Posts Tagged ‘Mark Strand’

Nini Bennett. Die wolke is deur digters gedoop

Sunday, November 3rd, 2019

I.

De Wolken

 

Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag

Lang-uit met moeder in de warme hei,

De wolken schoven boven ons voorbij

En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag

 

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,

Daar gaat een dame, schapen met een herder –

De wond’ren werden woord en dreven verder,

Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

 

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,

Ofschoon de hemel vol van wolken hing,

Ik greep niet naar de vlucht van ‘t vreemde ding

Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

 

-Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide

En wijst me wat hij in de wolken ziet,

Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet

De verre wolken waarom moeder schreide –

 

Martinus Nijhoff

 

Ons is almal waarskynlik bekend met hierdie klassieke, tydlose gedig van Nijhoff. Wolke, of cloudspotting is die natuur se eie Rorschach-toets. Wolke is die mens se gunsteling atmosferiese verskynsel en boei digters, kunstenaars en wetenskaplikes al vir eeue lank. Twee millennia voor die digter, Mark Strand, oor wolke geskryf het, het die groot Griekse dramaturg, Aristofanes opgemerk: “They are the celestial Clouds, the patron goddesses of the layabout. From them come our intelligence, our dialectic and our reason.”

Tog was niemand meer gefassineer deur wolke as Johann Wolfgang von Goethe nie. Toe die chemikus en amateur-meteoroloog, Luke Howard in 1803 ’n 32-bladsye pamflet getitel On the modifications of clouds publiseer, het Goethe onmiddellik die wetenskaplike meriete van die publikasie raakgesien. As Direkteur van die Instituut vir die Kuns en Wetenskappe in Sachsen-Weimar was Goethe ook betrokke by die vestiging van weerstasies vir weerkundige observasies. Waar die lees van wolke vroeër beperk was tot die ingewyde (en verborge) kennis van seemanne, kleinboere en skaapwagters, het Howard begin om wolke vir die eerste maal volgens Latynse nomenklatuur te klassifiseer. Hy het hulle breedweg onder Cumulus, Cirrus en Stratus geressorteer, met enkele subklassifikasies. Die grondslag van Howard se werk word tot vandag toe erken, al het die lys taksonomieë en wolkgeslagte intussen aansienlik uitgebrei.

Cumulus beteken “hoop” en beskryf die opgehoopte, uitgepofte wolke wat ’n mens aan springmielies laat dink. Cirrus beteken “haarlok” of “veertjie” en hierdie soort wolke lyk dan ook werklik soos krulle of veertjies. Aan die wolke wat soos massiewe komberse oor die hemelruim uitgesprei lê, het Howard die naam Stratus gegee, wat “laag” (“layer”) beteken. Wolke, op hulle beurt, bestaan uit waterdamp wat klein druppels of yskristalle vorm, gewoonlik 0,01 mm in deursnee. Wanneer biljoene druppeltjies of kristalle saamgegroepeer is, is hulle sigbaar as wolke.

Goethe, wat sedert die begin van die negentiende eeu erkenning geniet het as intellektuele ikoon, was meegevoer – én geïnspireer – deur Howard se werk. Hy het ’n reeks kort gedigte oor die vername wolksoorte geskryf, getitel Howards Ehrengedächtnis (In Honor of Howard). Sonder omhaal het Goethe sy onverbloemde bewondering vir Howard besing:

 

To find yourself in the infinite,

You must distinguish and then combine;

Therefore my winged song thanks

The man who distinguished cloud from cloud.

 

Die reeks van vier musiekgedigte is inderdaad ’n viering van die ewige dialoog tussen die kuns en wetenskap. Goethe se verbysterende kennis en bydraes strek tot in die natuurwetenskappe, byvoorbeeld sy bekende kleurteorie, of sy belangstelling in morfologie, wat die bou en struktuur van verskynsels betrek. Tog word Goethe se bydraes eerder gesien as geesteswetenskaplike bydraes en aanvullend tot die wetenskappe; en só word Howard se wolkklassifikasies omraam deur Goethe se poëtika van die wonders van die dampkring. Twee voorbeelde van Goethe se wolkgedigte:

CUMULUS

 

Still soaring, as if some celestial call

Impell’d it to yon heaven’s sublimest hall;

High as the clouds, in pomp and power arrayed,

Enshrined in strength, in majesty displayed;

All the soul’s secret thoughts it seems to move,

Beneath it trembles, while it frowns above.

 

 

CIRRUS

 

And higher, higher yet the vapors roll:

Triumph is the noblest impulse of the soul!

Then like a lamb whose silvery robes are shed,

The fleecy piles dissolved in dew drops spread;

Or gently waft to the realms of rest,

Find a sweet welcome in the Father’s breast.

 

 

Op sy beurt was ’n jong klerk en vertaler van Londen, Johann Christian Hüttner só betower deur Goethe se gedigte dat hy dit op hom geneem het om die reeks vanuit die Duits na Engels te vertaal.

II.

In 1999 het die Pulitzer-pryswenner, Mark Strand, in samewerking met die kunstenaar, Wendy Mark ’n wonderlike kleinood van ’n boek, 89 Clouds uitgegee. Dit bestaan uit ’n enkelgedig waarin 89 refleksies en meditasies rondom wolke neerslag vind, aangevul deur Mark se sensitiewe skilderye. Oor dié boek het kritici gesê “no pixel or prose can do it justice”. Enkele voorbeelde van hierdie besinnings:

  1. Words about clouds are clouds themselves
  1. If snow falls inside a cloud, only the cloud knows
  1. A cloud dreams only of triangles
  1. Clouds are thoughts without words
  1. If a parrot is lost in a cloud, it turns into a rainbow
  1. Clouds are drawn by invisible birds
  1. Clouds are in love with horizons
  1. The cloud that was gone would never come back
  1. Every lake desires a cloud
  1. A cloud is a cathedral without belief
  1. Clouds cannot see what we do under the umbrella

 

III.

Wolke  

 

Wolke is gedagtes

wat vra om woorde te word.

Ek speel met beelde

van Kopland, Nijhoff en Strand,

sien vergesigte van reën,

die knettervuur van hael op dakke,

die son se loodlyne wat sub-tropies

die hemel deurhaal in waterpas strale.

Of die los genade as

klawers spat, vet druppels

armmansreën; die nederige Karoo

se gulhartige gee.

.

Die meteorologie staan tru.

Cirrus se veerlig,

die brandstapels in Cumulus.

Die miere, die verspieders weet

die wolke is deur digters gedoop.

 

© Nini Bennett. Uit: Donkerwerk

 

Verwysings

 

https://lyricstranslate.com/en/mark-strand-89-clouds-lyrics.html?fbclid=IwAR3KWEULZzcXqTkUKUWBJVi2X1HqFDK38WP5KkkPy-PaJOCTIT6h1x07mPU

http://www.boekgrrls.nl/WoensdagGedichtdag/NijhofMartinus.htm?fbclid=IwAR21BRusQMr-rfprt3J1uqUXgY1XopYz_4e1nWDyOVxpAK7Qh8idc1Wp8gg

http://www.tottenhamclouds.org.uk/goethe-discovers-luke-howard.html?fbclid=IwAR343_ACmV0lHuSiJLZIygoW8wlM1uX2h68jy-LjqQRJLqtmXrjstS9s0MU

http://bib.gfz-potsdam.de/pub/schule/goethe/startgoe_en.htm?fbclid=IwAR0W9s_x8tzhd_A3v7T8nRRrVkqBOkAW8HpeMOm-UX_ElgBBewCFlFSDS_o

Bennett, N. Donkerwerk. 2019. Kaapstad: Naledi

Janita Monna. Het besef van vergankelijkheid

Wednesday, May 30th, 2012

Mark Strand – Bijna onzichtbaar/Almost invisible

 

Bijna Onzichtbaar

Een jaar of tien geleden was Mark Strand te gast in Rotterdam voor een lezing ter verdediging van de poëzie. Hij toonde met zijn verhaal vooral de onmogelijkheid om precies te vatten wát poëzie nu eigenlijk is. Dat wat poëzie tot poëzie maakt uiteindelijk ongrijpbaar is, en onbevattelijk, zoals een nachtelijke sterrenhemel dat is.
Mark Strand is een van de belangrijke dichters van de Verenigde Staten. Niet alleen was hij Poet Laureate, ook ontving hij meerdere prijzen (waaronder de Pulitzer). In Nederland werd hij begin jaren ’80 met een bescheiden bloemlezing geïntroduceerd door dichter H.C. ten Berge. Zes jaar geleden verscheen er een ruimere selectie uit zijn werk, Gedichten eten/Eating poetry, van het vertalersduo Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Zij hebben nu ook Bijna onzichtbaar/ Almost invisible vertaald. Een bijzonder project, aldus de vertalers in het korte nawoord, waarbij schrijven en vertalen zo’n beetje gelijk op gingen. Bijna onzichtbaar bevat een serie prozateksten waarvan de dichter zelf de kwaliteit maar moeilijk kon inschatten: Jansma en Van den Akker overtuigden Strand van de waarde van deze ‘proems’, korte, min of meer verhalende, maar nauwelijks grijpbare stukjes.
In de allereerste tekst bezoekt een bankier het bordeel van blinde vrouwen. De bankier doet zich voor als herder, maar de blinde hoer gelooft hem niet: is een ieder wel wie hij zich voorwend te zijn? Die vraag speelt niet alleen in deze korte tekst. Hij komt elders terug als een echtgenoot zijn vrouw meedeelt dat zij hem niet kent:
‘Na een huwelijk van jaren staat hij aan het voeteneind/ van het bed en vertelt zijn vrouw dat ze hem nooit zal/ kennen, dat er bij alles wat hij zegt meer is wat hij niet/ zegt, achter ieder uitgesproken woord een ander woord schuilt/ en daarachter nog honderden.’
Toch is de echtgenote allesbehalve ontstemd door deze mededeling, want ze roept opgewonden uit: ‘Niets is zaliger/ voor mij dan dat je nauwelijks bestaat zoals je bent.’ Die uitroep raakt het wezen van Strands idee van poëzie, en is in tal van variaties in deze bundel te vinden. Zijn vertellinkjes zijn even licht als duister. Licht zijn ze vooral in hun taal, in hun nonchalante Engels, met een wat deinende muzikaliteit. Door Jansma en Van den Akker (beiden dichter) tot soepel Nederlands gekneed in vertalingen die tamelijk dicht bij het origineel blijven. Al is er wel iets van die muzikaliteit verloren gegaan: Strands nauwelijks nadrukkelijke alliteraties bijvoorbeeld, bleken niet overal te handhaven; daarbij klinkt de dichter in het Nederlands nu en dan ook wat plechtiger dan in het Engels, en wordt het alledaagsere ‘babies breath’ vertaald in ‘de adem van een boreling’.
Duister is vooral de inhoud die achter die taal schuilgaat. Nogal eens spelen de gedichten zich af in ‘melkwitte mistgangen’, in de schemering, vlak voor het slapen, en zelfs in een gedicht getiteld ‘Helder in het september licht’ is niks eigenlijk helder: ‘Misschien schreeuwt hij wel, maar omdat we niets horen, is dat onwaarschijnlijk.’
In al hun schemerigheid zijn de ‘proems’ doortrokken van het besef van vergankelijkheid, van het aangezicht van de alomtegenwoordige dood – het thema is niet nieuw in Strands gedichten. In een van de vertellingen is het de Minister van Cultuur die wacht op het niets, als was het een langverwachte geliefde die thuiskomt, ‘en op de bekende afwezige toon zegt: “Schat, je weet dat ik je altijd al wilde behagen en nu ben ik hier. Sterker: ik blijf voor altijd.’
Maar de passiviteit die in veel van deze ‘proems’ huist – weinig verzet tegen wat onafwendbaar is, nergens stemverheffing – maakt deze teksten tegelijk wat flets. Schouderophalend lees je verder. Pas als Strand het surreële de boventoon laat voeren, krijgen zijn prozagedichten een scherp kantje, zoals Horace, het lijk, dat verwachtte weer op te staan, maar dood bleef. Of het stel uit ‘Gedonder in Pocatello’, die hun drama verstoppen in twee kleine regels: ‘”Ik ben thuis,” zei de man. “Niet alweer,” zei de vrouw.’

Als een blad op de wind

Na het werk, waar niemand hem kent en zijn baan zelfs
hem een raadsel is, gaat hij door zwak verlichte straten en
donkere stegen naar zijn kamer achter in een verloederde
flat aan de andere kant van de stad. Het is winter en hij
loopt gebogen met zijn kin in zijn kraag. In zijn kamer gaat
hij aan een tafeltje zitten en kijkt naar het boek dat open
voor hem ligt. De bladzijden zijn leeg en daarom kan hij er
uren naar staren.

Mark Strand – Bijna onzichtbaar/ Almost invisible. Vertaald door Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Van Oorschot, 17,50 euro, ISBN 9789028241824, 107 pagina’s.
Deze recensie verscheen eerder in Trouw.