Posts Tagged ‘Maria Barnas’

Louis Esterhuizen. Kortlys vir die VSB Poëzieprys bekend gemaak …

Thursday, January 16th, 2014

Met ‘n prysgeld van € 25.000 is die VSB Poëzieprys beslis een van die vernaamste pryse wat aan ‘n Nederlandstalige digbundel toegeken kán word. So is die kortlys vir hierdie prys, wat jaarliks aan die beste digbundel van die voorafgaande jaar toegeken word, dan ook pas bekend gemaak. Die finaliste, in alfabetiese volgorde, wat uit die 115 inskrywings gekies is, is soos volg: Maria Barnas, F. van Dixhoorn, Micha Hamel, Miriam Van hee en Antoine de Kom. Die wenner sal op 29 Januarie, tydens die landswye Gedichtendag-vieringe, aangekondig word. Die beoordelaars vir vanjaar se toekenning, ter wille van volledigheid, was Ahmed Aboutaleb, Saskia de Jong, Hilde Keteleer, Joep Leerssen en Jan Rock .

Wat vir my besonder interessant was, is egter die oorsig-kommentaar wat die paneel gelewer het; veral omrede soveel daarvan tans ook in ons eie digkuns waarneembaar is. Ek haal aan soos dit op Poetry International Web se webtuiste opgesom word: “The jury did read many truly fine collections but was, despite that, somewhat taken aback to see that so much of what had been submitted tended to be much of a muchness in terms of poetic form and the sensibilities expressed. The impression was that Dutch poetry finds itself locked in a field of tension, now almost a century and a half old, that oscillates between the ‘most individual form of expression’ (Kloos) and the ‘imitative compulsions of daily lives’ (Potgieter). Regardless of all the freedom permitted in terms of form and the space for individual vehemence, it would appear that such a generally ingrained dilemma is threatening to become restrictive. For this reason, the vast majority of the poets seem to be actually turning away from the world and cocooning themselves in their own emotions, experiences and memories.

There was a marked preference for nostalgia. Through their descriptions of photos, slowed-down moments of the past, fragments of correspondence and diaries, and with their in memoriams it is as if the poets have banded together to arouse a sense of melancholy. It is no generational matter: whereas such nostalgia might be understandable among older poets it is precisely with younger poets that present-day urban life is being invested with the static nature of the past (in the process, the newest generation of poets tends to veer towards producing samples, disjointed metaphor and making less use of other stylistic poetic devices). The pursuit of such nostalgic effects surely points to a more general sense of ennui that has crept into the poetic culture.”

Maria Barnas

Nou ja, toe. Daar is egter twee van die finaliste op wie ek in meer detail wil fokus. Ten eerste, Maria Barnas. Oor haar bundel, Jaja de oerknal (De Arbeiderspers), het sowel Janita Monna as Luuk Gruwez vantevore op Versindaba geskryf, maar volgens die beoordelaars se commendatio die volgende: “Jaja de oerknal is an introspective collection about feelings and experiences (fear, memories, the creative spark) which nevertheless presents a whole wealth of descriptions and observations. The use of language is confident, controlled and supple, elegantly tracing parallels between what is said and mentioned and what remains silent or implicit. The individual poems cover a wide range of form registers but create together a thematic and stylistic unity. The images are powerful, evocative but never obligatorily symbolic.”

Miriam Van hee

En dan Miriam Van hee. Van hee is natuurlik nie onbekend aan Afrikaanssprekende poësieliefhebber nie; vanweë haar optredes en betrokkenheid by verskeie feeste en werkswinkels hier ter plaatse, maar (veral) weens Daniel Hugo se manjifieke vertalings van haar gedigte. Van haar bundel, ook daar valt het licht (De Bezige Bij) word die volgende gesê: “Van hee strikes a balance between finding involvement in the world and reflecting individual loss, between having an eye for major historical events and making intimate observations. With tremendous precision and nuance she is able to conjure up both the abominations of Eastern Europe and the landscapes and personages of her own youth.  All the while she questions, in the subtlest of ways, just how she can relate to that. This poet is an arrow of fire: she sets nothing alight but reminds us that light does exist.” ook Luuk Gruwez het besonder positief oor dié bundel geskryf.

Die volledige berig, met al die ander commendatios daarby, kan by Poetry International Web gelees word.

Hieronder volg Maria Barnas se titelgedig, met ‘n treffende vertaling van Miriam Van hee se gedig “herfst” ten slotte.

*

Jaja de oerknal

 

Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.

Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?

Het ontstaan een klont op mijn tong.

 

Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.

Of zijn het woorden die zich inktzwart

op de takken verdringen. Het is een vorm

 

van paniek die opwelt in mij en als opvliegende

zwerm uit mijn keel breekt. Het heelal slaat

de vleugels uit. Wij klapwieken en juichen schril.

 

Maria Barnas – Jaja de oerknal. De Arbeiderspers, 18,95 euro, 52 bladzijden, ISBN 9789029587365

*

herfs

die herfs is op sy mooiste

wanneer al die nuttelose dinge

kleure kry en die wind

oormoedig die venster oopmaak om die

ongestuurde briewe van die tafels

af te vee

die maer lig skyn steeds traer

oor die helling en vaer

word die vergesig klammer

die laken en die lippe geslote

so word die herfs eenselwig en kortstondig

en ’n oggend veels te vroeg

op vars sneeu betrap

(c) Miriam Van hee (Uit: In plaas van die stilte, 2012: Protea Boekhuis)

(c) Vertaling deur Daniel Hugo

Janita Monna. Buigzaam en beweeglijk

Friday, August 9th, 2013

 

Maria Barnas – Jaja de oerknal

De puzzel met stukken zo groot als een baksteen is niet geschikt voor kinderen jonger dan drie, zo waarschuwt de doos; van roken ga je dood, wrijft ieder pakje sigaretten je in; de wereld is één groot gevaar en dus zit er weinig anders op dan te leven met angst. Dat veelkoppige monster dat op onverwachte momenten de kop opsteekt en graag samenwerkt met het spook van wat buiten het voorstellingsvermogen ligt.

Bang kun je voor werkelijk álles zijn, zo laat Maria Barnas in haar nieuwste bundel, Jaja de oerknal zien: evengoed voor reptielen als voor rolgordijnen of samenwonen. En al die angsten zijn even onberedeneerd als begrijpelijk. Veel is er niet voor nodig, om een golf van paniek te veroorzaken. Het uitspreken van het woord ‘oerknal’ kan al iets in werking zetten, zo’n woord dat het onbevattelijke begin van de wereld in zich draagt:

 

Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?

Het ontstaan een klont op mijn tong.

 

En dan slaat wat eerst verwondering is langzaam om in een ‘vorm// van paniek die opwelt in mij en als opvliegende/ zwerm uit mijn keel breekt.’

De wereld in Barnas’ poëzie heeft geen vaststaande vorm, alles is buigzaam en beweeglijk – haar vorige bundel, uit 2007, heette ook ‘Er staat een stad op’. Een landschap kan ineens op zijn kop staan, zodat de weilanden ‘een verlaagd plafond’ vormen. De stad is een organisme en ‘vernauwt zijn straten kromt de bruggen’. En al zijn de luchten die boven die veranderende wereld nogal eens grijs, Barnas’ beelden daarentegen zijn opvallend elastisch en kleurrijk.

De dichter onderzoekt het even intrigerende als ongrijpbare proces tussen waarneming, verbeelding en taal. Bijvoorbeeld in ‘Het denken en het meisje’. Een treinscène, waarin de hoofdfiguur in haar ooghoek het landschap, met huizen, dieren, grasland, ziet verglijden en vaststelt: ‘Er past veel in een ooghoek.’ Dan verschuift de blik naar een medepassagier, een meisje dat een boek over hersenen blijkt te bestuderen: ‘Ze omcirkelt kwabben en ventrikels en ontleedt/ dat ik aan haar kan denken en denken.’

De toon is kalm. Controle heerst, althans in vorm (nogal eens een sonnet), boven paniek, die af en toe als een vulkaan achter de serene regels voelbaar is. Maar die beheersing is vaak uiterlijke schijn, want:

 

En net als alles goed lijkt zijn plaats krijgt

de kinderen de planten de kranten

het gras de afwas bijna helemaal gedaan

 

Dan hoeft er maar dít te gebeuren – een voetbalwedstrijd op televisie is genoeg – en alles wankelt weer. En dreigt er opnieuw paniek om het zorgvuldig gevonden evenwicht te verliezen. Dat is misschien de grootste angst van alle. Of is dat uiteindelijk toch de vrees voor het oeverloze meer van de dood, waarmee de bundel eindigt. Want daarbij vallen natuurlijk alle andere angsten, zelfs die voor kaakchirurgie en tafelkleden, volstrekt in het niet.

 

Jaja de oerknal

 

Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.

Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?

Het ontstaan een klont op mijn tong.

 

Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.

Of zijn het woorden die zich inktzwart

op de takken verdringen. Het is een vorm

 

van paniek die opwelt in mij en als opvliegende

zwerm uit mijn keel breekt. Het heelal slaat

de vleugels uit. Wij klapwieken en juichen schril.

 

Maria Barnas – Jaja de oerknal. De Arbeiderspers, 18,95 euro, 52 bladzijden, ISBN 9789029587365

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Luuk Gruwez. Verbijsterend heelal

Thursday, May 2nd, 2013

 

Deze recensie verscheen eerder in ‘De Standaard der Letteren’.

Luuk Gruwez. VERBIJSTEREND HEELAL

De auteur: zo langzamerhand een van de prominentste Nederlandse dichteressen.

Het boek: dichtbundel van iemand die zich voortdurend beraadt op haar positie in het haar omringende heelal en daar soms bang van wordt.

ONS OORDEEL: prachtig gecomponeerde bundel.

De recentste bundel van Maria Barnas vertoont een cyclische structuur. Hij begint met een gedicht over de oerknal. ‘Het heelal slaat de vleugels uit,’ heet het daar. En het eindigt met het ultrakorte gedicht ‘Oeverloos’: ‘De o van dood.’ Het is alsof in de dood alles weer heel wordt, alsof daar de perfect ronde en eindeloze staat van oeverloosheid wordt bereikt. Het heelal dat sinds de oerknal aan het uitwaaieren was geslagen en in fragmenten uit elkaar was gevallen, krijgt er als het ware zijn heelheid en zijn eenheid terug. Helaas enkel voor de duur van deze bundel.  Op de kaft staat, zwart tegen een witte achtergrond, een zwerm vogels afgebeeld. Die doen mij vanwege de dreiging die van ze uitgaat heel erg aan de ‘The Birds’ van Alfred Hitchcock denken. En inderdaad, in het eerste gedicht kun je met wat goede wil een bevestiging hiervan lezen: ‘Angst is een zwerm die rust in een boom.’

Het lijkt alsof Maria Barnas moeizaam overweg kan met het almaar meer gefragmenteerde heelal dat ons omringt. Zij schetst een werkelijkheid die ter wille van haar versplintering angstaanjagend is en gaat op zoek naar een herstel van de eenheid. Het bladzijdelange tweede gedicht van de bundel draagt als titel ‘Waar men bang voor is’. En dan volgt een vrijwel eindeloze opsomming van datgene waarvoor men zoal bang kan zijn: zowel voor huidziekten als voor orkanen, voor seks als voor flauwvallen, voor de paus als voor Rusland, voor de eeuwigheid als – ja, het staat er – voor ‘alles’. Angst, soms ontaardend in paniek, is de dominante in deze bundel van Barnas. Zo groot is hij dat de dichter de suggestie wekt te willen verdwijnen. Daarvan getuigt ‘Gesloten hoofd’, een gedicht opgedragen aan de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker, die zich heeft gesuïcideerd en waarin twee andere door zelfmoord omgekomen dichters ten tonele worden gevoerd: Sylvia Plath en Anne Sexton. Een ander gedicht brengt het getuigenverslag van de verdrinking van een vrouw. Dat ontlokt Barnas deze bedenking: ‘Ik aarzel aan het water zoals wandelaars / die aan het water staan. We aarzelen niettemin.’ En in de beschrijving van haar ouderlijke huis in Schoorl, waar zij niet langer in kan omdat er inmiddels andere mensen wonen, heeft zij het over de wens ‘om elke dag iets trager / uit het zicht te verliezen en ronduit in te verdwijnen.’

Zoals zoveel dichters die hun identiteit zoeken in de diaspora van plaatsen waar zij korte of lange tijd hebben verbleven, vergeefs op zoek naar iets als een absoluut onderkomen, focust ook zij zich op de plekken van haar bestaan. En dat is niet enkel Schoorl. Maar net zo goed Parijs of Amsterdam of Istanbul of Rome. Of Berlijn, de stad waar zij thans woont. Zij is overal op zoek naar een plaats waarvan zij kan zeggen dat zij er thuis is. Of dat helemaal lukt, is de vraag. ‘Ik ben hier thuis op een manier,’ klinkt het ergens met enige reserve. Eén plek op IJsland, vlak bij de ondergesneeuwde top van de Vatnajökull, confronteert haar weer met de essentie, met die hele kosmos waar zij zich geen raad mee weet: ‘Het is wit in mijn hoofd. Kan iemand me details geven? / Ik sta in het midden van een verbijsterd heelal.’ Die tot ontreddering leidende spanning tussen een individu en de hem omringende oneindigheid doet even aan een regel van Lucebert denken: ‘dit was ik en dat was het heelal.’ ‘De oeverloze tijd en ik’: om deze relatie gaat het hier namelijk van het eerste tot het laatste woord. Het is het benoemen van de dingen dat de dichter enige grip op het bestaan moet geven. Daarzonder regeert chaos. Tegelijk is het twijfelachtig of woorden die kunnen bedwingen.

Chaos: dat is ook de haast ontembare dagelijksheid, de tijd met al zijn trivialiteiten die je ten goede of ten kwade afleidt van de plechtstatige onbereikbare eeuwigheid en het meesterwerk dat zelfs ambieert een anderssoortig leven te zijn. Heel pregnant en met onvermijdelijke ironie verwoordt Maria Barnas haar dagindeling in het gedicht ‘De kinderen’: ‘Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen / neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden / mogen slaan met pannen en dieren / schoppen en deuren en niet op het kleed poepen / en er met een trein doorheen rijden (…).’ En verder: ‘Nog acht minuten voor een meesterwerk (…).’ Fnuikender dan hier is de clash tussen de realiteit en de literatuur nergens. De strijd tegen de tijd moet het afleggen tegen een paar futiele  besognes. ‘Jaja de oerknal,’ klinkt het nog ergens in het heelal, maar het is precies alsof alleen heel ondermaans en heel banaal op een kleed wordt gepoept. Maria Barnas heeft moeite met al die dagelijksheid. De goodwill waarmee zij het enthousiasme van haar kinderen voor iets als voetbal op televisie registreert, is matig. Maar ach, dat voetbal? Het zorgt soms voor extra time, voor verlengingen als enige min of meer aanvaardbaar alternatief voor de eeuwigheid.  

____________________

MARIA BARNAS

Jaja de oerknal

uitgeverij De Arbeiderspers, 48 blz., 18,95 euro

 

AANTAL STERREN:

****

 

DE KINDEREN

 

Nog dertien minuten

nee twaalf.

 

Ik had de hele dag om te werken

maar ik ging lezen en sorteren en kijken

hoe ik de dag het best kon indelen en nu

heb ik er nog maar elf.

 

Dan moet ik de kinderen halen. Luiers omdoen

neuzen afvegen en roepen dat ze niet op hoofden

mogen slaan met pannen en dieren

schoppen en deuren en niet op het kleed poepen

en er met een trein doorheen rijden

en niet je neus aan je broer afvegen

en nu moet je echt slapen slapen slaap nu toch eens

in je eigen bed en niet schreeuwen niet schreeuwen schreeuw niet zo!

 

Het hikken in mij

als de ochtend die ik

in schok schokken voorbij zie gaan.

 

Nog acht minuten voor een meesterwerk

of laat het een begin zijn.

 

Iets wat zo kan klinken.

Maria Barnas