Posts Tagged ‘Miriam Van hee’

Janita Monna. Licht melancholieke grensverkenningen

Thursday, March 20th, 2014

 

Miriam Van hee – ook daar valt het licht

 

Het is de ergste nachtmerrie: je wilt ergens voor vluchten, en dat lukt niet. Je probeert te rennen, je benen draaien rondjes, maar onzichtbaar elastiek houd je op de plaats. Wat je ook doet, je komt niet vooruit. Je beweegt en staat stil.

Dat gevoel, en vooral dat samenvallen van stilstand en beweging vangt Miriam Van hee in haar poëzie. Haar nieuwe bundel ook daar valt het licht opent zelfs met een gedicht getiteld ‘sur place’.

De Vlaamse Van hee beschrijft daarin een dorp gezien vanuit een hotelkamer. Traag wordt het beeld op scherp gesteld, en meteen wordt ook de waarneming op losse schroeven gezet:

‘beneden ligt het dorp, het lijkt/ alsof het alles heeft’. In dit stilstaande dorpsgezicht zijn desondanks minieme bewegingen te bespeuren, veroorzaakt door wind, door licht, door tijd, door zaken kortom, waarop niet of nauwelijks vat te krijgen is: ‘vlekken// licht bewegen op de aarden weg’.

Ook Van hee’s poëzie oogt bij eerste lezing vrij onopvallend. Geen grote woorden, geen wild geëxperimenteer met taal of exuberante beelden. Van hee roept niet, ze fluistert eerder. Het verklaart misschien waarom ze – ondanks de prijzen die haar poëzie ten deel vielen – geen al te grote lezersschare in Nederland heeft.

Maar achter die vrij onnadrukkelijke regels is een duidelijke spanning voelbaar; achter de woorden die bewegingsloos op de pagina staan, beweegt het. Langzaam: ‘dat je de woorden/moest vinden die een beweging beschreven/ van handen, vertraagd, naar het hoofd’.

De gedichten in ook daar valt het licht proberen steeds weer dat wankele evenwicht te vinden waar ook de wielrenner die op een baan een ‘sur place’ maakt, naar op zoek is. In geladen regels wordt de grens verkend tussen leven en dood, beweging en stilstand, vroeger en nu, kind en volwassene, stad en land; waar gaat de ene toestand over in de andere? Kun je, zo peinst Van hee, na je dood nog heel even voortleven, zoals muziek die gestopt is, kan naklinken in je hoofd? ‘(…) dat de tijd/ voor de doden nog heel even zou kunnen duren, een/ afdaling lang, de tijd om de zonsondergang waar// te nemen’.

In die licht melancholieke grensverkenningen huist ook ‘ontwakend verdriet’ om wat voorbij ging en zal gaan, om dat waar niet meer bij te komen valt. Pijn, soms om dingen die zich nauwelijks benoemen laten. En slechts een enkele keer breekt een lichte paniek door de regels heen:

 

plots stond een hond voor de jongen

en hoe ik ook toestormde, ik kwam

te laat om zijn angst te bedwingen

 

Hier tekent zich iets af wat op een nachtmerrie lijkt. Een oncontroleerbare angst die – al is het maar voor even – o zo kalm door taal bedwongen wordt.

 

ROZEBROEKEN

 

plots stond een hond voor de jongen

en hoe ik ook toestormde, ik kwam

te laat om zijn angst te bedwingen

 

daar hangen seringen, zei ik

laten we ruiken, ik til je op, we nemen

ze mee voor je vader en moeder

juni is goed voor de bloemen

 

en hoor je de vogels zingen, vroeg ik,

en kijk hoe de vliegen hun vleugeltjes

poetsen en laten we nog even wachten

hier, aan de rand van de gracht zal

de reiger opstijgen, dat zei ik, hij

luisterde, leek het, maar van

welke dingen droomt hij vannacht

 

Miriam Van hee – ook daar valt het licht. De Bezige Bij, 16,50 euro, 48 pagina’s, isbn 9789023479017

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Video: Van hee en de VSB Poëzieprijs (2014)



Louis Esterhuizen. Kortlys vir die VSB Poëzieprys bekend gemaak …

Thursday, January 16th, 2014

Met ‘n prysgeld van € 25.000 is die VSB Poëzieprys beslis een van die vernaamste pryse wat aan ‘n Nederlandstalige digbundel toegeken kán word. So is die kortlys vir hierdie prys, wat jaarliks aan die beste digbundel van die voorafgaande jaar toegeken word, dan ook pas bekend gemaak. Die finaliste, in alfabetiese volgorde, wat uit die 115 inskrywings gekies is, is soos volg: Maria Barnas, F. van Dixhoorn, Micha Hamel, Miriam Van hee en Antoine de Kom. Die wenner sal op 29 Januarie, tydens die landswye Gedichtendag-vieringe, aangekondig word. Die beoordelaars vir vanjaar se toekenning, ter wille van volledigheid, was Ahmed Aboutaleb, Saskia de Jong, Hilde Keteleer, Joep Leerssen en Jan Rock .

Wat vir my besonder interessant was, is egter die oorsig-kommentaar wat die paneel gelewer het; veral omrede soveel daarvan tans ook in ons eie digkuns waarneembaar is. Ek haal aan soos dit op Poetry International Web se webtuiste opgesom word: “The jury did read many truly fine collections but was, despite that, somewhat taken aback to see that so much of what had been submitted tended to be much of a muchness in terms of poetic form and the sensibilities expressed. The impression was that Dutch poetry finds itself locked in a field of tension, now almost a century and a half old, that oscillates between the ‘most individual form of expression’ (Kloos) and the ‘imitative compulsions of daily lives’ (Potgieter). Regardless of all the freedom permitted in terms of form and the space for individual vehemence, it would appear that such a generally ingrained dilemma is threatening to become restrictive. For this reason, the vast majority of the poets seem to be actually turning away from the world and cocooning themselves in their own emotions, experiences and memories.

There was a marked preference for nostalgia. Through their descriptions of photos, slowed-down moments of the past, fragments of correspondence and diaries, and with their in memoriams it is as if the poets have banded together to arouse a sense of melancholy. It is no generational matter: whereas such nostalgia might be understandable among older poets it is precisely with younger poets that present-day urban life is being invested with the static nature of the past (in the process, the newest generation of poets tends to veer towards producing samples, disjointed metaphor and making less use of other stylistic poetic devices). The pursuit of such nostalgic effects surely points to a more general sense of ennui that has crept into the poetic culture.”

Maria Barnas

Nou ja, toe. Daar is egter twee van die finaliste op wie ek in meer detail wil fokus. Ten eerste, Maria Barnas. Oor haar bundel, Jaja de oerknal (De Arbeiderspers), het sowel Janita Monna as Luuk Gruwez vantevore op Versindaba geskryf, maar volgens die beoordelaars se commendatio die volgende: “Jaja de oerknal is an introspective collection about feelings and experiences (fear, memories, the creative spark) which nevertheless presents a whole wealth of descriptions and observations. The use of language is confident, controlled and supple, elegantly tracing parallels between what is said and mentioned and what remains silent or implicit. The individual poems cover a wide range of form registers but create together a thematic and stylistic unity. The images are powerful, evocative but never obligatorily symbolic.”

Miriam Van hee

En dan Miriam Van hee. Van hee is natuurlik nie onbekend aan Afrikaanssprekende poësieliefhebber nie; vanweë haar optredes en betrokkenheid by verskeie feeste en werkswinkels hier ter plaatse, maar (veral) weens Daniel Hugo se manjifieke vertalings van haar gedigte. Van haar bundel, ook daar valt het licht (De Bezige Bij) word die volgende gesê: “Van hee strikes a balance between finding involvement in the world and reflecting individual loss, between having an eye for major historical events and making intimate observations. With tremendous precision and nuance she is able to conjure up both the abominations of Eastern Europe and the landscapes and personages of her own youth.  All the while she questions, in the subtlest of ways, just how she can relate to that. This poet is an arrow of fire: she sets nothing alight but reminds us that light does exist.” ook Luuk Gruwez het besonder positief oor dié bundel geskryf.

Die volledige berig, met al die ander commendatios daarby, kan by Poetry International Web gelees word.

Hieronder volg Maria Barnas se titelgedig, met ‘n treffende vertaling van Miriam Van hee se gedig “herfst” ten slotte.

*

Jaja de oerknal

 

Jaja de oerknal hoor ik mezelf zeggen.

Hoe is het mogelijk dat dit in mijn mond past?

Het ontstaan een klont op mijn tong.

 

Stil. Angst is een zwerm die rust in een boom.

Of zijn het woorden die zich inktzwart

op de takken verdringen. Het is een vorm

 

van paniek die opwelt in mij en als opvliegende

zwerm uit mijn keel breekt. Het heelal slaat

de vleugels uit. Wij klapwieken en juichen schril.

 

Maria Barnas – Jaja de oerknal. De Arbeiderspers, 18,95 euro, 52 bladzijden, ISBN 9789029587365

*

herfs

die herfs is op sy mooiste

wanneer al die nuttelose dinge

kleure kry en die wind

oormoedig die venster oopmaak om die

ongestuurde briewe van die tafels

af te vee

die maer lig skyn steeds traer

oor die helling en vaer

word die vergesig klammer

die laken en die lippe geslote

so word die herfs eenselwig en kortstondig

en ’n oggend veels te vroeg

op vars sneeu betrap

(c) Miriam Van hee (Uit: In plaas van die stilte, 2012: Protea Boekhuis)

(c) Vertaling deur Daniel Hugo

Luuk Gruwez. Zo bewoonbaar als de wereld

Thursday, July 18th, 2013

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Zo bewoonbaar als de wereld

De auteur: de dichter van de nuance, werkzaam op het raakvlak tussen het zegbare en het onzegbare.

Het boek: een dichtbundel vol licht.

Ons oordeel: dichters van dit kaliber zijn nodig om ons te leren zien.

 

Er schijnt voortdurend licht in de poëzie van Miriam Van hee. Licht is wat hier met daar en nu met toen verbindt. En als dat er niet vanzelf is, dan voelt zij de behoefte het te laten schijnen. Dan werpt zij heel letterlijk, een licht op wat zij wil laten zien. Goed beschouwd kan ‘Ook daar valt het licht’, de titel van haar recentste bundel, worden gelezen als een variant op een andere titel, een die zij aan een bloemlezing van haar gedichten heeft meegegeven: ‘Het verband tussen de dagen’. Dit is namelijk haar inzet: helderheid schenken aan wat nog duister is, zichtbaar maken dat alles familie is van elkaar. Het verband is Miriam Van hee tot troost, het licht een onschatbare gids. Beide voorzien bovendien in een soort geruststelling, waarzonder ontreddering optreedt. ‘waar hebben wij toch de zaklamp gelaten,’ heet het dan. In één gedicht, ‘vanuit de auto’, heeft zij het over de ‘lichtende / stippen, voor ons die niet buiten / geruststelling kunnen, dat we / (…) heen zullen gaan, en terug.’

Het vinden van een verband impliceert hier natuurlijk ook dat je ‘het geheel en de delen’ ziet. Op de maan ontwaart zij net dezelfde landen en continenten als op aarde. Ook daar, lijkt het wel, houdt alles op. Van hee temt de melancholie door middel van haar pogingen om het overzicht te verwerven of gaaf te houden. Want als het van de natuur alleen afhangt, dan kan men zich alleen maar realiseren dat die volstrekt onverschillig is voor welke tragiek en welk lijden dan ook. In één gedicht wordt beschreven hoe twee mannen enigszins onhandig een schaap proberen te pakken te krijgen, kennelijk met de bedoeling het te slachten. De laatste regel is genadeloos: ‘een stralende hemel woog op het land’.  

Zoals vanouds in het werk van Miriam Van hee speelt ook het openbaar vervoer, bij wijze van voor de hand liggende metafoor voor beweging, een belangrijke rol. Trein, tram, bus en zelfs vliegtuig komen veelvuldig voor. Daarnaast zelfs de auto. In alles registreert zij de beweging. En omgekeerd: terwijl zij zelf in beweging is, slaat zij ook op wat zoal stilstaat. Alles wat beweegt, baadt in de nostalgie van het grote verstrijken of van wat ergens ‘de voorlopigheid’ wordt genoemd. Om dit tegen te gaan dient het in woorden te worden vastgelegd. In een van de treffendste gedichten confronteert de dichter twee verschillende soorten beweging. Zij beschrijft enerzijds haar vader die de watersportbaan afroeit in een bootje en met de rug naar zijn doel zit. En anderzijds beschrijft zij haar eigen beweging: langs diezelfde watersportbaan volgt zij per fiets haar vader. In tegenstelling tot hem ziet zij wel degelijk het doel waarop hij en zij afstevenen. Je zou kunnen stellen dat het roeien van de vader een beweging van de terugblik op een verleden is, terwijl het fietsen van de dochter een beweging van de toekomst is. Toch vallen beider doelen uiteindelijk samen. Knap aan dit gedicht is het feit dat Van hee dat vaderlijke verleden illustreert met enkele veelzeggende attributen: zijn versleten Kirgizische hoed en de galochen die nog zijn schoonvader hebben toebehoord.

Het lijkt of zij wil bewijzen dat het niet echt uitmaakt op welke plek wij ons bevinden, doordat elke beweging uiteindelijk naar hetzelfde doel leidt. ‘Home is where one starts from,’ citeert zij T.S. Eliot. Maar ‘home’ is een woord dat natuurlijk evenzeer van toepassing op het einde is. Nochtans is er een brede diversiteit aan plekken waaraan een gedicht is gewijd. Soms lelijke plekken in de cyclus ‘station Gent Dampoort’. Ook dit maakt niet altijd evenveel uit: de afzichtelijkheid van een stad onder de avondspits kan enigszins worden gemaskeerd door de fantasie waarmee bijvoorbeeld bergen in de Kaukasus voor de geest worden geroepen. Dromen zitten in deze bundel overigens wel vaker aan bepaalde plekken verankerd. Daarnaast laten veel oorden zich in een oogstrelender decorum situeren. Het is niet moeilijk her en der de Cevennen te herkennen, de tweede habitat van de dichter. Vaak gaat het dan om plaatsen die een bedwelmende sfeer ademen. Dat geldt overigens ook voor een gedicht dat zich in de Kriekerijstraat afspeelt en dat een prachtig tafereel uit een zomerse tuin oproept met een licht corrigerende opmerking aan het eind: ‘de ijsjesverkoper / moet komen maar de kinderen zijn er nu niet’.

En zo manifesteert Miriam Van hee zich wel vaker als de dichter van de nuance. Ze balanceert op het koord tussen het zegbare en het onzegbare. Daar waar volgens Herta Müller het nulpunt ligt, waarop het bestaande en het (nog) niet bestaande elkaar raken, zoals het licht en alle dingen van de aarde elkaar kunnen raken. Een vers waaraan de bundel zijn titel ontleent, luidt als volgt: ‘maar ook hier viel het licht waarin alles moest / worden gezien’.  En verder: ‘want / er is niets of iemand onthoudt het’. Opdat alles zou worden onthouden, moet het eerst worden gezien. Er is een dichter van dit kaliber nodig om hiervoor alvast onze ogen te openen.

 

***

 

Miriam Van hee

Ook daar valt het licht

uitgeverij De Bezige Bij, 48 blz., 15,00 euro

 

sur place

 

beneden ligt het dorp, het lijkt

alsof het alles heeft, een toren

een plein, een brug, een achtergrond

 

een eikenwoud waarin de wind

tekeer kan gaan, en huizen

de luiken zijn gesloten, vlekken

 

licht bewegen op de aarden weg

het is een wonder, zo bewoonbaar

als de wereld is, dat druiven

 

kunnen groeien in zulke harde grond

en de wingerd schaduw geeft

zonder bedoeling, de appelboom

 

draagt appels nog, kleine, rode die

voor niemands ogen zullen vallen

als hun tijd gekomen is

 

Miriam Van hee

________________________

Dit gedicht werd geschreven op verzoek van de stichting Rosario en zal permanent te lezen zijn in een kamer van het poëziehotel Surplace te Bever, in het Pajottenland. Zie ook www.surplace.be.

Resensie: In plaas van die stilte (Miriam Van hee)

Saturday, March 3rd, 2012

In plaas van die stilte. ‘n Keuse uit die gedigte van Miriam Van hee. Uit Nederlands vertaal deur Daniel Hugo. Protea Boekhuis. ISBN: 978-1-86919-543-4. Prys: R140. 125 bladsye. Sagteband.

Resensent: Zandra Bezuidenhout

 

So het ek jou nog nooit gesien nie

met die hawe agter jou

die meeue om jou kop  (59) 

                     *

dink aan die aand op die dak

en die wind vrolik om ons bene

toe die strate vol roerloos

swellende kersiebome was

die tuine vol gefluister

en ‘n warmer liefde

geroer het soos in die gordyne

die oggendlig  (41) 

                     *

so leef ons en soek

diep in mekaar na ‘n plek

waar ons die graagste is

‘n oomblik ‘n dag  (61)

 

In plaas van die stilte

In plaas van die stilte

Die drie bostaande fragmente uit afsonderlike gedigte is maar enkele van dié wat in die geheue vassteek by die lees van die Afrikaanse vertalings van Miriam Van hee (1952-) se wonderskone poësie. Haar werk word in haar tuisland hoog aangeslaan en is al met talle belangrike toekennings bekroon. Ná die onlangse dood van haar landgenoot en heel andersoortige digter Christine D’haen (1923-2009) kan sy as die grootse lewende vrouedigter in Vlaandere beskou word.

Toe Van hee ‘n paar jaar gelede by die Stellenbosse Woordfees en die KKNK opgetree het, is haar voorlesings met groot waardering ontvang. Ook tydens besprekings van haar werk by ‘n aantal plaaslike leeskringe het haar gedigte groot byval by plaaslike lesers gevind. Omdat eietydse Nederlandstalige digbundels selde in Suid-Afrika in die handel beskikbaar kom en omdat baie Afrikaanse lesers ‘n onverklaarbare weerstand teen die lees van Nederlandstalige tekste het, sou  haar werk tot dusver hier te lande grootliks onbekend bly.

Danksy Daniel Hugo se vertalings van ‘n keuse uit Van hee se agt digbundels, het Afrikaanse lesers nou die voorreg om meer as 50 gedigte in hul “byna” oorspronklike vorm te geniet, met die Nederlandse en vertaalde weergawes keurig langs mekaar afgedruk. Van hee se taal is so helder en toeganklik, en haar stelwyse so ongekompliseerd dat die gedigte in die meeste gevalle “direk” of  byna woordeliks in Afrikaans vertaal kon word. Daar is by Van hee nie sprake van ingewikkelde taal- en woordspel of vaste rym en strofebou wat die vertaalproses bemoeilik nie. En tog moet ‘n mens jou nie misreken nie, want die oënskynlik eenvoudige gedigte getuig van groot diepte en vereis tog op plekke ‘n eiesoortige Afrikaanse segging. Waar klein verskuiwings wel hier en daar gemaak moes word om die Afrikaanse woordorde en idioom gestand te doen, het Hugo die nodige begrip en sensitiwiteit aan die dag gelê om te sorg dat die gees en toon van Van hee se werk hoorbaar word. Die onderstaande ongetitelde gedig (25) is een voorbeeld van waar die Nederlands nagenoeg naatloos met die Afrikaans saamval:

wanneer, zo vraag ik je

zullen wij elkaar weer

bij de hand vatten

en zullen wij de tijd verliezen

in een praten, als het rustige

klotsen van roeispanen

 

wanneer zullen wij weer

sprakeloos liggen,

in de nacht als de oevers

ver zijn

 

 

wanneer, so vra ek jou

sal ons weer mekaar

se hande vat

sal ons van die tyd vergeet

terwyl ons praat, soos die rustige

geklots van roeispane

 

wanneer sal ons weer

woordeloos lê,

in die nag as die oewers

ver is

 

Dit kan nietemin vir die leser ‘n interessante spel word om die twee weergawes van elke gedig te vergelyk, en byvoorbeeld na te dink oor waarom die woorde “vergeet” en “woordeloos” vir die Nederlandse “verliezen” en “sprakeloos” ingevoer is, en watter ander opsies vir die vertaler beskikbaar was. ‘n Mens moet in ag neem dat die gedig nie ‘n gewone feitelike mededeling is nie, maar ‘n kunswerk. Dit beteken dat die digkuns sy eie oorwegings meebring, en dat die vertaler uiteraard talle moontlikhede oorweeg voordat hy finale en gemotiveerde besluite neem oor hoe die Afrikaanse weergawe moet klink.

Die bundeltitel In plaas van die stilte en die afbeelding van die half toegesneeude landskap op die voorplat is ‘n raak samevatting van die inhoud: dis is inderdaad “stil”, subtiele poësie waarin die stilte rakelings in die woord hoorbaar gemaak word. In die plek van die stiltes kom dus die ingehoue en soms stamelende of stotterende woorde van die digter, en die beelde van ‘n wêreld wat oorheers word deur afsondering en ongereptheid, maar nie altyd vanweë die sneeu nie. Van hee gebruik min, maar weloorwoë woorde; haar taal is berekend karig en skraal, en wil daardeur ikonies werk: die taal self, tesame met die tipografiese uitleg van die vers, word dus nie net betekenisdraend in die leksikale sin nie, maar is ook op sigself ‘n presentasie van die beeld, ervaring of gevoel wat die digter aan die leser wil deurgee, ‘n sigbaarmaking soos die “ribbes […] van die geraamte” (51). Sy roep daardeur iets boweaards en vervreemdends op; sy skep stemmingspoësie waaruit ‘n daar verwondering of  verstomming, maar ook ‘n hunkering straal. Hier wil die digter die onaangetaste, onverstoorde oomblik laat duur, dit tot die uiterste span en rek; sy wil dit met betekenis laai sodat die effek deur haar besondere taalaanwending versterk word. Deur taal op ‘n bepaalde wyse te stileer, onder andere met behulp van klank, pouseringe en reëlbreuke, herskep en intensiveer die digter ‘n belewenis om die leser ten nouste daarby te betrek. Ideaal gesproke moet die leser die gedig nie van ‘n afstand inneem nie, maar ‘n medebelewer word en die gedig “ondergaan”. Om te verseker dat hierdie proses hom ook in die vertaling voltrek, help dit as die vertaler (soos in Hugo se geval) self ‘n digter is, of iemand wat die werkinge van die digkuns én die vertaalhandeling goed verstaan.

In ‘n gedig uit haar bundel ingesneeuwd (1984) beskryf Van hee die herfs wat tematies gesproke herinner aan N.P. van Wyk Louw se bekende “Vroegherfs” ten opsigte van die stroping van alle nuttelose dinge. Van hee se teks, met sy Afrikaanse vertaling (29), lui as volg:

herfst

 

de herfst is nog het mooist

wanneer al dat onnuttigs

in kleure wordt gezet en de wind

overmoedig de vensters opent om de

niet verzonden brieven van de tafels

weg te vegen

 

het licht mager steeds trager

over de helling en vager

wordt het vergezicht klammer

het laken en de lippe gesloten

 

zo is de herfst eenzelvig en kortstondig

op een morgen veel te vroeg

op verse sneeuw betrapt

 

 

herfs

 

die herfs is op sy mooiste

wanneer al die nuttelose dinge

kleure kry en die wind

oormoedig die venster oopmaak om die

ongestuurde briewe van die tafels

af te vee

 

die maer lig skyn steeds traer

oor die helling en vaer

word die vergesig klammer

die laken en die lippe geslote

 

so word die herfs eenselwig en kortstondig

en ’n oggend veels te vroeg

op vars sneeu betrap

 

Die slotreël toon hoe ‘n klein strukturele verskil tussen ooreenstemmende woorde (in die twee tale) vir die vertaler ‘n dilemma én ‘n wins kan oplewer: in die slotreël kan “verse” byvoorbeeld nie anders vertaal word as met “vars” nie, waardeur daar onvermydelik een lettergreep sowel as ‘n klankwaarde verlore gaan, en die ritme in die betrokke versreël aangetas word. Aan die ander kant bring “vars” sy eie vonds, omdat dit vanweë die assonansie of binnerym mooi skakel met “betrap”, wat nie in die brontaal gebeur nie. Ook interessant is dat “al dat onnuttigs” in die eerste strofe vertaal word met “al die nuttelose dinge” wat meer uitgebreid gestel word, en tog ritmies slaag. Die groter aantal lettergrepe in ‘n bepaalde vertaling hoef dus nie op sigself ‘n belemmering in te hou nie, mits die betekenis, klank en vloei in die doeltaal geëwenaar word. ‘n Mens sou egter kon vra of Van hee se “in kleuren wordt gezet” (reël 3 van die eerste strofe) ‘n waardige ekwivalent verkry in Hugo se “kleure kry”, en of die betekenisoordrag nie sterker sou staan as “in kleur ontbrand” gebruik is nie; ‘n bietjie clichématig miskien, maar tog minder banaal en ook vloeiender as “kry”, om maar een moontlike oplossing te noem. Dit klink waarskynlik vir die meeste lesers soos haarklowery, maar in die vertaling van poësie staan of val die eindproduk juis by hierdie fyn tegniese onderskeidinge waaroor ‘n finale woord kwalik te spreek is. Soveel vertalers, soveel keuses – soos dit uit die verskillende pogings van deelnemers by vertaalkompetisies en -slypskole blyk.

Nog ‘n probleem waarmee die poësievertaler te kampe het, is die vraag of die digter se gebruik van reëlbreuke getrou nagevolg moet word. Soms is dit nie die beste oplossing om hierin absoluut teksgetrou te werk te gaan nie, omdat dit ‘n bepaalde gedeelte in die doeltaal kan verwring, beide wat die grammatika en betekenisinoud betref, en bowendien die poëtiese kwaliteit van die(vertaalde) gedig kan verongeluk. Hierop is Hugo as bedrewe vertaler bedag: hy probeer die digter se reëlbreuke so ver moontlik navolg, omdat dit immers ‘n belangrike stylmiddel is waardeur die digter doelbewus aan haar kunswerk ‘n bepaalde struktuur wou gee – iets wat die vertaler nie durf ignoreer nie. Terselfdertyd moet die vertaler rekening hou met die klank en ritme van die doeltaal, en homself desnoods ‘n mate van vryheid gun om ‘n reëloorgang of woordorde omsigtig te verstel. Dit gebeur onder andere in die gedig “buiteland” (125), waarvan die derde strofe ter illustrasie aangehaal word:

en het water trad bandeloos buiten

zijn oewers, riviere en gletsjers

voerden het puin van de tijd met zich mee

en zetten het elders weer af

 

en die water het bandeloos sy oewers

oorstroom, riviere en gletsers

het die puin van die tyd met hulle saamgeneem

en dit elders weer neergelaat

 

Wat woordlengte en woordsamestellings betref, moet lesers maar self oordeel of die vertaalde weergawe slaag. In die gedig “cevennes” (35) word “langzame/ van eelt op voeten” vertaal met “langsame/ eeltvorming op voete”.  ‘n Mens kan jou weereens verstout om te vra of “langsame/ eelte wat op voete vorm” nie ‘n beter alternatief sou wees nie; of selfs “eelte/ wat langsaam op voete vorm”. In die laasgenoemde geval word die bevoorregte posisie van “langsame” as enigste woord in die betrokke reël natuurlik verontagsaam en deur “eelte” vervang. Dit kan ‘n sterker of swakker effek tot gevolg hê, waaroor vertalers ook eindeloos kan redekawel, naamlik oor presies waar so ‘n eelt hom uit poëtiese oorweging moet laat voel. Daar is meer gevalle waar ‘n mens met Hugo se woordkeuses kan verskil, soos sy vertaling van “aarde” met “grond” waar “aarde” myns insiens in die Afrikaans behoue kon bly; of sy besluit om “magere” met “maer” te vertaal in plaas van met “smal” of “skraal”. Ook sou “ik vraag me nog af” eerder met die meer gebruiklike “ek wonder nog” as met “ek vra my af” vertaal kon word, en “wespe” met “perdebye”, maar hier kom persoonlike voorkeure en ander oorwegings waarskynlik in die spel. In die geheel is die vertalings egter vlekkeloos, en wil die meegaande opmerkings slegs uitwys voor watter uitdagings die poësievertaler te staan kom en hoeveel moontlike variante geskep kan word. 

Nog ‘n knelpunt by enige poësievertaling in Afrikaans, is die dubbele “nie” in die negatief. Soms is dit in die geheel gesien glad nie steurend nie, omdat ander elemente daarvoor vergoed. Ander kere kan die tweede “nie” die vloei van die vers benadeel, terwyl dit uit ‘n taalkundige oogpunt volkome korrek is en onvermydelik presies so gebruik moet word – tensy die vertaler bereid is om aan die vertaling ‘n ouderwetse klank te gee. Aansluitend hierby is daar die kwessie van die verlede tyd in Afrikaans, waar die konstruksie met “het + “ge-” + werkwoord minder vlot klink as die verbuiging van die werkwoord in die Nederlandse taal. Een oplossing is natuurlik om die verlede tyd eenvoudig na die teenwoordige tyd om te skakel, maar dan loop die vertaler gevaar om die oorspronklike bedoeling van die digter te saboteer. Waar Hugo wel die tydselement verander het, tas dit myns insiens nie die betekenis indringend aan nie. Lesers het in hierdie geval gelukkig ook die bronteks voorhande om te vergelyk hoe die digter  in die brontaal te werk gegaan het. Asof dit nie genoeg is nie, lewer die teenwoordige deelwoord soms probleme op. In Nederlands kan dit heel suksesvol as bywoord funksioneer, en Nederlandse digters is nogal lief om dit te so gebruik. In Afrikaans klink dit soms onnatuurlik (al is “onnatuurlike taalgebruik” ook weer eie aan die digkuns), maar as die vertaler dit net so oorneem, mag dit klink na ‘n te gemaklike uitweg. Die vraag is natuurlik wat jy in die plek daarvan kan stel, en hoe ver die vertaler se kreatiewe vermoë strek. Hier dink ‘n mens aan “tegenstribbelend/ aan je vaders hand” wat Hugo behou het as “teëstribbelend/ aan jou pa se hand” (114/115). En is “pa” in hierdie geval werklik ‘n meer gepaste alternatief as “vader”? In ander gedigte het die vertaler “vader” in die Afrikaans behou.

Afgesien van die tegniese probleme van poësievertaling wat waarskynlik nie altyd onder lesers se aandag kom nie, maar wat die kwaliteit van so ‘n vertaling ten nouste beïnvloed, is dit ‘n aanwins as die inhoud van anderstalige poësie aan plaaslike lesers bekendgestel word. Hoeveel armer sou ons nie gewees het as ons nooit ‘n idee gehad het waaroor beroemde Duitse, Russiese of Franse digters geskryf het, of watter sake in die inheemse Afrika-verse aan bod kom nie. Die Afrikaanse leser sal in Van hee se werk ontdek hoe sy ‘n ander geografiese omgewing as waaraan ons hier te lande gewoond is tot poësie omvorm. Want Van hee situeer haar verse pertinent in die leefwêreld om haar; in Vlaandere self, maar ook daarbuite, waardeur die gedig meewerk om die leser se horison te verbreed. Gelukkig neem Hugo ook Van hee se vers oor haar besoek aan die Gariepdam (94/95) in hierdie bundel op, wat vergelyk kan word met Antjie Krog se gedig oor dieselfde onderwerp in Kleur kom nooit alleen nie (2000). Die verskil tussen die blik van binne en dié van buite skep ruimte vir ‘n interessante literêr-teoretiese besinning oor die rol van plek en perspektief in die poësie.

Van hee het as die dogter van ‘n spoorwegamptenaar dikwels die geleentheid gehad om vakansiereise per trein te onderneem. Dit het ‘n integrale deel van haar lewe geword; hierdie verskynsel van beweging teenoor stilte, van die vervlietende teenoor gestolde momente. Daar is telkens sprake van treine, fietse en trems in haar werk, en Van hee se gedigte is dikwels plekgerig, maar nie sonder innerlike beweging (en stiltes) en ontroering nie. So skryf sy ook in besonderhede oor die veranderende ligval (“romerig en wit”, 91; “en lê ek vir die lig en wag/ met jou warmte in my nek”, 89; “in hul blare/ is lig van die afgelope dag/ versamel”, 85), die weersomstandighede en elemente, en oor die beelde en geluide wat dit vergesel, maar sy doen dit verbluffend oorspronklik, soos wanneer sy menslike eienskappe aan die mistral toedig (81). Sy hoor en sien dinge wat die deur die oplettende en kunssinnige lewensreisiger geregistreer en tot die “voëlvere” (79) van die poësie omskep word, as woorde “wat rimpels maak in die taal” (95).

Waar Van hee se werk dikwels die natuur betrek, gaan dit veel verder as blote natuurbeskrywings; dit dien as raakpunte vanwaar sy die gevoelslewe verken sonder dat dit oordrewe sentimenteel of soet word. Soms is dit vir haar die punt waarop sy haarself of die ander ontmoet (of juis nie); dit is hier waar flitse van insig na haar kom, of vrae, of die omgaan met pyn en verlies. Of dit sneeu is, of wind; die ritseling van reën of die klavier waar iemand altyd oorbegin, die sensoriese indrukke dien as ‘n konstante stroom van prikkels wat in “die haperende, hunkerende woord” (95) herbore wil word, en algaande nuwe betekenisse oopmaak. Die blou berge van Albanië, die platane by Nîmes en ‘n hotelkamer in Helsinki en die gepaardgaande assosiasies word ondermeer opgeroep, maar ook drome, briewe en gesprekke, want Van hee herlei haar belewing telkens na die intimiteit tussen mense, of die afwesigheid daarvan – en so weer na die stilte, wat vir haar beide ‘n toestand van volmaaktheid en verdriet kan versinnebeeld. Die slotreëls van “donderdag” (67) lui:

 

ek dink aan jou aan die

verband tussen die dinge

dat jy nie hier is nie

maar god weet waar, dat ek

daarom die bome sien

die koringlande en die lug

dat alles treurig is

verganklik en pragtig

 

Vir my lê die aantreklike van Van hee se gedigte in die kadanse; die betowerende stuwing en daling in haar vrye verse waarmee sy beide ‘n presisie en ‘n musikaliteit bereik wat in die stem van mindere digters ontbreek. Haar fluistertoon verkry ‘n bevreemdende intensiteit; en oomblikke van stolling word in die teks deur stiltes, pouseringe en onverwagte reëlbreuke gesuggereer. Uiteindelik is dit vir my die geheim van haar digkuns: die besondere versbeweging en frasering, tesame met die beskeidenheid en ingetoënheid waarmee sy oor die groot dinge praat; oor dit wat uiterlik ver én naby haar is, maar altyd net onder die oppervlakte roer en die verbeelding in beweging bring.

Hierdie bekendstelling aan die digkuns van die Lae Lande bevestig Afrikaanse uitgewers en lesers se hernude aandag vir die Nederlandse letterkunde, veral ook  met betrekking tot die kontemporêre poësietoneel. Daniel Hugo het afgesien van sy prosavertalings reeds gedigte van o.a. Gerrit Komrij, Rutger Kopland, Hermann de Coninck en rympies van Richard Scarry vertaal, maar ek beveel aan dat lesers ook sy vertalings van Miriam Van hee se werk aanskaf; om saam met die digter die oop plekke van die stiltes te besoek en terselfdertyd ‘n reisiger in die poësie te word. Hoewel ons leefwêrelde in baie opsigte verskil, sal lesers hul eie belewenisse en binnegesprekke in haar poësie herken, want wat is ons lewens anders as ‘n gedeelde en durende soektog, al “sien [ek] jou waar jy nie is nie”, in “al hierdie strate al hierdie jare/ al hierdie pogings/ om jou te vind” (57).

 

Teenstrydige generasies

Thursday, April 14th, 2011
Omslag

Omslag

By die Nederlandse uitgewery Meulenhoff het daar onlangs ‘n besonder belangrike bloemlesing, De tegenstrijdige generatie, onder redakteurskap van Yves T’Sjoen verskyn. Wat dié boek interessant maak, is dat T’Sjoen die versplinterde groeperings wat sedert die 1970s in bykans alle digkunste ter wêreld geld, ignoreer en terugval op die haas uitgediende generasie-groepering; sonder om tematiese en stilistiese verskeidenheid in berekening te bring: “In De tegenstrijdige generatie zijn belangrijke Nederlandstalige dichters bijeengebracht die debuteerden in de jaren zeventig. Deze dichters, geboren tussen 1944 en 1954, zijn inmiddels gevestigde namen. Maar voor oeuvrebouwers en geleidelijk tot wasdom gekomen stemmen in het hedendaagse poëzielandschap, bestaat steeds minder kritische (en volgehouden) aandacht. Met deze bloemlezing krijgen deze dichters de plek die ze toekomt.” 

Yves T'Sjoen

Yves T

In totaal word 16 uiteenlopende digters in hierdie bloemlesing byeengebring, te wete: Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent. 

Volgens die berig by De Contrabas het Yves T’Sjoen hom soos volg hieroor uitgelaat: “[Er was] de vraag onder welke vlag de expositie moest worden gepresenteerd. Er werd eerst gedacht aan ‘Een bescheiden generatie’, maar dat klonk nogal geringschattend, want de dichters die tussen 1968 en 1984 hun eerste stappen op het poëzieforum zetten, zijn allerminst bescheiden te noemen. Ze zijn dan wel geen ‘omroepers van oproer’, hun dichterschap kan beslist niet als low profile worden omschreven. ‘De tegenstrijdige generatie’ leek beter te passen. (…) De gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen. Het is mijns inziens het begrip ‘generatie’ zelf dat in deze titel geproblematiseerd wordt.”

En waarskynlik is dit die voorlaaste sin hierbo, “(d)e gemeenschappelijke karakteristiek die deze dichters verbindt, is dat ze met zijn allen weigeren een generatie te vormen”, wat ook die problematiek van ons eie groepie tagtigers onderstreep, aangesien hulle hulself ook nog nooit as “groep” beskou of aangebied het nie, en na alle waarskynlikheid as gevolg daarvan ook nie juis prominent in ons eie literêre geskiedskrywing gereflekteer word nie.

Nietemin, ter wille van volledigheid: Yves T’Sjoen se De tegenstrijdige generatie staan tans natuurlik ook in die spervuur vanweë die name wat volgens se benadering wél kwalifiseer, maar nogtans onbreek; digters soos Gerrit Komrij (gebore 1944, debuteer 1968) en Rob Schouten (gebore 1954,  debuteer 1978) word veral voorgehou as beduidende afwesiges.

Vir ‘n omvattende bespreking en beskouing van die digters wat hierin opgeneem is, kan jy gerus Chrétien Breukers se artikel gaan lees. As leestoegif plaas ek graag Luuk Gruwez se gedig “God skryf ‘n brief“, soos dit deur Hennie van Coller in Afrikaans vertaal is, hieronder.

***

Sedert gister het Marlies Taljard ‘n gedig van haar eie geplaas, terwyl Andries Bezuidenhout ‘n stuk oor Paul Celan en sy ikoniese gedig Todesfuge gelewer het.

Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

God skryf ‘n brief

 

Ek het dit nie gedoen nie. Dit was iemand anders.

Ek was toe net besig met die miervreter, kopererts,

en al die visse

in die Atlantiese oseaan.

Dit was tog sekerlik nie ek nie.

 

Ek was nie daar nie, watter dag!

Pas het ek Saturnus en Uranus se mane klaar,

of sowaar, ek moes tyd en taal versin

en titels vir die meeste van my handewerk.

 

Ek was pootuit, vind nêrens rus,

want slaap was nog nie geskape nie.

My oeuvre het in omvang toegeneem.

Veral die vrou het vreeslik sorg geverg.

Sy moes nog skouers kry en ‘n kapsel,

verliefdheid, mymeringe, moederskap.

En erogene sones waarvan ek weinig weet.

 

Ek het geen tyd gehad, watter dag!

Daar’s van my verwag deur hulle wat toe nog nie was

dat daar ‘n oerknal sou wees in die heelal.

En dan die regte volgorde, ja dit veral:

die proefbuisbaba en die tandestokkie,

die boorplatform en ook ekself.

 

Eintlik wou ek net sê, liewe vriend:

dit was beslis iemand van ‘n ander oorde,

‘n konkurrent met meer talent,

wat iets so salig en sagaardigs

geskep het soos die dood.

 

© Luuk Gruwez (vertaling: HP van Coller, Bandelose gedigte, 2007: Praag Uitgewers)

 

 

Remco Campert verjaar vandag

Tuesday, July 28th, 2009
Remco Campert

Remco Campert

Vandag is Remco Campert se 80ste verjaarsdag. Ten spyte daarvan dat hy versoek het dat daar nie ’n groot gedoente van gemaak word nie, beplan sy uitgewer, De Bezige Bij, ’n hele reeks publikasies rondom dié besonderse mylpaal. So is daar die publikasie van Poëzie is een daad, wat ’n poëtiese huldeblyk is aan een van die heel grotes in wêreldliteratuur. Onder die digters wat aan dié huldeblyk meegewerk het, is Gerrit Kouwenaar, Jan Bernlef, Ramsey Nasr, Jules Deelder, Anna Enquist, Stefan Hertmans, Luuk Gruwez, Erwin Mortier en Miriam Van hee. Daar is selfs ’n bydrae van Simon Vinkenoog wat onlangs oorlede is. Volgens De Papieren Man is “het resultaat meer dan voortreffelijk en overstijgt verre de gelegenheidspoëzie.” Nog besonderse publikasies wat binnekort op die rakke sal wees, is Remco Campert – Dichter, ’n knewel van ’n boek van meer as 700 bladsye waarin Campert se verse byeengebring word, asook Vurrukkulluk wat drie van Campert se belangrikste romans, Het leven is vurrukkulluk (1961), Liefdesschijnbewegingen (1963) en Tjeempie! of Liesje in luiletterland (1968), bevat.

Hieronder volg die vers waaruit die huldigingsbundel se titel geneem is.

En onthou om vanaand om 22:00 op RSG na Vers & Klank te luister; Libbie Daniels lees dan verse oor en vir kinders voor. Maak ook seker dat jy nie Bernard Odendaal se nuutste blog miskyk nie … Poësiemoeilikheid is inderdaad ‘n skitterende kontekstualisering rondom die kwessie van toeganklike en “moeilike” poësie; iets wat uiteraard direk aansluit (én voortbou) op die gesprek rondom die vertelvers wat tans op die webblad gevoer word. En dan trakteer Johann Lodewyk Marais ons vanoggend met twee nuwe inskrywings wat hy oornag geplaas het: een oor Martin Heidegger en een oor die Anglo-Boereoorlog, terwyl Johann de Lange ons weer verras met ‘n ikoniese vers in die gay-literatuur. Pure leesplesier!

So – geniet jou leestyd en mag hierdie dag vir jou ’n fabeljante affêre wees …

Mooi bly.

LE

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Poëzie is een toekomst, denken
aan de volgende week, aan een ander land,
aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn voeten, aarzelend soms,
over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar
genas zichzelf door o.a. te drinken
120 liter limonade: dat is poëzie.

Of neem de branding. Stukgeslagen
op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,
maar herneemt zich en is daarin poëzie.

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom.
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
© Remco Campert. Uit: ‘Het huis waarin ik woonde’ (1955)

Onderhoud: Miriam Van hee

Sunday, July 26th, 2009

‘n Mymerende verset teen verganklikheid

Miriam Van hee in gesprek met Louis Esterhuizen

Miriam Van hee

Miriam Van hee

Miriam Van hee (Gent, 16 Augustus 1952) het in Gent en Oostakker grootgeword. Vanweë haar studies in Slawiese tale werk sy tans as dosent by die Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen. Digters wie se werk sy reeds na Nederlands vertaal het, is onder andere Anna Achmatova, Osip Mandelstam en Josef Brodski. Van hee debuteer in 1978 met die bundel Het karige maal waarvoor sy die Oostvlaamse prijs voor Letterkunde ontvang. Daarna volg nog agt bundels, te wete: Binnenkamers en andere gedichten (1980), Ingesneeuwd (1984), Winterhard (1988) wat met die Jan Campertprijs bekroon word, Reisgeld (1992) waarvoor sy die Dirk Martensprijs van de stad Aalst ontvang, Achter de bergen, (1996), Het verband tussen de dagen. Gedichten 1978-1996 (1998), De Bramenpluk (2002) en Buitenland (2007). Met die uitsondering van die eerste twee bundels, wat by die Masereelfonds verskyn het, verskyn al haar volgende digbundels by De Bezige Bij, Amsterdam. Vir Achter de bergen ontvang sy in 1998 die Driejaarlijkse Cultuurprijs voor Poëzie van de Vlaamse Gemeenschap. Sy was die eerste vrou wat hierdie prys ontvang het. Volgens die beoordelaars se verslag word haar verse gekenmerk deur hul “eenvoud en suggestieve kracht”. Hulle prys haar vir die “doordachte manier waarop zij alledaagse ervaringen in uitgepuurde verzen op een hoger niveau tilt”.

Ook verskyn haar verse gereeld vertaal en verskyn in Pools (vertaler: Jerzy Koch), Sweeds (vertaler: Antanas Gailius) en Frans (vertaler: Etienne Reunis). In 2006 het daar ‘n bloemlesing in Duitse vertaling deur Gregor Seferens by Korrespondenzen Verlag in Oostenrijk verskyn, asook ‘n nuwe bloemlesing in Frans wat deur Philippe Noble vertaal is. Bloemlesings van haar werk het ook in Meksiko (vertaal deur Marco Antonio Campos) en Engels (saamgestel en vertaal deur Judith Wilkinson), verskyn.

Miriam Van hee neem gereeld aan poësiefeeste deel. Hieronder tel Poetry International (Rotterdam), Other Words (San Francisco), Poetry on the road (Bremen), die somerfees by Watou, asook poësiefeeste te Druskininkai (Litouwe) en Moskou.

Sy woon met haar man en twee kinders deels in Gent en deels in Cevennen (Frankryk).

Miriam, jy het al by verskeie geleenthede met groot sukses in Suid-Afrika opgetree en afgesien van die uiters gevoelige manier waarop jy jou verse voordra, is dit telkens die melancholiese aard daarvan, sowel as die sterk landskapsgerigtheid van jou verse, wat die gehoor aangryp. Aangesien die landskap iets is wat nie té prominent in die Nederlandstalige digkunste figureer nie, kan ‘n mens nie help om die wonder waar dié sensitiwiteit ten opsigte van tyd en ruimte vandaan kom nie …  Reis jy byvoorbeeld baie?

 

Het is waar dat het landschap een grote rol speelt in mijn poëzie. Ik word vaak geraakt door de schoonheid ervan, en heeft gedichten niet ook iets te maken met schoonheid? De weemoed ontstaat door het besef van vergankelijkheid, en dat besef dringt zich vaak op tijdens wandelingen in de natuur. Een groots landschap lijkt de mens, met al zijn emoties en bekommernissen en illusies toch erg te relativeren. Maar de schoonheid van de natuur is ook een bron van vreugde en troost voor mij. Het is vooral sinds ik mijn vakanties doorbreng in de Cevennen, in Frankrijk, dat ik geïnspireerd raakte door de natuur, de dieren, de vogels, de seizoenen.

 

As motto vir jou mees onlangse bundel (buitenland, De Bezige Bij, Amsterdam, 2007) neem jy as motto die volgende reëls van Czesław Milłosz: “Niet uit droefheid vraag ik dit, / maar al mijmerend.” Hiermee aktiveer jy dan een van die hoofkenmerke van jou poësie, naamlik die mymerende aard daarvan met die gepaardgaande melancholie as integrale ondertoon. Maar die melancholie is vir jou nie ‘n negatiewe emosie nie, is dit? Dis eerder asof dit die inspirasie-bron is waaruit jy jou verse na die lig bring … Gaan jy akkoord hiermee?

 

Ja, dat is waar. Ik geloof dat weemoed inherent is aan het gevoel van vergankelijkheid. Ook echt geluk ervaar ik maar pas doorheen de weemoed. Geluk lijkt altijd bevochten op verdriet of tegenslag, risico’s, keuzes. Op een of andere manier heeft weemoed te maken met verandering. Iemand heeft ooit gezegd dat het thema van mijn werk ‘de verandering’ is in al zijn gedaanten, en ik denk dat dit waar is, het moment waarop iets verandert (ook het weer, gevoelens) ontlokt mij het gevoel dat ik moet schrijven.

 

Die titel van jou mees onlangse bundel is natuurlik meerduidig: op sigwaarde dui dit daarop om “buite die land te wees”, maar dit bevat ook ‘n suggestie van “sonder die land” te wees, met ander woorde: “alles ‘buiten’ die land. Kan jy dalk vir ons ‘n aanduiding gee van wat dié titel alles vir jóú beteken en hoe jy die verskillende betekenisvlakke in die bundel ontgin het?

 

Ik zie het eigenlijk als een soort van bagage, een last die veel mensen met zich meedragen, iets waarover ze niet kunnen praten, een trauma, iets dat onvoorstelbaar is maar waarmee je toch moet leren te leven. Maar ook andere betekenissen spelen mee, steeds vaker ontstaan mijn gedichten letterlijk in het buitenland, als ik op reis ben, omdat mijn zintuigen dan ‘scherper staan’, ik kwetsbaarder ben, sneller denk misschien, van een grotere ontvankelijkheid blijk geef. De cyclus ‘buitenland’ is eigenlijk ontstaan na het lezen van boeken over de Goelag. Dat greep me erg aan en ik vond dat ik als dichter ook daarover moest kunnen schrijven, over iets wat ik niet zelf heb meegemaakt.

 

Die slotstrofe van die openingsvers in jou bundel, polen of oostenrijk, lees soos volg: ” …, je schreef wat je hoorde / in schriften, met woorden / heb je de tijd zoekgemaakt”. Kan hierdie reëls dien as ‘n arse poetica vir jou digwerk?

 

De tijd zoekmaken bedoel ik hier positief. Als je de tijd vergeet, betekent dat misschien dat je intensief in iets verdiept bent, dat je met iets waardevols en zinvols bezig ben. Dat geloof ik inderdaad: dat het schrijven aan mijn leven zin en waarde heeft verleend. 

 

Die afgelope aantal jare het die teenwoordigheid van die sogenaamde “anekdotiese vers” veel meer prominent geraak in ons eie digkuns. Volgens my is jy die meester hiervan; nie soseer met lang, uitgesponne versreëls wat (soms) na aan die grens met prosa beweeg nie, maar vanweë die feit dat jou verse telkens hul vetrekpunt vanuit ‘n spesifieke, konkrete insident of waarneming neem en dan deur middel van introspeksie en mymering voorstu na ‘n “oop” einde wat nog lank bly resoneer na die vers klaar gelees (of gehoor) is. Kom die anekdotiese vers vry algemeen voor in die Nederlandstalige digkunste en hoe sy jy jou eie skryfwerk binne hierdie tradisie posioneer?

 

Deze vraag vind ik moeilijker te beantwoorden. Ik ben het eens met je appreciatie van mijn gedichten. Er zitten inderdaad veel (meestal biografische) fragmenten in mijn gedichten. Dat het geen ‘verhaaltjes’ worden komt door mijn taakgebruik, denk ik. Soberheid, ritme en assonantie zijn erg belangrijk voor me.

 

Onlangs is die posisie van Stadsdichter van Gent vir jou aangebied; ‘n aanbod wat jy van die hand gewys het. Was dit weens persoonlike of professionele redes?

 

Laat ik zeggen dat het stadsdichterschap iets is dat mij niet ligt. Ik ben ten eerste niet zo’n dichter die gemakkelijk kan schrijven op verzoek, ik doe dat hoogst zelden – ten tweede zoek ik nooit belangstelling, media, podia op, ik ‘functioneer’ het best onder vrienden, in familieverband, en ten derde werd mij daarvoor maar een schamel loon aangeboden, bijna 10 keer minder dan de stadsdichter van Antwerpen krijgt, dus waarom zou ik mij inspannen (over een nieuw museum of een park schrijven) voor iets waartegen ik erg opzie. Liever arm maar vrij dus.

 

In jou loopbaan het jy reeds vele pryse ontvang; soos onlangs nog die Poesias Europese prys vir poësie wat jy vir die Franse vertaling van jou bundel de bramenpluk (De Bezige Bij, Amsterdam, 2002). Baie digters ervaar bekronings van dié aard as iets wat hulle inhibeer. Is dit so met jou, of dien dié bekronings as bron van inspirasie?

 

Nee, het is geen bron van inspiratie voor me, het streelt wel mijn ijdelheid. Maar als ik schrijf denk ik natuurlijk niet aan een ‘beloning’ of zo. Het is wel zo dat ik door die prijzen meer zelfvertrouwen heb gekregen. Wat een zekere tegenstrijdigheid bevat, het is bijzonder dat het schrijven over mijn eigen kwetsbaarheid mij aanzien heeft gegeven in de samenleving.

 

Ten slotte, jy het ‘n besonderse affiniteit vir die Russiese digkuns en het ook al onder andere Osip Mandelstam en Anna Akhmatova vertaal. Vanwaar hierdie passie spesifiek vir Rusland en sy digkuns?

 

Mijn belangstelling voor de Russische literatuur komt voort uit mijn studie slavistiek. Het is verrijkend om een andere dan de Nederlandse literatuur goed te kennen en niet zo gefixeerd te blijven op de Nederlandse lit (en het maakt je minder gevoelig voor concurrentie, en dus vrijer). Zo ook heb ik met belangstelling kennisgenomen van de Afrikaanse literatuur, op dit moment lees ik van Ingrid Winterbach het ‘Boek van toeval en toeverlaat’.

 

Ik heb altijd genoten van het werk van auteurs die een persoonlijke problematiek met een grote, historische of complexe achtergrond weten te vermengen. Het werk van Brodski, Mandelstam of Achmatova is niet alleen te lezen als het verslag van een turbulent, tragisch leven, het is ook, en misschien zelfs in de eerste plaats, een superieure kunstuiting, een triomf van het woord.

 

Maar daarnaast heeft mijn belangstelling voor de Russische literatuur ook te maken met mijn liefde voor de taal. Het is een erg muzikale taal en ik kreeg de eerste lessen Russisch van mijn vader (die het zelf ook pas als volwassene geleerd had, hij was niet van Russische afkomst of zo).

 

Baie dankie vir die gesprek, Miriam. Sal jy so vriendelik wees om hieronder vir ons lesers ‘n vers van jou oor te tik?

 

zomereinde aan de leie

dit is wat een schilder zou zien:
de gebleekte graskant, kastanjes
en linden, het warme maar heengaande
licht van de avond en tegen de haag
op de andere oever een loper, en zijn
gedachten, hoe schilder je die
en boven het water de meeuwen
en tussen het licht- en het donkerder groen
de plecht van een jacht, het schuiven
der dingen, de richtingen

het water zelf kun je hier waar wij zitten
niet zien en ik vraag me nog af hoe je
afstanden schildert, steeds lichter misschien
tot je wit overhoudt, en hoe het verleden
toen jij daar nog liep

hoe schilder je dat je nooit weer
daar zult lopen, tegenstribbelend
aan je vaders hand

uit: ‘Buitenland’, De Bezige Bij, 2007

Onderhoud met Alfred Schaffer

Monday, May 18th, 2009

Diversiteit in Nederlandstalige poësie

Alfred Schaffer in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Alfred Schaffer (1973) woon van 1996 tot begin 2005 in Kaapstad, waar hy sy doktersgraad behaal aan die Universiteit van Kaapstad by die Departement Afrikaans en Nederlands. Vir Beeld en Die Burger skryf hy rubrieke oor Nederlandse poësie en saam met Antjie Krog is hy samesteller van Nuwe Stemme 3. Hy debuteer in 2000, met sy digbundel Zijn opkomst in de voorstad, en sy sesde en voorlopig laaste bundel, Kooi, het in 2008 verskyn. Tans bly hy in Amsterdam, waar hy werk by die literêre uitgewery De Bezige Bij.

 

Alfred Schaffer

Alfred Schaffer

 

Alfred, vir ons hier in die ander halfrond lyk dit asof die Nederlandse digkuns een van die mees dinamiese digkunste in wêreldliteratuur is; nie net vanweë produksie nie, maar ook in terme van gehalte. Kan jy vir ons ’n idee gee van hoeveel digbundels (min of meer) per jaar by die gevestigde uitgewerye verskyn en wat die gemiddelde verkope per bundel is?

 

Die internasionale ekonomiese krisis ten spyt, lyk dit vir my asof daar nie juis minder digbundels verskyn in die Nederlandse taalgebied nie – ons praat nou van Nederland en België saam. Die Vlaamse digter en kritikus, Herman de Coninck, het in 1996 begin met die uitgee van die honderd beste gedigte van die lopende jaar. Die boek met die honderd beste gedigte van 2008 is saamgestel deur die digter en kritikus Rob Schouten. In sy voorwoord skryf hy dat daar in 2008 106 bundels by gevestigde uitgewers verskyn het, wat meer digbundels is as in 2007. Vir so ’n klein taalgebied is dit sekerlik baie gedigte vir een jaar. Die gemiddelde verkope is moeilik om vas te stel. Ek dink die meeste digters verkoop so om en by die tweehonderd, driehonderd boeke, dan is daar verskeie digters wat tussen seshonderd en ‘n duisend verkoop. Jy het natuurlik ook dié wat meer as tweeduisend of drieduisend verkoop, struktureel of insidenteel, maar hulle is tog skaars. Die gemiddelde lê, dink ek, iewers rondom vyfhonderd eksemplare. Gehalte is moeilik om vas te stel – hoe kan mens so iets meet? Smaak word bowendien kultureel bepaal. Sekerlik word daar mooi en baie poësie geskryf in Nederland, maar ons het nie regtig kandidate vir die Nobel-prys nie; veral nie na Hugo Claus se afsterwe verlede jaar nie. In Afrikaans is daar darem steeds Breytenbach en Antjie Krog. Tog dink ek dat ons hier ’n groot groep kwalitatief goeie digters het; onder elke tien digters tel ’n mens dalk sewe sterk digters. Maar dit bly alles maar growwe veralgemening; poësie is immers nie ’n sport waar ʼn mens hoef te kompeteer oor wie die beste is nie. 

 
 

 

In Suid-Afrika is daar jaarliks ’n beduidende hoeveelheid bundels wat nié by gevestigde uitgewers verskyn nie; dikwels met wisselende sukses. Bestaan daar dieselfde tendens in Nederland en hoe word hierdie bundels in die algemeen ontvang?

 

 

 

Daar is wel digbundels van digters wat nie by gevestigde uitgewers verskyn nie, maar jy sal hulle nie maklik vind in die deursnee boekwinkel nie. Meestal is die verspreiding maar deur websites en blogs, sowel as vriende en familie. So daar’s nie eintlik ’n ontvangs vir sulke boeke in terme van resensies of ander publikasies nie. Digters wat op die lang termyn in “eie beheer” uitgee, is eintlik per definisie nie baie interessant nie, sou ’n mens kon sê, anders sou hulle al ontdek gewees het deur gevestigde uitgewers – ek wed jou hulle het almal op ’n slag hul luck probeer by een. Ook sal jy sien dis dikwels mense wat veral digter wil wees, nie noodwendig wil dig nie. Dis poësie vol clichés en platgewalste emosies. As redakteur by De Bezige Bij sien ek sulke manuskripte elke week weer met die pos kom, die een nog slegter as die ander. Gaande oor hul eie werk, en begeleidende briewe (nogal in die derde persoon enkelvoud gestel, asof hulle reeds ’n flapteks skryf) waar jy lees dat hulle vriende en familie mal, mál was oor hulle skitterende gedigte. En wat jy dan vervolgens lees, is so onstellend sleg dat jy wonder of hulle ooit een gedig gelees het.

 

Ten einde ’n bepaalde digkuns dinamies uit te bou en lewenskragtig te hou, word besonderse inisiatiewe en projekte vereis. Kan jy dalk ’n paar van hierdie inisiatiewe noem wat die Nederlandse literatuur van ander – en meer spesifiek die Suid-Afrikaanse – onderskei?

 

Daar is genoeg aktiwiteite, sowel in Nederland as in Vlaandere. Party digters dink selfs daar is te veel; dat dit die poësie vervlak, aangesien dit bloot die entertainment element van die poësie belig, en die moeiliker en uitdagender soort verse en digter negeer. ʼn Mens kan dink aan die reeds genoemde boek wat elke jaar 100 gedigte uitlig van die afgelope jaar, ’n soort klein jaarlikse kanon. As só iets in Afrikaans uitgegee sou kon word, sou dit ’n groot stimulerende tradisie ook in die Afrikaanse poësie kon skep. Miskien ietwat minder as 100 gedigte, aangesien daar in Afrikaans nie so baie digbundels in ʼn bepaalde jaar verskyn nie. Dan was daar die aandag rondom die verkiesing van die “Dichter des Vaderlands”, met gepaardgaande tv-optredes en interviews met die benoemde digters. Voorts kry jy festivals en geleenthede soos Poetry International, de Week van de Poëzie, Gedichtendag, Koningsblauw en Saint Amour (beide in Vlaandere), de Nacht van de Poëzie, en jaarlikse geldpryse, soos die VSB Poëzieprijs (€ 25.000) en talle ander groot en kleiner pryse.

Daar is nog altyd baie literêre tydskrifte wat primêre werk publiseer en analiseer, al is die intekenare dikwels bitter min. Gevolglik verdwyn meer en meer tydskrifte, enersyds as gevolg van die kompetisie met die internet, en andersyds as gevolg van die afnemende belangstelling vir kuns en kultuur in die algemeen. En natuurlik is daar baie subsidies beskikbaar. Die NLPVF (Nederlands Literair Productie -en Vertalings Fonds) en Het Fonds voor de Letteren, wat geld gee vir projekte (vertalings, reise, besondere uitgawes), en skrywers en digters geld gee om ’n bepaalde bundel of roman te skryf, met bedrae tussen € 10.000 en € 60.000. Dan is daar natuurlik ook nog die Poetry Slams, op klein skaal in kafees en op groter skaal op festivals, en daar is groot literêre festivals deur die land waar poësie en letterkunde welkom is te midde van ander kuns-dissiplines (teater, musiek, beeldende kuns), soos De Wintertuin (Nijmegen), Crossing Border (Den Haag), Winternachten (ook Den Haag) en Geen Daden Maar Woorden (Rotterdam). Literatuur het nie meer so ’n groot plek in die Nederlandse onderwysstelsel soos 10 of 20 jaar gelede nie, so al hierdie inisiatiewe is ’n manier om aandag te vestig op poësie. Maar dikwels is dit veral spoken word wat mense aantreklik vind, gesigte en persoonlikhede; of dit egter die boekverkope bevorder, kan ons ernstig betwyfel.

Dit help juis ook nie wanneer koerante al hoe minder aandag aan poësie bestee nie; dis amper minagtend. Daar verskyn wel resensies op internet, maar die impak (status) en die gehalte van dié artikels is dikwels maar bedenklik.

 

Indien ’n mens kyk na die aantal Afrikaanse digters wat die afgelope jare genooi is na Poësie-feeste in Nederland, asook die toenemende teenwoordigheid van Afrikaanse poësie in vertaling, wil dit voorkom asof daar ’n groeiende belangstelling in Afrikaanse digkuns daar in die noorde bestaan. Is dit ’n korrekte afleiding en indien wel – wat sou jy sê is die rede(s) hiervoor?

 

Daar is steeds belangstelling in die  Afrikaanse poësie, ja. Veral Gert Vlok Nel en Antjie Krog is regtig populêr, soos ook Ingrid Jonker. Gert Vlok Nel (‘Beautiful in Beaufort-Wes’) en Jonker (‘Korreltjie niks is my dood’) het hier gewild geraak deur dokumentêre-films op tv wat die Nederlanders aangrypend gevind het. Daarna het hulle poësie begin verkoop. En Antjie maak opslae deur middel van haar optredes en voordrag. Die mense is gaande oor haar skitterende gedigte ook, en dit werk baie goed saam met haar persona op die verhoog, en haar gedurfde en intense lees. Sy verkoop seker meer gedigte as die meeste Nederlandse digters. So, die Afrikaanse poësie is goed verteenwoordig, met die name wat tel daar in Afrikaans – Breytenbach en Stockenström is ook al in Nederlands vertaal. En dan is daar die besonderse geval van Elisabeth Eybers, wat op ’n manier ook ’n bietjie ’n Nederlandse digter geword het. Andersom is daar ongelukkig min belangstelling vir wat hier in Nederland en Vlaandere aan die gebeur is. De Coninck en Gruwez is vertaal, ja, en selfs Stef Bos se ‘gedigte’ word uitgegee in Afrikaans, maar dit is nie eintlik die digters wat régtig tel nie, en daar is genoeg, soos: K. Michel, Tonnus Oosterhoff, Astrid Lampe, Leonard Nolens, Hans Verhagen, Miriam Van hee, Mustafa Stitou, Esther Jansma, Arjen Duinker, Eva Gerlach, Peter Verhelst, Menno Wigman, Nachoem Wijnberg, you name it. Dit is asof die Afrikaanse leser tog veral iets wil lees wat nie te uitdagend is nie; iets wat maar net lekker gevoelens verwoord. Dalk het dit ook te doen met die behoudende smaak van die Afrikaanse vertalers wat uit Nederlands na Afrikaans vertaal. Ek het dit byvoorbeeld weer besef toe ek in Berlyn met Antjie gesels en haar vertel het van Harry ter Balkt. Dis een van die grootste lewende digters in Nederland. Ek het toe later van sy werk vir haar gestuur en sy was gaande daaroor, heeltemal oorrompel, geskok, omdat sy dit nie geken het nie. Daar is baie belangriker en kragtiger Nederlandstalige poësie as wat nou in Afrikaans beskikbaar is.

 

Is dit moontlik vir jou om ’n paar opmerkings rakende ooreenkomste en verskille tussen die Afrikaanse en Nederlandse poësie te maak? Vir my wil dit byvoorbeeld voorkom asof daar tans in die Nederlandse digkuns ’n voorkeur is vir meer kriptiese, serebrale verse terwyl daar in die Afrikaanse digkuns die afgelope jare ’n sterk neiging tot vertelverse met ’n meer anekdotiese inslag is. Ek besef dat hierdie ’n gruwelike veralgemening is, maar dit is tog ’n wesenlike verskil, is dit nie?

 

Ek dink die grootste verskil met die Afrikaanse digkuns is dat daar maar net méér gehalte digters is, omdat daar in totaal méér digters is wat publiseer in Nederlands. Dis bloot ’n kwessie van kwantiteit. Ek dink ook die poëtiese diversiteit is groter in die Nederlandstalige poësie. Jy kry hier praatverse, of konseptuele anekdotiek (K. Michel, Tjitske Jansen, Mustafa Stitou) tot hardcore eksperimentele poësie, wat in Afrikaans selde verskyn of geskryf word. By ons is daar byvoorbeeld die gedigte van die Vlaamse digters Paul Bogaert en Dirk van Bastelaere, en in Nederland Tonnus Oosterhoff (www.tonnusoosterhoff.nl), of Astrid Lampe, Nachoem Wijnberg, Arjen Duinker en F. van Dixhoorn. 

 Alhoewel die eksperimentele gehalte in Nederland en Vlaandere self nie te opvallend is nie, is dit wel so dat die eksperiment baie meer hoofstroom is hier as in Afrikaans. Duinker, Wijnberg, Bastelaere, Lampe, Oosterhoff; ek ken nie eintlik soortgelyke digters wat prominent in Afrikaans aanwesig is nie, behalwe Breytenbach miskien. Aan die ander kant is die Afrikaanse poësie baie meer betrokke by sy omgewing, sowel die politieke as die natuur. Die Westerse individualisme is by baie Afrikaanse en Suid-Afrikaanse digters sterk vermeng met protes, politiek en algemene betrokkenheid. Jy sien dit ook by die Suid-Afrikaanse digkuns in die breë, met name soos Tatamkhulu Afrika, Gabeba Baderoon, Keorapetse Kgositsile of Rustum Kozain. Hulle is vertellers, nie digters wat nuwe taalkonsepte uitdokter nie. Digters soos Antjie Krog en Gert Vlok Nel – en nou byvoorbeeld Ronelda S. Kamfer weer, of selfs Charl Pierre Naudé, is regtig anders, ‘Afrika’ digters – dit is waarskynlik hoekom hulle so gewild is hier. Hulle beskryf nie net wêrelde wat ons nie in Europa ken nie, hulle is inderdaad die beliggaming daarvan. 

 

Ons vra om verskoning vir die feit dat die laaste gedeelte van Alfred Schaffer se antwoord hier bo, beginnende met “Alhoewel …”, met die aanvanklike plasing van die onderhoud nie die oordrag van dokument na webblad meegemaak het nie.

 

 

 

 

 

Gedig deur Alfred Schaffer

IMPASSE

Vertier in wissewasjes zoeken, zo blijft een mens overeind.

Toonladders oefenen. Eindeloos van iemand houden. Maar,

wat een afknapper is de mens, dweepziek, een slaaf van zijn

agenda, en zint hem iets niet, dan verbreekt hij de verbinding.

 

Je ruikt hoe ik bederf, ook al ben ik er niet, je ligt, zo stel ik

me voor, verrukt te staren naar een monitor, naar de eerste

bewijzen van leven op Mars, daar beweegt iets onschuldigs,

iets wat kans van slagen heeft, en zonder je blik af te wenden

 

grijp je mijn hand – die er niet is, druk doende dit alles alvast

neer te krabbelen, ergens waar ik pelgrimstochten onderneem

naar hooggelegen gebouwen, ver voor Christus opgeleverd.

 

Mijn sleepdraad is geknapt, ik krijg me niet aan land gehesen.

Als straks het stadsgeluid bezinkt, zou ik met deze nachtkijker

meer moeten zien. Voor alle zekerheid. Maar meer is er niet.

 

(Uit: Kooi, De Bezige Bij, 2008)