Posts Tagged ‘Mustafa Stitou’

Luuk Gruwez. Een god, ontgoocheld en opgebrand

Monday, August 26th, 2013

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

 

Een God, ontgoocheld en opgebrand

 

De auteur: werd tien jaar geleden voor ‘Varkensroze ansichten’, zijn vorige bundel, alom bejubeld en zowel met de Jan Campertprijs als de VSB Poëzieprijs bekroond.

Het boek: een bundel waarin de van origine Marokkaanse dichter op zoek gaat naar zijn identiteit op het raakvlak tussen een islamitische en een sterk door consumentisme gedicteerde westerse cultuur.

Ons oordeel: gedichten die getuigen van een verbluffende verbeeldingskracht.

Ontzag, deernis en lacherigheid: het zijn drie kwalificaties die nogal van toepassing zijn op ‘Tempel’, de jongste dichtbundel van Mustafa Stitou. Hij somt die drie substantieven zelf op in een gedicht. Deernis is er met wie van zijn waardigheid wordt ontdaan, in casu in de cyclus ‘Koeiensuite’, waar de beroemde herkauwer van een mythisch en heilig dier degradeert naar een nummer (Doortje 3017). Ontzag is er voor de wereld van de vaders en bij uitbreiding, met hen verbonden, die van de goden. Maar die laatsten zijn ook onderhevig aan kritiek. ‘God stierf,’ luidt het, ‘een halfuur voor Hij / de schepping zou voltooien, / ontgoocheld en opgebrand.’ En elders heet het dat in Mekka de met een zwart kleed bedekte kubus, die de bijnaam Huis van God draagt, vanbinnen leeg is. Lacherigheid ten slotte kenmerkt deze gedichten vanwege het hoge humorgehalte en de ironie, met name in de observatie van de consumptiemaatschappij. Stitou neemt het massatoerisme en de plastische chirurgie omstandig op de korrel in hoogst vermakelijke gedichten: ‘Zeg dus maar / dag tegen je haveloze vagina, / wuif je morsige labia maar uit, wij / leveren maatwerk.’ Niet alleen wordt hier de plastische chirurgie gepersifleerd. De dichter schetst haar impliciet ook als een potsierlijk middel om de dood te lijf te gaan. Want zelfs God, zo betoogt hij, is niet volmaakt. Zijn schepping behoeft retouches. Dat maakt hem trouwens plots menselijk en dus sterfelijk. Het is kennelijk aan de mens om de kwalijke gevolgen van het goddelijke gestuntel ongedaan te maken.

De souplesse waarmee Stitou zich weet in te leven in al het bestaande, of het nu een vliegje of een of ander ding betreft, getuigt van grote empathie. Vooral de manier waarop hij zich in dieren weet te verplaatsen is sinds ‘Varkensroze ansichten’ (2003) zijn handelsmerk geworden. In ‘Tempel’, waar de koe zo dominant aanwezig is, wordt haar verschijning op een rotswand van het laat-paleolithische Altamira gelieerd aan een plek in het heden waar zij mechanisch wordt gemolken. Twee werelden, die van de techniek en die van de natuur, worden met elkaar geconfronteerd. Stitou heft dichtenderwijs de barrières op tussen het vergoddelijkte en het mythische enerzijds en het triviale anderzijds. En verder eveneens tussen alle categorieën van het bestaande, of het nu om levende of dode dingen gaat. Hij doet zulks in een sterk wisselend idioom dat tussen parlando, archaïserende gebedstaal en soms te gratuite associaties laveert.

Net zoveel aspiraties heeft de dichter als de door hem beschreven koe. Als hij door één enkel iets gemotiveerd lijkt te zijn, dan wel door deze vraag: hoe kan ik in hemelsnaam ontsnappen? De koe droomt namelijk. Van sterrenhemelen om onder te slapen en van rivieren om over te zwemmen. Van een vacht van sneeuw en van zoveel meer. Precies dat maakt ook haar menselijk. Stitou maakt, getuige wat hij ook met God doet, alles menselijk. Hij dicht zelfs denkvermogen toe aan een gevonden schoen. Elders beschrijft hij de geschiedenis van een mannetjesvogel in een zomereik. Van zijn vrijage met een wijfje, over de conceptie en het broedproces, tot de kroost die daarvan het gevolg is en weldra de nestkast verlaat. Het gedicht gaat over een ideaal bestaan, dat wel iets weg heeft van dat van een mens, maar er toch behoorlijk van afwijkt doordat er geen enkele narigheid mee gepaard gaat. Alleen aan het eind stelt de vogel een anomalie vast bij zijn nakomelingen: ‘(En vreemd gedrag vertonen soms, / uit het niets mijn uitwerpselen / uitsmeren over een dode tak’ Maar is het niet juist zo’n afwijking die ertoe bijdraagt dat deze vogels toch weer menselijk lijken?

Opvallend is ook Stitous vermogen om zich in te leven in diverse culturen als die van de islam en die van het christendom. Een van de kernthema’s van de bundel is zijn zoektocht naar een identiteit. ‘Twee halve gezichten heb ik,’ schrijft hij. Om zijn eenheid te hervinden, weigert hij zich toe te spitsen op het conflictueuze: ‘Vergeet het verschil / en je zult identiteit vinden.’ Toch lag een potentieel geschil al op de loer in het (proza)gedicht waarmee de bundel opent. Dat gaat over een zoon die de doodskist met zijn vader op zijn rug draagt met de bedoeling hem naar zijn graf te transporteren. Vermoeid vraagt hij zijn vader op zeker moment zelf een eindje te lopen, wat geschiedt, waarna die spontaan in het graf gaat liggen dat voor hem gedolven is. En dan beseft zijn zoon: ‘Hij moet van zijn god met zijn gezicht naar het oosten liggen, richting Mekka. Gelukkig vraagt hij me niet waar het oosten is (…).’ Het is duidelijk dat Stitou afstand genomen heeft van de god van zijn vader. De tempel die hij tegen het eind van de bundel betreedt is er alvast een van anderssoortige goden: ‘de letters der ketters vliegen (er) klapwiekend op (…).’ Veeleer lijkt hier sprake van een soort bibliotheek of misschien wel van het huis van de poëzie. De dichter zweert er in elk geval bij: ‘Keer deze tempel de rug niet toe (…).’       

__________________

Mustafa Stitou

Tempel

uitgeverij De Bezige Bij, 64 blz., 16,50 euro

 

 

Koeiensuite

 

1

 

Waar denk je aan, Doortje,

Wanneer je de robot betreedt,

Zijn laserstraat je uier aftast –

 

Ontsnappen aan de stal

En dit systeem? Door uitgestrekte

Grasvlakten draven, Doortje?

 

Zwemmend rivieren oversteken?

Onder de sterrenhemelen slapen

En ‘s winters een mantel dragen

 

Van sneeuw? In rotssteen misschien,

Doortje 3017, vereeuwigd worden

Met zware, sierlijk voorwaarts

 

Gerichte hoorns door een

Verwonderde hand uit

Het paleolithicum? Doortje?

 

Mustafa Stitou

Janita Monna. Weinig opwekkend, maar groots

Tuesday, August 20th, 2013

 

Mustafa Stitou – Tempel

Hoe is het voor een stier om geen echte maar een nepkoe te bevruchten? Waaraan zou Doortje 3017 denken als zij door een robot wordt gemolken? Tien jaar heeft het geduurd, maar eindelijk is er nu Tempel, de opvolger van de Varkensroze ansichten. En in die nieuwe bundel van Mustafa Stitou huist nogal wat vee. Koeien zijn op drift geraakt – er steekt er een de N279 over om een duik in een zwembad te nemen, elders ligt er een pontificaal in een woonkamer – terwijl een Brabantse boer in plaats van koeien maar kamelen is gaan houden. De oude wereld, de wereld waarin mensen wisten dat je ‘kersenvlekken’ het beste ‘een halve dag’ kon laten ‘weken in melk’ is niet meer. De stier, ooit symbool van het goddelijke, is ontheiligd, want sinds de mensen ‘de dieren bestieren’ is het langzaam bergafwaarts gegaan. De koe is vooral een nuttig dier, dat efficiënt dient te worden gemolken.

De oude wereld is onttoverd, heeft zijn glans verloren. Zelfs in Mekka, het bedevaartsoord voor Moslims spelen bavianen met colablikjes en chipszakken.

 

Mantelbavianen

scharrelen tussen het afval

dat de pelgrims achterlaten

op hun tocht naar de grot

in de top van de berg

waar aan de profeet

de engel verscheen.

 

Zoals de koeien, is ook de mens is van zijn natuur vervreemd geraakt. Stitou vertelt het in zijn bekende trage, soms nadrukkelijk plechtige zinnen. Geestig en met ironie. Zoals de monoloog van de plastisch chirurg tegen de vrouw. Met vileine precisie somt de arts op hoe de dood op afstand gehouden kan worden:

 

En wij hebben de middelen

om uit je lichaam de dood

te verjagen, onze rimpelvuller

om maar iets te noemen

is een wereldwijd succes.

 

Maar echt te lachen valt er niet, het lachen is verworden tot een ‘afgronddiepe lacherigheid’. Uiteindelijk is het behoorlijk grimmig in Stitou’s Tempel, die zich uitstrekt van Oost naar West, en waarin achter de waan van de hedendaagse wereld, oude mythes en religies schuilgaan: zo worden in het openingsgedicht, waarin een zoon de kist met daarin zijn dode vader niet langer kan dragen en de vader vraagt zelf naar het graf te lopen. De vader gaat liggen, ‘moet van zijn god met zijn gezicht naar het oosten liggen,’ maar de zoon weet niet waar Mekka ligt.

Tegen het einde van de bundel wordt de vervreemde ‘stadsmens’ nog op een Lucebert-achtige wijze toegesproken als hem wordt gemaand: ‘ga liggen in het gras,/ vind stil de god die zich in je verborgen houdt.’ Maar ook die god blijkt niet meer dan een lege kern.

In de moderne maakbare wereld is niks meer heilig, is er geen houvast. Het is een weinig opwekkende boodschap. Mustafa Stitou brengt ’m groots.

 

1

Waar denk je aan, Doortje,

Wanneer je de robot betreedt,

Zijn laserstraal je uier aftast –

 

Ontsnappen aan de stal

En dit systeem? Door uitgestrekte

Grasvlakten draven, Doortje?

 

Zwemmend rivieren oversteken?

Onder de sterrenhemelen slapen

En ’s winters een mantel dragen

 

Van sneeuw? In rotssteen misschien,

Doortje 3017, vereeuwigd worden

Met zware, sierlijk voorwaarts

 

Gerichte hoorns door een

Verwonderde hand uit

Het paleolithicum? Doortje?

 

Mustafa Stitou – Tempel. De Bezige Bij, 64 pagina’s, 16,50 euro, ISBN 9789023478867

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Edwin Fagel. Ontkenningen.

Tuesday, April 26th, 2011

Donderdag

 

De etalagepop droeg een geel jurkje dat je niet slecht zou staan. Eindeloos had ik voor de etalage staan twijfelen. Ik ging naar binnen, merkte dat ik tegen mezelf aan het praten was. Of preciezer: tegen jou. Een moedeloosheid overviel me. Wie houd ik eigenlijk voor de gek. De sfeer was uitgelaten, buiten leek de regen te zijn opgehouden. De verkoopster vroeg me of ik het koud had. Ze had kraaienpootjes bij haar ogen. Onder het gordijntje van de paskamer zag ik twee voeten met sokken aan.

 

Gelijken

 

Wanneer ze een jurk aan het passen is

haar weerbarstige haar aan het kammen

met vriendinnen grappen maakt over

de hulpeloosheid van hun mannen

zingt er een meisje zich los uit haar

zwijgzaam lichaam gedrongen ootmoed

schittert over haar gerimpeld gelaat

wanneer ze aan het bidden is en ik

kom storen waar ligt de sleutel die brief

dit dat er op je wordt gewacht waar

blijf je toch slaat ze soms haar ogen op

‘herkent me niet’

glimlacht

 

‘onpeilbaar’

 

‘samenzweerderig’

 

‘geamuseerd’

 

een glimlach die duizelt die glimlach is stout!

 

een soort flirt

 

ik haar

zij mij

naamloos

gelijken

vrij

 

(Mustafa Stitou, uit: Varkensroze ansichten)

 

Terwijl ik om me heen keek, maakte ik grapjes in mezelf – enkel om mezelf te amuseren. Wat zeg je als je er ineens geen zin meer in hebt, wat is dan de groet? Ik kocht eens tijdens een koopavond een grappig klein pennetje, terwijl ik eigenlijk een notitieblokje afrekende. Je kwam achter me staan, bekeek mijn aanwinst. Toen ik naar buiten liep, bleek het toch nog te regenen.

 

(Edwin Fagel)

Alfred Schaffer. Mank

Tuesday, February 9th, 2010

Dichters zijn net vampiers. Niet zelden leven ze van andermans poëzie, poëzie die hen raakt of irriteert, en inspireert tot het schrijven van een eigen tekst, als in een antwoord. Poëzie die de dichter laat zien wat al gezegd is, en wat er nog te zeggen valt zonder in herhaling te vallen.

Zelf ben ik eind jaren negentig op het spoor gezet door het werk van de Amerikaan John Ashbery en de Nederlander Nachoem Wijnberg, die vorig jaar nog te gast was op Die Woordfees in Stellenbosch. Daarna kwam daar de Nederlander Kees Ouwens bij. En het Afrikaanse trio Antjie Krog, Charl-Pierre Naudé en Peter Blum. De laatste grote invloeden zijn voorlopig de Australiër Les Murray, de Canadese Anne Carson en de Rus Joseph Brodsky.

Maar je hoeft de verrassing niet altijd ver van huis te zoeken. Laatst had ik dan eindelijk weer eens tijd om wat te grasduinen in nieuwe poëzie, buiten mijn werk als redacteur om. Een goede manier om de schrijfspieren, die nagenoeg verlamd zijn na mijn laatste bundel, wat op te warmen. Ik merk dat ik op dit moment blijf hangen bij poëzie die op het oog direct welsprekend is, zonder eenduidig of clichématig te zijn. Een week of twee terug las ik een nummer van tijdschrift Het Liegend Konijn, van oktober 2009. Een mooie aflevering. Het Liegend Konijn verzamelt uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, en ook is er ruimte voor enkele debuten. Je vindt altijd iets verrassends. De nieuwe gedichten van Alexis de Roode (geb. 1970) bijvoorbeeld. Een reeks van 10 gedichten, getiteld ‘Dierkunde’. Sprekend werk vond ik het, en ook grappig, voor een Afrikaanse lezer waarschijnlijk niet al te ingewikkeld om te volgen:

 

De jacht

 

Ik had een vriendin

haar vader was jager

hij had een eland geschoten

en nu was hij wereldberoemd in Canada

de mensen in het vliegtuig klapten voor hem

 

Zij hield een keer een spreekbeurt over de jacht

iedereen op school was tegen

maar na afloop was iedereen voor de jacht zei ze

iedereen wilde haar vader ontmoeten

 

Haar hele huis hing vol hertenkoppen

ik denk wel een stuk of 300 koppen

als ik naar de wc ging ’s nachts

kwam ik zeker vijf herten tegen

de ene nog mooier dan de andere

 

Ik was gek op herten

niet op een sentimentele manier

ik had wel een hert willen schieten

als je van de natuur houdt hou je ook van jagen

maar ik zou geen hertenvlees eten

dat is een grens die je niet overschrijdt

 

Als je een gazelle bent op de savanne

heb je genoeg leeuwen om je op te eten

maar hier heb je als hert geen vijanden

je moet het wild een beetje scherp houden

anders gaan ze in de steden wonen

 

 

De (gespeelde) naïviteit, de bewust onhandige herhalingen, het geeft het gedicht vaart en beeldende kracht. En het is erg fijn als je ook om poëzie kunt lachen.

 

Jagen

Jagen

 

 

Heel anders is het korte maar uiterst krachtige gedicht van Mustafa Stitou (geb. 1974), in hetzelfde nummer:

 

Houd mijn hand vast.

Ik mis een pink. Ik ging,

 

kind was ik, een dag

uit moorden. Een kleine

 

eeuw geleden. Een zomerdag.

Zonder reden

 

herinner ik mij. Hommels.

Mussen. En toen

 

een zwaan. Aan de rand

van de vijver zag ik

 

de duivel staan. Grienend

sloeg hij mij gade.

 

Dit is zo’n gedicht dat ik zelf geschreven zou willen hebben.

 

Poëzie werkt dikwijls het sterkst als je niet te hard zoekt naar betovering – daarom is het mooi om door een literair tijdschrift van achter naar voren te bladeren. Zo kom je eerst de gedichten tegen, pas daarna de naam die erbij hoort.

Vorige week bladerde ik in een boekhandel door Digitale hemelvaart, de nieuwe bundel van de Irakese dichter Rodaan Al Galidi. Hij woont sinds 1998 in Nederland en schrijft poëzie en proza in het Nederlands. Ik las het volgende:

 

Het wonderei van Rodaan Al Galidi

 

Normaal gesproken

leg ik mijn gedachten op papier,

maar twee weken geleden

legde ik een ei.

 

Uit respect voor mijn gedachten

en wat eruit kon komen,

bouwde ik een nest in de hoek van de kamer

en zat op het ei.

 

Vrienden en collega’s

geloofden niet dat ik een ei uitbroedde.

Ze dachten dat ik

mijn wereld niet wilde verlaten.

 

Hoe lang zal mijn broeden nog duren?

Hopelijk niet een leven lang.

 

Wat komt eruit?

Hopelijk geen mens.

 

Je moet na het lezen van zo’n gedicht niet wanhopig op zoek naar nog meer moois, maar de bundel dichtslaan, aanschaffen, en rustig de winkel uit lopen. Mensen kijken, een eindje fietsen, een broodje eten, beetje staren naar de boten. Zoiets.

Of nee, misschien toch nog één gedicht dan, ’s nachts voor het slapen. Maar dan een gedicht dat minstens even sterk is. Dus pak ik Kaplyn erbij, van die fenomenale Afrikaanse dichter Gilbert Gibson, die maar gauw eens naar Poetry International moet komen:

 

hink

 

in omtrent die jaar van onse

negentien vyf

en sewentig of so het

 

op ’n reënerige vrydagmiddag

’n melktenker van die

middevrystaatsuiwelkoöperasie wat in die

spruit vasgesit het

oor my pa se bene gery

 

schalk die lorriebestuurder was angstigrig

vir my ma: tannie

moet nou nie skrik nie,

 

sê hy, en het hulle twee

met die kar en die handdoeke

en bloedbene winburg

toe gery en toe per ambulans

rooilig gesnel tot die

 

nasionale hospitaal in

bloemfontein. dieselfde aand

het ek in ’n kinderkrans-

 

konsert gespeel onder blindes

eenoog die saaier, onder leiding van ’n

paar tannies. en het ek

my voor dit alles verbeel en

geoefen ’n man uit gelykenisse

 

hy

loop

mank

 

Maar dan is het genoeg. In een paar dagen tijd een handvol goud, daar moet je zuinig mee zijn. Niet te veel ineens willen. Eerst eens kijken of deze gedichten mijn spieren een beetje hebben kunnen opwarmen.

 

 

Onderhoud met Alfred Schaffer

Monday, May 18th, 2009

Diversiteit in Nederlandstalige poësie

Alfred Schaffer in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Alfred Schaffer (1973) woon van 1996 tot begin 2005 in Kaapstad, waar hy sy doktersgraad behaal aan die Universiteit van Kaapstad by die Departement Afrikaans en Nederlands. Vir Beeld en Die Burger skryf hy rubrieke oor Nederlandse poësie en saam met Antjie Krog is hy samesteller van Nuwe Stemme 3. Hy debuteer in 2000, met sy digbundel Zijn opkomst in de voorstad, en sy sesde en voorlopig laaste bundel, Kooi, het in 2008 verskyn. Tans bly hy in Amsterdam, waar hy werk by die literêre uitgewery De Bezige Bij.

 

Alfred Schaffer

Alfred Schaffer

 

Alfred, vir ons hier in die ander halfrond lyk dit asof die Nederlandse digkuns een van die mees dinamiese digkunste in wêreldliteratuur is; nie net vanweë produksie nie, maar ook in terme van gehalte. Kan jy vir ons ’n idee gee van hoeveel digbundels (min of meer) per jaar by die gevestigde uitgewerye verskyn en wat die gemiddelde verkope per bundel is?

 

Die internasionale ekonomiese krisis ten spyt, lyk dit vir my asof daar nie juis minder digbundels verskyn in die Nederlandse taalgebied nie – ons praat nou van Nederland en België saam. Die Vlaamse digter en kritikus, Herman de Coninck, het in 1996 begin met die uitgee van die honderd beste gedigte van die lopende jaar. Die boek met die honderd beste gedigte van 2008 is saamgestel deur die digter en kritikus Rob Schouten. In sy voorwoord skryf hy dat daar in 2008 106 bundels by gevestigde uitgewers verskyn het, wat meer digbundels is as in 2007. Vir so ’n klein taalgebied is dit sekerlik baie gedigte vir een jaar. Die gemiddelde verkope is moeilik om vas te stel. Ek dink die meeste digters verkoop so om en by die tweehonderd, driehonderd boeke, dan is daar verskeie digters wat tussen seshonderd en ‘n duisend verkoop. Jy het natuurlik ook dié wat meer as tweeduisend of drieduisend verkoop, struktureel of insidenteel, maar hulle is tog skaars. Die gemiddelde lê, dink ek, iewers rondom vyfhonderd eksemplare. Gehalte is moeilik om vas te stel – hoe kan mens so iets meet? Smaak word bowendien kultureel bepaal. Sekerlik word daar mooi en baie poësie geskryf in Nederland, maar ons het nie regtig kandidate vir die Nobel-prys nie; veral nie na Hugo Claus se afsterwe verlede jaar nie. In Afrikaans is daar darem steeds Breytenbach en Antjie Krog. Tog dink ek dat ons hier ’n groot groep kwalitatief goeie digters het; onder elke tien digters tel ’n mens dalk sewe sterk digters. Maar dit bly alles maar growwe veralgemening; poësie is immers nie ’n sport waar ʼn mens hoef te kompeteer oor wie die beste is nie. 

 
 

 

In Suid-Afrika is daar jaarliks ’n beduidende hoeveelheid bundels wat nié by gevestigde uitgewers verskyn nie; dikwels met wisselende sukses. Bestaan daar dieselfde tendens in Nederland en hoe word hierdie bundels in die algemeen ontvang?

 

 

 

Daar is wel digbundels van digters wat nie by gevestigde uitgewers verskyn nie, maar jy sal hulle nie maklik vind in die deursnee boekwinkel nie. Meestal is die verspreiding maar deur websites en blogs, sowel as vriende en familie. So daar’s nie eintlik ’n ontvangs vir sulke boeke in terme van resensies of ander publikasies nie. Digters wat op die lang termyn in “eie beheer” uitgee, is eintlik per definisie nie baie interessant nie, sou ’n mens kon sê, anders sou hulle al ontdek gewees het deur gevestigde uitgewers – ek wed jou hulle het almal op ’n slag hul luck probeer by een. Ook sal jy sien dis dikwels mense wat veral digter wil wees, nie noodwendig wil dig nie. Dis poësie vol clichés en platgewalste emosies. As redakteur by De Bezige Bij sien ek sulke manuskripte elke week weer met die pos kom, die een nog slegter as die ander. Gaande oor hul eie werk, en begeleidende briewe (nogal in die derde persoon enkelvoud gestel, asof hulle reeds ’n flapteks skryf) waar jy lees dat hulle vriende en familie mal, mál was oor hulle skitterende gedigte. En wat jy dan vervolgens lees, is so onstellend sleg dat jy wonder of hulle ooit een gedig gelees het.

 

Ten einde ’n bepaalde digkuns dinamies uit te bou en lewenskragtig te hou, word besonderse inisiatiewe en projekte vereis. Kan jy dalk ’n paar van hierdie inisiatiewe noem wat die Nederlandse literatuur van ander – en meer spesifiek die Suid-Afrikaanse – onderskei?

 

Daar is genoeg aktiwiteite, sowel in Nederland as in Vlaandere. Party digters dink selfs daar is te veel; dat dit die poësie vervlak, aangesien dit bloot die entertainment element van die poësie belig, en die moeiliker en uitdagender soort verse en digter negeer. ʼn Mens kan dink aan die reeds genoemde boek wat elke jaar 100 gedigte uitlig van die afgelope jaar, ’n soort klein jaarlikse kanon. As só iets in Afrikaans uitgegee sou kon word, sou dit ’n groot stimulerende tradisie ook in die Afrikaanse poësie kon skep. Miskien ietwat minder as 100 gedigte, aangesien daar in Afrikaans nie so baie digbundels in ʼn bepaalde jaar verskyn nie. Dan was daar die aandag rondom die verkiesing van die “Dichter des Vaderlands”, met gepaardgaande tv-optredes en interviews met die benoemde digters. Voorts kry jy festivals en geleenthede soos Poetry International, de Week van de Poëzie, Gedichtendag, Koningsblauw en Saint Amour (beide in Vlaandere), de Nacht van de Poëzie, en jaarlikse geldpryse, soos die VSB Poëzieprijs (€ 25.000) en talle ander groot en kleiner pryse.

Daar is nog altyd baie literêre tydskrifte wat primêre werk publiseer en analiseer, al is die intekenare dikwels bitter min. Gevolglik verdwyn meer en meer tydskrifte, enersyds as gevolg van die kompetisie met die internet, en andersyds as gevolg van die afnemende belangstelling vir kuns en kultuur in die algemeen. En natuurlik is daar baie subsidies beskikbaar. Die NLPVF (Nederlands Literair Productie -en Vertalings Fonds) en Het Fonds voor de Letteren, wat geld gee vir projekte (vertalings, reise, besondere uitgawes), en skrywers en digters geld gee om ’n bepaalde bundel of roman te skryf, met bedrae tussen € 10.000 en € 60.000. Dan is daar natuurlik ook nog die Poetry Slams, op klein skaal in kafees en op groter skaal op festivals, en daar is groot literêre festivals deur die land waar poësie en letterkunde welkom is te midde van ander kuns-dissiplines (teater, musiek, beeldende kuns), soos De Wintertuin (Nijmegen), Crossing Border (Den Haag), Winternachten (ook Den Haag) en Geen Daden Maar Woorden (Rotterdam). Literatuur het nie meer so ’n groot plek in die Nederlandse onderwysstelsel soos 10 of 20 jaar gelede nie, so al hierdie inisiatiewe is ’n manier om aandag te vestig op poësie. Maar dikwels is dit veral spoken word wat mense aantreklik vind, gesigte en persoonlikhede; of dit egter die boekverkope bevorder, kan ons ernstig betwyfel.

Dit help juis ook nie wanneer koerante al hoe minder aandag aan poësie bestee nie; dis amper minagtend. Daar verskyn wel resensies op internet, maar die impak (status) en die gehalte van dié artikels is dikwels maar bedenklik.

 

Indien ’n mens kyk na die aantal Afrikaanse digters wat die afgelope jare genooi is na Poësie-feeste in Nederland, asook die toenemende teenwoordigheid van Afrikaanse poësie in vertaling, wil dit voorkom asof daar ’n groeiende belangstelling in Afrikaanse digkuns daar in die noorde bestaan. Is dit ’n korrekte afleiding en indien wel – wat sou jy sê is die rede(s) hiervoor?

 

Daar is steeds belangstelling in die  Afrikaanse poësie, ja. Veral Gert Vlok Nel en Antjie Krog is regtig populêr, soos ook Ingrid Jonker. Gert Vlok Nel (‘Beautiful in Beaufort-Wes’) en Jonker (‘Korreltjie niks is my dood’) het hier gewild geraak deur dokumentêre-films op tv wat die Nederlanders aangrypend gevind het. Daarna het hulle poësie begin verkoop. En Antjie maak opslae deur middel van haar optredes en voordrag. Die mense is gaande oor haar skitterende gedigte ook, en dit werk baie goed saam met haar persona op die verhoog, en haar gedurfde en intense lees. Sy verkoop seker meer gedigte as die meeste Nederlandse digters. So, die Afrikaanse poësie is goed verteenwoordig, met die name wat tel daar in Afrikaans – Breytenbach en Stockenström is ook al in Nederlands vertaal. En dan is daar die besonderse geval van Elisabeth Eybers, wat op ’n manier ook ’n bietjie ’n Nederlandse digter geword het. Andersom is daar ongelukkig min belangstelling vir wat hier in Nederland en Vlaandere aan die gebeur is. De Coninck en Gruwez is vertaal, ja, en selfs Stef Bos se ‘gedigte’ word uitgegee in Afrikaans, maar dit is nie eintlik die digters wat régtig tel nie, en daar is genoeg, soos: K. Michel, Tonnus Oosterhoff, Astrid Lampe, Leonard Nolens, Hans Verhagen, Miriam Van hee, Mustafa Stitou, Esther Jansma, Arjen Duinker, Eva Gerlach, Peter Verhelst, Menno Wigman, Nachoem Wijnberg, you name it. Dit is asof die Afrikaanse leser tog veral iets wil lees wat nie te uitdagend is nie; iets wat maar net lekker gevoelens verwoord. Dalk het dit ook te doen met die behoudende smaak van die Afrikaanse vertalers wat uit Nederlands na Afrikaans vertaal. Ek het dit byvoorbeeld weer besef toe ek in Berlyn met Antjie gesels en haar vertel het van Harry ter Balkt. Dis een van die grootste lewende digters in Nederland. Ek het toe later van sy werk vir haar gestuur en sy was gaande daaroor, heeltemal oorrompel, geskok, omdat sy dit nie geken het nie. Daar is baie belangriker en kragtiger Nederlandstalige poësie as wat nou in Afrikaans beskikbaar is.

 

Is dit moontlik vir jou om ’n paar opmerkings rakende ooreenkomste en verskille tussen die Afrikaanse en Nederlandse poësie te maak? Vir my wil dit byvoorbeeld voorkom asof daar tans in die Nederlandse digkuns ’n voorkeur is vir meer kriptiese, serebrale verse terwyl daar in die Afrikaanse digkuns die afgelope jare ’n sterk neiging tot vertelverse met ’n meer anekdotiese inslag is. Ek besef dat hierdie ’n gruwelike veralgemening is, maar dit is tog ’n wesenlike verskil, is dit nie?

 

Ek dink die grootste verskil met die Afrikaanse digkuns is dat daar maar net méér gehalte digters is, omdat daar in totaal méér digters is wat publiseer in Nederlands. Dis bloot ’n kwessie van kwantiteit. Ek dink ook die poëtiese diversiteit is groter in die Nederlandstalige poësie. Jy kry hier praatverse, of konseptuele anekdotiek (K. Michel, Tjitske Jansen, Mustafa Stitou) tot hardcore eksperimentele poësie, wat in Afrikaans selde verskyn of geskryf word. By ons is daar byvoorbeeld die gedigte van die Vlaamse digters Paul Bogaert en Dirk van Bastelaere, en in Nederland Tonnus Oosterhoff (www.tonnusoosterhoff.nl), of Astrid Lampe, Nachoem Wijnberg, Arjen Duinker en F. van Dixhoorn. 

 Alhoewel die eksperimentele gehalte in Nederland en Vlaandere self nie te opvallend is nie, is dit wel so dat die eksperiment baie meer hoofstroom is hier as in Afrikaans. Duinker, Wijnberg, Bastelaere, Lampe, Oosterhoff; ek ken nie eintlik soortgelyke digters wat prominent in Afrikaans aanwesig is nie, behalwe Breytenbach miskien. Aan die ander kant is die Afrikaanse poësie baie meer betrokke by sy omgewing, sowel die politieke as die natuur. Die Westerse individualisme is by baie Afrikaanse en Suid-Afrikaanse digters sterk vermeng met protes, politiek en algemene betrokkenheid. Jy sien dit ook by die Suid-Afrikaanse digkuns in die breë, met name soos Tatamkhulu Afrika, Gabeba Baderoon, Keorapetse Kgositsile of Rustum Kozain. Hulle is vertellers, nie digters wat nuwe taalkonsepte uitdokter nie. Digters soos Antjie Krog en Gert Vlok Nel – en nou byvoorbeeld Ronelda S. Kamfer weer, of selfs Charl Pierre Naudé, is regtig anders, ‘Afrika’ digters – dit is waarskynlik hoekom hulle so gewild is hier. Hulle beskryf nie net wêrelde wat ons nie in Europa ken nie, hulle is inderdaad die beliggaming daarvan. 

 

Ons vra om verskoning vir die feit dat die laaste gedeelte van Alfred Schaffer se antwoord hier bo, beginnende met “Alhoewel …”, met die aanvanklike plasing van die onderhoud nie die oordrag van dokument na webblad meegemaak het nie.

 

 

 

 

 

Gedig deur Alfred Schaffer

IMPASSE

Vertier in wissewasjes zoeken, zo blijft een mens overeind.

Toonladders oefenen. Eindeloos van iemand houden. Maar,

wat een afknapper is de mens, dweepziek, een slaaf van zijn

agenda, en zint hem iets niet, dan verbreekt hij de verbinding.

 

Je ruikt hoe ik bederf, ook al ben ik er niet, je ligt, zo stel ik

me voor, verrukt te staren naar een monitor, naar de eerste

bewijzen van leven op Mars, daar beweegt iets onschuldigs,

iets wat kans van slagen heeft, en zonder je blik af te wenden

 

grijp je mijn hand – die er niet is, druk doende dit alles alvast

neer te krabbelen, ergens waar ik pelgrimstochten onderneem

naar hooggelegen gebouwen, ver voor Christus opgeleverd.

 

Mijn sleepdraad is geknapt, ik krijg me niet aan land gehesen.

Als straks het stadsgeluid bezinkt, zou ik met deze nachtkijker

meer moeten zien. Voor alle zekerheid. Maar meer is er niet.

 

(Uit: Kooi, De Bezige Bij, 2008)