Posts Tagged ‘Peter Holvoet-Hanssen’

Yves T’Sjoen. ‘Het Land van Music-Hall’ en Zuid-Afrikaanse reisgezellen Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen

Thursday, April 6th, 2017

Peter Holvoet-Hanssen

‘Het Land van Music-Hall’ en Zuid-Afrikaanse reisgezellen

Peter Holvoet-Hanssen en de poëtica van het verdwalen

Hoeveel reisigers of dolende ridders

kan vertel van ’n losie

van volstrekt net papier –

hoeveel digters?

Charl-Pierre Naudé, ‘Papierverblyf’, in Al die lieflike dade (2014).

Een speurtocht verloopt langs etappes. Na zijn “eerste, echte” dichtbundel  De reis naar Inframundo (Prometheus, Amsterdam, 2011) – een compilatie van vijf “ontdekkingsreizen naar mijn onderwereld”, dat wil zeggen vijf afzonderlijke publicaties (1998-2008) – onderneemt Peter Holvoet-Hanssen (HH) een nieuwe “exploratie”. De voorbereidingen van de queeste kunnen worden opgespoord in onder meer Miavoye. Op bedevaart naar Paul van Ostaijen, een collectief spoorzoek- en schrijfproject van Koen Broucke, HH, Koen Peeters en Pascal Verbeken (De Bezige Bij, Antwerpen, 2014). De bijdrage ‘Nagestuurde gedichten. In het land van Music-Hall’ presenteert tien “muziekdoosgedichten voor Paul Ampère”. Een van de gedichten is getiteld ‘De weg naar Music-Hall’ en bevat de regel “mijn land is Music-Hall uitklapbaar zonder inwoners”.

Het vers ligt ten grondslag aan een prachtig nieuw project dat de titel kreeg ‘Het Land van Music-Hall’. De tekst van HH is géén essay, zo wordt benadrukt, maar een “schatkaart”. De illustrator Brecht Evens, bekend van graphic novels en strips, heeft de “sporentocht” van HH in het land van de poëzie verbeeld in een “vouwbare” kaart die dezer dagen tentoongesteld wordt in het Letterenhuis (Antwerpen). Naast de kaart is er de hypertekst waarin de auteur als gefascineerd poëzielezer zijn zoektocht vormgeeft (zie http://wereld.paukeslag.be). Tekst wordt verbonden met geluids- en filmopnamen. Samen met de tekening van Evens is dit een multimediaal project dat een onversneden en laaiend pleidooi is voor – in kapitalen – “VERVOERING” en “BELEVENIS” in de poëzie.

Wereld van de Poëzie in kaart

Op Gedichtendag, donderdag 26 januari 2017, presenteerde het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) een nieuw format na het Gedichtendagessay van respectievelijk Paul Bogaert, Charles Ducal, Luuk Gruwez, Jan Lauwereyns en Erik Spinoy (2008-2012). De website van het VFL maakt melding van het “poëziepromotieproject” ‘Wereld van de Poëzie in kaart’ (uitgeverij Polis). Na de essays wordt nu ingezet op “spoortochten”. Telkens worden een “enthousiasmerend” poëzieschrijver, lezer en promotor van gedichten, én een illustrator (“verbeelder”) uitgenodigd hun speuren in de wereldpoëzie “letterlijk en figuurlijk in kaart te brengen”. Op Wereldpoëziedag, 21 maart jongstleden, is het digitale luik van ‘Het Land van Music-Hall’ door HH en Brecht Evens online gekomen op Paukeslag.org. De dag van de release is natuurlijk niet toevallig gekozen.  Sinds de conferentie van de UNESCO in Parijs (1999) geldt 21 maart als World Poetry Day. Doelstelling van Wereldgedichtendag is volgens de website van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur “supporting linguistic diversity through poetic expression and increasing the opportunity for endangered languages to be heard”. Het nieuwe initiatief van het VFL past in dat streefdoel. HH profileert zich als een bedreven poëzieambassadeur die met zijn programma scholen bezoekt, optreedt op vraag van culturele verenigingen en te lande een lans breekt voor de “belevenis” en niet louter de “verstaanbaarheid” van de poëzie.

Intratekstualiteit

Een ander gedicht in de compilatie Miavoye heet ‘Het slempen van de reus’ en wijst vooruit naar de jongste dichtbundel Gedichten voor de kleine reus (Polis, Antwerpen, 2016). Uit de gedichtenreeks blijkt dat HH na de reis naar de onderwereld een “tegenbeweging” inzet. Dat hij daarvoor de conventionele grenzen van de literaire genres met de voeten treedt, merken we al in de “tweeschelpenroman” Zoutkrabber expedities (2014). De tekst wordt volgens de schrijver best opgevat als “twee schelpenhelften: Hollandse én Vlaamse (taal)eigenheden, sober én barok, rauw én magisch”. Dat een reis in etappes verloopt en bijgevolg een continuïteit laat zien, toont alleen al de titel van het boek aan. De schrijver is niet alleen schatplichtig aan de literaire traditie waar hij inherent deel van uitmaakt, hij kan vandaag alleen schrijven na wat hij gisteren heeft geschreven. De bundel waarmee De reis naar Inframundo afsluit, Navagio. Wrakhoutgedichten (2008), bevat in de reeks ‘sneeuwdienst’ een gedicht getiteld ‘Zoutkrabber Expedities’. En de nar Fanastasio in het gelijknamige prozaboek figureert zowel in de dichtbundel Santander (2001) als in “de anti-roman” De vliegende monnik (2004). Deze greep uit het web van intratekstuele verwijzingen laat de verstrengeling van HH’s teksten zien.

Dat geldt ook voor Gedichten voor de kleine reus. De Van Ostaijen-gedichten in Miavoye zijn opgenomen in de derde afdeling ‘Het land van Music-Hall’, een titel die zoals gezegd refereert aan de “sporentocht” die recent voor het voetlicht is gebracht.

Zuid-Afrikaanse reisgezellen

Zuid-Afrika, het Afrikaanse continent en met name Breyten Breytenbach, Charl-Pierre Naudé en Alfred Schaffer spelen een rol in de queeste van de immer zoekende poëzielezer HH. In de zoektocht zelf moet de finaliteit van de “sporentocht” worden gevonden. Enkele reminiscenties aan Afrika zijn de volgende. In Navagio, de bundel van het zinkende schip, verwijst het gedicht ‘Marinero (klaaglied)’ naar de “gruwel van Darfur”. Gedichten in deze bundel zijn in Zuid-Afrika ontkiemd en zelfs geschreven. Als deelnemer aan het project E-POS II van Veerle Rooms en Willem Persoon zijn de gedichten ‘Marinero (klaaglied)’, ‘El Capitán (schipperslied)’ en ‘Een aanval van liefde’ geschreven. ‘Marinero (klaaglied)’ is door Charl-Pierre Naudé en Gabeba Baderoon vertaald naar respectievelijk het Afrikaans en het Engels (gepubliceerd in Revolver [133], 33 (2007), 4 (maart), p. 41-42). Op het einde van deze tekst citeer ik het gedicht ‘Soweto’ dat in Gedichten voor de kleine reus (p. 24) is opgenomen.

In HH’s pleidooi voor “muziekdoosgedichten” – ‘zingzeggende’ poëzie die door melodie en ritme wordt gedreven en aan de historische (schrijf)context ontsnapt – spelen Zuid-Afrikaanse schrijvers een rol. In ‘De sporentocht’, het eerste “hersenspinsel” waarmee Het Land van Music-Hall opent, wijst de “ontdekkingsreiziger” op een uitspraak van Breytenbach waarin de ongebondenheid van het gedicht wordt onderstreept: “We worden gedwongen te leven als drones, op afstand bestuurde mensen. […] Poëzie is zo oud als de mensheid, en zowel haar kracht als machteloosheid zijn altijd tegelijk aanwezig geweest. Het belang van poëzie is dat ze praat over fundamentele menselijke uitdagingen en ervaringen, over de mogelijkheid om nieuwe beelden te zoeken en andere mensen te worden. Daardoor alleen al levert ze kritiek op de dominante consumptiecultuur”. Het interviewfragment dat HH aanhaalt, kan als een motto voor de “sporentocht” dienst doen. De schrijver roept op: “Verleg je grenzen. Zing je lied, ondanks alles”. Op Paukeslag.org, waar de “schatkaart” online te vinden is, zijn foto’s en filmopnames van Breytenbach beschikbaar. Zo ook de verwijzing naar het eredoctoraat dat Breytenbach in december 2014 van mijn Alma Mater in ontvangst mocht nemen.

In het dromenboek van HH, dat lezers wil winnen voor de wereldpoëzie en een beklijvende hoogstpersoonlijke zoektocht is naar “[d]e stem van de bezieling” in de middeleeuwse ballade, het rondeau, bij uitbreiding “muziekdoosgedichten” in de literatuur van de Middeleeuwen tot de eenentwintigste eeuw, figureren ook Afrikaanse liedjes, zoals: “Ek’s ’n dapper muis, / Kyk hoe stap ek deur die huis / En daar’s niks waarvoor ek skrik nie…”, en een dichtfragment van Charl-Pierre Naudé – de reisgenoot die bij E-POS II betrokken was. In de eenentwintigste-eeuwse wereldpoëzie rekent HH de bundel Al die lieflike dade (2014) tot het dichtwerk dat “de verkalkte ruggengraat van de samenleving bloot[legt]”, “de zintuigen op scherp [zet]” en “de tijd bij de kraag [pakt]”: “Je ontdekt de fonkelverzen van de Zuid-Afrikaanse Charl-Pierre Naudé: het alledaags zichtbare wordt bij hem terug mysterieus, het hermetische blijkt een hoelahoepend meisje, het verhevene klopt door vlees en bloed. Zijn jongste bundel Al die lieflike dade legt verbindingen vanuit het land van wijlen Ingrid Jonker, bekend om haar schrijnende muziekdoosgedicht ‘Korreltjie, korreltjie sand’, naar de vele pijnpunten van dit tijdsgewricht. Naudé kijkt van buiten naar binnen, de 21e eeuw in”. Vervolgens worden deze regels geciteerd: “Ek droom oor ’n wêreld / waar die konings nie meer konings is nie/maar muiltjes met koningsgezichten”. In het gedicht ‘Nawoord’ aan het eind van Al die lieflike dade lees ik:

Weldra word alles

(as die geluk sou tref)

ingetrek

in ’n wêreld waar die konings

nie meer konings is nie

maar pakdonkies met koningsgesigte,

[…]

CP Naudé heeft de gedichten ‘Stoptrein’, ‘Pasboekfoto onder kleefplastiek’ en ‘Lof aan die versakers’ bijgedragen aan het project E-POS II.

Tot de dichters die alles “op het spel” zetten, rekent HH ook Alfred Schaffer. In ‘Het Land van Music-Hall’ lees ik: “een eigenzinnig en verrijkend taaluniversum creëren is volgens mij niet langer voldoende, er dient nog meer op het spel te staan. De eigen pols moet worden overgesneden, dieper gravend, kervend, het bloed vermengd met onze voorouders, de hand reikend over de schuttingen binnen en rond de samenleving. Lees de verzen van de in Zuid-Afrika wonende Alfred Schaffer”. Vervolgens leest Alfred Schaffer het gedicht met de openingsregel ‘Er waren landschappen zonder plezier’ van Hans Andreus. Wie het HH’s ‘Land’ betreedt, moet beslist ook de geluidsopnames aanklikken, de tekeningen bekijken, zich kortom overleveren aan de zintuiglijke rijkdom van het multimediale poëzieproject.

“Bevrijd, ontketen wat verborgen zit in de woorden”

De poëzie van Zuid-Afrikaanse schrijvers maakt deel uit van de “poëtische ontketening” waartoe HH oproept. Hun gedichten behoren tot de wereldpoëzie, met de term van Goethe de “Weltliteratur”, die voor deze auteur alléén interessant is indien ze tot een “belevenis” leidt, “een onherhaalbare gebeurtenis” is, tot de woorden zich loszingen van hun betekenissen. We betreden met als gids HH ‘Het Land van Music-Hall’ waar de ketenen worden losgezongen. “Bevrijd, ontketen wat verborgen zit in de woorden”. Het is de mantra van deze “sporentocht” door de poëzie. Als de lezer de verzen heeft geïnterioriseerd, niet alleen maar geconsumeerd (de tekst is een antidotum voor “consumptiecultuur”), kan hij of zij “van de woorden [loskomen] en [verdwijnen] door de poort naar het Land van Music-Hall”. De zoektocht is een balsem voor de ziel en opent nieuwe perspectieven voor wie bereid is er zich aan over te leveren. Ik sluit af met een zoveelste oproep van HH: “Van Ostaijen lezen, het zou in om het even welke studierichting verplicht moeten worden”.

Tot slot. In de openingsafdeling ‘De Tuin der Poëten’ van Gedichten voor de kleine reus heeft HH ‘Soweto’ opgenomen, een tekst die is ontstaan tijdens de Zuid-Afrikareis in 2006. Vooralsnog is het gedicht niet vertaald in het Afrikaans. Zowel de dichter als de auteur van deze bijdrage kijken uit naar een vertaling. Neemt Daniel Hugo de handschoen op?

Soweto

Wij zijn gazellen in het roodoranje.
De rotsen van Cederberg beschermen ons.
Zwetend in een okergele zak.
‘Ik sprak met de slang der kennis. Ik ben een wilde kat.’
‘En ik een aardwolf.’
‘Ik ben er ook. Geelvis.’
‘Witvis!’
‘Wat een uitzicht, ik ben een zwarte adelaar –’
Na de bliksem in het hoofd kalm worden als een oude man.
‘De dood reist altijd mee. Staat aan onze kant?’
‘Reken maar, vuurstokje. Doet het leven fonkelen.’

Klipspringers, richting beschilderde koeltorens.
Doornkop, verhaal van de goudkoorts.
De onderdrukkers. De regengodin liet hen begaan.
Ze werden groter en groter, blank en gulzig.
‘Naar de cel, kaffer!’
Hun witte forten kenden de vreugde van het stroompje niet maar de angstige
hoogmoed van de muren.
Emakhulukhuthu – diepe kloof in het hart.
Buiten deze cel glanst en zoemt het leven, dacht Gandhi.
Mandela soesde: niet stuurloos zijn als een wit busje zonder chauffeur. Hij
droomde van elektriciteit en water.
O lange weg.

De boze heuvelgeest lacht de golfkartonnen huisjes uit.
‘Wie is niet besmet, beroofd, verkracht, vermoord?’
Oog van de reus! Wij steunen elkaar, staan telkens op.
Zingen in het bloed. Wij zijn deel van de wereld, wereld.
Kinderen dansen – vuur maakt vuur in Orlando West.
Gluur naar binnen, blauwgroen vogeltje.

De queeste van de poëzielezer Peter Holvoet-Hanssen kan worden gevolgd op Paukeslag. Digitaal platform voor levend poëzie-erfgoed van Poëziecentrum (Gent): www.Paukeslag.org.

Zie ook: http://www.fondsvoordeletteren.be/nl/press/1081/nu-online-het-land-van-music-hall.html

http://www.letterenhuis.be/nl/activiteit/wereld-van-de-po%C3%ABzie-kaart

http://www.unesco.org/new/en/unesco/events/prizes-and-celebrations/celebrations/international-days/world-poetry-day-2016/

 

Peter Holvoet-Hanssen. Formule voor een gelukkig huwelijk

Wednesday, July 27th, 2011

Formule voor een gelukkig huwelijk

 

Reis in uzelf, spiegel uw partner in het wilde meer van de nacht

vang het licht van de volle maan met vier armen, zie de sterren als

zilveraaltjes in een goddelijke sigaar, streel op tijd de tijd

maal ijs tot sneeuw, bepimpel wimpers als de vleugels van een vlinder

spreek desnoods een avond af bij hoog water, vuur in staf, licht in grot

ademnood: trek naar buiten, vang zeewind, de oorschelpen als vliegers

spoor naar het laatste woud, zoek de wielewaal en doe een kikkerwens

voor een rolstoelpatiënt, proef de stilte als een ijsje voor een kind

alleen zijt ge dan nooit alleen, oehoe, de schicht van een beekforel

lekker als de lippen van de liefde, bron van een rode rivier

hand in kuip vol salamanders bij de verlaten leerlooierij

waar het Witte en het Zwarte Water verstrengelen tot één stroom

welt de eenzaamheid naar boven: verstar niet als een zuchtende rots

vergroot de afstand, sakkerend als een kruimeldief: herlees dit vers

geschreven voor u toen sterren vielen boven de Antwerpse ring.

 

 

 

Peter Holvoet-Hanssen, geschreven voor het Antwerpse ‘trouwboekje’, 2011.

© Stadsgedicht no. 11 Antwerpen 2011 –

V.U.: Michaël Vandebril, Antwerpen Boekenstad, Minderbroedersstraat 22, 2000 Antwerpen

Peter Holvoet-Hanssen se digtersbal

Thursday, January 20th, 2011
Peter Holvoet-Hanssen

Peter Holvoet-Hanssen

Dit wil my voorkom as Nuuswekker se fokus hierdie week ferm op die Lae Lande gerig gaan bly. Maar, nou ja. In die aanloop tot hul Nasionale Gedichtendag later vandeesmaand en die verhoogde poësie-aktiwiteite daarrondom, is dit seker te verstane …

Nietemin, in nog ‘n verwikkeling het Antwerpen se stadsdigter, Peter Holvoet-Hanssen, die ongewone stap geneem om ‘n ‘Stadsdichtersbal’ te reël wat verlede Saterdagaand in die stadsaal van Antwerpen plaasgevind het. Hieroor het dié bruisende seerower des lettere die volgende te sê gehad: “Poëziepilaarbijters zullen dit bal heiligschennis vinden, maar het is feest. Ik laat het vinyl uit mijn verleden ruisen als de zee, er komt een draaiorgel en Eddy et les Vedettes nodigen ten dans. Mijn doel is duidelijk: ook mensen die normaal slechts voor de Vogeltjesdans rechtspringen op Iggy Pop te laten dansen.” Volgens Holvoet-Hanssen verteenwoordig hierdie inisiatief ook ‘een psychologisch keerpunt’: “Het is het officiële afscheid van een jaar waarin ik fysiek alomtegenwoordig was. In mijn tweede jaar als stadsdichter verdwijn ik achter de gedichten. Want ik zie dat mijn voordracht te veel de aandacht trekt en afleidt van de poëzie zelf.”

Nou ja, toe. Volgens die berig by De Papieren Man het Peter hom enkele maande gelede weens ernstige longontsteking in ‘n gesondheidskrisis bevind; derhalwe is ons verheug dat hy in dié mate herstel het dat hy weer in staat is om sy werksaamhede as stadsdigter met sy kenmerkende entoesiasme te kan hervat.

As huldeblyk plaas ek vanoggend onder aan ‘n gedig van Peter soos dit deur Charl-Pierre Naudé in Afrikaans vertaal is.

***

Sedert gister het daar heelwat nuwe blogs bygekom. Andries Bezuidenhout demonstreer weereens sy veelsydigheid met ‘n lekkerleesblog oor Arcade Fire, Marius Crous skryf na aanleiding van ‘n boek deur Harold Bloom oor digters se laaste gedigte; Desmond Painter besin weer oor liefde en ander outydse dinge, terwyl Frances Lubbe dit ten slotte het oor die tsunami genaamd Kindle wat besig is om Europa se uitgewersbedryf te tref.

Sommer ‘n hele boeksak vol heerlike leesplesier. Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

Maanfees

 

Dit was die maan die volmaan

die letters het mosbedekte woorde gevorm

en ‘n takkeweelde het die aandag vasgegryp

die woorde het sinne verwek die nag oop op ‘n kier

die sig was goed besonder goed dus was die uile heel doenig

ek stap deur die bos en byt in die yskoue lug

en waai met my arms die sterre opsy

al wandelend deur die netwerk van bome met maanlig behang

van die allerfynste gehalte sy ‘n allermooiste wandeling

dit moes tog na ‘n oopte lei

en ja ‘n oop kring met daarbo die maan wat die water opwellend liefkoos

en in die middel rustig maar wel ‘n knewel

sy eie krag plesierig genietend in vurige omhelsing

‘n piesang ‘n uitmuntende eksemplaar

nie te groen en nie te ryp nie in die maanlig selfversekerd

dus loop ek na hierdie komma wat in die bos daar lê

en slaan my tande in die boonste die keurigste stuk

van my gele vriend wat het my besiel en hy

ruik wel na piesang maar dis tog te verwagte

en ná die piesangsmaak pyl skielik in die hartjie van winter

braambos framboos op my af al glimmend van die dou

wat ‘n sinnefees ‘n bloubosbessie kon ook nie wag nie

spat sommer oop die spanning was volmaak die nag

u sal merk ek raak skoon liries wat nie my gewoonte is nie

ek so bekend om my nugter gestroopte styl

geprys om my nugter gestroopte styl

wat selfs betaal word om innemend te swyg aan tafel

sit nou met ‘n soetsappige blerrie piesanggedig

inderdaad geen maskerade was dit

‘n maanverligte bos sê ek daar was spore

sigbaar van verse wat nog nooit geskryf is nie

en so stralend gereed is

en wag net om geëet te word.      

 

© Peter Holvoet-Hanssen (Vertaal deur Charl-Pierre Naudé)

 

 

 

Kortlys vir Paul Snoek Poëzieprys bekend

Thursday, March 4th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Die kortlys vir die Paul Snoek Poëzieprys, wat al om die derde jaar toegeken word, is pas bekend gemaak. Die ses genomineerde digters is: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje (Atlas, 2009), Eva Gerlach, Situaties (De Arbeiderspers, 2007), Peter Holvoet-Hanssen, Navagio (Prometheus 2008), Roland Jooris, De contouren van het verstrijken (Querido 2008 – foto), Bart Meuleman, Omdat ik ziek werd (Querido 2008) en Leonard Nolens, Bres (Querido 2007).

Die paneel beoordeelaars bestaan uit Bart Vanegeren, Yves T’Sjoen, Chrétien Breukers en Friedl’ Lesage. Die prys word op 25 April deur die stadsbestuur van Sint-Niklaas aangekondig en die prys geld beloop 4,000 euro.

Vorige wenners van dié gesogte prys is Joost Zwagerman, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Anneke Brassinga en Nachoem Wijnberg.

Wat vir Nuuswekker ‘n besonderse lekkerkry is hieromtrent, is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die pasaangestelde stadsdigter van Antwerp en bydraer tot hierdie webblad, Roland Jooris vanweë Yves T’Sjoen, nog ‘n gereelde medewerker, se bespreking van Jooris nuutste digbundel, Leonard Nolens vanweë my eie ongemak met die man se ego en natuurlik Chrétien Breukers, wat een van De Contrabas se vaste redakteurs is.

Nou ja, toe. Laat daar nie gesê word dat ons jou nie ingelig hou nie. Of hoe? Nietemin, vir jou leesplesier plaas ek vanoggend een van my gunstelingedigte deur Paul Snoek: die vyfde gedeelte van sy reeks Maria Magdalena.

***

Vanoggend is daar twee bydraes tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks, en toevallig is albei vanuit die ander halfrond: Marie-Alice Boshoff vertel van ‘n besonderse kunsprojek by die Poëziecentrum in Gent, terwyl Chris Coolsma vanuit Groningen skryf oor Billy Collins se gedig oor die kunsmuseum in Brooklyn. Ook is daar ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge geplaas.

Lekker lees en geniet die dag wat in jou hand gegee is.

Mooi bly.

LE

Gedichten voor Maria Magdaleen, V

Van je eerste tot je laatste lichaam,
liefste, laat mij al de minnaars zijn.
Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam,
die je speeksel zoekt en drinkt als wijn.

Later de gevreesde die zijn mieren
jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade.
Soms de sterke met verstilde spieren,
hemelsbreed van blijdschap en genade.

Laatst de vader die het zaad zal dragen,
van je vrucht de vruchteloze pijn,
en aan je lichaam zal vragen:
liefste, laat mij de geliefde zijn.

© Paul Snoek (uit:Gedichten voor Maria Magdalena, 1971: Spermalie Uitgewers)

 

Peter Holvoet-Hanssen – vertaling in Afrikaans

Thursday, January 14th, 2010

Peter Holvoet-Hanssen – Vertaal deur Charl-Pierre Naudé

 

 

 

Maanfees

  

Dit was die maan die volmaan

die letters het mosbedekte woorde gevorm

en ’n takkeweelde het die aandag vasgegryp

die woorde het sinne verwek die nag oop op ’n kier

die sig was goed besonder goed dus was die uile heel doenig

ek stap deur die bos en byt in die yskoue lug

en waai met my arms die sterre opsy

al wandelend deur die netwerk van bome met maanlig behang

van die allerfynste gehalte sy ’n allermooiste wandeling

dit moes tog na ’n oopte lei

en ja ’n oop kring met daarbo die maan wat die water opwellend liefkoos

en in die middel rustig maar wel ’n knewel

sy eie krag plesierig genietend in vurige omhelsing

’n piesang ’n uitmuntende eksemplaar

nie te groen en nie te ryp nie in die maanlig selfversekerd

dus loop ek na hierdie komma wat in die bos daar lê

en slaan my tande in die boonste die keurigste stuk

van my gele vriend wat het my besiel en hy

ruik wel na piesang maar dis tog te verwagte

en ná die piesangsmaak pyl skielik in die hartjie van winter

braambos framboos op my af al glimmend van die dou

wat ’n sinnefees ’n bloubosbessie kon ook nie wag nie

spat sommer oop die spanning was volmaak die nag

u sal merk ek raak skoon liries wat nie my gewoonte is nie

ek so bekend om my nugter gestroopte styl

geprys om my nugter gestroopte styl

wat selfs betaal word om innemend te swyg aan tafel

sit nou met ’n soetsappige blerrie piesanggedig

inderdaad geen maskerade was dit

’n maanverligte bos sê ek daar was spore

sigbaar van verse wat nog nooit geskryf is nie

en so stralend gereed is

en wag net om geëet te word.      

 

Yves T’Sjoen. Stadsdichter & Vlaamse stadspolitiek

Tuesday, December 1st, 2009

’t Stad een caleidoscoop van levenden

Peter Holvoet-Hanssen

Peter Holvoet-Hanssen

 

 

 

 

 

‘Stadsdichters mogen hun gedacht zeggen’. Voor de zekerheid gaat Peter Holvoet-Hanssen toch maar een ‘Vrijbrief’ vragen aan het stadsbestuur van Antwerpen. Op Gedichtendag 2010, op donderdag 28 januari, wordt Holvoet-Hanssen aangesteld als vijfde stadsdichter van Antwerpen. In die functie volgt hij Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert en Joke van Leeuwen op. Het schepencollege heeft anderhalve week geleden de naam van de stadsdichter voor de periode 2010-2011 voorgelegd aan de gemeenteraad. De Contrabas en De Papieren Man hebben erover bericht, het nieuws viel te rapen op de cultuurpagina’s van de landelijke pers in Vlaanderen en zelfs op deze Zuid-Afrikaanse literaire weblog Versindaba kon de lezer van de nieuwsbrief al vreugdekreten waarnemen. Dat Holvoet-Hanssen de nieuwe stadsdichter van Antwerpen is, lokt vele en vooral eenstemmig positieve reacties uit. Ook de inhoud van zijn ‘Vrijbrief’, die onder meer verder bouwt op bovenstaande versregel uit Holvoet-Hanssens dichtbundel Navagio, waarmee hij zijn eerste ‘poëziereis’ afsloot, kan op heel wat gunstige respons rekenen. Zoals van de stadsdichter Joke van Leeuwen, die in januari de fakkel overdraagt. De kop boven het interview luidt: ‘Het stadsdichterschap leeft geweldig in Antwerpen’ (De Morgen, 25 november 2009)

Joke van Leeuwen

Joke van Leeuwen

 

 

Het advies voor de benoeming van de Antwerpse stadsdichter wordt sinds de aanstelling van Ramsey Nasr door een commissie voorbereid. Nasr bekleedde het ambt gedurende één jaar terwijl andere stadsdichters twee jaar optraden. Een ‘raad van wijzen’ draagt een kandidaat voor aan het college van burgemeester en schepenen. De commissie bestond dit jaar uit twee niet-stemgerechtigde leden, Bruno Verbergt (hoofd van het departement cultuur en voorzitter) en Michaël Vandebril (coördinator Antwerpen Boekenstad en secretaris), en de adviseurs Leen van Dijck, An Renard, Gerd Segers, Geert Buelens en Ingrid Vander Veken. De voordracht is kortom aan procedures en afspraken gebonden. In Antwerpen gaat het departement cultuur niet over een nacht ijs. En vooral niet alléén over dat ijs. De dichter die gedurende twee jaar het stadsdichterschap een eigen invulling mag geven, wordt bij consensus voorgedragen door academici en journalisten, archivarissen en tijdschriftenmakers. Kortom door diverse betrokkenen uit het culturele veld. Meteen krijgt de stadsdichter een breed institutioneel draagvlak en aan de benoeming wordt, alleen al door de naam van de uitverkorene maar dus ook door de adviesprocedure zelf, de nodige ruchtbaarheid gegeven. De overlegprocedure verloopt democratisch en volgens commissielid Gerd Segers in een ‘constructieve overlegsfeer’.

Poëziecentrum

Poëziecentrum

Het nodige misbaar veroorzaakte eerder dit jaar de benoeming van de stadsdichter in de provinciestad Gent. Daarover is bericht op diverse internetsites en in kranten en weekbladen. De uitgelezen kandidaat voor de opvolging van Erwin Mortier, en van de ‘toondichter’ Dick van der Harst (in Gent wisselen dichter en componist elkaar af), was Miriam Van hee. De twee stadsdichters die tot vandaag het ambt hebben vervuld, Roel van Londersele en Mortier, zijn telkens op voordracht van de directeur van het Poëziecentrum aangesteld. Vervolgens heeft de gemeenteraad de voordrachten bekrachtigd. In Gent werd de beslissing unisono genomen. Letterlijk op te vatten als door een mond, in casu een persoon. Zonder cultureel draagvlak, in een oorverdovende stilte, een beetje stoemelings. Zelfs culturele instellingen in de stad wisten zich na een jaar van stadsdichterschap niet te herinneren wie in Gent die positie nu eigenlijk bekleedde. In Gent leeft het stadsdichterschap niet.

 

 

 

 

Voor de aanstelling van de derde Gentse stadsdichter hebben cultuurambtenaren op bestuurlijk niveau het aanduidingsscenario gewijzigd. Voortaan zou de schepen van cultuur zelf de nieuwe stadsdichter voordragen en ten persoonlijken titel de contacten regelen. Zoals bekend is dat in Gent redelijk faliekant afgelopen. Miriam Van hee had weliswaar persoonlijke redenen om het aanbod niet te moeten aanvaarden. Maar het was toch vooral de armetierige aalmoes die haar is voorgehouden, een ‘stad van kennis en cultuur’ onwaardig, die haar bijzonder hoog zat. Van hee weigerde. En de schepen krabde zich verongelijkt in het haar. In allerijl zijn toen op het kabinet cultuur alle hens aan dek geroepen en de peulschil, die voor honorarium doorging, tot een respectabele som van enkele duizenden euro’s verhoogd. Wie na het gemeenteraadsbesluit had verwacht dat Van hee weer zou worden benaderd, kwam bedrogen uit. Vooral omdat ze al te kennen had gegeven voor dat handvol dukaten en florijnen niet uit haar stulp te komen en bij stadsfestiviteiten gelegenheidsversjes te debiteren. En ook wie verhoopte dat eerlijke schaamte het stadsbestuur zou hebben gedwongen Van hee een fatsoenlijker vergoeding aan te bieden, kwam bedrogen uit. Van hee was hors concours. Moest ze maar niet zo ondankbaar zijn. De schepen gaf het adviesdossier voor het stadsdichterschap dan maar door aan de directeur van Poëziecentrum. Peter Verhelst bleek makkelijk te overhalen om voor 3500 euro stadsdromen te vangen.

 

 

 

 

 

Peter Verhelst

Peter Verhelst

Beide stadsdichters, Peter van Antwerpen en Peter van Gent, hebben interessante plannen. De eerste ontvangt 5000 euro honorarium voor één jaar dichterschap. Beiden willen het stadsdichterschap een eigenzinnige invulling geven, bottom up. De Antwerpse Peter heeft het over ‘het poëziehart van de stad (dat) zich moet openen’. Bij wijze van spreken willen zij, elk op hun manier, de kloof tussen het volk en de poëzie dichten. Respectievelijk door in de haven en in buurtwijken de poëzie te brengen én door de dromen van de stad op te tekenen en in kleine kringen voor te lezen. Vooral Holvoet-Hanssen, ‘de onvermoeibare poëziepromotor en troubadour’, wil ‘een vrijplaats’ voor poëzie-experimenten tot stand brengen, een ‘laboratorium voor verschillende verkenningen’. Verhelst heeft het druk als theaterauteur, regisseur van NTGent, mentor van het KASK en tal van andere instituten waar hij actief bij betrokken is. In zoverre dat hij in Gent een redactieteam rond zich verzamelde om al die neergeschreven dromen van Gentenaren te verwerken. Hopelijk zit er ook nog poëzie in zijn ‘dromenboek’.

Mij om het even wat stadsdichters met belastinggeld allemaal ondernemen. Ik merk alleen op dat de Antwerpse stadsdichter nog voor hij in functie treedt een stevige basis heeft en weerklank krijgt. De benoeming is volgens een vooraf bepaalde procedure verlopen en het culturele veld voelt zich betrokken bij de invulling van de publieke functie.

De stadsdichter in Gent wordt door een schepen of een directeur naar voren gedragen. Geen adviescommissie, geen procedure, geen ruchtbaarheid. Dan krijg je de gênante situatie dat Verhelst officieel is benoemd als stadsdichter op het moment dat het stadsdichterschap al ruim een maand loopt. Alleen wat vertraging opgelopen onderweg, zeg maar. Verhelst en Holvoet-Hanssen zijn beiden gewaardeerde dichters die het ambt zonder twijfel een andere dimensie kunnen bezorgen. Voor Verhelst startte het avontuur evenwel onder ongunstig gesternte. Pas zodra cultuur in Gent ook ernstig omspringt met het ambt van stadsdichter en letteren een vrijplaats wordt, zodra er een overlegplatform komt en beleidsbeslissingen in consensus worden genomen, zal het stadsbestuur er misschien in slagen ook het ambt van stadsdichter uitstraling en prestige te bezorgen. Zoals het al bijna een decennium het geval is in die andere Scheldestad waar men zich in de Arteveldestad graag mee meet. De ‘letterenstad Gent’ heeft nood aan een ‘Vrijbrief’ voor de poëzie.

Peter Holvoet-Hanssen: stadsdigter!

Monday, November 23rd, 2009
Peter en Noëlla

Peter en Noëlla (Foto: Stephan Vanfleteren)

Die stadsraad van Antwerpen het pas bekend gemaak dat Peter Holvoet-Hanssen, daardie enigmatiese literêre seerower oor wie ek in ‘n vroeëre Nuuswekker berig het, as die vyfde stadsdigter van sy geboortestad,  Antwerpen, vir die volgende twee jaar aangestel is. Hy sal op 28 Januarie 2010 sy vlag oor dié stad kan hys wanneer Joke van Leeuwen, die uitredende stadsdigter, haar pos ontruim.

Volgens die persverklaring het die stadsraad ten gunste van die 50-jarige digter gestem omdat “zijn poëzie jong en oud kan betoveren”. Voorts is hulle van mening dat “Peter Holvoet-Hanssen (Antwerpen, 1960) een aparte stem binnen het poëzielandschap (is). Hij creëert met zijn poëzie een eigen universum. Zijn eerste bundel ‘Dwangbuis van Houdini’ kreeg meteen de Debuutprijs 1999. Naar aanleiding van zijn vierde bundel ‘Spinalonga’ ontving de dichter de driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap 2008. Op een gedurfde en begeesterende manier haalt hij met zijn eigengereide beeldentaal, zijn theatraliteit en muzikaliteit de poëzie uit haar dwangbuis. Hij is ook een onvermoeibare promotor van de poëzie. Zo maakt hij met zijn ‘avontuurlijke reizen door de poëzie’ onder de vlag van ‘Het Kapersnest’ veel jongeren warm voor de poëzie. Holvoet-Hanssen is geboren te Merksem, woonde 40 jaar in Deurne en woont en werkt nu reeds 5 jaar te Berchem.”

Vorige stadsdigters van Antwerpen is Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert en Joke van Leeuwen.

Wat ‘n vreugde! Wat ‘n prestasie … Ons klap saam met hom en Noëlla Elpers, sy mede-kaper en selwers ‘n gedugte skrywer, hande vir dié uitsonderlike eer wat hom te beurt val. Gaan lees gerus Peter se pleidooi vir poësie wat hy vroeër vanjaar gelewer het, asook sy verslag oor die Medellin-poësiefees in Colombia. En dan is ‘n besoek aan Peter en Noëlla se webblad, De Kapersnest, beslis ook die lees werd. ‘n Onderhoud wat met Peter gevoer is, is hier te vinde.

Vir jou leesplesier plaas ek Peter se gedig “Offer in het lentehuis der letteren” wat by die ingang van die  Vlaams Fonds voor de Letteren se hoofkwartier in Berchem teen die muur aangebring is. En lees sommer ook die vers wat ek as persoonlike huldeblyk aan Peter (en Hugo Claus) heelonder by “Kommentare” plaas.

***

Vandeesweek is natuurlik feesweek: Vrydag om 17:00 begin die Versindaba by die Oude Libertas Amfiteater in Stellenbosch met die opening van die kunsuitstalling. Vier kunswerke deur Sheila Cussons, wat reeds ontvang is, is beslis op sigself reeds die moeite werd om te kom besigtig. Om nie eens van die ander digters se skilderye te praat nie! Hierdie gaan gewis iets baie spesiaals wees. En dan moet jy ook nie vergeet van die werkswinkel vir aspirant digters wat deur Ronel Foster en Charl-Pierre Naudé aangebied gaan word nie …

Op die webblad begin ons week met nét sulke opwindende plasings: afgesien van die vertaalde verse wat tot ‘n indrukwekkende getal aanegroei het, is daar ook Bernard Odendaal se nuutste gedig-bespreking (oor Eugène Marais se “Skoppensboer”), wat hy einde verlede week geplaas het, asook Johann Lodewyk Marais se twee stukke uit sy en Leti Klein se boek-in-wording oor Wopko Jensma en Andries Bezuidenhout se inskrywing oor Diktator-camp. Pure plesier!

Laat hierdie week geweldig wees.

Mooi bly.

LE

 

Offer in het lentehuis der letteren

Alsof er nog jaargetijden zijn – als een toeschouwer die
zelf scenario’s bedenkt, zwaan die kinderen voedert.

Zomer voelde geen visjes aan de voeten – herfst zaaide
witte uilen, dood rukte aan de deur – winter beukte
tegen de ramen: ‘Snoei u!’ Gevaarlijk treurspel.

Welkom. Is er post voor Florentina? ‘s Ochtends valt zij
door de sterren, ‘s avonds springt zij naar de maan.

De nachtmerel fluit, ontregeld lied. Dus dit is lente.
Boeken worden bomen. Zorg ook voor de twijgen, kijk
om de hoek van ‘t huis. Ontsporen hoort bij mei.

Zet het raam eens open. Of vergader als de bloesemrokjes
blozend van de maan. Knal open –
nu wij nog bestaan.

 

© Peter Holvoet-Hanssen, 21.03.08, voor het oude (hoek)huis ‘De Lente’ –
nieuwe verblijfplaats van het Vlaams Fonds voor de Letteren te Antwerpen-Berchem.

‘n Bos het al sy wortels nodig

Monday, July 20th, 2009

Pan Cogito

 

Ek het enkele dae gelede klaar gelees aan Danie Schreuder se bundel kortverhale, ‘n Beter hemel (2009: Tafelberg Uitgewers). Terwyl ek deur al die inspirerende leesstof op julle webblad rondsnuffel, kon ek net nie die een beeld wat Danie Schreuder in ‘n verhaal gebruik het, uit my kop kry nie. Dit is naamlik die verhaal waarin hy na die bos bome teen Papegaaiberg verwys en meer spesifiek na die wortels wat ondergronds verstrengel lê en al die bome bogronds voed; van die grotes tot selfs die heel kleintjies.

 

So is dit met die meeste skrywes op hierdie webblad gesteld, myns insiens. Neem nou byvoorbeeld Marlene van Niekerk se opmerkings en Charl-Pierre Naudé en Danie Marais se artikels. Hulle sê eintlik presies dieselfde ding; net op ‘n ander manier. Dieselfde geld Peter Holvoet-Hanssen se praatjie, oftewel vuurspeech! (Terloops, laasgenoemde stuk is as oorkoepelende kommentaar eintlik ‘n treffende samevatting van die voorafgaande stukke.) So ook die gesprek oor “toeganklike poësie” wat so ampertjies hier kop wou uitsteek. Dis nou na aanleiding van Bernard Odendaal se blog in reaksie op Jaybee Roux se dwarsklappe in Die Volksblad. In ‘n Nuuswekker het Louis Esterhuizen ook na André Kotzé se stuk op LitNet verwys …

 

Hopelik het julle ook Andries Visagie se Kopstukke (“Waar is die opstopper-gedigte?”) in Die Burger van 11 Julie gelees? Hierin lewer hy weer ‘n stewige betoog ten gunste van die hermetiese vers, soos hy dit noem. En natuurlik – die opstootjies van ‘n klompie weke gelede oor die gebruik van intertekstualiteit. Alles eintlik maar net die verstrengelde wortels ondergronds wat dieselfde bos voed, is dit nie? Waarom dan die heftige kap en die téénkap? Solank die leser van die digkuns nie ‘n homogene groep is nie, is die totale verskeidenheid van die digkuns ‘n noodwendigheid. En die wonderlikste is dat niemand eintlik daardeur bedreigd hoef te voel nie. Dis tog iets om te geniet, is dit nie? In watter vorm of gedaante dit ook al na ons toe kom … Solank julle as digters net voortgaan met dit wat julle móét doen. En dit is om gedigte te maak.

 

Voorspoed daarmee!