Posts Tagged ‘Marc Tritsmans’

Marc Tritsmans. Resensie: Iets blijven strelen dat al dood is (Luuk Gruwez)

Sunday, August 23rd, 2015

LUUK GRUWEZ. IETS BLIJVEN STRELEN DAT AL DOOD IS

De auteur: Won in 2011 met de bundel Studie van de schaduw de Herman de Coninckprijs en staat met niet minder dan zeven gedichten in Komrijs beroemde poëziebloemlezing. Is niettemin altijd een ‘stille’ dichter gebleven.

Het boek: Poëzie over de pogingen van de mens om koste wat het kost te blijven communiceren. Niet alleen met zijn medemens, maar met alles, plant en dier, dat onderdak vindt in de natuur.

ONS OORDEEL: Heldere poëzie, ondergebracht in een secuur geconstrueerde bundel met een aantal flonkerende gedichten.

Er zijn weinig dichters die middels de titel van hun bundel zo volmaakt de thematiek ervan kunnen resumeren. Tritsmans heeft daar één woord voor nodig: Aanrakingen. Een wel zeer synthetische, bijna voor de hand liggende titel. Je raakt iemand aan om te bewijzen dat je zelf net als de ander en het andere bestaat. Of het nu een mens, een dier of een boom is die je aanraakt. De dichter blijkt zelfs bereid een boom te omarmen en te beluisteren. Dat gedrag mag dan wel van een weirdo afkomstig lijken, als lezer accepteer je het vanwege de kitschloosheid van de dichtregels. Aanrakingen is een bundel over de onmogelijkheid van een volledig bevredigend contact. In het gedicht ‘Onder de linde’ staat de vaststelling dat een mens in zijn relatie tot de natuur uiteindelijk niets anders kan dan falen. Hij is in de loop der tijden namelijk een raar dier geworden dat zijn dierlijkheid goeddeels vergeten is of te vaak onderdrukt heeft. Onder zijn boom moet hij vaststellen dat bijen met hun ‘monotoon diep zoemen’ feilloos weten waarnaartoe, terwijl hijzelf ‘hulpeloos en onbegrijpend’ staat te dralen.

Tritsmans betreurt dit. Hij streeft van zijn eerste tot zijn laatste gedicht de superieurste  bekroning van aanraking na: ontroering. Ontroering is in al deze gedichten een fenomeen dat sterk met de natuur verbonden is. Zij heeft een grote besmettelijkheidsgraad. De dichter gaat op zoek naar de aanraking die het hevigst, het meest adembenemend en het meest onvergetelijk is. Dat is de eerste aanraking, zij die nooit meer kan worden herhaald, omdat de eerste steeds de meest intense is. Er is veel nostalgie aanwezig in deze gedichten, maar van een milde soort. Zij ontbeert de heftige energie van jongere jaren. In een gedicht over ouder worden lezen wij namelijk hoe extreme verlangens, ondanks hun imminente aanwezigheid, enigszins worden afgetopt.

Tritsmans, zo’n zeldzaam geworden natuurdichter, in het dagelijkse leven misschien niet voor niets milieuambtenaar, is de dichter van het erbarmen, van – om het met een beschimmeld woord uit te drukken – ‘schoonmenselijkheid’. Een doodenkele keer ligt die er te dik op. Mededogen heeft hij vooral wanneer hij de grens verkent tussen leven en dood. In deze bundel staan nogal wat gedichten over grenservaringen. Over een stervende haas die met veel toewijding, engelengeduld en met behulp van een zuigfles voor poppen verzorgd wordt. Over een overreden hond, die zelfs wanneer hij dood is, nog gestreeld blijft worden. Van zijn alzheimerende vader, die in een toestand van ‘logorroe’ zijn wartalige zegje blijft doen, wordt in verschillende gedichten afscheid genomen. ‘Een klein afscheid’ noemt Tritsmans het en inderdaad: veel vader om afscheid van te nemen, is er niet meer over. Het reservoir van diens herinneringen is langzaam leeggelopen. Toch roept de dichter hem na zijn dood weer tot leven, ook al heeft hij het gevoel dat hij nu zelf het roer in handen moet nemen, omdat hij voor de dood nu langzamerhand zelf in pole position komt te liggen. Net wanneer alles bijna voorgoed voorbij is, probeert hij het voorbije nog even aan te raken.

Want afscheid: daar gaat het hier uitgebreid over. Over al dat afscheid in de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld, die Tritsmans, terwijl men juist overal de Eerste Wereldoorlog uitvoerig herdenkt, treffend oproept. Het leven is één afscheid en afscheid is een grenservaring. De dichter is gefascineerd door dat rakelingse. Maar wat je aanraakt, raak je onvermijdelijk ook kwijt. Daardoor voelt hij de noodzaak om met alles wat leeft en geleefd heeft te verbroederen. Over de reeën die hij aan het bespieden is, lezen wij deze regels: ‘en zo graag had ik daar samen met hen/ aan dat malse jonge groen staan knabbelen/ maar ik durfde het hoofd niet meer te draaien/ het hoofd waarin nu zacht zoemde het geluk/ hier toch even van hen te zijn geweest’. Het wemelt hier overigens van alle soorten dieren en van bomen. Tegen beter weten in probeert de dichter een date met de hele schepping af te dwingen.

Maar wat een ‘vreemd dier’, realiseert hij zich, is toch de mens, ‘geen vacht en geen veren/ na een jaar amper in staat/ tot wat stuntelig bewegen/ geen ander dier komt/ met een lijf zo bloot/ zo onbruikbaar en onaf/ dit  bestaan ingedoken’! Het is alsof de mens het feit dat hij een schepsel blijkt dat een onvoltooide indruk maakt, maar zelf moet zien te compenseren met iets wat hier ‘vindingrijkheid’, zeg maar cultuur, wordt genoemd. Daardoor verwijdert hij zich evenwel vaak van zijn biologische identiteit. Maar op een mooie dag maakt een  adembenemende natuur tot grote voldoening van de dichter, het dierlijke in ons weer wakker: ‘(…) in juichende lente/ verliezen we soms onaangekondigd/ alle controle en willen we terug (…)’. En terug gaat ook Tritsmans, gepatenteerd romanticus. Hij beklimt als de bevlogen, Nijhoffachtige wandelaar die hij is, berg na berg. Het buitenland begint al buiten zijn deur. Hij struint landschap na landschap af. In de hoop dat hij ooit de plek zal kunnen betreden, waarvan hij vindt: Hier is het, hiernaar heb ik zo lang gezocht. Tijd voor een aanraking.

 

HOND

alles gebeurde tegelijkertijd: gierende remmen

een droge klap, snerpend gejank en stilte

en we zitten al op onze knieën rondom hem

op zijn zij in de bebloemde berm en uit zijn neus

 

komt een straaltje bloed en op kinderkracht

trachten wij hem helemaal weer naar huis

te dragen en ondertussen strelen we samen

zijn nog warme vacht en normaal zou hij toch iets

 

hebben gedaan, zijn kop naar ons toegewend

onze hand gelikt, het was onbegrijpelijk en dat

is het vandaag nog steeds: iets te moeten blijven

strelen dat al dood is en voorgoed dood blijft

______________________

MARC TRITSMANS
Aanrakingen
Nieuw Amsterdam Uitgevers, 61 blz., 19,95 euro.

© Marc Tritsmans / 2015

Janita Monna. Een soepel vallende, ritmische jas.

Saturday, July 13th, 2013

 

Marc Tritsmans – De stilte van de wereld na ons

 

Eerst een omweg via het noorden, langs Zweden, waar de dichter Lars Gustafsson ooit het onvergetelijke gedicht ‘De stilte van de wereld voor Bach’ maakte. Over de bijna onmogelijke voorstelling dat er ook een tijd was waarin niets of niemand nog bijvoorbeeld ‘Das Wohltemterierte Klavier’ kende: ‘Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,/ overal onwetende instrumenten’. Gustafssons gedicht echoot in de titel van de tiende bundel van Marc Tritsmans: De stilte van de wereld na ons. Deze Vlaamse dichter heeft een allergie voor geluid, althans voor het hedendaagse ‘gedaver’ en ‘gebrom’ dat als een ‘knellende helm/ om deze hele aardbol’ zit. Verlangend kijkt hij uit naar een wereld zonder mensen, de tijd dat de stemmen verstommen en de stilte ‘oorverdovend’ zal zijn.

Voor wie de poëzie van Tritsmans niet zo goed kent –zijn populariteit in Vlaanderen is groter dan in Nederland – is het aan te raden om de bundel ergens in het midden open te slaan. Daar begint namelijk een kleine bloemlezing uit eerder werk, die ter viering van zijn 20-jarig dichterschap aan De stilte van de wereld na ons is toegevoegd. Grote wijzigingen heeft het oeuvre van de dichter in die twee decennia niet doorgemaakt. Al in zijn debuut typeerde Tritsmans zich als ‘schatbewaarder’, behoedzaam spiedend naar tekenen van verandering in het landschap. ‘wat omgewoelde aarde,/ een gemerkte boom, een breder spoor./ Iemand beraamt met zorg de ondergang.’

Als vele dichters is Tritsmans zich overbewust van de vergankelijkheid van alles, en van het feit dat de mens op deze aarde, in dit heelal een nietige voorbijganger is. Taal gebruikt hij om te bewaren wat anders vergeten raakt. Hij richtte ooit een klein museum op voor vergeten gebaren als de groet met de hand aan de hoed; hij vroeg ‘genade voor het tere bloempjesbehang’ van een huis dat ooit bewoond, nu gesloopt gaat worden. En liefdevol dicht hij over zijn eigen kinderen die groter groeien, en zijn ouders die ouder worden. Zien we in de bloemlezing grootvader nog kastanjes zoeken met zijn kleinkind, daarbij melancholisch gadegeslagen door de dichter, in de nieuwe gedichten weet ‘vader nauwelijks nog/ waar hij is’. Tritsmans’ gedichten zijn vriendelijk verstaanbaar en dragen een soepel vallende, ritmische jas. Het is poëzie die in veel opzichten voldoet aan het beeld dat mensen van poëzie hebben; zoals zijn opwinding over de herrie, over ‘infantiel facebookgedoe’, ‘stompzinnige hypes’ en ‘debiele chauffeurs’ past bij het stereotype beeld van de dichter die zich liefst afsluit van de ‘echte’ wereld. Maar waar die kwaadheid – die ongetwijfeld oprecht is –iets obligaats heeft, zijn de gedichten dat uiteindelijk niet. En dat komt waarschijnlijk door dat die in al hun herkenbaarheid een snaar raken die je ontroering zou kunnen noemen. Terwijl een hang naar de ‘harde wetenschap’ soms nog voor verrassende inkijkjes zorgt, zoals hier bij de beschrijving van het periodiek systeem en zijn bedenker, de Rus Mendelejev: ‘alle bouwstenen van het universum/ voorgoed opgesloten in dit keurslijf (…)/ als een avant la lettre IKEA-handleiding/ voor het heelal.’

            Stelsel van vergelijkingen

 

ooit kon mijn vader toch nog alles

aan, vond hij ook zonder ons de weg

terug, moesten onze kinderen gewoon

 

bij de schoolpoort worden opgehaald

en dan was iedereen weer veilig

thuis: de wereld had nog snijpunten

 

maar intussen lijkt het aantal dimensies

toegenomen, is de controle ons ontglipt

strijken kinderen willekeurig neer

 

in Helsinki, Mumbai of Tadzjikistan

weet ook mijn vader nauwelijks nog

waar hij is, laat staan waar hij naartoe

 

moet en zijn wij dus onaangekondigd

verdwaald in dit stelsel van vergelijkingen

waarvoor geen oplossing meer bestaat

 

Marc Tritsmans – De stilte van de wereld na ons. Nieuw Amsterdam. 128 pagina’s, 19,95 euro, ISBN 9789046813997

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Louis Esterhuizen. Die band tussen poësie en musiek

Thursday, December 1st, 2011

Die grense wat die Den Haagse kunsfees Crossing Border jaarliks wens om oor te steek, is naamlik die grens wat daar tussen musiek en poësie bestaan. Tydens dié fees, wat verlede week ten einde geloop het, word die verhoog dan uitsluitlik deur digters en musikante gedeel. Vanjaar, ten aanloop tot die fees, het die webblad 3Voor12 onderhoude gevoer met vier van die digters wat tydens genoemde fees opgetree het. Hulle is die Vlaamse digters, Sylvie Marie, Floris Schillebeeckx en Marc Tritsmans, asook Nyk de Vries, ‘n digter vanuit Friesland. Die onderhoud het spesifiek op die gewaande kruisbestuiwing tussen musiek en poësie gefokus.

Op die vraag “Welke muzikanten gelden als belangrijke inspiratiebron voor je, en op welke wijze uit zich dat?” het die vier digters soos volg geantwoord:

Sylvie Marie: ‘Ik weet niet of ik muzikanten heb die doorgaan als ‘belangrijke inspiratiebron’. Ik denk het niet. Soms kan een film of een lied me wel op een poëtisch idee brengen, maar dan maakt het niet echt uit van wie dat lied of die film komt. Zelfs een lelijk lied kan me inspireren. Ook tijdens het schrijven zelf verdraag ik maar weinig muziek. Als ik al iets opleg tijdens het schrijven, is het instrumentale, klassieke muziek en die kan dan wel een invloed hebben. Probeer bij wijze van spreken maar eens iets sombers te schrijven bij Vivaldi’s ‘Lente’.’

Floris Schillebeeckx: “‘In de eerste plaats Leonard Cohen. Ik leerde hem toevallig kennen rond mijn vijftiende via een cd van mijn moeder (Songs From A Room). Op één of andere manier trok die erg onhippe muziek me toen aan. Het bezwerende lage zingen op afstandelijk betrokken wijze, de diepgravende teksten met metafysische reikwijdte, het verklankte mededogen en de subtiele humor. Ik had van hem makkelijk dertig songteksten kunnen selecteren voor de vorige vraag. Zeker omdat zijn teksten veel meer omvatten dan het voor songschrijvers gebruikelijke romantisch-esthetische wereldbeeld. Het is ook een denker en een profeet. Hij is net als ik begonnen als dichter en daarna is hij begonnen met het schrijven van nummers, zonder al te veel muzikale bagage. Het is een schoolvoorbeeld van iemand die zich binnen zijn beperkingen maximaal ontwikkeld heeft. Naast hem noem ik graag Nick Cave, 16 Horsepower, Bob Dylan, Brel, Ferré…”

Marc Tritsmans: “Voor mij is het schrijven/lezen van gedichten iets totaal anders dan het beluisteren van muziek. Beide zijn voor mij complementaire, maar toch ook totaal afzonderlijke kunstgenres. Het is zelfs zo dat ik, wanneer ik echt naar hedendaagse muziek luister, niet eens probeer om de tekst te ontcijferen. Die is – voor mij althans – meestal van secundair belang. Zelfs als ik naar Bob Dylan luister, ben ik vooral geïnteresseerd in zijn heel persoonlijke frasering – er is niemand anders die zingt zoals Dylan – en veel minder in de inhoud van zijn teksten. Al zijn die volgens sommigen Nobelprijswaardig. Ik wil daar niet eens over oordelen, want eigenlijk worden deze songs aan mij gepresenteerd als muziek en niet als literatuur… En gedichten: daarvan vind ik nog altijd dat je die best thuis leest. In alle rust. En op muziek moeten die gedichten al helemaal niet worden gezet. Daar komt overigens nog bij dat het Nederlands zich veel minder dan het Engels leent om op muziek te worden gezet. Maar ín de gedichten zelf zit vaak een muziekje dat de lezer maar voor zichzelf moet ontdekken. En als ik me dan toch al eens door muziek laat beïnvloeden of inspireren, gaat het om klassieke muziek – en niet toevallig alleen maar instrumentale klassieke muziek. Ik hoop dat het echter duidelijk is dat dit aanvoelen geen enkel waardeoordeel – noch ten opzichte van de muziek, noch ten opzichte van de poëzie – inhoudt. Voor mij zijn het dus doodgewoon aparte dingen. In die zin voor mij dus toch niet echt ‘Crossing Border’, maar dat hoeft toch ook helemaal niet? Laat ons gewoon van beide genieten, zoals je kan genieten van eten én van drinken.”

Nyk de Vries: “Ik maak ultra korte teksten, nooit langer dan 120 woorden, zogenaamde prozagedichten. Ze zijn grappig, maar ook wrang. In een bepaalde periode waren de verhalende nummers van Tom Waits een sterke invloed. Bijvoorbeeld het nummer ‘Franks Wild Years’, waar de verteller aan het eind de zaak in de fik steekt met daarop volgend de zin: ‘Never could stand that dog.’ Dat is prachtig, die compactheid gecombineerd met een twist, dat is wat ik nastreef. Ik maak zelf ook muziekversies van mijn prozagedichten. Ik werk op dit moment aan de cd-versie van mijn eerste bundel Motorman, gecombineerd met nieuw materiaal, die uit gaat komen bij Excelsior.”

Nou ja, toe. Vir jou leesplesier volg Sylvie Marie se gedig “evolutie” hieronder. Dit is die gedig wat sy vir toonsetting voorgelê het.

***

evolutie

omdat ik geen vis meer wou zijn, wierp
ik me ooit uit het water, kreeg benen, ruilde
schubben voor huid en begon met longen
te ademen.

nu kijk ik van op de oever
van het land naar de zee,
onderhandelend met de golven of terugkeren
mogelijk is.

ik wil ook weten wat dat is:
benen die verdwijnen, verschubbende huid
en ademen dat weer happen wordt. wat is dat
krampachtige happen toch goddelijk.

de zee zou de zee niet zijn als ze
mij niet schuimbekkend verwelkomde.
ik heb inderdaad naar adem
gehapt.

(c) Sylvie Marie

 

 

Stefaan Goossens. Stemvork 1

Saturday, February 19th, 2011

Mijn eerste blogbericht over poëzie-actualiteit in Vlaanderen en Nederland is gewijd aan een terugblik op wat voor vele poëzieliefhebbers in ons taalgebied als hoogtepunt van het jaar geldt, Gedichtendag.

Gedichtendag

Gedichtendag werd in ons taalgebied voor het eerst georganiseerd in 2000. Het was toen nog uitsluitend een Nederlands initiatief, gecoördineerd door Poetry International. Al snel stak het initiatief de landsgrens over naar Vlaanderen, waar de coördinatie achtereenvolgens door Behoud de Begeerte en Stichting Lezen gebeurde.

Traditioneel wordt Gedichtendag gehouden op de laatste donderdag van januari. Was het initiatief aanvankelijk aan de grote spelers in het literaire veld, vandaag wordt in bijna elk dorp en elke stad van Vlaanderen en Nederland wel een activiteit georganiseerd rond Gedichtendag. Soms met grote namen op de affiche, maar vaak gewoon met lokale deelnemers. Poëziebeleving staat centraal.

 

Traditiegetrouw wordt elk jaar aan een dichter gevraagd om een tiental gedichten te schrijven, die op Gedichtendag in een gelegenheidsbundel verschijnen. Dit jaar was het de beurt aan Remco Campert die zijn gedichten samenbracht onder de titel Een oud geluid. Gewoontegetrouw komt de Gedichtendagdichter zijn verzen voorstellen op een groot evenement op Gedichtendag. Jammer genoeg kwam de 81-jarige Campert een paar dagen voor Gedichtendag ten val en brak hij zijn schouder. Hier kan je Remco Campert zijn gedichten horen voorlezen. Wil je wat meer toelichting bij de bundel, dan kan je het interview herbeluisteren dat Heidi Lenaerts op Cobra.be van Campert afnam een paar dagen voor Gedichtendag. Vorige Gedichtendagbundels werden onder meer geschreven door Tjêbbe Hettinga, Mark Boog, Leonard Nolens en Antjie Krog.

De smaak van het geluid van het hart

Sinds 2008 verschijnt er naast een Gedichtendagbundel ook een Gedichtendagessay. Op uitnodiging van het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Poëziecentrum schrijft een dichter een persoonlijke Defence of poetry. Vorige essays werden geschreven door Paul Bogaert (2008), Luuk Gruwez (2009) en Charles Ducal (2010). Dit jaar was het de beurt aan Jan Lauwereyns, die vanuit zijn achtergrond als neuro-wetenschapper een erg particuliere kijk op het fenomeen poëzie biedt. De titel van zijn essay is De smaak van het geluid van het hart. Het Gedichtendagessay werd voorgesteld in het Poëziecentrum aan de vooravond van Gedichtendag. Fragmenten van de voorstelling kan je hier, hier en hier herbekijken. Op de website van Cobra.be kan je een recensie lezen van het essay en een gesprek met Jan Lauwereyns nabeluisteren.

 

In de week rond Gedichtendag worden telkens ook een aantal poëzieprijzen toegekend. De Herman de Coninckprijs bekroont de beste oorspronkelijk Nederlandstalige bundel van een Vlaamse dichter van het afgelopen jaar. Dit jaar werd die prijs gewonnen door Mark Tritsmans met zijn bundel Studie van de schaduw (Nieuw Amsterdam). De jury was onder de indruk van het werk van Marc Tritsmans omwille van de eenvoud en de toegankelijkheid. ‘Zo is deze poëzie voor de lezer “bruikbaar”: herkenbaar en toch verrassend, troostend maar niet tranerig.’ Tritsmans (1952) die sinds zijn debuut De wetten van de zwaartekracht in 1992 negen dichtbundels publiceerde, wint met deze bekroning € 6000. Met Vuurdoorn me won Annemarie Estor de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. De jury vond het ‘een speels en verrassend debuut, dat verwachtingen schept.’ Zij won hiermee € 1000. Haar gedichten verschenen onder andere in Poëziekrant en Deus ex Machina. Estor is Nederlandse maar woont sinds 2004 in Antwerpen, ‘uit onvrede met de Nederlandse cultuur, die aan fantasieloosheid ten onder gaat’. Omdat ook de stem van de poëzieliefhebber niet mag ontbreken in dit gebeuren, kon ook meegestemd worden voor een publieksprijs voor het ‘beste gedicht’ (telkens gekozen uit de genomineerde bundels). Ook die prijs werd gewonnen door Mark Tritsmans met het gedicht ‘Uitgesproken‘.

Armando

Op de vooravond van Gedichtendag werd in het Stadhuis van Utrecht de VSB Poëzieprijs voor de beste Nederlandstalige dichtbundel van het voorbije jaar uitgereikt aan Armando voor Gedichten 2009. Hij won hiermee een geldbedrag van € 25 000. De VSB Poëzieprijs is de hoogst gedoteerde prijs voor Nederlandstalige poëzie.

De jury – Wim Brands, Tom Sintobin, Johan Sonnenschein, Cin Windey en juryvoorzitter Maaike Meijer – heeft de winnaar geselecteerd uit 159 ingezonden bundels die verschenen tussen 1 januari 2009 en 1 september 2010. Zij nomineerden naast Armando: Paul Bogaert voorde Slalom soft (Uitgeverij Meulenhoff/Manteau), Eva Cox voor een twee drie ten dans (Uitgeverij De Bezige Bij), Kreek Daey Ouwens voor De achterkant (Uitgeverij Querido) en Henk van der Waal voor Zelf worden(Uitgeverij Querido).

De jury van de VSB Poëzieprijs was erg onder de indruk van Gedichten 2009 van Armando: ‘Met grote hardnekkigheid – alsof elk gedicht het laatste en meest definitieve zal zijn – herneemt hij steeds dezelfde thema’s: het landschap dat schuldig is, de dreiging, de aanval, de kilte. Een wereld waarin zwart de voornaamste kleur is, waarin oorlog en geweld altijd aanwezig zijn en waarin het verleden nooit voorbij is. Op zijn werk zijn woorden als troost of hoop niet van toepassing. Zijn werk is somber en indrukwekkend. Zijn beelden roepen afgronden op, waarin hij ons dwingt te kijken.’

Aan de vooravond van Gedichtendag werd ook de winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd bekend gemaakt. De Turing wedstrijd wordt georganiseerd door de Poëzieclub met steun van de Turing Foundation en staat open voor zowel professionele dichters als amateurdichters. Het initiatief voor de prijs kwam van Gerrit Komrij die zich liet inspireren door de National Poetry Competition in het Verenigd Koninkrijk. De winnaar ontvangt maar liefst € 10.000. Dit jaar was dichter Henk van Loenen de gelukkige winnaar. Onder het pseudoniem Juliën Holtrigter publiceerde hij al verschillende dichtbundels, waarvan Het feest van de schemer uit 2009 de voorlopig laatste was. De tweede prijs ging naar Peter Knipmeijer en Maarten van Doremalen won de derde prijs.

Tot hier een korte update rond Gedichtendag 2011. Ik probeer om de twee weken een nieuwe post aan te maken. Als iemand vragen heeft over het poëziegebeuren in Vlaanderen of Nederland, laat dit dan gerust weten via Comment of stuur me een mailtje.

Poëzie boven!

PS Onder de titel Stemvork verscheen in 2010 een verzameling essays, gedichten en vertalingen van Jan Lauwereyns en Arnoud van Adrichem bij uitgeverij Ijzer.