Posts Tagged ‘Paul Snoek’

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (10) Paul Snoek en Maurice Gilliams (deel 2)

Thursday, August 5th, 2010

Paul Snoek en Maurice Gilliams

Zielsverwantschap of zelfprofilering van een ouder wordend dichter (deel 2)

 

Eenmondig gedicht

 

Gedronken uit besneeuwde glazen,

koel is de wijn van de vriendschap.

Aan onze lippen morrelt wel de dorst

maar de dood deinst terug in een rolsteen.

 

Zoals de zee eens zeewaarts zal verdwijnen,

zo nemen onze monden hun woorden terug.

In het rijk van de droogte, ik kalfater het water

en in het duister ik betover de klaarte.

Al mijn zwarte woorden heb ik kwijtgeschreven.

 

Er liggen nog veel sterren in je bed.

Hun lichtjaren flikkeren onophoudelijk,

als de bevroren lampen uit de verte. Slaap,

als bij nacht. Als je droomt ben je veilig.

 

Paul SnoekIn 1978 heeft in de poëzie van Paul Snoek (1933-1981) de waterwereld, met het water als symbool voor de vruchtbaarheid en het oerbegin waaraan de mens (en de kunstenaar) zich laaft, plaats geruimd voor de onderwereld. Talrijk zijn de metaforen die we kunnen verbinden met nacht en koude. Het lyrisch subject is een eenzaat die de bewoonde wereld achter zich laat en zich vermeit in een besloten droomwereld. Snoeks ‘onderwereld’ heeft niet alleen negatieve connotaties. Immers, ‘[a]l mijn zwarte woorden heb ik kwijtgeschreven”, met wellicht een allusie op  Zwarte Muze, en “[e]r liggen nog veel sterren in je bed”. De illusie, zo niet het profetisch idealisme, van de bouwer van een luchtkasteel mag dan wel opgeborgen zijn, hij vindt uiteindelijk soelaas in zijn eigen fantasiewereld. In interviews heeft de schrijver de poëzie in Welkom in mijn onderwereld, in het licht van privéproblemen en zakelijke rampspoed, een therapeutische functie toegeschreven. Relevanter voor deze casus is de ambivalentie die de gedichten bepaalt. Het lyrisch ik vindt rust in de poëzie die tegelijk een bron van vereenzaming is.

Na de poëticale escapade van de Gedrichten, met een perspectief dat sardonisch op de buitenwereld en de actualiteit was gericht, keert de blik zich weer naar binnen. Het ik sluit zich af van de wereld om zich heen. Deze autistische reflex leidt tot een dichterlijke exploratie van het innerlijke gemoedsleven. De verkenning geschiedt op een sobere, althans minder exuberante wijze dan in vroeger werk. Precies in die combinatie van zelfanalyse en een gepolijst taalgebruik, maar evenzeer in het geloof in de helende kracht van het woord en het verlangen naar een autonome taalwereld, kunnen we een verbintenis ontwaren met de literaire persoonlijkheid van Maurice Gilliams (1900-1982). Maurice Gilliams

In de periode van de publicatie van ‘Eenmondig gedicht’ in Dietsche Warande en Belfort (zomer 1977) heeft de Vlaamse criticus Paul de Vree gewezen op de plaats van Maurice Gilliams in de literaire genealogie van Snoek. In zijn monografie van Snoek wees hij, nogal enigmatisch, op het gemeenschappelijke streven naar “de wrede eenheid van gedachten”.  Wellicht alludeerde De Vree op de zelfinkeer en het terugplooien op een eigen verbeeldingswereld. Of we “[e]enmondig” in de titel vanuit het perspectief van de zelfverklaarde literaire verwantschap kunnen duiden – het gedicht dat een expressievorm is van het diepste van de ziel van beide dichters – is misschien ver gezocht. In ieder geval kan de formulering als romantiserend worden gelezen. Toch valt in het gedicht de verschuiving van het vertelperspectief op. In de eerste strofe, tot halverwege de tweede strofe, wordt de eerste persoon meervoud gebruikt (in casu het bezittelijk voornaamwoord “onze”). In de slotstrofe wordt dan een je-figuur geïntroduceerd. Mogelijk is de apostrof (‘je’) gericht op de schrijver aan wie het gedicht ad hominem is opgedragen, en niet zozeer aan de lezer (zoals in andere gedichten van Snoek).  Verder valt de verwijzing naar “de vriendschap” op. Beider afkeer van de werkelijkheid buiten het gedicht is de dominante in Snoeks verwoorde gevoel van verwantschap. De vriendschap wordt echter “[g]edronken uit besneeuwde glazen” en “de wijn van de vriendschap” wordt nadrukkelijk “[k]oel” genoemd. De gelijkgestemdheid, de basis van de (literaire) verbondenheid, is gegrondvest op gevoelens van wanhoop, eenzaamheid en verbittering. Beiden ontvluchten de realiteit om in hun taaluniversum een eigen wereld te creëren. De onoverbrugbare kloof tussen werkelijkheid en verbeelding was eerder ook al een existentieel thema in Gilliams’ klassieke roman Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936/1943). In hoeverre Snoek teksten van Gilliams heeft gelezen, heb ik niet kunnen achterhalen. Paul de Vree formuleerde Snoeks aanhankelijkheid aan de onderwereld/droomwereld (met een verwijzing naar Gilliams’ Oefentocht in het luchtledige) als volgt:

“[Snoek] beleeft zijn scheppend vermogen, dat tevens een zelfschepping is, dermate dat hij in het volledig luchtledige vertoeft, de droom, waar geen bedreiging meer bestaat en het wonder der schoonheid gebeurt. Dit droomleven gaat Snoek in een roes nu zover opdrijven, dat hij zijn verlangens, voorstellingen en verwachtingen voor werkelijkheid neemt.”

Schrijven kan inderdaad worden opgevat als een obsessief zoeken naar de noodzakelijke en enige expressievorm die tot dieper inzicht (in het zelf) leidt. In dat opzicht is er onmiskenbaar een thematische liaison tussen bijvoorbeeld Gilliams’ gedicht ‘Tristitia Ante’ (uit Het verleden van Columbus, 1933) – met de slotregels ‘Er is niets dan hevig wit/In mij, en ik raak dat licht niet kwijt;/En er is niets zo smal en nauw/Als het eigen lijf” – en Welkom in mijn onderwereld. Beide dichters bedienen zich van een traditionele compositiemethode (met strofen die – min of meer − kwatrijnen zijn) en een klassieke beeldentaal. Snoek heeft met Ik heb vannacht de liefde uitgevonden en Welkom in mijn onderwereld definitief en zelfbewust het formele experiment en het barokke taalgebruik achter zich gelaten. De keuze voor een neoklassieke vorm en een weinig opzienbarende metaforiek (dit zijn de ‘minder esthetiserende beelden’) kunnen worden beschouwd als indicaties van een terugkeer naar de literaire traditie. In zoverre we Gilliams als onderdeel van deze traditie kunnen zien. De existentiële thematiek, de berusting en het zoeken naar geborgenheid, vinden we ook in de roman Winter te Antwerpen (1953) van Gilliams. Een karakteristiek fragment zou het volgende kunnen zijn, helemaal aan het eind van de roman:

“Ik doe mijn best om in die wetenschap te berusten. Want in het middelpunt van mijn herinneringen en belijdenissen sta en besta ik eenzaam zelf. Op die plaats zal ik spijts alle liefde leven en geheel opbranden, tot er geen spoor meer van asse overblijft. Met beide handen hield ik de ijzeren brugleuning omklemd. De vijver lag toegevroren; geen vloeibaar iets viel er in de verte of dichtbij te bespeuren. Levende wezens werd ik nergens gewaar. Het haar begint te vergrijzen aan mijn slapen.”

Opmerkelijk zijn de beeldovereenkomsten tussen Welkom in mijn onderwereld en dit citaat. De woorden ‘koud’, ‘besneeuwd’, ‘ijs’, ‘winter’ en ‘dichtgevroren’ komen in Snoeks bundel voortdurend terug. De afdelingstitel luidt overigens ‘Overwintering in de verkeerde iglo’. De metaforen worden verbonden met gevoelens van onbehagen en vereenzaming. In de ‘iglo’ heeft het ik zich teruggetrokken, in een koude onderwereld (het betreft een “verkeerde iglo”, en dus niet de iglo zoals die door Eskimo’s wordt aangewend), maar hij ervaart in die besloten ervarings- en verbeeldingswereld toch geborgenheid. In het verlengde hiervan kan ook op de ambivalentie van andere tekstelementen worden gewezen. De slaap refereert aan de dood, zoals in de bijbels gerelateerde regel “de dood deinst terug in een rolsteen”. In dat licht kan “Zoals de zee eens zeewaarts zal verdwijnen” als een beeld voor het stervensproces worden gelezen, met een intratekstuele verwijzing naar de openingscyclus ‘Zeewaarts gezegd’ van de euforische bundel Hercules, en “het rijk van de droogte” is dan een metafoor voor het dodenrijk. Het water, als vruchtbaarheidssymbool, is hier opgedroogd. Tegelijk is de slaap een beeld voor de droom en vor de geborgenheid biedende verbeeldingswereld. De slotstrofe is vanuit die betekenislaag gezien zelfs expliciet: ‘Slaap,/Als bij nacht. Als je droomt ben je veilig”. Bij de dood kan een mens zich finaal veilig voelen, zonder angst, zonder verbittering of wanhoop.

Paul SnoekDat Snoek grossiert in antropomorfe natuurbeelden en suggestieve woordcombinaties, met tal van betekenissen beladen, is bekend. In ‘Eenmondig gedicht’ is dat niet anders. Het water is opgedroogd in een vriestoestand. Dat betekent dat het nog steeds aanwezig is, weliswaar in een vaste vorm. Er is sprake van ‘besneeuwde glazen’, ‘koele wijn’ en ‘bevroren lampen’ (zelfs het licht is kil en wit). De vitale waterwereld, op te vatten als het scheppend vermogen van de dichter, is een “onderwereld” geworden. Wat eerst als levenschenkende oermaterie, als een van de natuurelementen, is opgevoerd, heeft in de laatste bundel die tijdens Snoeks leven is verschenen een vaste vorm aangenomen. Het ik zit gevangen, in zichzelf besloten, in het eigen ik geconsolideerd. Hij is niet langer wendbaar, in tegenstelling tot het water dat de vorm aanneemt van wat het omgeeft. Water wordt in Snoeks poëzie overigens niet alleen voorzien van een existentiële betekenislaag. Het refereert in het vermelde drieluik ook als beeld voor de erotische liefde. Zelfs de relatie met de vrouw lijkt hier versteend. De dynamiek (van de schepping, van de passie) heeft plaats geruimd voor een statische toestand. Alleen veronderstelt die gewijzigde zijnstoestand geen levensmoeheid of alleen maar neerslachtigheid. Een beeld voor het statische in Welkom in mijn onderwereld, en dus een antipode van het water, is de steen. Het ik heeft zich afgesloten van de wereld in een onbeweeglijk universum. De rolsteen is – met de vermelde bijbelse referentie – de ronde steen waarmee Christus’ graf is afgesloten. Isolement en verlatenheid, maar dus ook de dood, zijn bepalende elementen van Snoeks ‘Eenmondig gedicht’. Zoals voor alle opgelijste metaforen kunnen we ook in het beeld van de rolsteen dezelfde ambivalentie ontwaren. Rolsteen is een zeldzaam soort edelsteen: zijn “lichtjaren flikkeren onophoudelijk”. De steen staat vanuit dit opzicht niet enkel symbool voor dood of beslotenheid (ik verwijs naar de kei-metaforiek van Gilliams), maar dus evenzeer voor schoonheid (eventueel voor de poëzie) waarin het ik zich schuilhoudt. Het ik bestaat in taal, in zijn gedichten, en ziet aldus een kans om de dood te tarten. “Slaap”. “Als je droomt ben je veilig.”

Enkele jaren na het overlijden van Paul Snoek publiceerde Willem M. Roggeman in de bundel Een leegte die verdwijnt (1985) ‘Het vertraagde verdriet’. Het gedicht is opgedragen aan Paul Snoek. Een vluchtige verkenning leverde nog enkele analoge opdrachtgedichten op: hommagegedichten die gericht zijn tot of opgedragen aan de overleden schrijver. Telkens weer fungeren de poëzie en de literaire persoonlijkheid van de adressaat, of althans het beeld van Snoek dat de schrijver van het gedicht naar voren schuift, op een andere manier. Bij uitbreiding kunnen alle gelegenheidsgedichten, waarin al dan niet met behulp van de apostrof de collega-schrijver wordt toegesproken (“aan” of “voor” een dichter), in een vergelijkend onderzoek worden betrokken. Snoek bracht in zijn verzamelde poëzie een betekenisvolle tribute aan het adres van Gilliams, zoals ook zijn eigen literaire werk of persoonlijkheid weer door dichters van een volgende generatie is gememoreerd. De lijnen die op die manier kunnen worden gereconstrueerd en generaties, dichterlijke oeuvre en individuen met elkaar verbinden, werpen weer een ander licht op de poëziegeschiedenis.

Portret Gilliams

Portret Gilliams

De keuze voor een opdracht aan Maurice Gilliams, als peritekst bij ‘Eenmondig gedicht’, doet haast vanzelf speuren naar poëticale, thematische, formele en andere verwantschappen. In elk geval stuurt Snoeks paratekstueel element de lezersblik. Het is vervolgens raden naar het effect van deze auteursintentionele handeling. Aandacht voor de thematiek en vormkenmerken van Gilliams’ ‘versteende’ en eindeloos ‘gepolijste’ literaire werk kan een licht werpen op de concieze en precieuze constructie van Snoeks ‘onderwereld’. Een mogelijke interpretatie van de peritekstuele boodschap is dat de onderwerelddichter een zielsverwant heeft gevonden tijdens zijn lectuur van Gilliams en die liaison met nadruk voor het lezerspubliek wilde bekend stellen. Snoek, die in interviews maar al te graag uitpakte met zijn artistieke gelijkgestemden, gebruikt de naam van de Antwerpse dichter wellicht ook strategisch. In Maurice Gilliams, zo lijkt hij te willen aangeven, heeft hij zijn gelijke gevonden. Van allerlei (zelf)legtimerende strategieën kan de ouder wordende dichter Snoek niet worden vrijgepleit. Speel ik advocaat van de duivel dan is ‘Eenmondig gedicht’ alleen al op basis van een weinig bescheiden peritekstueel element een gebaar van dichterlijke hybris.   

 

 

Een papieren (en bewerkte) versie van het essay over Snoek en Gilliams is vanaf eind oktober te lezen in de bundel ‘Dingenzoeken in Taka-Tukaland. Periteksten in de moderne Nederlandstalige poëzie’ (Academia Press, Gent).

Literatuur

Herwig Leus, Paul Snoek. Dichters van nu 2. Poëziecentrum, Gent, 1991, p.5-64.

Liesbeth van Melle (ed.), “Die Onvinbare heb ik bij u gezocht, Maurice…”. De briefwisseling tussen Maurice Gilliams en Maurice Roelants. Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2006, p.211.

Anne Marie Musschoot, ‘Paul Snoek’, in Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige auteurs na 1945, Wolters-Noordhoff, Groningen, 1981.

Willem M. Roggeman, ‘Paul Snoek’. In Beroepsgeheim 3, Soethoudt, Antwerpen, 1980, p. – .

Paul Snoek, Gedichten. Y. T’Sjoen en C. Van der Vorst (ed.), Lannoo/Atlas, Tielt/Amsterdam, 2006.

Paul de Vree, Paul Snoek. De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen, 1977.

Paul de Vree

Paul de Vree

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (10) Paul Snoek en Maurice Gilliams

Monday, July 26th, 2010

Paul Snoek en Maurice Gilliams

Zielsverwantschap of zelfprofilering van een ouder wordend dichter (deel 1)

1. Gedichten voor Maurice Gilliams

Willem Elsschots gedichten ‘Van der Lubbe’, opgedragen aan Simon Vestdijk, en het nog meer gecontesteerde ‘Borms’, dat de schrijver eerst van een opdracht aan Louis Paul Boon wilde voorzien, zijn uitvoerig becommentarieerd. Niet alleen de titel van gedichten maar ook de opdrachten, waarin een expliciete naamsvermelding voorkomt, bieden de mogelijkheid van een referentiële inkijk. Zo hebben Leonard Nolens en H.H. ter Balkt elk een gedicht gepubliceerd met de titel ‘Hans Faverey’. Het spreekt voor zich dat de keuze voor een nominale peritekst de blik van de lezer in een poëticale richting stuurt of toch vooral uitnodigt tot een poëticale lezing van de tekst.

Maurice GilliamsIn de Vlaamse poëzie van de vorige eeuw zijn tal van gelegenheidsgedichten verschenen met een opdracht voor Maurice Gilliams (1900-1982). Een verkenningstocht leverde twee categorieën van auteurs op. Bevriende generatiegenoten, zoals Jef de Belder, Gaston Burssens en Maurice Roelants, hebben gedichten geschreven die aan Gilliams zijn opgedragen. Daarnaast zijn er de jongere tijdgenoten die de oudere dichter een eerbetoon brengen of zich wensen te profileren in het eigentijdse poëzielandschap met een opdrachtgedicht. In die laatste groep valt de aanwezigheid van de Antwerpse Pink Poets op. Net als Marnix Gijsen, Karel Jonckheere, Ivo Michiels, Renier van der Velden en Paul de Vree droeg Gilliams de titel van ere-Pink Poet. Medeoprichter van de vereniging Nic van Bruggen, de ‘eerste gouverneur’ Hugues C. Pernath en gewoon lid Paul Snoek hebben in de jaren zeventig, door citaten op te nemen of een opdracht bij eigen teksten, expliciet gerefereerd aan het werk van Gilliams.

J.L. de Belder, uitgever van Colibrant, publiceerde in het Gilliams-nummer van Dietsche Warande en Belfort (1974) het gedicht ‘Meester en dienstknaap’. Gaston Burssens droeg gedicht ‘XXII’ van de bundel Adieu (1958) op aan Gilliams. Maurice Roelants componeerde zelfs twee opdrachtgedichten voor de Antwerpenaar: ‘Grijs in het groen’ (gebundeld in Vuur en dauw, 1965) en het ongepubliceerde ‘Dapper betrouwen’ (Van Melle 2006: 211). Van Hugues Pernath verscheen in diens overlijdensjaar het gedicht ‘Aan Maurice Gilliams’ (1975), met de beginregel “Ook ik dool, als een verdwaald personage” (Pink Editions & Productions, Antwerpen). Nog voor de oprichting van het Pink Poet-genootschap (1972-1982) nam Nic van Bruggen een citaat van Gilliams op in de afdeling ‘Lascivia animi’ van de bundel Een kreet van hoog allooi (De Galge, Brugge/Antwerpen, 1970). Vermeldenswaard is ook de afdeling ‘als liefde in dit nul uur’ van Marleen de Crée in de door Colibrant uitgegeven bundel In between (1978). De gedichtenreeks is opgedragen “aan Maurice Gilliams”. De tweede cyclus in Brieven aan Plinius, in de editie opgenomen in de verzamelbundel Over de brug der aarzelingen. Gedichten 1969-1989 (1990), heeft als motto een fragment uit Gilliams’ eigen beheer-uitgave De flesch in zee (1929). De lijst met Gilliams-opdrachten in de Nederlandstalige poëzie is hier verre van exhaustief. Marleen De Crée

Naast beide groepen, met respectievelijk de vrienden en de jongeren die tijdens Gilliams’ leven een hommagegedicht aan de bij leven gefêteerde bard opdroegen, kunnen met wat verbeeldingskracht nog twee categorieën worden onderscheiden. Er zijn de schrijvers die na de dood van Maurice Gilliams een essay hebben gepubliceerd waarin diens werk centraal staat. Ik denk aan de wijze waarop oudere en jongere dichters en romanciers een eigen beeld hebben naar voren geschoven van Gilliams’ poëzie: J. Bernlef, Geert Buelens, Hubert van Herreweghen, Stefan Hertmans, Mark Insingel, Karel Jonckheere, Ivo Michiels, Erwin Mortier, Charlotte Mutsaers, René Puthaar, Willy Spillebeen, H.C. ten Berge, Paul de Vree, Anton van Wilderode, Paul de Wispelaere… et j’en oublie. Bij mijn verkenning viel daarnaast op dat Nederlandstalige dichters, van wie je zou kunnen verwachten dat zij wel ergens in hun poëtische oeuvre een opdracht voor of een fragment uit het oeuvre van Gilliams hebben opgenomen, heel nadrukkelijk nergens de naam laten vallen: Christine D’haen, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hans ten Berge con suis. Factoren als literaire vadermoord, maskering van eventuele poëticale invloeden en andere kunnen hierbij een rol hebben gespeeld.

Het mag op grond van mijn turven van enkele tientallen dichtbundels duidelijk zijn dat de naam Maurice Gilliams een spoor heeft getrokken door de poëzie van Vlaanderen (en in sommige unieke gevallen ook van Nederland). In de peritekstuele vermelding, zowel in de motto’s als in de opdrachten bij gedichten, schuilt telkens weer een particuliere beeldvorming van of een visie op Gilliams’ werk. Menigvuldig kunnen de beweegredenen zijn die een schrijver ertoe hebben aangezet een referentie aan een collega-dichter bij een eigen tekst op te nemen. Het onderzoek naar de relatie tussen een dergelijk paratekstueel gegeven en het daarop volgende gedicht kan interessante bevindingen opleveren. Ze kunnen van literatuurhistorische aard zijn, zoals in het geval van Elsschot, maar ook poëticaal en institutioneel levert een lezing met inachtneming van de peritekst (titel, opdracht, motto) een specifieke kijk op.

Uit het rijk geschakeerde corpus met gedichten waarin ad hominem een opdracht aan Gilliams voorkomt, selecteerde ik voor deze verkennende beschouwing in twee delen ‘Eenmondig gedicht’ van Paul Snoek.

2. Paul Snoeks gedicht voor Gilliams

Paul SnoekNa het vitalistische poëtische drieluik, met Hercules (1960), Richelieu (1961) en Nostradamus (1963), volgde in de dichterlijke ontwikkeling van Paul Snoek (1933-1981) een fase waarin verbittering en vereenzaming gethematiseerd zijn. Exponent van deze zwart-romantische belijdenisliteratuur is Zwarte Muze (1967). Snoek achtte aan het eind van het decennium de tijd rijp een voorlopig eindpunt te zetten en zich voortaan te richten op verhalend proza en plastisch werk. In 1969 verscheen Gedichten 1954-1968, na Renaissance (1963) de eerste thematische ‘zelfbloemlezing’, drie jaar later gevolgd door Gedichten 1954-1970. In de tussenliggende jaren gaf hij alleen Gedichten voor Maria Magdalena (1971) uit, waarvan zes gedichten al eerder in respectievelijk Richelieu en Zwarte muze zijn gebundeld, alsook twee bundels met satirische Gedrichten (1971).

In de jaren zeventig, nadat eerst enkele “nagelaten gedrichten” bibliofiel zijn uitgegeven in een van zes zeefdrukken voorziene map Frankenstein (1973), heeft Snoek nog één enkele dichtbundel gepubliceerd. De negen gedichten in de bibliofiele uitgave Ik heb vannacht de liefde uitgevonden (1973), verschenen in een oplage van vijftig exemplaren en met drie gouaches van de hand van Snoek, zijn in een gewijzigde compositie opgenomen in Welkom in mijn onderwereld (1978). Anne Marie Musschoot spreekt van een “nieuwe periode” in Snoeks schrijverschap – een nieuw begin en de terugkeer naar de in wezen romantische vroege poëzie, zoals de debuutbundel Archipel (1954) – en Herwig Leus typeerde de bundel als “een van de schrijnendste en ontroerendste lyrische bundels in de moderne Nederlandse literatuur”. Musschoot wijst in haar profielschets op de aanwezigheid van minder esthetiserende beelden, een grotere objectivering en de keuze voor het klassieke vers. Zij bestempelt Welkom in mijn onderwereld als een staal van sobere en verstilde lyriek van een ouder wordend dichter waarin de belijdenis van eenzaamheid en vervreemding een prominente rol krijgt toebedeeld. In het jaar van Snoeks overlijden is alleen nog de bibliofiele bundel De zangen van Lesbos verschenen (met etsen van de belangrijke Belgische kunstenaar Jef van Tuerenhout) en postuum Schildersverdriet (1981, in een tekstuitgave door Paul de Wispelaere).

Snoeks terugkeer naar de literaire traditie en een klassieke prosodie wordt onder meer geëxpliciteerd in de keuze voor de opdracht bij ‘Eenmondig gedicht’. Welkom in mijn onderwereld omvat vier cycli en dit gedicht maakt samen met ‘Winterverhaal’, ‘Gedicht voor de middeleeuwen’, ‘Boomgedicht’, ‘Ik weet het mensen’, ‘Witgedicht’ en ‘Vergedicht uit het noorden’ deel uit van de afsluitende afdeling ‘Overwintering in de verkeerde iglo’. Naast zes andere gedichten is ‘Eenmondig gedicht’ als laatste van de reeks voorgepubliceerd in Dietsche Warande en Belfort (juli-augustus 1977). Uit de gewijzigde compositie van de gedichten in Welkom in mijn onderwereld, oorspronkelijk gepubliceerd in Ik heb vannacht de liefde uitgevonden en in de vermelde aflevering van DW&B, blijkt Snoeks aandacht voor de architectuur van gebundelde poëzie en, zoals in de verzamelbundels na Renaissance, diens behoefte aan een thematische clustering van teksten.  In Welkom in mijn onderwereld hebben twee gedichten een opdracht: ‘Eenmondig gedicht’ (opgedragen aan Maurice Gilliams) en ‘Vergedicht uit het noorden’ (Joost de Wit). Het is geen toeval dat Snoek refereert aan de schrijver van Bronnen der slapeloosheid, de laatste gedichtenreeks die tijdens Gilliams’ leven is verschenen. De negendelige cyclus, met onder meer het klassieke gedicht met de beginregel ‘Wolvin en wolf in ’t winters ledikant’, is autofictionele belijdenispoëzie waarin het ik zich overlevert aan een pijnigende zelfanalyse. Gilliams geldt als een romantisch schrijver die in uitgepuurde (“autonomistische”) en elegisch getoonzette gedichten onderzoek verricht naar de condition humaine van het vereenzaamde individu.

Maurice GilliamsDe opdracht in Snoeks gedicht is een expliciete indicatie, eventueel de (zelflegitimerende) expositie, van een correspondance littéraire. Door de schrijversnaam onder de titel op te nemen, eerst in de prepublicatie en later ook in de bundeluitgave, erkent Snoek de verbintenis met een gezaghebbend auteur die op het eind van zijn leven tot de canon van de Vlaamse poëzie wordt gerekend. Voor ik in een volgend deel van mijn beschouwing betekenis tracht toe te kennen aan de schrijversopdracht, citeer ik ‘Eenmondig gedicht’.

 

Gedronken uit besneeuwde glazen,

koel is de wijn van de vriendschap.

Aan onze lippen morrelt wel de dorst

maar de dood deinst terug in een rolsteen.

 

Zoals de zee eens zeewaarts zal verdwijnen,

zo nemen onze monden hun woorden terug.

In het rijk van de droogte, ik kalfater het water

en in het duister ik betover de klaarte.

Al mijn zwarte woorden heb ik kwijtgeschreven.

 

Er liggen nog veel sterren in je bed.

Hun lichtjaren flikkeren onophoudelijk,

als de bevroren lampen uit de verte. Slaap,

als bij nacht. Als je droomt ben je veilig.

 

Noot: deel 2 komt over enkele dagen online.

Kortlys vir Paul Snoek Poëzieprys bekend

Thursday, March 4th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Die kortlys vir die Paul Snoek Poëzieprys, wat al om die derde jaar toegeken word, is pas bekend gemaak. Die ses genomineerde digters is: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje (Atlas, 2009), Eva Gerlach, Situaties (De Arbeiderspers, 2007), Peter Holvoet-Hanssen, Navagio (Prometheus 2008), Roland Jooris, De contouren van het verstrijken (Querido 2008 – foto), Bart Meuleman, Omdat ik ziek werd (Querido 2008) en Leonard Nolens, Bres (Querido 2007).

Die paneel beoordeelaars bestaan uit Bart Vanegeren, Yves T’Sjoen, Chrétien Breukers en Friedl’ Lesage. Die prys word op 25 April deur die stadsbestuur van Sint-Niklaas aangekondig en die prys geld beloop 4,000 euro.

Vorige wenners van dié gesogte prys is Joost Zwagerman, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Anneke Brassinga en Nachoem Wijnberg.

Wat vir Nuuswekker ‘n besonderse lekkerkry is hieromtrent, is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die pasaangestelde stadsdigter van Antwerp en bydraer tot hierdie webblad, Roland Jooris vanweë Yves T’Sjoen, nog ‘n gereelde medewerker, se bespreking van Jooris nuutste digbundel, Leonard Nolens vanweë my eie ongemak met die man se ego en natuurlik Chrétien Breukers, wat een van De Contrabas se vaste redakteurs is.

Nou ja, toe. Laat daar nie gesê word dat ons jou nie ingelig hou nie. Of hoe? Nietemin, vir jou leesplesier plaas ek vanoggend een van my gunstelingedigte deur Paul Snoek: die vyfde gedeelte van sy reeks Maria Magdalena.

***

Vanoggend is daar twee bydraes tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks, en toevallig is albei vanuit die ander halfrond: Marie-Alice Boshoff vertel van ‘n besonderse kunsprojek by die Poëziecentrum in Gent, terwyl Chris Coolsma vanuit Groningen skryf oor Billy Collins se gedig oor die kunsmuseum in Brooklyn. Ook is daar ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge geplaas.

Lekker lees en geniet die dag wat in jou hand gegee is.

Mooi bly.

LE

Gedichten voor Maria Magdaleen, V

Van je eerste tot je laatste lichaam,
liefste, laat mij al de minnaars zijn.
Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam,
die je speeksel zoekt en drinkt als wijn.

Later de gevreesde die zijn mieren
jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade.
Soms de sterke met verstilde spieren,
hemelsbreed van blijdschap en genade.

Laatst de vader die het zaad zal dragen,
van je vrucht de vruchteloze pijn,
en aan je lichaam zal vragen:
liefste, laat mij de geliefde zijn.

© Paul Snoek (uit:Gedichten voor Maria Magdalena, 1971: Spermalie Uitgewers)