Posts Tagged ‘Noudat slapende honde’

Thomas Möhlmann. Nu de slapende honden

Wednesday, February 9th, 2011

 

Nu de slapende honden, Ronelda S. Kamfer, Vertaling Alfred Schaffer, Podium, 2010, 82 pagina’s, € 17,50

 

ek staan nog steeds

Nu de slapende honden

Nu de slapende honden

 

Ruim twee jaar geleden debuteerde de jonge Zuid-Afrikaanse Ronelda S. Kamfer in eigen land met de bundel Noudat slapende honde, bekroond met de prestigieuze Eugene Marais prijs in 2009. Op poëziesite Meander schreef Joop Leibbrand destijds al een fraaie recensie, waarin hij Kamfer prees als ‘een onconventionele nieuwe vrouwelijke Zuid-Afrikaanse stem om met aandacht te blijven volgen’. Voor het Nederlandse publiek is dat volgen vergemakkelijkt dankzij Alfred Schaffer, die de 34 gedichten uit de bundel vertaalde en tweetalig bijeenbracht in Nu de slapende honden. Een fascinerende bundeling levensberichten van een scherp talent, dat zich nauw op de omringende werkelijkheid betrokken weet, maar zich er niet veel illusies over lijkt te maken. De toon is vanaf het openingsgedicht, ‘Waar ik sta’, gezet:

 

 

 

Nu zit ik aan tafel

met de vijanden van mijn voorvaderen

Ik knik en groet beleefd

maar

ergens diep van binnen

weet ik waar ik sta

 

Mijn hart en hoofd staan open

en zoals welopgevoede mensen

lachen en eten we samen

maar

ergens diep van binnen

weet ik waar ik sta

 

Kamfers stem is een directe en heldere stem, die niet tot de maan of de sterren gericht is, maar onmiskenbaar gewoonweg tot jou, de lezer. Ook als ze ‘lieve ooms met enge, lange grijze baarden’ aanspreekt, of een gedicht ‘To all the boys I loved before’ noemt, blijft het klinken alsof ze aan een kleine tafel haar verhalen aan je opdist. Niet te lyrisch, maar wel vloeiend, op het ene moment iets gevoeliger dan op het andere, in een Afrikaans dat organisch doorspekt is met Engelse woorden en uitdrukkingen. Het is aan Schaffers vertaling te prijzen dat hij afziet van enige opsmuk: de oorspronkelijke woorden en grammatica vinden schijnbaar moeiteloos pendanten in het Nederlands en voor het overige volstaat een kleine verklarende woordenlijst achterin de bundel. Het registrerende karakter van Kamfers regels blijft tierelantijnloos gehandhaafd, slechts af en toe lijkt er op klankniveau iets verloren gegaan. Zo rijmen de eerste drie regels van het korte ‘hoe seer is seer’, wat in ‘hoeveel pijn doet pijn’ niet probleemloos vol te houden bleek: ‘een oggend het ek opgestaan/ en badkamer toe gegaan/ my pa het buite die deur gestaan’ werd ‘op een ochtend stond ik op/ en liep naar de badkamer/ mijn vader stond buiten voor de deur’. De toon van simpele registratie prevaleert hier boven de samenhang in klank.

Het is een taaie en gewelddadige werkelijkheid die Kamfer registreert. Een overdosis wordt tot twee keer toe ternauwernood overleefd, een kind sterft in het spervuur van jeugdbendes, een welopgevoed klasgenootje verdrinkt, tieners worden zwanger, stiefopa’s zuipen hun pijn weg. Door de hele bundel heen zijn het juist de laconieke bewoordingen die indruk maken, omdat ze voorkomen dat de boel te sentimenteel of kunstmatig wordt: ze tonen de kracht van show don’t tell en verraden daarmee juist Kamfers diepe betrokkenheid met haar ouders, haar buurt, haar landgenoten. Een vertelling als ‘een gewone blauwe maandagochtend’ mag in dat opzicht exemplarisch heten:

 

het was een gewone blauwe maandagochtend

ergens moest een moeder het lijk van haar kind identificeren

ik waste me, poetste mijn tanden en maakte mijn opdracht voor biologie af

op de koelkast zat een briefje van mijn moeder

die vroeg of ik de biryani alsjeblieft niet zo pittig wilde maken vanavond

mijn zusje zocht haar kousen en tegen half acht deed ik de voordeur achter me dicht

en verstopte de sleutel op de vaste plek

in het buurtwinkeltje kocht ik twee losse sigaretten

en stopte die in mijn kous

op de hoek van de Wildflower- en de Rosestraat

stond een meisje grapjes te maken met haar toekomstige moordenaars

in mijn hoofd schreeuwde Dylan Thomas

do not go gentle into that good night, rage, rage against the dying of the light

tijdens de voorlichtingsles begon mijn hoogzwangere beste vriendin te bloeden

buiten op straat klonken enkele pistoolschoten

 

tegen de eerste pauze was er een lijk in de Skoolstraat

een miskraam in mijn klas

uitstel voor de biologieopdracht

en een vrouw die gillend door de straat rende

en God vroeg

‘waar was Jozef toen Jezus werd gekruisigd?’

 

Een volle en toch volgbare dagboekbladzijde bijna, waarbij tussen de verschillende gebeurtenissen geen noodzakelijke hiërarchie is aangebracht. De schijnbare achteloosheid van de eerste drie regels wordt volgehouden en juist de vermelding van het ‘uitstel voor de biologieopdracht’ in de opsomming op het eind geeft dit gedicht zijn sterke effect. Huiswerk en tandenpoetsen nemen nou eenmaal een zelfde plaats in de werkelijkheid in als een afgedreven vrucht of een ontredderde moeder.

Nadat Kamfer zo in haar soepele taal alles tussen existentiële isolatie en etnische identiteit de revue heeft laten passeren, eindigt ze haar laatste gedicht met strijdbare regels:

 

elke hond wat my sy pispaal

gemaak het

raai wat

 

ek staan nog steeds

 

(‘iedere hond die mij tot zijn pispaal/ heeft gemaakt/ raad eens// ik sta nog steeds overeind’) Wat mij betreft: als een huis.

 

Bronvermelding:
Poëzietijdschrift Awater, nummer 29, januari 2011.

 

Thomas Möhlmann

Thomas Möhlmann

Thomas Möhlmann (1975) studeerde moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, organiseerde programma’s in literair theater Perdu en was medeoprichter van poëzietijdschrift Zanzibar, poëzieprogrammareeks Vadem en literatuursite www.literairnederland.nl. Hij is dichter, beleidsmedewerker poëzie van het Nederlands Letterenfonds en redacteur van poëzietijdschrift Awater. Zijn debuutbundel De vloeibare jongen verscheen in september 2005 bij Uitgeverij Prometheus (tweede druk in 2006) en werd in 2006 genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor het beste Nederlandstalige poëziedebuut en in 2007 bekroond met de Lucy B. & C.W. van der Hoogt-prijs. In mei 2008 verscheen de kleine bibliofiele bundel Een draad die alles heel houdt bij Uitgeverij 69. In het najaar van 2009 verscheen zijn volgende reguliere bundel bij Prometheus: Kranen open, gekozen als Aanbeveling van de Poëzieclub voor najaar 2009 en genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs 2010.

In 2003 won hij de Dunya Poëzieprijs. Zijn gedichten word ook opgenomen in meerdere bloemlezingen. Zelf stelde hij meerdere bloemlezingen samen. Met Joost Baars bracht hij Nederlandse en buitenlandse poëzie bijeen in 30 + 30. Zestig gedichten uit binnen- en buitenland (Prometheus, 2008).

 

Onderhoud: Ronelda S. Kamfer

Sunday, January 10th, 2010

Die wakker honde van ‘n digter

Ronelda Kamfer in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Ronelda Kamfer

Ronelda Kamfer

Ronelda S. Kamfer is in 1981 in Kaapstad gebore. Sy bring haar grootwordjare in Blackheath en Grabouw deur. Sy matrikuleer in 1999 aan Eersterivier Sekondêre Skool. Sy was al verpleegster, kelner en administratiewe assistent by ‘n bemarkingsmaatskappy. Van haar gedigte verskyn in Nuwe Stemme 3, My ousie is ‘n blom en Bunker Hill. Haar debuutbundel, Noudat slapende honde verskyn in 2008 by Kwela. Die bundel is 2009 bekroon met die Eugène Marais-prys.

 

Ronelda, met jou debuutbundel, Noudat slapende honde (2008: Kwela Boeke) het jy jou summier gevestig as een van ons mees opwindende nuwe digters. Van jou gedigte het ook in Nuwe Stemme 3 en My ousie is ʼn blom (2005: Snailpress) verskyn.  Was daar spesifieke individue of instansies wat ʼn vormende invloed op jou digkuns gehad het?

Ek dink nie ek sou ooit gepubliseer geword het sonder Nuwe Stemme 3 nie, so almal wat daarby betrokke was het ‘n invloed op my gehad, veral Danie Marais , Loftus Marais, Thérèse Hulme en natuurlik die samestellers Antjie en Alfred.

Wat was die aard van hierdie invloed? Was dit merendeels aanmoediging of het hulle jou ook met tegniese aspekte gehelp?

Ek dink dit was meer aanmoediging, ek het maar eers onlangs die tegniese dinge van digkuns begin leer.

Op die webblad is ons Blog-fokus vir Januarie die kwessie van hoe jy tot die poësie aangetrokke geraak het. Hoe het dit gebeur dat die digkuns vir jóú meer as ʼn terloopse belangstelling is?

Presies, hoe wat en waar kan ek nie onthou nie, dit was net altyd deel van my, skryf is heeltemal natuurlik.

Op 14 Januarie neem jy saam met Antjie Krog deel aan die Winternachten-fees in Den Haag. Wat is die belang van hierdie internasionale blootstelling vir jou?

Ag, ek wil net graag sien wat ander skrywers doen, lees en hoe digters voorlees.

Indien ek dit nie mis het nie, was jy verlede jaar betrokke by Thérèse Hulme se projek Piemp. Hoe voel jy oor projekte van hierdie aard waar skryfkuns as vorm van terapie gebruik word? Skep dit nie dalk onrealistiese verwagtings by die deelnemers nie?

Piemp was nooit die projek nie, dit was die resultaat van jare se werk. Ek dink Thérèse en die kinders het hulle eie verwagtinge oorskry, sy wou die kinders committed kry. Aan die lees kry. 

Tydens ʼn onderhoud met Danie Marais het jy te kenne gegee dat jy Charles Bukowski en Antjie Krog as rolmodelle vir jou eie digkuns beskou. Lees jy wyd in die wêreld van poësie of beperk jy jou uitsluitlik tot enkele gunstelinge?

Ja, ek lees wyd. Ek het my studiejaar afgesluit met ‘n leeskursus onder Antjie en het weer besef hoe belangrik dit is om veral ander digters te lees. Ook hoe ryk Afrikaans in taal en stories is.

Watter digter(s) lees jy op die oomblik?

Adam Small, Dylan Thomas en ook “Die Sterre sê T’sau” van  Antjie krog

Watter digters beskou jy as die meer opwindende digters in Afrikaans vandag? Is daar enige jonger, ongepubliseerde digters waarvan jy weet?

Danie Marais. Loftus is major vir my en ook ander soos Andries Bezuidenhout. Ek hou  ook baie van Quentin Jitsvinger Goliath wat tans nog ongepubliseer is.

Ronelda, ʼn enorme prestasie wat jy onlangs behaal het, is die gedigte van jou wat deur Pierre-Marie Finkelstein in Frans vertaal en in Missives gepubliseer is. Het jy enige terugvoer van Franse lesers hieromtrent gehad?

Nee, geen terugvoer ontvang nie, maar dit is beslis ‘n helse voorreg.

Met jou debuutbundel het jy lof en aanprysing uit alle oorde ontvang. Is dié gloeiende kommentare iets wat jou aanmoedig, of ervaar jy dit as ʼn inhiberende faktor?

Dit is wat dit is, met die lof kom die kritiek ook so, dit pla my nie juis nie.

Ten slotte, jy is bekend as iemand wat in die eerste plek mens is en daarna digter. Vertel ons ietsie omtrent jou ander belangstellings en aktiwiteite?

Op die oomblik het ek baie meer tyd vir skryf, so ek gaan seker binnekort bekend raak as eerstens digter en dan mens (grappie). Nee, ek skryf deesdae bietjie meer so hopelik het ek iets om te wys daarvoor binnekort.

Nou, dít is skitterende nuus en beslis iets om na uit te sien. Maar vertel ons ietsie meer omtrent jouself? Watter musiek luister jy byvoorbeeld na?

Musiek, waar begin ek, okay ek hou van alles, ek is mal oor Tupac, Eminem en MIA. Maar ek luister ook deesdae baie Bruce Springsteen, Elbow, Muse en locally hou ek van Die Antwoord, Skatta Kamp, Jack Parow. Die lys verander elke dag.

Dankie vir die geleentheid om met jou te kan gesels, Ronelda. Sal jy dalk so vriendelik wees om van jou nuwe verse vir ons lesers hieronder te plaas?

 

Sny Sannie

 

sannie sê

sy

sal sewe snye sny sodat sy seerkry sien

sy

skelm skarlaken skenk

                                           skeiding sonder skel

 

sy

 

 

sny

sag       

 

 

 

Thomas Daniel Granfield

 

dis vandag my oupa Thomas

se verjaardag

 

dit sou gewees het

 

hy is dood toe ek in matriek was

dis al wat ek regtig onthou van matriek

 

die oggend toe die telefoon lui

het my ma nie kom sê nie

sy en my pa het opgestaan

en is weg hospital toe

 

al die grootmense, my oupa se kinders

en hulle mans en vroue is hospitaal toe

 

ek wou saam gaan

ek wou net my oupa belowe dat ek

okay sou wees

dat ek eendag ʼn boek gaan skryf

en hom sal vergeet nie

en dat ek die liefste vir hom was

 

my ma het ʼn paar uur

later gebel om te sê dat ek vir

my en my suster en niggie

moet kos maak

sy het niks gesê van my oupa nie

haar woorde het soos vlermuise om my gevlieg

 

ek het gewag vir iets

gewag vir pappa is dood

of dis verby of hy’s oorlede

maar sy’t aanhou praat oor kos

toe ek haar uiteindelik stop en vra

het die vlermuise aanhou vlieg

 

“ja, vroeg vi oggend”

 

 

die swaarste vir my was nie

dat my oupa dood was nie

maar dat die aarde aanhou draai het

dat ek aanhou leef het

dat alles wat verkeerd was nog steeds

verkeerd is

dat ek kon slaap en wakker word

ek kon matriek slaag

en die ergste van alles was

dat ek alles kon doen wat ek moes doen

en al wat ek wou doen

was om te huil

ek wou vir dae aaneen huil

ek wou sy leeftyd uit huil

ek wou huil vir wie my oupa was

en vir wie hy kon wees

ek wou huil oor die onregverdigheid

en ek wou huil omdat hy regtig lief was vir

my en dat ek geweet het dat hy lief was vir my

 

vandag

jare na sy dood

onthou ek eending  van oupa Thomas

 

“niemand kan jou seerder maak as jy jouself nie”

 

 

 

 

Jeppe

 

My vriend Jeppe wens hy was dood

elkedag

elkeoggend

ons het saam taxi gery tot by

Medi-Clinic hy was 35 en ek 25

hy het sommer eenoggend besluit om sy

lewensverhaal  te vertel so tussen squeel met

die taxi gaurd oor kleingeld, sy pa

was ‘n alkoholis dis hoekom hy drink

en sy ma was ‘n moeilike vrou

hy wou nie uitbrei nie, die bottomline is, het hy

elkedag

elkeoggend

gesê, ek wens ek was dood

 

 

elkedag, elkeoggend het ek gesit en luister

toe eenoggend vertel ek hom my storie

en hoe ek wens dat ek nie 

so dood gevoel het nie, en as

ek kon, as dit van my afhang

as ek regtig kon, sou ek hom

doodgemaak het dan het ons albei se

drome

waar

geword

 

na daai oggend het ons nie meer gepraat nie

 

 

(© ronelda s kamfer)