dit gaat meer dan eens ten koste van de inleefbaarheid en dat is zeker een zwak punt. Anderzijds illustreert de hoge frequentie waarmee hij aan name dropping doet een streven dat essentieel is voor deze poëzie: het is de taal die de transformatie van onbestaan in bestaan mogelijk maakt. Zij alleen maakt het afwezige weer aanwezig. Geen wonder dus dat dichters, in Nootebooms wereld bij uitstek bedienaars van die taal, met alle honneurs gaan lopen. 

‘Dit is waar ik ben, achter mij/ volgt mijn tijd, een eeuwige voetstap/ vol woorden, (…), ik weet wie ik was.’ Zo luidt het in het gedicht ‘Landschap’. De dichter is op zoek naar zijn identiteit. Het spoor dat hij achterlaat, is niet miniem. Het gaat hem namelijk om een ‘eeuwige’ voetstap. Elders heeft hij het dan weer over een spoor in wit zand: nauwelijks merkbaar dus. Schrijven doe je om te weten wie je was. In sommige verzen, doordrongen van heimwee, bijvoorbeeld in de briefgedichten aan het adres van Remco Campert, vraagt de dichter zich dan weer af of dit nog mogelijk is, of de dingen van vroeger gebleven zijn of daarentegen ontstolen zijn aan wie hen vroeger bezat. Het lijkt of Nooteboom moet leven in een wereld die zijn betovering en zijn zin is kwijtgeraakt. Hier maken wij kennis met een aarzelende auteur die zich met Wittgenstein afvraagt of niet alles een illusie is.

_______________________________

CEES NOOTEBOOM

Licht overal

De Bezige Bij, 94 blz., 19,90 euro

  

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. Het alledaagse mag niet doordeweeks zijn

Tuesday, October 23rd, 2012

Elke maand besteedt Luuk Gruwez aandacht aan de bundel die hem het meest getroffen heeft. Onderstaande bijdrage verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

 Luuk Gruwez. HET ALLEDAAGSE MAG NIET DOORDEWEEKS ZIJN

 

Er zijn dichters die dichter bij Goya en andere die dichter bij Vermeer staan. Dichters die hoog scoren op de decibelschaal en andere veeleer laag. Dit is voor mij geen criterium om de enen met groter enthousiasme aan de borst te drukken dan de anderen. De moderne poëziewereld laat zich allang niet meer omgorden met een kuisheidsgordel van vaste precepten en recepten. Bij David Troch is het stil en komt Vermeer in de buurt. Dit was al het geval in ‘laat(avond)taal’, zijn debuut uit 2008. Een enkele keer voel je de al dan niet bewuste aanwezigheid van Nescio. (Bijvoorbeeld in ‘Wij waren geen jongens’, het gedicht waarmee hij begin dit jaar de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd won, een competitie waaraan amateurdichters uit Nederland en sinds kort eveneens uit Vlaanderen mogen deelnemen.) Maar hoe dan ook is het in deze poëzie eigenlijk zo stil dat er amper iets te horen is en des te meer te zien. Bovendien blijkt wat de dichter zichtbaar maakt bij een eerste lezing volstrekt alledaags. Troch schildert namelijk met een sober penseel taferelen die zich op fluistertoon laten weergeven. Dat zou poëzie van een buitengewone meligheid kunnen opleveren, met veel braaf gebabbel en rustig gekabbel, ware het niet dat je achter de geschetste alledaagsheid en de welwillende aanvaarding van het leven her en der kleine brandhaarden kunt vermoeden die de triviale werkelijkheid dreigen te vernielen. Gelukkige poëzie? Ze bestaat eigenlijk niet. Zelfs niet in een bundel als deze. Want op de loer ligt daar telkens weer die dooddoener dat het grote nadeel van geluk is te beseffen dat het cito presto weer voorbij kan zijn.

De verzen van Troch zijn hoofdletterloos, zoals te verwachten van iemand die ootmoedig naar de dingen kijkt. Ze zitten bovendien vaak ingelijst in een terzine, een driedelig maatpak, maar dan één dat niet wil excelleren in excentriciteit of chic. Belangrijker zijn hun toon en de sfeer die zij ademen. Een prachtig voorbeeld is de cyclus die handelt over de Russische stad Mologa die in 1941 onder het water is moeten verdwijnen voor de aanleg van het stuwmeer van Rybinsk. De dichter voert mensen op die het vertikken hun huis te verlaten en opteren voor de rust van de dood, doordat zij zich ervan bewust zijn dat zij het niet zouden kunnen: ‘(…) wegtrekken/ en geen heimwee hebben.’ Het bijzondere is dat hun bewustzijn ondanks hun overlijden intact is gebleven. Onder de waterspiegel lachen de doden om het verdriet en de rouw van de nabestaanden die soms in bootjes boven hun hoofden varen: ‘(…) zij barsten/ (…) steeds in een huilbui uit. wij laten na/ om met hen mee te leven en grinniken/ zodra hun tranen op het water vallen.’ Op veel compassie van de doden moeten de levenden niet rekenen: zij hadden maar thuis moeten blijven.

Thuis blijven! Daarmee is meteen het centrale thema van deze bundel vermeld. Voortdurend present is de spanning tussen het bekende en het onbekende, tussen elders en hier, tussen het min of meer vertrouwde ik en de nooit volledig kenbare andere. Communicatie is zelden vanzelfsprekend. Er wordt een gezin geschetst waarvan de leden niet met elkaar praten, maar gezamenlijk de beeldbuis en alles wat die te bieden heeft als een afgod of een heiligenbeeld adoreren en er een groter realiteitsgehalte aan toekennen dan aan de eigenlijke werkelijkheid: ‘(…) nooit kwamen wij / tot dialoog. voor elkaar bleven wij potdoof (…)’.  Ik wil in het midden laten of het echt zo is, maar in elk geval wordt de suggestie gewekt dat het om het gezin gaat waaruit de dichter zelf stamt. Troch, de romanticus toch, die een schrijnend gebrek aan romantiek vaststelt in de biotoop waarin hij opgroeit. ‘bij momenten,’ schrijft hij, waren wij ons/ vaag bewust dat er ook wat anders was.’  Maar over het algemeen lijkt het gezin volledig in zichzelf besloten. Zelfs een ‘verre vriend’ of een ‘bovenbeste buur’ krijgen er geen kans. Aan het eind van de cyclus komt dan toch het besef opzetten dat er ook een leven buiten de huisdeur is.

Niettemin wordt het vertrouwde hic et nunc als een zaligheid gepresenteerd: ‘er is hier zoveel te beleven (…)’. En nog: ‘(…) je mist/ maar bitter weinig van wat niet te missen is.’ Wat zich onder het schedeldak afspeelt: dat is pas het grote avontuur, op voorwaarde tenminste dat het zich mag voeden via het infuus van de verbeelding. Dit alles staat te lezen in de cyclus ‘postkaartpraatjes’, die is opgedragen aan de Nederlandse dichter Ingmar Heytze, van wie bekend is dat hij zo goed als nooit de stad Utrecht, waar hij woonachtig is, durft te verlaten. Het klinkt misschien allemaal een beetje burgerlijk, een beetje voyage autour de ma chambre-achtig, maar het is tegelijk een dichterlijk statement dat in de literatuur niet uitzonderlijk is en daarom niet uitsluitend kneuterigheid oplevert.

Ook de liefde is iets wat de dichter binnen dit afgemeten decorum overvalt en in dank aanneemt.  Het relaas van zijn hofmakerij met de geliefde speelt zich hier af, inclusief een inventaris van de verwachtingen die de dichter heeft, tot en met de toekomstige procreatie. Troch fantaseert, met als uitgangspunt een vers van Herman de Coninck (‘op een dag zal ik door de bossen lopen’) over het kind dat er nog niet is, maar dat hij ooit hebben zal en dat op hem zal lijken en van hem zal verschillen, hoezeer de littekens misschien dezelfde zullen zijn. Terwijl hij dit doet, laat hij een wisselspel tussen klein en groot plaatsvinden, maar het zal blijken dat de nazaten uiteindelijk nauwelijks van de voorvaderen te onderscheiden zullen zijn. Ook op dat gebied blijft Troch zweren bij thuis en vindt hij elk elders te ver. Hij gaat liever achterwaarts vooruit.

Dat hij dit doet, is uiteraard zijn goed recht en het levert doorgaans innemende, sympathieke en pretentieloze poëzie op, die niet gewurgd wordt door een geforceerd streven naar vernieuwing. Het is alleen jammer dat er her en der onvoldoende geredigeerd is, waardoor een cliché als ‘bij lezen/ en schrijven hoort een grenzeloze stilte’ overeind is gebleven en waarin vooral een aantal pertinente grammaticale fouten ongemoeid zijn gelaten: ‘één kamermeisje die‘ (i.p.v. dat), ‘voor mijn zus en ik‘ (i.p.v. mij), ‘in grote getale’ (i.p.v. groten), ‘ééntje (…) die’ (i.p.v. dat). Dit neemt niet weg dat Troch bewijst een van de prominentste Vlaamse dichters van zijn generatie te zijn. 

 

___________________

DAVID TROCH

buiten westen

Bel-etagereeks, Poëziecentrum, 48 blz., 17,50 euro

 

AANTAL STERREN:

***

Luuk Gruwez. Terug naar af

Tuesday, September 25th, 2012

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

***

Gerrit Komrij

Gerrit Komrij

Voor wie de postume Gerrit Komrij leest, is het meteen duidelijk: dit is een van de zwartste bundels sinds jaren. Niet omdat hij van de dood doordrongen is, maar vooral omdat hij een bittere kijk op het leven in zijn diverse stadia biedt, op het begin, het midden en het einde. Het doet er eigenlijk niet toe. Komrij stelt de geboorte voor als een vergissing en achteraf wordt het er niet beter op. Alles is herhaling van herhaling. Zelfs de droom is niet bij machte de horror van het leven op te heffen. Plezier is alleen mogelijk wanneer de ratio nagenoeg geheel is uitgeschakeld en het individu tot minder dat niets wordt herleid: ‘Ik ben het leven hier niet waard./ Ik ben nog minder dan een dier/ En heb daarbij niet eens een staart./ Het ergst van al, ik heb plezier.’ Wel laat de dichter zich hier eens te meer maar zeer ten dele kennen. Tot dusver was hij altijd diegene die zichzelf met al zijn ikken in vraag stelde en die met veel ironische bravoure zijn eigen statements placht te ondermijnen. Maar ‘Boemerang’ bevat minder ironie dan wij van hem gewoon zijn. En de aanwezige humor is zwarter dan ooit. Je kunt je niet ontdoen van de indruk dat hij bij het schrijven van een aantal verzen op zijn minst al intuïtief op de hoogte was van zijn nakend afscheid.

Als er één thema domineert, dan is het namelijk dat van het voortdurende gependel tussen geboorte en dood. Eigenlijk is Komrijs discours vrij eenzijdig: dat het – om aan J.C. Bloem te refereren – ‘tussen twee stiltes’ luid is geweest. Hier heet dat ‘tussen twee geluiden’. De dichter,  hoe aimabel ook in de dagelijkse omgang, was iemand die zodra hij de pen hanteerde al zijn cynisme, al zijn spot en al zijn vitriool de vrije loop liet. Zijn bad genius etaleerde hij in zijn schrijverij, voor de minzaamheid had hij het leven. Of de schone schijn, het onoprechte. Het enige waarmee te leven viel.

Er mogen dan al engelen en dromen voorkomen in ‘Boemerang’, veel imposanter is het besef dat een mens vooral uit zijn mankementige lichaam bestaat. Meer dan een zak scheikunde is hij niet. Altijd al heeft de dichter een uitzonderlijke interesse aan de dag gelegd voor lichamelijke afscheidingen als pis, poep en etter. Hoe vaak hem ook iets dandyesks wordt  toegedicht, hij is een zeer naturalistisch soort dandy. De dromen zijn hier omnipresent, maar zij blijken aan het eind steeds nachtmerries te zijn. Komrij heeft in zijn hoedanigheid van dichter geen talent voor geluk. Zijn poëzie heeft bijna zonder uitzondering apocalyptische karakteristieken. Eén gedicht bevat – heel erg typisch – deze regel: ‘Het is van de vernieling dat ik zing.’ Veel zinvol verloop is er niet te bespeuren. Het leven is als een boemerang. Die komt uit op de plek vanwaar hij weggeworpen wordt. Hij volgt  dus een ridicule, zinloze beweging.

Wie op het punt staat te sterven, heeft – als dit al in zijn vermogen ligt – plotseling nog veel te zeggen. Dat geldt zeker ook voor deze dicher. Maar bij hem gaat dat gepaard met het besef dat een mens dan wel veel lawaai kan maken, maar dat dit geen enkel doel dient. Hij wordt er maar heel even zichtbaar door. Zichtbaarheid en onzichtbaarheid: het is een thema dat ook een paar keer opduikt in ‘Boemerang’. Komrij wordt in gelijke mate aangetrokken door beide. Hij streeft anonimiteit na en tegelijk wil hij ‘een wandelende lichtkrant’ worden. Wonderwel strookt dit met zijn biografie. Hij werd de eerste Dichter des Vaderlands in het door hem versmade Nederland, maar tegelijk leefde hij in zijn Portugese woonplaats als een anonymus: dit is een van zijn vele paradoxen. Hij weigerde zich te laten kennen.  Zelfs vroeg hij zich af of hij zichzelf wel kende. Zijn vele zichtbare en onzichtbare ikken liepen elkaar in de weg, benamen elkaar het zicht.

Toch lijkt de dichter hier in menig opzicht openhartiger dan in de meeste andere dichtbundels van zijn hand. Hij is dit tot in de opmaak toe. Want eigenlijk was hij, toen hij stierf, nog niet klaar met zijn werk. De tekstbezorger heeft ervoor gekozen ook de varianten en de regieaanwijzingen mee af te drukken. De lezer krijgt daardoor een inkijk in de innerlijke keuken. Maar doordat hij niet precies weet welke de chronologische volgorde van de gedichten is, weet hij niet met zekerheid wanneer de dichter alludeert op zijn ziekte en zijn levenseinde en wanneer iets toeval is. Niettemin vormen deze verzen een testament. Trouwens: ‘Boemerang’ is opgedragen aan Komrijs levensgezel, Charles Hofman, die in een notitie voorafgaand aan de bundel stelt dat de publicatie van deze onvoltooide versie geheel volgens de wens van de auteur is.

Van bij het eerste gedicht, ‘psalm’, krijgen wij een nabeschouwing bij een leven dat voorbij is en een vooruitblik op wat nakend is: ‘er komt nog een luguber feestje aan’. Is dit te betreuren? Uitsluitend afgaand op de poëzie die hij geschreven heeft, moeten wij concluderen dat hij het leven niet veel zaaks vindt. Maar het lijkt wel alsof hij enigszins wil vasthouden aan het leven op het ogenblik dat het hem hoe langer hoe meer ontglipt. Toch wordt zijn rationele kijk op het bestaan er in elk geval niet monterder op. Bestaan en pijn zijn vrijwel elkaars synoniem. En de liefde is en blijft een soort spookverhaal dat levenslang duurt. Er heeft bij Gerrit Komrij altijd een lastige kruisbestuiving tussen leven en schrijven plaatsgevonden. De kunst is niet het leven: ‘Zoals je wollen trui het schaap niet is.’  Met andere woorden: de kunst is maar een prothese van het leven en is er soms zelfs aan tegengesteld. Maar of het nu in een gedicht of in het leven is: toekomst heeft alleen de dood.  

Eeuwigheid

 

Nu is hij weer terug bij het begin.

Alleen de dood heeft toekomst. Binnenkort

Zal hij weer kleuter zijn en benjamin

En door een zoetelief worden beknord

 

Die hem bezweert dat zij zijn moeder is.

Hij zal zo jong en mooi zijn als hij wil.

Hij zal zo rap zijn als een hagedis.

Een wildebras en, als het moet, muisstil.

 

Hij zal een jongen worden en een man.

Hij zal de kop verpletten van de slang.

Totdat hij stokt. Het komt er niet meer van.

Hij wordt volwassen en hij is weer bang.

 

 (c) Gerrit Komrij

 _________________________________________

GERRIT KOMRIJ

Boemerang

De Bezige Bij, 110 blz., 19,90 euro

 

 

Janita Monna. Schoonschrift

Monday, September 10th, 2012

Luuk Gruwez – Wijvenheide

Wijvenheide

Wijvenheide

Als Wijvenheide geen natuurgebied in Vlaanderen was, dan had Gruwez de plek kunnen verzinnen, als liefhebber van vrouwelijk schoon, en van bloemrijke taal. Hij maakte een liedje over dit stukje Vlaams landschap, een bijna kinderlijk vers ‘Laat ons naar wijvenheide gaan’, waar de grootste attractie de zilverreigers zouden zijn, die broeden op een spiegelei.

Wijvenheide is meteen ook de titel van zijn nieuwste bundel, de eerste na de in 2010 verschenen, lijvige bloemlezing Garderobe. Gruwez is poëtisch gezien familie van Charles Ducal: beiden een zwak voor vrouwen, beiden het vizier op de beklagenswaardige mens, door beiden helder en welluidend verwoord. Al is Gruwez’ poëzie wellustiger en barokker dan die van Ducal. Hij is de man van de fijne lijn en de sierlijke krullen – die overigens nooit zomaar ornamenten zijn. Dat schoonschrift van Gruwez bloeit uitbundig in zijn liefdesverzen, waarvan er in deze bundel weer een paar prachtige staan. ‘Ook zijn er zoenen nodig, bereid binnenkamers/ te blijven en niet brutaal het raam uit te glippen’, zo wordt een voorwaarde voor huwelijkse trouw beschreven. En zinnenprikkelend is de erotische serie ‘Een minnaar voor elk lichaamsdeel’ bij het schilderij Venus van Lucas Cranach. Steeds wordt één lichaamsdeel bezongen totdat de godin zich in volle glorie aan de lezer toont.

‘Het hoofd is mijn schunnigste lichaamsdeel. Het is de hemel/ en de hel in ieders lijf, het gekreun en het gereutel./ Wie kreeg niet ooit logies onder mijn krullen?’

Het vlees mag uitbundig worden bezongen, er is meer dan liefde en lust. Wie zoals Gruwez oog heeft voor de deerniswekkende mens, ziet tegelijk waar treurnis zijn ondergang wordt: bij de vader bijvoorbeeld, die zijn twee vrouwen en vier stiefkinderen vermoordde. Het leidde tot de reeks ‘Het zeggen van András’ over, drie bijna abstracte gedichten, kaal als het lege geweten van de dader: ‘András liegt niet. Zijn waarheid is vermist. Er zat een gat/in zijn zak.’

Gruwez’ wereld maakt zowel een horizontale beweging, als een verticale. Ze strekt zich uit van het Vlaamse land tot Anchorage in Alaska. Reikt van een ver verleden – ‘de tijd dat de dieren nog meertalig waren’ – , tot de ‘Black box’ met restjes mensenleven. En in die wereld en tijd, beweegt zich de mens, wachtend tussen ‘muffe kelders en firmament’ op de onvermijdelijkheid: ‘”Waar/ gaat toch alles wat verdwijnen moet naartoe? Naar boven?/ Naar beneden? En zijn daar dan voldoende trappen voor?”‘

Wijvenheide is bezonkener dan zijn voorganger Lagerwal. Daarin was meer baldadigheid, en een wat flauwe neiging om het onafwendbare einde niet al te serieus te nemen. Hier wordt de dood nog altijd afgeschilderd als een ‘charlatan’, maar is de humor bitterder. En is de poëzie fonkelend.

 

Spanbroekmolen

Zij hadden niets liever dan verschillend willen zijn,

een dichter, een dokter, een ober of een kapitein,

maar als gelijken verblijven zij in het graf,

uniform tot in hun knoken, uitgeknokte youngsters.

 

Verliefden zonder geliefde misschien of weduwloze

weduwnaars: gelijk is de dag waarop zij vielen en verlieten,

de zevende van de zesde, negentienzeventien.

Gelijker nog dan het gemillimeterd gras. Much beloved

 

Indeed. Known unto God. Ogen en oorlog verloren.

Toch gaan zij op een nacht nog één keer helderziend

op stap. Veel te verlegen om te leven. Boterbloemen

in het hoofd. En met een doelbewuste, eensgezinde pik.

 

 

Vroegere liefsten

 

Ze zeggen dat liefsten van vroeger, zij van wie

men nooit meer zeker weet in welke mate zij van vroeger,

ze zeggen dat vroegere liefsten soms het meest. Zéggen zij.

Dat vroegere liefsten je vermoeien, je vermoedelozen.

 

Dat vroegere liefsten aan de tralies in je hersens rukken

en daar woekeren, daar hevig woekeren. Zo weinig,

zeggen zij, weten liefsten van vroeger wat verdwijnen is

dat zij besluiten hun afscheid uit te stellen, uit en uit

 

tot zij zichzelf en iedereen vergeten zijn.

 

Luuk Gruwez – Wijvenheide. De Arbeiderspers, 64 blz., 17,95 euro, ISBN 978 90 295 83 29 9

Deze recensie verscheen eerder in Trouw

Luuk Gruwez. Vertellen is herstellen

Saturday, September 8th, 2012

DE SIRENE

In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. De recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

VERTELLEN IS HERSTELLEN

Santenkraam

Santenkraam

Het enige wat er van het Zuid-Afrikaanse vissersdorp Skipskop overblijft is een verhaal. Het is in de jaren tachtig door de apartheidsregering ontruimd voor de bouw van een militair oefenterrein. Maar als dorp hield het dus op te bestaan. De bundel die de jonge kleurlinge Ronelda Sonnet Kamfer hierover schrijft heet ‘Santenkraam’. Zij wil ermee reconstrueren wat verdwenen is. In de eerste plaats mensen. Een aantal van hen laat zij aan het woord, bijvoorbeeld haar oude opa, vlak voor zijn dood. Net zo goed als alle anderen wordt hij gedreven door het besef dat iets pas helemaal ophoudt wanneer geen mens het zich nog herinnert. Vandaar dat onuitroeibare besef: niemand mag ooit ophouden met vertellen. Iedereen moet net zolang vertellen tot het wel lijkt dat hij nooit uit Skipskop is weggejaagd en dat hij samen met de overige vertellers Skipskop is.

Kamfers bundel heeft een zeer hechte structuur. Het lijkt wel alsof zij er de ruimtelijke ordening in binnensmokkelen wil die eigen is aan een dorp. Wij krijgen een aaneenrijging van taferelen waarin de vroegere bewoners bij herhaling optreden als woordvoerders van het verlorene. De stijl is doorgaans  narratief, misschien ter wille van het volkse karakter van de personages die worden opgevoerd en die luisteren naar namen met een opvallende couleur locale: Grotevis Visser, Malle Maria, Slimme Sarah, Klippie Klipkop en Mooie Mitchy. De dichteres beoefent een soms bedrieglijk parlando, ondersteund door een sterk repetitief karakter. Haar personages behoren dan ook niet tot een ingenieus gebekte intelligentsia. Veeleer zijn zij ongeletterd: voor hen bestaan woorden uitsluitend als zij hun mond en niet hun pen verlaten. In die zin is Kamfer de geletterde woordvoerder van ongeletterde vertellers:  familieleden, vrienden en kennissen. Hoe ziet hun wereld er overigens uit? In de eerste plaats ruig en rauw. Haar vader ranselt haar moeder met de regelmaat van een klok af. Shaun, een vriendje van haar, is een junk.

Naar het eind toe transformeert het soms louter registratieve van vele gedichten in een verbaal delirium met een almaar meer weergalmende echoput van herhalingen. De historische werkelijkheid wordt helemaal ingepalmd door een mythologische. De lezer krijgt een orgie van woorden te verwerken waarvan het lijkt dat zij zichzelf niet willen verlaten, maar willen blijven hangen in de mond van wie ze uitspreekt. Dat geldt tot in de titels toe: ‘slot slot slot’ heet het laatste gedicht. (Het voorlaatste heet ‘slot slot’. De woorden echoën vanaf hier hoe langer hoe meer.) Vooral de zee wordt een mythologisch topos. Boven de bodem en zowel op als onder het wateroppervlak vinden dingen plaats die aan de empirische realiteit ontsnappen: meerminnen zingen er hun liederen over stuurloze schepen en over wat er in het rijk van het water zoal gaande is. Ook het op het eerste gezicht onbezielde blijkt er nu bezield. Hier ligt het domein van al het verlorene dat zich nog verzet tegen de vergetelheid.

Daartoe is en blijft de spraak dus onontbeerlijk. Bijna twee pagina’s lang gaat het er in het slotgedicht over dat niemand zelfs maar één enkele naam kent, niet één naam bijvoorbeeld van de schepen die op het water liggen te dobberen, maar die, ondanks de afwezigheid van een naam, toch bestaan. Daarentegen klinkt het helemaal aan het eind van de bundel als volgt: ‘stuurloze schepen zinken hier jaar in jaar uit iemand kent één naam’. Eén naam: Kamfer suggereert misschien dat dit het begin van de redding is. Vertellen, vertellen, vertellen: dat is wat je moet doen. Opdat alles zal blijven en overblijven.

Sommige verhaaltjes in deze gedichten klinken een beetje gratuit. Maar de meeste taferelen weten de lezer te betoveren. ‘Santenkraam’ is een breed uitwaaierende dichtbundel met veel sfeer, waarin je soms bij gebrek aan densiteit dreigt te verdrinken. Misschien strookt dat uitdijende karakter perfect bij de intentie van de dichteres. Haar bundel had allicht net zo goed ‘Skipskop’ kunnen heten. Ronelda S. Kamfer wil de hele santenkraam, zeg maar de totale verdreven populatie van het vissersdorp verzamelen en ze opnieuw van een stem voorzien,  met hun hele bewustzijn en onderbewustzijn. Dat vergt een zekere armslag.

Enkele reeksen liggen verspreid over de bundel: de reeks ‘gaan’ die uit drie gedichten bestaat, de reeks ‘doorvertellen’ (vijf gedichten), de reeks ‘onder water’ en ‘slot onder water’ (als je alle varianten meetelt zo’n vijftal gedichten). Structureel haakt alles hier aan alles vast. Aan de dichter is het de verloren cohesie te repareren. Daartoe is het absoluut noodzakelijk dat iedereen in beweging blijft: ‘we moeten gaan/ de hele tijd/ moeten we gaan/ tegenwind houdt/ ons hier/ maar gaan/ is wat/ we moeten/ weer gaan/ en mettertijd/ weer gaan/ we moeten’. Het is significant dat leestekens in deze verzen ontbreken: die zouden de hier gepropageerde beweging alleen maar afremmen.

Kampfer wil het verre weer dichtbij brengen. Eén gedicht gaat als volgt: ‘vergaan/ ver weg gaan/ voor even is alles/ ver heen en verweerd/ gaan is daarmee voorbij/ aftakelen is goed/ met/ de tijd die verre van goed/ was/ (…)/ zover/ zo ver’. Misschien is dit een gedicht over de verbanning uit Skipskop waartegen een soort mentale terugkeer op gang dient gebracht. Voortdurend woedt een strijd tussen weg moeten en willen blijven. Eigenlijk is blijven een plicht, zelfs als die vanuit elders weerklinkt. Om die doelstelling te bereiken, is er maar één oplossing: vertellen. Vertellen is herstellen. Achter de betrachting een heel dorp te reconstrueren, zit deze overtuiging: ‘het enige wat je hebt is overlevering’. Tegelijk is daar ook dit bewustzijn: ‘een mens vergeet maar liever omdat herinneren je opvreet’. Zo is het maar net: een overmaat aan bewustzijn is voor niemand curatief. Getuige hiervan wat de dichteres over haar vader schrijft die zich suïcideert: ‘ik kon mijn vader zien hangen/ hij hangt/ en hij hangt/ en hij hangt/ elke dag zonder te vallen/ hangt hij/ hij hangt nu nog’. Hier blijft de mens na zijn dood heel letterlijk hangen in het geheugen van een ander.

Terug naar de zee, de alles omarmende zee, de zee die ons opneemt en ons tegelijk van onszelf afneemt, de zee met haar meerminnen die ons bedwelmen met hun incantaties en die ons verplichten los te laten, ook al hebben wij het er altijd op aangelegd te onthouden en vast te houden: twee belangrijke verba, niet enkel voor wie uit Skipskop is verdreven. Want ballingen zijn wij allemaal ballingen: ‘we leven allemaal onder water/ uiteindelijk zijn we allemaal zeiknat’.

 

kleine Slimme Sara

 

vandaag is het mijn huildag

ik trek mijn witte jurk

aan en ga blootsvoets voor

 

de zee staan met

de parels van mijn oma

om mijn nek ga

 

ik een gat in

de grond graven ervoor

zitten en huilen

 

mijn tranen zullen opraken

en ik gooi

het gat dicht het tij

 

komt op en het

tij loopt af

 

ze mogen mijn santenkraam hebben

maar mijn tranen

krijgen ze niet

 

___________________

RONELDA S. KAMFER

Santenkraam

Tweetalige editie. Vertaling uit het Afrikaans door Alfred Schaffer

Uitgeverij Podium,Van Oorschot, 117 blz., 17,50 euro

AANTAL STERREN:

***