Posts Tagged ‘Paul Demets’

Louis Esterhuizen. Brugge se Nacht van de Poëzie

Wednesday, May 9th, 2012

 

‘n Besonderse geleentheid in die Lae Lande verlede week was Brugge se eerste Nacht van de Poëzie wat in daardie middeleeuse droomstad plaasgevind het; ‘n geleentheid waartydens die Guido Gezelleprijs 2012 onder andere aan die immergewilde K. Michel (foto) vir sy bundel Bij eb is je eiland groter toegeken was.

Luidens Koenraad Goudeseune se verslag wat pas op Knak.be verskyn het, was dié fees egter nie net maanskyn en rose nie; volgens hom was goeie bedoelings daar in oorvloed, maar, helaas, bloedweinig ontroering. Hy het ook heelwat kritiek teen die programsamestelling gehad. Anders as die soortgelyke fees in Utrecht waar mense na willekeur kan kom en gaan tydens ‘n bepaalde item, was dit anders gesteld in Brugge waar die gehoor moes sit en wag tot die einde van ‘n bepaalde item alvorens hulle na ‘n volgende lokaal (en item) kon beweeg: “Dat heeft voor- en nadelen. Het voordeel is dat je niet om de haverklap wordt afgeleid door bezoekers die halverwege een gedicht besluiten de zaal te verlaten en over je benen stappend op zoek gaan naar ander en beter. Het biedt ook voordelen voor de dichter zelf. Hij of zij wordt niet ontmoedigd als tijdens de voordracht de zaal halfleeg loopt omdat er net op dat moment, ergens anders in het gebouw, iets aanvangt dat meer kans maakt een hoogtepunt te worden en waarvan het missen jammer zou zijn. Nadeel is dat je een deel van het programma noodgedwongen aan je voorbij moet laten gaan.”

Vir jou leesplesier haal ek enkele kommentare uit Goudeseune se stuk oor bepaalde digters se optrede aan: ” … de jonge, bevallige, frêle Lieke Marsman met werk, (hoe kan het anders aan die leeftijd?), vol jongemeidensentiment. Remco Campert met het onvermijdelijke ‘Poëzie is een daad van bevestiging’. Bij Stefan Hertmans kon ik me niet van de indruk ontdoen dat hij zich ter bühne onderhand zozeer op zijn gemak voelt waardoor het zijn voordracht aan spankracht ontbreekt. De geestige Tjitske Jansen. De eveneens jonge Maud Verhauweart bracht een hommagegedicht aan Leonard Nolens waarop naar mijn gevoel weinig zegen rust, maar scoorde eerder met een gedicht waarin nogal onvergetelijk vergeten wordt.”

En dan ook nog die bekroonde Bruggse digter Delphine Lecompte, iemand wat gereeld met groot entoesiasme en waardering bydraes stuur vir hierdie webblad: “Delphine Lecompte verdween haast helemaal achter het katheder, wat jammer was, maar kreeg niettemin de lachers op haar hand met haar onnavolgbare humor en absurdistisch scharnierende gedichten vol weltschmerz.”

Vir Goudeseune was die hoogtepunt vir hom beslis Paul Demets se optrede: “Ontroerend, naar mijn gevoel, was alleen Paul Demets met enkele gedichten over zijn dochtertje uit de bekroonde bundel ‘De bloedplek‘. Daar voelde je waar het zo’n avond eigenlijk om te doen zou moeten zijn. Poëzie tot zijn essentie gebracht, ver weg van gratuite theatraliteit, van voorleestrucjes waarzonder bijvoorbeeld de poëzie van Paul Bogaert, die bepaalde regels fluisterde, helemaal in de mist zou verdwijnen.”

Hieronder volg Demets se gedig ‘Zonnehemel‘ wat vroeër vanjaar deur die publiek aangewys is as hul gunstelinggedig verlede jaar. Dié gedig het verskyn in die bundel De bloedplek wat eweneens met die Herman de Coninck-prys bekroon is vir die beste bundel van die voorafgaande jaar.

 

Zonnehemel

 

Geronnen over mij en buitenshuis mij

ingespannen, bloedgeile zon die nodig moet.

De man de vrouw en het tonggruis dat ons

verstommen doet. Bij het zwembad zoekt

 

een rug afkoeling. Dat blauw moet jou

te binnen zijn gevallen; je armen tillen

het oppervlak. Het water een krater

onder de gloed. Ik zie jouw buiging

 

over de rand. Ongemoeid zoek je

waar de handdoek is gelaten. Op

rafelende huid likken de doornen van het licht.

Loom druipt het fruit, de hitte veegt

 

de vloer met ons aan. Jouw schouder,

jouw oog, dat donkeren van een watervlek

op tafel. Mijn hand, maar iets dat me

weerhoudt. Er is een stralen

 

dat tussen ons in gaat staan.

 

© Paul Demets (Uit: De bloedplek, 2011: De Bezige Bij)

 

 

Yves T’Sjoen. De bloedplek van Paul Demets

Tuesday, January 24th, 2012
Herman de Coninck poëzieprijs

Herman de Coninck poëzieprijs

De literaire prijs met de naam van de dichter en criticus Herman de Coninck (1944-1997) bekroont jaarlijks “de beste oorspronkelijk Nederlandstalige dichtbundel van een Vlaamse dichter”. Vandaag raakte bekend dat de Vlaamse dichter en poëziecriticus Paul Demets de prijs ontvangt voor zijn bundel De bloedplek (2011). (zie: http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/cultuur%2Ben%2Bmedia/kunsten/120124_HDCprijs).

Ruim een decennium geleden is De papegaaienziekte, de veelbesproken debuutbundel van Paul Demets, bij Meulenhoff/Kritak verschenen en het is ook alweer negen jaar dat de bibliofiele sonnettenreeks Vrees voor het bloemstuk in het fonds van Johan Velters éénmansonderneming DRUKsel is opgenomen. Het was al lang uitkijken naar een tweede bundel van de dichter Paul Demets. De afgelopen jaren kon de belangstellende lezer de toonzetting van Demets’ jongste dichtwerk De bloedplek al op diverse plekken beluisteren. Er verschenen versies van gedichten in Het liegend konijn en Revolver. Deze prepublicaties consoneren niet alleen met vroeger werk, er spreekt ook een opmerkelijke thematische continuïteit in Demets’ poëzieproductie. Ik doel dan op een zelfverklaarde fascinatie voor het lichaam en voor menselijke relaties.

De bloedplek (2011)

De bloedplek (2011)

Naar aanleiding van de presentatie van de bundel in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde heb ik enkele verkennende beschouwingen geformuleerd. Ik opteerde ervoor aanzetten voor een paratekstuele lezing te presenteren die de bundel van Demets in het fonds van De Bezige Bij in een specifiek daglicht stellen. Nog voor een lezer toekomt aan de lectuur van een literaire tekst, is er de onvermijdelijke en nimmer neutrale confrontatie met de wijze waarop de auteur, al dan niet in samenspraak met diens redacteur, de tekst in scène heeft gezet. Tot de paratekstuele of semantische indicatoren, of de lezingsturende parafernalia, kunnen de keuze voor een cover, de achterplattekst, opdracht en motto’s, afdelingstitels en titels van gedichten worden gerekend. Ik overloop vanuit die optiek drie aandachtspunten die mijns inziens kunnen bijdragen tot betekenisgeving van De bloedplek. In de recensies die Demets’ bundel de afgelopen maanden in Nederlandse en Vlaamse dag- en weekbladen en in periodieken als Awater zijn te beurt gevallen, is daar nog maar weinig op gewezen.

1.

Wat opvalt bij een eerste aanblik van Demets’ boekuitgave, en dat is niet anders voor andere boeken, is de titel op het omslag. De bloedrood gezette, elkaar rakende kapitalen van ‘De bloedplek’, tegen een witte fond, springen de lezer in het gezicht. Onder het bepaalde lidwoord staan de samenstellende delen van het woord ‘bloedplek’ − afgedrukt zonder afbrekingsteken. De semantische resonantie van de titel wordt daardoor aanzienlijk vergroot. De lay-out van de woorden zorgt ervoor dat grafisch gesproken het middelste deel − ‘bloed’ − alle aandacht krijgt. Alleen al aan de keuze voor de titel en de werking ervan in de semantische ruimte van de bundel kan een betoog worden opgehangen. ‘De bloedplek’ is immers niet alleen een vlek (‘plek’), het al dan niet gestolde restant van het bloeden. Het woord kan ook als een ruimtelijke metafoor worden gelezen. ‘De bloedplek’ is hier een intimistische plek, de locus die zijn anonimiteit is kwijtgespeeld en door een ik zich is toegeëigend. Bekend is het opstel van Herman de Coninck, naamgever van de prijs voor Demets, over spatiële metaforen in gedichten van Rutger Kopland en vooral over diens metaforische exploitatie van ‘de plek’ (zoals in Een lege plek om te blijven). Ik herken een soortgelijke idiosyncratisch ingevulde plek in het werk van Paul Demets. ‘Bloedplek’ is met andere woorden niet alleen een residu van het bloeden, een iteratief die zowel pijn als leven genereert (of symboliseert). Het is een niet inwisselbare en tegelijk – in de ruimte van de bundel – een problematische plek van geborgenheid en bloedverwantschap.

Voor het semantische veld van ‘De bloedplek’ vinden we in de tekst zelf allerlei aanknopingspunten. De titel van de derde afdeling, bijvoorbeeld, is ‘De broedplaats’, op één letter na een ‘bloedplaats’. Ook de afsluitende (vierde) gedichtencyclus − een lang gefragmenteerd gedicht – is getiteld ‘Horst’. In Van Dale staat te lezen dat een horst een “[hoog en ruig] nest van grote vogels [is], m.n. roofvogels”. Dat is “het nest”, met de bedreigende connotatie van roofvogels, zoals de lezer het op pagina 57 van De bloedplek tegenkomt.

De ruimtelijke component in de titel kan naast een verwijzing naar het bloeden én naar de plek die door een specifieke bloedband wordt gemarkeerd, eveneens worden gelezen vanuit een metapoëtisch standpunt. In dat opzicht is de bundel de plek waar ‘het bloed’ (als symbool voor het leven, metonymisch geassocieerd met de bloedsomloop) een eigen uitdrukkingsvorm heeft gevonden.

Doorbladeren we de bundel, na het aanschouwen van de cover, dan vallen de klassiek opgebouwde versstructuren op. Zo is er in de eerste afdeling een overwicht van gedichten die uit drie regelmatig opgebouwde kwatrijnen bestaan, de tweede afdeling omvat vijf sonnetten alsook zeven gedichten die uit vier kwatrijnen bestaan, in sommige gevallen aangevuld met een afgezonderde slotregel. De ‘plek’ wordt m.a.w. ook in formele zin vertaald en kan als dusdanig een door de auteur geconstrueerd particulier oord van geborgenheid zijn. Een oord dat voortdurend door externe omstandigheden wordt ontregeld en voor een gevoel van onbehagen zorgt.

2.

persona pratica

persona pratica

In een paratekstuele lectuur, meestal de aanzet voor een eerste omcirkeling of betekenisgeving van de tekst, zijn niet uitsluitend de keuze en de boekvormelijke uitwerking van de titel van belang. Er zijn ook de motto’s en de opdracht. Paul Demets heeft De bloedplek opgedragen aan “H., F. en J. en ook voor W.”. De initialen kunnen referentieel worden opgevat en verwijzen naar de beginletters van de namen van vrouw en dochters, en de W. naar de poëzieredacteur Wil Hansen, die de dichter Paul Demets al bij Meulenhoff begeleidde. Deze biografisch-anekdotische gegevens bieden allerminst het noodzakelijke referentiekader voor een productieve lezing. De door Demets gepersonaliseerde opdracht beklemtoont hoe dan ook de existentiële laag van de verzamelde gedichten. In een epitekst, in dit geval een e-mail van Paul Demets, is sprake van “de laatste, lange afdeling [die] heel persoonlijk [is] geworden”. De zelfmoord van een dierbare vriend, de moeizame geboorte en “de moeilijke eerste levensjaren” van een dochter leveren de pijnlijke humus voor een dichtwerk dat dieper snijdt en verder reikt dan de tragische realia die eraan ten grondslag liggen. Door de bundel op te dragen en de opdracht met persoonsverwijzingen als paratekst te presenteren, krijgt de metaforische zegging tegelijk een particuliere (autobiografische) lading. Persoonlijke anekdotiek en meer abstracte symboliek werken op elkaar in. Ze verlenen de tekst een bijzondere spankracht.

3.

Wat wellicht revelerender is voor een betekenisgeving van de tekst, is de beredeneerde keuze voor enkele motto’s. De vier afdelingen worden voorafgegaan door een citaat. Het opmerkelijke van de citaten uit Dostojevski’s De dubbelganger, de excerpten uit Liquid Times en Liquid Love van de Poolse socioloog Zygmunt Bauman én het fragment uit Lacans Écrits is dat ze voortdurend resoneren in Demets’ gedichten. In de openingsafdeling ‘Perimeter’ wordt letterlijk, naar de lexicale betekenis van het woord, gepeild naar “de uitgestrektheid van het gezichtsveld” van het sprekend subject: de hij-persona wordt geregistreerd als een spiegelbeeld van het ik. Ik noteerde tijdens mijn lectuur enkele regels: “We zijn/hem niet, maar kennen hem” (p.8), “de man die wij/niet zijn. Die zich voordoet”, “Elders, in een ander lichaam, denken we hem” (p.10), “Hij prent zich ons in” (p.12). Identiteit en lichamelijkheid, de relatie tussen ik en hij, zijn zoals gezegd motieven in de poëzie van Paul Demets. Ik en hij kunnen in de aangehaalde regels als een dubieuze dubbelganger worden opgevat. Paul Demets stuurde mijn lectuur met de uitspraak in een privécorrespondentie (die ik met zijn toestemming mag prijsgeven): “De bloedplek is een zoektocht naar authentieke plekken, in een wereld waarin we aangeraden worden om zoveel mogelijk de façade te verzorgen, letterlijk zelfs, in wellness- en fitnesscentra en winkelparadijzen. Ik beschrijf de excessen daarvan: hoe dit op maatschappelijk en op persoonlijk vlak − in een relatie − voor spanningen kan zorgen. Hoe we een dubbelganger van onszelf scheppen, een soort ideaalbeeld dat ons leven op den duur lijkt over te nemen. En dat is niet minder dan bedreigend”. De “excessen” zijn de roofvogels van de horst.

Een soortgelijk verhaal kan worden geconstrueerd over de cycli die een motto van de Pool Zygmunt Bauman kregen. In ‘Lounge’ is dat een regel uit Liquid Times − naast de ruimtelijke beelden (de plek, het nest, de kamer, de broedplaats) is er ook een opvallende aanwezigheid van temporele metaforen (de rekbaarheid van de tijd – deze notie komt overigens in allerlei variaties voor). In deze tweede afdeling, met de regel uit Liquid Times, wordt de welness- en fitness-mode als uitgangspunt genomen. Het motto luidt: “changing yourself as often as you can manage it”. Met humor en sarcasme, met oog voor absurditeit en tegelijk “een alles doordringende tristesse”, wordt in deze reeks een ontluisterend beeld opgehangen van het oppervlakkige façade-denken. Alles wat met ‘Bio’, ‘Dresscode’, ‘Bodymass’ en ‘Snit’ wordt aangeduid, verhult een authentieke plek. Deze locaties zijn in Demets’ poëtische universum de fake plaatsen waar het particuliere ik altijd weer verdwijnt. Indien alles uiterlijke schijn is, of een locus van wat Erwin Mortier in zijn recensie in De Morgen een “onbestemd onbehagen” noemt, wordt het fundament van de existentie aangetast en dreigen de relaties tussen individuen grondig verstoord te raken.

Uit een ander bericht van Paul Demets heb ik, met zijn permissie, nog deze auteursintentionele uitspraak over intertekstualiteit in De bloedplek genoteerd: “Mijn voorliefde voor regisseur Roy Andersson, de regisseur van Songs from the second floor en You, the living, heeft ook zijn stempel op deze bundel gedrukt, denk ik: hoe hij ons, toeschouwers, als het ware van over de dood heen naar de werkelijkheid laat kijken. Heel fascinerend”. Het kijken en registeren is een belangrijk motief in de bundel. Demets gewaagt zelf in zijn metadiscours over “de dissecterende blik van iemand die toekijkt”, zoals in de films van de Zweedse regisseur Roy Andersson. De regel op pagina 33 is typerend voor de houding van de ik-verteller: “Het is toch altijd anders, in het echt”. Het is trouwens Zygmunt Bauman die het concept van de “vloeibare samenleving” introduceerde. Daarover wist de dichter dit nog te melden: “de condities van de eenentwintigste eeuw veranderen zo snel, dat de mens er niet meer in slaagt om ze te consolideren in gewoontes en routines”. Het is de maatschappij zelf, met haar hypocriete façade-denken en depersonalisering (of artificiële duplicering) van het ik, die de serial killers Anders Behring Breiviks en Ronald Janssens creëren.

Tijdens mijn lectuur zijn de twee volgende afdelingen van De bloedplek het meest aan de ribben blijven plakken. De derde afdeling begint met een citaat uit Baumans Liquid Love, de afsluitende cyclus met “ça parle” van Jacques Lacan. Indien we de existentiële dimensie van De bloedplek in overweging willen nemen, dan kan de ‘plek’ uit de titel ook als volgt worden gelezen. De plek is niet alleen een vlek of een oord van geborgenheid. Ze is eveneens een broeihaard van ziekte en pijn, waar de ‘wij’ en de ‘jij’-figuur uit elkaar worden getrokken. Volgens Erwin Mortier gaat het over “heikele plekken van onze vloeibare dagen met hun onbestemde onbehagen”. De ‘broedplaats’ kan tegelijk worden gelezen als een beeld voor de baarmoeder, en na een problematische zwangerschap en een moeizame bevalling misschien ook voor de artificiële couveuze die het jonge leven levensvatbaar moet houden. Het zou te ver leiden op die ruimtemetaforiek dieper in te gaan.

De slotregels van de bundel luiden als volgt: “Het kwam,//het komt terug. Het brengt ons dagelijks voort”. Wat daar staat, is een adagium. ‘Het’, of bij de psychoanalyticus Lacan het sprekende “ça”, of nog anders: het niet nader benoemde dat in het slotgedicht en bij uitbreiding in de slotcyclus ‘Horst’ wordt benaderd, zorgt voor voortgang. ‘Het’ is mogelijk een verwijzing naar de spanning die het bestaan steeds verder voortdrijft. ‘Het’ is mogelijk de levensdrang die ‘ons’ (namelijk jij en ik) “dagelijks voort(brengt)”. Dat ‘ons’ bestaat bij de gratie van de wil, de drang, de spanning. Het zijn wat mij betreft deze existentiële aspecten, naar analogie met het levensnoodzakelijke pompen van het hart en de cyclus van de bloedsomloop, die het leven en meer specifiek de poëzie leefbaar maken.

De slotzinnen van mijn introductie waren de volgende: ik mag u graag uitnodigen tot een bezoek aan De bloedplek van Paul Demets. Het is een plek die tot de meest intimistische plaatsen van het mens-zijn kunnen worden gerekend. Waar we nog een individu kunnen ontmoeten.

Paul Demets, De bloedplek. De Bezige Bij, Amsterdam, 2011, 61 p.

Luuk Gruwez. Tussen broedplaats en bloedplek

Monday, January 9th, 2012

DE SIRENE   In deze rubriek bespreekt Luuk Gruwez elke maand de dichtbundel die het meest zijn aandacht heeft getrokken. Zijn recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Tussen broedplaats en bloedplek

Luuk Gruwez

Paul Demets (foto: Kristien Buyse)

Paul Demets (foto: Kristien Buyse)

Een klein decennium geleden is het dat Paul Demets, gerenommeerd recensent bij onder meer De Morgen en Cobra.be, ook als dichter nog iets van zich heeft laten horen. Hij deed dit toen met de bundel ‘Vrees voor het bloemstuk’, die zoals gebruikelijk bij een bibliofiele editie minder aandacht kreeg dan ‘De papegaaienziekte’, zijn debuut van enkele jaren daarvoor. Nu ligt hier eindelijk een opvolger: ‘De bloedplek’. Die titel staat een meervoudige duiding toe. Hij verwijst uiteraard naar leven, meer specifiek naar het menselijk lichaam als een soort huis van vlees waardoor bloedbanen lopen. Maar tegelijk, kun je stellen, refereert hij meer specifiek aan wat daarin gehavend is, aan de plek van een bloeduitstorting, aan bloedverlies of bloedvergieten, bijvoorbeeld. Het is zeer de vraag of hier niet in even grote mate naar de dood als naar het leven wordt verwezen. De bloedplek, is dat niet ook een naam die je zou kunnen bedenken voor een slachtpartij of op zijn minst, bijvoorbeeld, voor een plek waar iemand gewond is geraakt? De gedichten die voor ons liggen en die ondanks hun woelige toon veelal keurig gekleed gaan in een maatpak van kwatrijnen, zijn verspreid over vier afgelijnde cycli die al deze interpretaties ruimhartig toestaan.

Bovendien genereert het woord ‘bloedplek’ vanwege de assonantie ook een associatie met ‘broedplek’. En dat brengt ons inderdaad bij de essentie van deze bundel: de broedplek, een plek waar geboren wordt, blijkt in hoge mate een bloedplek te zijn, een plek die het einde in zich draagt. Heel opvallend wordt dit in de laatste, allicht meest dramatische cyclus van de bundel waarin de hoofdrolspeler telkens weer met ‘het’ wordt aangeduid. Wat is ‘het’? Wat heeft dat zo frequent voorkomend persoonlijk voornaamwoord hier te betekenen? ‘Het’: dat is voor mij in de allereerste plaats de lichamelijke incarnatie van de dreiging. En vooral iets dat zelf ongrijpbaar is, maar je voortdurend in zijn greep houdt. Het gaat, geloof ik, om een verwikkeling in de zwangerschap die er verantwoordelijk voor is dat een kind in de moederschoot, waarvan je normaal gesproken zou denken dat het iets als blijde verwachting oproept, gelijktijdig paniek zaait en uiteraard buiten zijn wil om terreur uitoefent. ‘Het’: dat is een kind dat in totale disharmonie met zijn moeder op zijn geboorte wacht, een wezen dat nog niet ‘ik’ kan zeggen en het precies daardoor – vanwege zijn ongedefinieerdheid – zo angstwekkend voor het zeggen heeft. ‘Het’: dat is een soort geliefd en tegelijk verafschuwd ding dat zijn wetten oplegt aan diegenen die het nochtans alleen uit liefde hebben gemaakt.

Wanneer kan iemand ‘ik’ zeggen? Deze kwestie kaart Demets ons al vanaf de eerste cyclus  aan. Hier geen ‘het’ dat het hoge woord voert, maar een ‘hij’. Voor de omschrijving van diens identiteit wordt zelfs een soort dubbelganger ingeschakeld als levend bewijsstuk van het feit dat niemand zich los van zijn sociale omgeving op rechtmatige wijze ‘ik’ kan noemen. ‘We zijn / hem niet, maar kennen hem. Alleen zijn naam ontbreekt (…),’ schrijft Demets. En verder: ‘Een lichaam sjouwen, in andermans schoenen staan, / tassen zwaar. Het schudt ons duchtig door elkaar.’ De dichter laat zijn personage enigszins getormenteerd flaneren in een wereld die alle sporen vertoont van onze westerse habitat en zijn nood aan onmiddellijke bevrediging. Het decor is er een van supermarkten, kapsalons, fitnesscentra en wat dies meer zij.

Paul Demets schrijft gedichten over kamers in de hoop die vervolgens te kunnen stapelen tot een soort toverslot waarop de tijd geen vat meer krijgt. Plekken zijn overigens uiterst betekenisvol in zijn poëzie. Titels van gedichten en van cycli versterken die indruk. ‘Horst’, ‘perimeter’, ‘bloedplek’, ‘lounge’, ‘doka’, ‘huls’: het zijn maar enkele termen die op plaatsbegrenzing wijzen. Zij helpen de dichter tot een definitie te komen van het personage dat hij opvoert, dat misschien zijn alter ego is en blootgesteld is aan wat in de Griekse tragedie ‘sparagmos’ heet: de fase waarin de held ervaart hoe zijn persoonlijkheid desintegreert. Het is maar een kleine stap van ‘hij’ naar ‘ik’. Elk ‘hij’ is een ‘ik’ en iedereen is in zekere zin iedereens dubbelganger. Soms misschien zelfs de dubbelganger van zichzelf. (Maar uitgerekend de supermarkt of een andere gedepersonaliseerde plek van dat genre, waar iedere consument verwisselbaar lijkt, is dit wel in extreme mate.) De vraag die Demets zich stelt, klinkt in een motto uit ‘De dubbelganger’ van Dostojevski als volgt: ‘Nu, hij is net zo iemand als jij (…) Nou, wat is daar voor ergs aan?’ Niets allicht, behalve dat elk persoonlijk leed ook wereldleed is. Vandaar dat er zoveel fluïdum heerst in de poëzie van Demets. En daarmee bedoel ik niet enkel bloed: alles vloeit, op welke manier dan ook, in alles over. ‘Ginds is hier,’ lezen wij ergens. De dichter dreigt in al dat fluïdum te verdrinken, maar het is ook de brandstof van zijn leven. Hij weet dat elke geboorte ongeneeslijkheid impliceert, maar spreekt in zijn slotgedicht toch enige lenteachtige hoop uit: ‘Het kwam, / het komt terug. Het brengt ons dagelijks voort.’

Dit zijn gedichten over het lijf. Soms lijkt het of zij er een putsch op willen plegen, er de plaats van willen innemen omdat het zelf niet sterk genoeg is om zich te redden. Op andere momenten lijken zij zich er uit zelfbehoud van te willen distantiëren. Maar doorgaans vindt er een duel plaats tussen hen en wat het lichaam zoal bedreigt. Ook gaan zij – dat is het andere belangrijke thema – tekeer tegen de onmogelijkheid om voor jezelf een definitie van je identiteit te formuleren als je niet eens weet waar die van de ene begint en die van de andere eindigt. Zoveel is zeker: elke identiteit is er een in functie van een context.

Er is een donkere kamer in het leven van Paul Demets. Het gaat hem zowel om een concrete locatie als om een metafoor. Daar is het dat het belangrijkste gevecht zich afspeelt en waar de vraag wordt gesteld of uit de duisternis ooit licht zal ontstaan. Het is de context van een bedreigd bestaan die deze dichter ertoe dwingt te voorkomen dat wie hem lief is zichzelf kwijtraakt en verwordt tot een ding dat je met niets anders meer kunt aanduiden dan met het het onpersoonlijk voornaamwoord ‘het’. Met inzet van al zijn dichterlijke troeven moet hij de geschiedenis van het lichaam neer zien te schrijven. Gelukkig heeft hij er daar niet weinig van.

 

Doka

Het zand in je navel, een ijsje in je hand.

Smelt het, dan zand erover. Strand vlakt uit.

Je noemt de wind een val, blaast hem aan

bovenhuids. Uit de zee doemt mist die jou

 

inkuilt in een glazen kist. IJsbloem in de zomer.

Doorzichtig bijna achter een raam met leeftocht staan.

Het licht te doorwaden met een lens. Tintelingen

in een figuur. Slaap je uit, schrik ik

 

van water, verzonken in een opgelicht donker.

Zo kom je in beeld. Daarbinnen ga ik in jouw

zwijgen op. Je ligt glashard in je huid.

Wat nu aan het zicht benomen is, ruist

 

achter een gordijn. Is een hand die zich opent,

sluit in die van mij. Een hand die afdrukt.

 

Dat het uitlekt mijn hand te zijn.

 

 

                          Paul Demets

 

 

__________________________

PAUL DEMETS

De bloedplek

De Bezige Bij, 64 blz., 16,50 euro

 

AANTAL STERREN:

****