Posts Tagged ‘Mieke van Zonneveld recensie’

Luuk Gruwez. Recensie: Leger (Mieke van Zonneveld)

Tuesday, August 8th, 2017

WAAROM WIJ ONZE VACHT VERLOREN ZIJN

 

In Leger, haar poëziedebuut, neemt Mieke van Zonneveld (°1989) al meteen de taak op zich de wortels en de bestemming van haar hele bestaan af te tasten. Zijzelf of wie voor haar dichterlijke ik moet doorgaan (het is verleidelijk om dit onderscheid niet te maken) doet dat met het mes op de keel, of beter met het infuus in haar lijf. Hoe jong die ik namelijk ook is, hij/zij bevindt zich in de wurggreep van de dood. Het lijf is in een duel gewikkeld met wat heel expliciet ‘acute promyelocytenleukemie’ wordt genoemd. Het gaat om een ziekte als een gevangenschap en het is zaak daar, bewaakt door een ‘leger’ vijandige cellen, alsnog uit te ontsnappen. Het laatste gedicht heet dan ook ‘Desertie’. De vraag is of er erg veel verschil is tussen een lichaam dat nog niet door ziekte is belaagd of inmiddels genezen is en een lichaam dat zich ondanks de genezing net zo goed gekluisterd voelt. En of het na die genezing − tweede betekenis van de titel − daardoor niet ‘leger’ wordt. Blijft men niet ongeneeslijk? Een vanwege de herhaling nogal criant, maar tegelijk enigszins gelaten citaat van Ramses Shaffy leidt de bundel in: ‘Maar we leven nog, maar we leven nog./ (…) / We leven nog, en niet zeuren.’ Zeuren doet Van Zonneveld allerminst. Ze laat alleen zien dat de mens, gezond of niet, door zijn lichaam gegijzeld wordt. Ze vraagt zich af waarom wij het zo weinig voor het zeggen hebben, waarom mensen in tegenstelling tot sommige collega-zoogdieren niet kunnen profiteren van de geborgenheid van een vacht, hoe het komt dat haast niemand in zijn lichaam past. Er waakt over elk van ons, zo schijnt ze te denken, en over alles wat wij zijn een cipier die wij de ene keer omhelzen en de andere keer verfoeien.

Ik kan mij niet ontdoen van de indruk dat het instrument daartoe in de wereld van Van Zonneveld onder meer de religie van de kinderjaren is. Haar God raakt zijn hoofdletter maar niet kwijt, laat zich de deur niet wijzen, is zelfs present in zijn afwezigheid, dicteert wat mag en wat niet, bepaalt de grenzen van goed en kwaad, markeert de voorwaarden van elk lichamelijk genot en staat te dreigen met zijn toorn. Er treedt, als diens mogelijke vertegenwoordiger op aarde, een vaderfiguur op die heel sterk zijn overtuiging wil doordrukken dat alle kwaad van begeerte afkomstig is.  Van Zonneveld is het daar aanvankelijk niet oneens mee: ‘Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het / kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het / te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me uitgebraakt.’ Hoewel er een zeker schuldbesef aan haar ziekte kleeft, toch komt zij op een bepaald moment in de bundel gedecideerd in opstand tegen dit vaderlijke dictaat en laat zij geliefden ruim tot haar leefwereld toe, zich ervan bewust dat ziekte lang genoeg een concentratie van gemiste min heeft opgeleverd. Dit vereist een breuk met het verleden die zich in deze bundel overigens in hoge mate laat voeden met het idioom van de christelijke en de antieke cultuur. Het aanvangsgedicht van de bundel zet al de toon. Het gedicht gaat over Babel, de stad die in het Oude Testament staat voor het centrum van de spraakverwarring, geen ontoepasselijke metafoor in een dichtbundel waarin de dichter zich middels de taal een identiteit probeert aan te meten. Omringd door ziekte. ‘Tussen levenslust en doodsdrift / hurkt een uitgemergeld meisje. / Voed haar of dood haar.’, staat er verderop te lezen. Maar zij weigert nog langer te gehoorzamen aan een ziekte die haar onbeholpen en afhankelijk maakt en haar reduceert tot een aangelijnd hondje. De vraag is of dit refuus haar zoveel gelukkiger maakt. Zij heeft dan wel het geloof in een God ingeruild voor de ‘plakkerige afgod’ die vrijheid heet, maar die is ‘een deken die haar niet werkelijk bedekt’. ‘Ik mis U’, zo spreekt zij haar oude God aan, ‘en dat is het. Te worden aangeraakt. Te worden opgewekt.’ En weer is er dat besef: hoe komt het toch dat wij, mensen, het zonder vacht moeten stellen?

Niet alle gedichten die naar de hellenistische en christelijke wereld verwijzen, zijn even helder. Het mysteriegehalte van Van Zonnevelds poëzie is soms groot, maar net zo goed lezen wij keelsnoerend heldere gedichten over de ziekte waarmee zij heeft gekampt. Een ervan heet ‘Nee’. Het behoort tot de mooiste poëzie die ik het afgelopen decennium gelezen heb. De titel alleen al verwijst naar de weigering nog langer voetstoots het dagelijkse te accepteren dat haar aangeboden wordt. Misschien omdat de ik die zij ten tonele voert niet zomaar beaat is van haar herwonnen gezondheid. De vraag is namelijk wat verkieslijker is, het gezonde lijf of dit dat tot een ongewilde veldslag wordt gedwongen? Typerend hiervoor zijn deze verzen: ‘Want toen ik dagelijks achtentwintig / pillen slikte, sliep aan een infuus / en douchte onder toezicht / (…) / was ik niet zo ziek als nu.’ Niet altijd laat men zich zijn ziekte afnemen. Want zij betekent ook identiteit. Dit is hoe dan ook poëzie die op zoek naar een aankleding gaat. Het is moedig van Van Zonneveld dat zij dat in dit tijdsgewricht klaarspeelt door eigenzinnig en overvloedig gebruik te maken van culturele referenties waarop weinigen nog een beroep doen zonder dat zij aan eigentijdsheid inboet. In een bundel die misschien wel het beste debuut sinds jaren is.

.

Nee

 

Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand

die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben

niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je

vies geworden, overal ligt zand. Ik werd lamlendig

wakker. Op  al mijn wegen nooit één teken maar

in dromen worden ze bij menigtes gegeven.

Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en

zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel

de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug

verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

.

Er was in mij iets opgestaan dat niemand wist te

temmen, het joeg me op, beloofde me een weelderig

bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het

kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het

te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me

uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede,

geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld

nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar

tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij

nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

.

© Mieke van Zonneveld / 2017

 

_______________________________________

MIEKE VAN ZONNEVELD

Leger

De Bezige Bij, 61 blz., 16,99 euro.

AANTAL STERREN:

****