Posts Tagged ‘Peter Holvoet-Hanssen’

Peter Holvoet-Hanssen. Formule voor een gelukkig huwelijk

Wednesday, July 27th, 2011

Formule voor een gelukkig huwelijk

 

Reis in uzelf, spiegel uw partner in het wilde meer van de nacht

vang het licht van de volle maan met vier armen, zie de sterren als

zilveraaltjes in een goddelijke sigaar, streel op tijd de tijd

maal ijs tot sneeuw, bepimpel wimpers als de vleugels van een vlinder

spreek desnoods een avond af bij hoog water, vuur in staf, licht in grot

ademnood: trek naar buiten, vang zeewind, de oorschelpen als vliegers

spoor naar het laatste woud, zoek de wielewaal en doe een kikkerwens

voor een rolstoelpatiënt, proef de stilte als een ijsje voor een kind

alleen zijt ge dan nooit alleen, oehoe, de schicht van een beekforel

lekker als de lippen van de liefde, bron van een rode rivier

hand in kuip vol salamanders bij de verlaten leerlooierij

waar het Witte en het Zwarte Water verstrengelen tot één stroom

welt de eenzaamheid naar boven: verstar niet als een zuchtende rots

vergroot de afstand, sakkerend als een kruimeldief: herlees dit vers

geschreven voor u toen sterren vielen boven de Antwerpse ring.

 

 

 

Peter Holvoet-Hanssen, geschreven voor het Antwerpse ‘trouwboekje’, 2011.

© Stadsgedicht no. 11 Antwerpen 2011 -

V.U.: Michaël Vandebril, Antwerpen Boekenstad, Minderbroedersstraat 22, 2000 Antwerpen

Peter Holvoet-Hanssen se digtersbal

Thursday, January 20th, 2011
Peter Holvoet-Hanssen

Peter Holvoet-Hanssen

Dit wil my voorkom as Nuuswekker se fokus hierdie week ferm op die Lae Lande gerig gaan bly. Maar, nou ja. In die aanloop tot hul Nasionale Gedichtendag later vandeesmaand en die verhoogde poësie-aktiwiteite daarrondom, is dit seker te verstane …

Nietemin, in nog ‘n verwikkeling het Antwerpen se stadsdigter, Peter Holvoet-Hanssen, die ongewone stap geneem om ‘n ‘Stadsdichtersbal’ te reël wat verlede Saterdagaand in die stadsaal van Antwerpen plaasgevind het. Hieroor het dié bruisende seerower des lettere die volgende te sê gehad: “Poëziepilaarbijters zullen dit bal heiligschennis vinden, maar het is feest. Ik laat het vinyl uit mijn verleden ruisen als de zee, er komt een draaiorgel en Eddy et les Vedettes nodigen ten dans. Mijn doel is duidelijk: ook mensen die normaal slechts voor de Vogeltjesdans rechtspringen op Iggy Pop te laten dansen.” Volgens Holvoet-Hanssen verteenwoordig hierdie inisiatief ook ‘een psychologisch keerpunt’: “Het is het officiële afscheid van een jaar waarin ik fysiek alomtegenwoordig was. In mijn tweede jaar als stadsdichter verdwijn ik achter de gedichten. Want ik zie dat mijn voordracht te veel de aandacht trekt en afleidt van de poëzie zelf.”

Nou ja, toe. Volgens die berig by De Papieren Man het Peter hom enkele maande gelede weens ernstige longontsteking in ‘n gesondheidskrisis bevind; derhalwe is ons verheug dat hy in dié mate herstel het dat hy weer in staat is om sy werksaamhede as stadsdigter met sy kenmerkende entoesiasme te kan hervat.

As huldeblyk plaas ek vanoggend onder aan ’n gedig van Peter soos dit deur Charl-Pierre Naudé in Afrikaans vertaal is.

***

Sedert gister het daar heelwat nuwe blogs bygekom. Andries Bezuidenhout demonstreer weereens sy veelsydigheid met ‘n lekkerleesblog oor Arcade Fire, Marius Crous skryf na aanleiding van ‘n boek deur Harold Bloom oor digters se laaste gedigte; Desmond Painter besin weer oor liefde en ander outydse dinge, terwyl Frances Lubbe dit ten slotte het oor die tsunami genaamd Kindle wat besig is om Europa se uitgewersbedryf te tref.

Sommer ‘n hele boeksak vol heerlike leesplesier. Hê pret daarmee.

Mooi bly.

LE

 

Maanfees

 

Dit was die maan die volmaan

die letters het mosbedekte woorde gevorm

en ‘n takkeweelde het die aandag vasgegryp

die woorde het sinne verwek die nag oop op ‘n kier

die sig was goed besonder goed dus was die uile heel doenig

ek stap deur die bos en byt in die yskoue lug

en waai met my arms die sterre opsy

al wandelend deur die netwerk van bome met maanlig behang

van die allerfynste gehalte sy ‘n allermooiste wandeling

dit moes tog na ‘n oopte lei

en ja ‘n oop kring met daarbo die maan wat die water opwellend liefkoos

en in die middel rustig maar wel ‘n knewel

sy eie krag plesierig genietend in vurige omhelsing

‘n piesang ‘n uitmuntende eksemplaar

nie te groen en nie te ryp nie in die maanlig selfversekerd

dus loop ek na hierdie komma wat in die bos daar lê

en slaan my tande in die boonste die keurigste stuk

van my gele vriend wat het my besiel en hy

ruik wel na piesang maar dis tog te verwagte

en ná die piesangsmaak pyl skielik in die hartjie van winter

braambos framboos op my af al glimmend van die dou

wat ‘n sinnefees ‘n bloubosbessie kon ook nie wag nie

spat sommer oop die spanning was volmaak die nag

u sal merk ek raak skoon liries wat nie my gewoonte is nie

ek so bekend om my nugter gestroopte styl

geprys om my nugter gestroopte styl

wat selfs betaal word om innemend te swyg aan tafel

sit nou met ‘n soetsappige blerrie piesanggedig

inderdaad geen maskerade was dit

‘n maanverligte bos sê ek daar was spore

sigbaar van verse wat nog nooit geskryf is nie

en so stralend gereed is

en wag net om geëet te word.      

 

© Peter Holvoet-Hanssen (Vertaal deur Charl-Pierre Naudé)

 

 

 

Peter Holvoet-Hanssen: Reuzenlied en reuzengedicht

Tuesday, August 24th, 2010
Reuzenlied

Reuzenlied

Onze rijkdom hier in Antwerpen komt voort uit ondernemingszin, kijk maar naar het havenbedrijf. Onze ondernemingszin voerde ons naar Afrika… De handjes op het MAS: de Zuid-Afrikaanse meesterdichter Naudé zag de afgehakte handjes ten tijde van Leopold II voor zich. Samen doorploegden Charl-Pierre  en ik de geschiedenis van ‘t Stad. We bezochten ‘de vierde toren’. Op die plek zie je het reusachtige havengebied - zo onbekend bij de Antwerpenaar en zo belangrijk voor zijn ‘welvaart’.

In vervlogen tijden, toen de zee wegtrok en zandbanken overbleven waarop de eerste nederzettingen kwamen (ik woon in een ‘heem op een berg’: Berchem), geloofde men dat hier ooit reuzen geleefd hebben. Die legende komt van érgens. Als er walvisbeenderen werden opgegraven, zei men: zie,  Druon Antigoon en de zijnen, ze moeten echt hebben bestaan. Maar ként de Antwerpenaar wel zijn geschiedenis? Hoe zat dat met Lumumba? (zie Naudé) En wat was er met Silvius Brabo aan de hand (zie HH)? Een oerlegende verhaalt dat de reus van Antwerpen in vervoering geraakte bij het gezang van onze held. Vandaar een ‘Reuzenlied’ (PHH) en bij Naudé een reuzengedicht dat de link legt met Afrika en met andere culturen. Het werd een wandtapijt waarop bloederige diamanten fonkelen als op de riem van Elvis. Kent de Antwerpenaar wel zijn eigen geschiedenis? Daarom dat ik de hoogtepunten nog even op een rijtje zet (Rubens komt in beide gedichten voort, soms ‘haken’ ze ‘in elkaar’). Voorbeeld: in de achttiende eeuw startte hier de Ommeganck, voortvloeiend uit oude gebruiken - vanuit heidense riten naar rondgangen rond de kerk. De Reuskes van Borgehout, ja, die kent men hier. Maar: Deurne en Borgerhout waren lang één gemeente en de Reuzen van Deurne mogen niet onderschat. Eén van was John Lundström, een Antwerpse volkszanger pur sang. ‘Vake Viool’, zei men in Deurne, want hij kwam vaak naar het oude centrum van Deurne, componeerde zelfs een eigen reuzenlied. Antwerpenaren zijn dus een volk van reuzenmakers. Maar ook van dwergen: de poesjenellen. Die stangpoppen hebben geen last van een dikke nek, integendeel, ze geven er kopstoten mee. De commedia dell’arte bracht deze ‘Poesjes’ voort. Maar: ‘horen wil wie hoort’…

Onze namen verdwijnen in de mist der tijden, en de tijden zelf hullen zich in een waas van mist. We boetseren onze eigen geschiedenis, onze eigen herinneringen… Laat ons daarom terug nieuwe liedjes en verhalen maken, nu de oude uit zo vele repertoria verdwijnen. Mijn ‘Reuzenlied’ eindigt met een ‘reuzenwijsje’, een berceuse met knipoog naar Van Ostaijen, dat je als slaapliedje kunt aanleren aan je kindjes. Of zingen voor de Kleine Reuzin op een mooie vrijdagavond, als ze slaapt.

Want als de reuzen komen, hangt er poëzie in de stad. 20 augustus ook LETTERLIJK vanaf TWEE tweetalige banieren. Tweetalig? Ah ja, de reuzen van Royal de Luxe spreken geen Vlaams.

Vergeet niet, ten tijde van de Hessenhuizen: het Eilandje was een broeihaard van culturen. Zo veel verandert er niet doorheen de eeuwen. Sommige dingen blijven, onder een nieuw technologische verpakking, bij het oude. Kijk, daar staat een moderne Rubens te wachten op een vrachtje, want met kunst is ook groot geld te verdienen.

Geef mij maar een mooi lied gezongen door een niet onschuldig kind, dat wil ik doorgeven aan het nageslacht.

Peter Holvoet-Hanssen

Stadsdichter: Antwerpen 

Kortlys vir Paul Snoek Poëzieprys bekend

Thursday, March 4th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Die kortlys vir die Paul Snoek Poëzieprys, wat al om die derde jaar toegeken word, is pas bekend gemaak. Die ses genomineerde digters is: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje (Atlas, 2009), Eva Gerlach, Situaties (De Arbeiderspers, 2007), Peter Holvoet-Hanssen, Navagio (Prometheus 2008), Roland Jooris, De contouren van het verstrijken (Querido 2008 - foto), Bart Meuleman, Omdat ik ziek werd (Querido 2008) en Leonard Nolens, Bres (Querido 2007).

Die paneel beoordeelaars bestaan uit Bart Vanegeren, Yves T’Sjoen, Chrétien Breukers en Friedl’ Lesage. Die prys word op 25 April deur die stadsbestuur van Sint-Niklaas aangekondig en die prys geld beloop 4,000 euro.

Vorige wenners van dié gesogte prys is Joost Zwagerman, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Anneke Brassinga en Nachoem Wijnberg.

Wat vir Nuuswekker ‘n besonderse lekkerkry is hieromtrent, is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die pasaangestelde stadsdigter van Antwerp en bydraer tot hierdie webblad, Roland Jooris vanweë Yves T’Sjoen, nog ‘n gereelde medewerker, se bespreking van Jooris nuutste digbundel, Leonard Nolens vanweë my eie ongemak met die man se ego en natuurlik Chrétien Breukers, wat een van De Contrabas se vaste redakteurs is.

Nou ja, toe. Laat daar nie gesê word dat ons jou nie ingelig hou nie. Of hoe? Nietemin, vir jou leesplesier plaas ek vanoggend een van my gunstelingedigte deur Paul Snoek: die vyfde gedeelte van sy reeks Maria Magdalena.

***

Vanoggend is daar twee bydraes tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks, en toevallig is albei vanuit die ander halfrond: Marie-Alice Boshoff vertel van ‘n besonderse kunsprojek by die Poëziecentrum in Gent, terwyl Chris Coolsma vanuit Groningen skryf oor Billy Collins se gedig oor die kunsmuseum in Brooklyn. Ook is daar ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge geplaas.

Lekker lees en geniet die dag wat in jou hand gegee is.

Mooi bly.

LE

Gedichten voor Maria Magdaleen, V

Van je eerste tot je laatste lichaam,
liefste, laat mij al de minnaars zijn.
Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam,
die je speeksel zoekt en drinkt als wijn.

Later de gevreesde die zijn mieren
jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade.
Soms de sterke met verstilde spieren,
hemelsbreed van blijdschap en genade.

Laatst de vader die het zaad zal dragen,
van je vrucht de vruchteloze pijn,
en aan je lichaam zal vragen:
liefste, laat mij de geliefde zijn.

© Paul Snoek (uit:Gedichten voor Maria Magdalena, 1971: Spermalie Uitgewers)

 

Peter Holvoet-Hanssen – vertaling in Afrikaans

Thursday, January 14th, 2010

Peter Holvoet-Hanssen – Vertaal deur Charl-Pierre Naudé

 

 

 

Maanfees

  

Dit was die maan die volmaan

die letters het mosbedekte woorde gevorm

en ’n takkeweelde het die aandag vasgegryp

die woorde het sinne verwek die nag oop op ’n kier

die sig was goed besonder goed dus was die uile heel doenig

ek stap deur die bos en byt in die yskoue lug

en waai met my arms die sterre opsy

al wandelend deur die netwerk van bome met maanlig behang

van die allerfynste gehalte sy ’n allermooiste wandeling

dit moes tog na ’n oopte lei

en ja ’n oop kring met daarbo die maan wat die water opwellend liefkoos

en in die middel rustig maar wel ’n knewel

sy eie krag plesierig genietend in vurige omhelsing

’n piesang ’n uitmuntende eksemplaar

nie te groen en nie te ryp nie in die maanlig selfversekerd

dus loop ek na hierdie komma wat in die bos daar lê

en slaan my tande in die boonste die keurigste stuk

van my gele vriend wat het my besiel en hy

ruik wel na piesang maar dis tog te verwagte

en ná die piesangsmaak pyl skielik in die hartjie van winter

braambos framboos op my af al glimmend van die dou

wat ’n sinnefees ’n bloubosbessie kon ook nie wag nie

spat sommer oop die spanning was volmaak die nag

u sal merk ek raak skoon liries wat nie my gewoonte is nie

ek so bekend om my nugter gestroopte styl

geprys om my nugter gestroopte styl

wat selfs betaal word om innemend te swyg aan tafel

sit nou met ’n soetsappige blerrie piesanggedig

inderdaad geen maskerade was dit

’n maanverligte bos sê ek daar was spore

sigbaar van verse wat nog nooit geskryf is nie

en so stralend gereed is

en wag net om geëet te word.      

 

Yves T’Sjoen. Stadsdichter & Vlaamse stadspolitiek

Tuesday, December 1st, 2009

’t Stad een caleidoscoop van levenden

Peter Holvoet-Hanssen

Peter Holvoet-Hanssen

 

 

 

 

 

‘Stadsdichters mogen hun gedacht zeggen’. Voor de zekerheid gaat Peter Holvoet-Hanssen toch maar een ‘Vrijbrief’ vragen aan het stadsbestuur van Antwerpen. Op Gedichtendag 2010, op donderdag 28 januari, wordt Holvoet-Hanssen aangesteld als vijfde stadsdichter van Antwerpen. In die functie volgt hij Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert en Joke van Leeuwen op. Het schepencollege heeft anderhalve week geleden de naam van de stadsdichter voor de periode 2010-2011 voorgelegd aan de gemeenteraad. De Contrabas en De Papieren Man hebben erover bericht, het nieuws viel te rapen op de cultuurpagina’s van de landelijke pers in Vlaanderen en zelfs op deze Zuid-Afrikaanse literaire weblog Versindaba kon de lezer van de nieuwsbrief al vreugdekreten waarnemen. Dat Holvoet-Hanssen de nieuwe stadsdichter van Antwerpen is, lokt vele en vooral eenstemmig positieve reacties uit. Ook de inhoud van zijn ‘Vrijbrief’, die onder meer verder bouwt op bovenstaande versregel uit Holvoet-Hanssens dichtbundel Navagio, waarmee hij zijn eerste ‘poëziereis’ afsloot, kan op heel wat gunstige respons rekenen. Zoals van de stadsdichter Joke van Leeuwen, die in januari de fakkel overdraagt. De kop boven het interview luidt: ‘Het stadsdichterschap leeft geweldig in Antwerpen’ (De Morgen, 25 november 2009)

Joke van Leeuwen

Joke van Leeuwen

 

 

Het advies voor de benoeming van de Antwerpse stadsdichter wordt sinds de aanstelling van Ramsey Nasr door een commissie voorbereid. Nasr bekleedde het ambt gedurende één jaar terwijl andere stadsdichters twee jaar optraden. Een ‘raad van wijzen’ draagt een kandidaat voor aan het college van burgemeester en schepenen. De commissie bestond dit jaar uit twee niet-stemgerechtigde leden, Bruno Verbergt (hoofd van het departement cultuur en voorzitter) en Michaël Vandebril (coördinator Antwerpen Boekenstad en secretaris), en de adviseurs Leen van Dijck, An Renard, Gerd Segers, Geert Buelens en Ingrid Vander Veken. De voordracht is kortom aan procedures en afspraken gebonden. In Antwerpen gaat het departement cultuur niet over een nacht ijs. En vooral niet alléén over dat ijs. De dichter die gedurende twee jaar het stadsdichterschap een eigen invulling mag geven, wordt bij consensus voorgedragen door academici en journalisten, archivarissen en tijdschriftenmakers. Kortom door diverse betrokkenen uit het culturele veld. Meteen krijgt de stadsdichter een breed institutioneel draagvlak en aan de benoeming wordt, alleen al door de naam van de uitverkorene maar dus ook door de adviesprocedure zelf, de nodige ruchtbaarheid gegeven. De overlegprocedure verloopt democratisch en volgens commissielid Gerd Segers in een ‘constructieve overlegsfeer’.

Poëziecentrum

Poëziecentrum

Het nodige misbaar veroorzaakte eerder dit jaar de benoeming van de stadsdichter in de provinciestad Gent. Daarover is bericht op diverse internetsites en in kranten en weekbladen. De uitgelezen kandidaat voor de opvolging van Erwin Mortier, en van de ‘toondichter’ Dick van der Harst (in Gent wisselen dichter en componist elkaar af), was Miriam Van hee. De twee stadsdichters die tot vandaag het ambt hebben vervuld, Roel van Londersele en Mortier, zijn telkens op voordracht van de directeur van het Poëziecentrum aangesteld. Vervolgens heeft de gemeenteraad de voordrachten bekrachtigd. In Gent werd de beslissing unisono genomen. Letterlijk op te vatten als door een mond, in casu een persoon. Zonder cultureel draagvlak, in een oorverdovende stilte, een beetje stoemelings. Zelfs culturele instellingen in de stad wisten zich na een jaar van stadsdichterschap niet te herinneren wie in Gent die positie nu eigenlijk bekleedde. In Gent leeft het stadsdichterschap niet.

 

 

 

 

Voor de aanstelling van de derde Gentse stadsdichter hebben cultuurambtenaren op bestuurlijk niveau het aanduidingsscenario gewijzigd. Voortaan zou de schepen van cultuur zelf de nieuwe stadsdichter voordragen en ten persoonlijken titel de contacten regelen. Zoals bekend is dat in Gent redelijk faliekant afgelopen. Miriam Van hee had weliswaar persoonlijke redenen om het aanbod niet te moeten aanvaarden. Maar het was toch vooral de armetierige aalmoes die haar is voorgehouden, een ‘stad van kennis en cultuur’ onwaardig, die haar bijzonder hoog zat. Van hee weigerde. En de schepen krabde zich verongelijkt in het haar. In allerijl zijn toen op het kabinet cultuur alle hens aan dek geroepen en de peulschil, die voor honorarium doorging, tot een respectabele som van enkele duizenden euro’s verhoogd. Wie na het gemeenteraadsbesluit had verwacht dat Van hee weer zou worden benaderd, kwam bedrogen uit. Vooral omdat ze al te kennen had gegeven voor dat handvol dukaten en florijnen niet uit haar stulp te komen en bij stadsfestiviteiten gelegenheidsversjes te debiteren. En ook wie verhoopte dat eerlijke schaamte het stadsbestuur zou hebben gedwongen Van hee een fatsoenlijker vergoeding aan te bieden, kwam bedrogen uit. Van hee was hors concours. Moest ze maar niet zo ondankbaar zijn. De schepen gaf het adviesdossier voor het stadsdichterschap dan maar door aan de directeur van Poëziecentrum. Peter Verhelst bleek makkelijk te overhalen om voor 3500 euro stadsdromen te vangen.

 

 

 

 

 

Peter Verhelst

Peter Verhelst

Beide stadsdichters, Peter van Antwerpen en Peter van Gent, hebben interessante plannen. De eerste ontvangt 5000 euro honorarium voor één jaar dichterschap. Beiden willen het stadsdichterschap een eigenzinnige invulling geven, bottom up. De Antwerpse Peter heeft het over ‘het poëziehart van de stad (dat) zich moet openen’. Bij wijze van spreken willen zij, elk op hun manier, de kloof tussen het volk en de poëzie dichten. Respectievelijk door in de haven en in buurtwijken de poëzie te brengen én door de dromen van de stad op te tekenen en in kleine kringen voor te lezen. Vooral Holvoet-Hanssen, ‘de onvermoeibare poëziepromotor en troubadour’, wil ‘een vrijplaats’ voor poëzie-experimenten tot stand brengen, een ‘laboratorium voor verschillende verkenningen’. Verhelst heeft het druk als theaterauteur, regisseur van NTGent, mentor van het KASK en tal van andere instituten waar hij actief bij betrokken is. In zoverre dat hij in Gent een redactieteam rond zich verzamelde om al die neergeschreven dromen van Gentenaren te verwerken. Hopelijk zit er ook nog poëzie in zijn ‘dromenboek’.

Mij om het even wat stadsdichters met belastinggeld allemaal ondernemen. Ik merk alleen op dat de Antwerpse stadsdichter nog voor hij in functie treedt een stevige basis heeft en weerklank krijgt. De benoeming is volgens een vooraf bepaalde procedure verlopen en het culturele veld voelt zich betrokken bij de invulling van de publieke functie.

De stadsdichter in Gent wordt door een schepen of een directeur naar voren gedragen. Geen adviescommissie, geen procedure, geen ruchtbaarheid. Dan krijg je de gênante situatie dat Verhelst officieel is benoemd als stadsdichter op het moment dat het stadsdichterschap al ruim een maand loopt. Alleen wat vertraging opgelopen onderweg, zeg maar. Verhelst en Holvoet-Hanssen zijn beiden gewaardeerde dichters die het ambt zonder twijfel een andere dimensie kunnen bezorgen. Voor Verhelst startte het avontuur evenwel onder ongunstig gesternte. Pas zodra cultuur in Gent ook ernstig omspringt met het ambt van stadsdichter en letteren een vrijplaats wordt, zodra er een overlegplatform komt en beleidsbeslissingen in consensus worden genomen, zal het stadsbestuur er misschien in slagen ook het ambt van stadsdichter uitstraling en prestige te bezorgen. Zoals het al bijna een decennium het geval is in die andere Scheldestad waar men zich in de Arteveldestad graag mee meet. De ‘letterenstad Gent’ heeft nood aan een ‘Vrijbrief’ voor de poëzie.

Peter Holvoet-Hanssen: stadsdigter!

Monday, November 23rd, 2009
Peter en Noëlla

Peter en Noëlla (Foto: Stephan Vanfleteren)

Die stadsraad van Antwerpen het pas bekend gemaak dat Peter Holvoet-Hanssen, daardie enigmatiese literêre seerower oor wie ek in ‘n vroeëre Nuuswekker berig het, as die vyfde stadsdigter van sy geboortestad,  Antwerpen, vir die volgende twee jaar aangestel is. Hy sal op 28 Januarie 2010 sy vlag oor dié stad kan hys wanneer Joke van Leeuwen, die uitredende stadsdigter, haar pos ontruim.

Volgens die persverklaring het die stadsraad ten gunste van die 50-jarige digter gestem omdat “zijn poëzie jong en oud kan betoveren”. Voorts is hulle van mening dat “Peter Holvoet-Hanssen (Antwerpen, 1960) een aparte stem binnen het poëzielandschap (is). Hij creëert met zijn poëzie een eigen universum. Zijn eerste bundel ‘Dwangbuis van Houdini’ kreeg meteen de Debuutprijs 1999. Naar aanleiding van zijn vierde bundel ‘Spinalonga’ ontving de dichter de driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap 2008. Op een gedurfde en begeesterende manier haalt hij met zijn eigengereide beeldentaal, zijn theatraliteit en muzikaliteit de poëzie uit haar dwangbuis. Hij is ook een onvermoeibare promotor van de poëzie. Zo maakt hij met zijn ‘avontuurlijke reizen door de poëzie’ onder de vlag van ‘Het Kapersnest’ veel jongeren warm voor de poëzie. Holvoet-Hanssen is geboren te Merksem, woonde 40 jaar in Deurne en woont en werkt nu reeds 5 jaar te Berchem.”

Vorige stadsdigters van Antwerpen is Tom Lanoye, Ramsey Nasr, Bart Moeyaert en Joke van Leeuwen.

Wat ‘n vreugde! Wat ‘n prestasie … Ons klap saam met hom en Noëlla Elpers, sy mede-kaper en selwers ‘n gedugte skrywer, hande vir dié uitsonderlike eer wat hom te beurt val. Gaan lees gerus Peter se pleidooi vir poësie wat hy vroeër vanjaar gelewer het, asook sy verslag oor die Medellin-poësiefees in Colombia. En dan is ‘n besoek aan Peter en Noëlla se webblad, De Kapersnest, beslis ook die lees werd. ‘n Onderhoud wat met Peter gevoer is, is hier te vinde.

Vir jou leesplesier plaas ek Peter se gedig “Offer in het lentehuis der letteren” wat by die ingang van die  Vlaams Fonds voor de Letteren se hoofkwartier in Berchem teen die muur aangebring is. En lees sommer ook die vers wat ek as persoonlike huldeblyk aan Peter (en Hugo Claus) heelonder by “Kommentare” plaas.

***

Vandeesweek is natuurlik feesweek: Vrydag om 17:00 begin die Versindaba by die Oude Libertas Amfiteater in Stellenbosch met die opening van die kunsuitstalling. Vier kunswerke deur Sheila Cussons, wat reeds ontvang is, is beslis op sigself reeds die moeite werd om te kom besigtig. Om nie eens van die ander digters se skilderye te praat nie! Hierdie gaan gewis iets baie spesiaals wees. En dan moet jy ook nie vergeet van die werkswinkel vir aspirant digters wat deur Ronel Foster en Charl-Pierre Naudé aangebied gaan word nie …

Op die webblad begin ons week met nét sulke opwindende plasings: afgesien van die vertaalde verse wat tot ‘n indrukwekkende getal aanegroei het, is daar ook Bernard Odendaal se nuutste gedig-bespreking (oor Eugène Marais se “Skoppensboer”), wat hy einde verlede week geplaas het, asook Johann Lodewyk Marais se twee stukke uit sy en Leti Klein se boek-in-wording oor Wopko Jensma en Andries Bezuidenhout se inskrywing oor Diktator-camp. Pure plesier!

Laat hierdie week geweldig wees.

Mooi bly.

LE

 

Offer in het lentehuis der letteren

Alsof er nog jaargetijden zijn - als een toeschouwer die
zelf scenario’s bedenkt, zwaan die kinderen voedert.

Zomer voelde geen visjes aan de voeten - herfst zaaide
witte uilen, dood rukte aan de deur - winter beukte
tegen de ramen: ‘Snoei u!’ Gevaarlijk treurspel.

Welkom. Is er post voor Florentina? ’s Ochtends valt zij
door de sterren, ’s avonds springt zij naar de maan.

De nachtmerel fluit, ontregeld lied. Dus dit is lente.
Boeken worden bomen. Zorg ook voor de twijgen, kijk
om de hoek van ‘t huis. Ontsporen hoort bij mei.

Zet het raam eens open. Of vergader als de bloesemrokjes
blozend van de maan. Knal open -
nu wij nog bestaan.

 

© Peter Holvoet-Hanssen, 21.03.08, voor het oude (hoek)huis ‘De Lente’ -
nieuwe verblijfplaats van het Vlaams Fonds voor de Letteren te Antwerpen-Berchem.

Een woordenkaper in Colombia

Friday, July 31st, 2009

Peter Holvoet-Hanssen

 

Reis zeven uur tegen de tijd in, richting Andes. Kijk door het vliegtuigraampje naar Colombia, provincie Antioquia. Daar, de Aburra-vallei waar de ‘Paisas’-inwoners jaarlijks hun bloemenkoningin kiezen. Zoom in op de tweede grootste stad van Colombia: Medellín. ‘Stad van de eeuwige lente’. Stad van de smog zul je denken: wolken van uitlaatgassen vermengen zich met wolken die van de bergen afdalen. Hier is in 1935 de Argentijnse ‘Koning van de Tango’ Carlos Gardel neergestort. Por una cabeza… Gardel zingt hartstochtelijk tussen je oren - in het Spaans dat je vlug tracht op te poetsen. Je krijgt het benauwd, tussen twee luchtzakken door.

Volg die Vlaamse dichter met het Venetiaans blonde piekhaar, strompelend naar de luchthavenuitgang. Taxi, volg die auto - scheurt richting Medellín, laat zich niet door glibberige bochten afschrikken. De chauffeur kijkt niet op naar de militairen langs de weg, zijn vrachtje wel: gedurende veertig kilometer, om de vierhonderd meter, staat een doorweekte soldaat paraat, vinger op de pal. Dan wordt wegentol betaald, welkom in de ‘veilige zone’.

Welkom in Medellín. Bruisende grootstad, struggle for life én salsa. Kleurige bussen die zwarte rook spuwen - de extreme luchtvervuiling doet een aanslag op je longen. Meer dan 3,5 miljoen inwoners op mekaar gepakt, honderdduizenden in ellendige omstandigheden in de barakken langs de bergflanken. Die woestijn van lichtjes ’s nachts zul je nooit meer vergeten. Medellín was in de jaren tachtig nog in handen van drugsbaron Pablo Escobar - nu is het aantal moorden per jaar flink geslonken, sust je reisgids. Die vermeldt Medellín ook als de stad van de poëzie, met ’s werelds grootste poëziefestival. Dit jaar is het de negentiende editie, weerom komt men van heinde en verre voor kleppers uit alle continenten. Gran Hotel, vergane glorie, je bent er: hier logeren 75 poëten uit 50 landen. 

Rep je naar de openingsceremonie. Meer dan duizend mensen trotseren de regen, verstillen bij de Palestijn Ghassan Zaqtan. Poëzie zindert hier door de aders. Van 4 tot 11 juli slaagt www.festivaldepoesiademedellin.org  erin om poëzie overal te laten opgloeien. Zonder oogkleppen: hier leeft poëzie - maar oorstopjes heb je wel nodig tegen het nachtlawaai. Druk bijgewoonde lezingen in huizen van cultuur en educatie, maar ook op pleinen waar voorbijgangers stilstaan en de regen vergeten. Poëzie heeft hier nog een maatschappelijke betekenis. Engagement en verbeeldingskracht gaan hand in hand. Poëzie in universiteiten maar ook in een afgelegen gemeenteschool waar kinderen vanaf 9 jaar met hun ouders anderhalf uur geboeid luisteren naar drie dichteressen - uit Colombia, Costa Rica en Chili - en een dichter uit België. Elders wordt een vlieger met onze driekleur opgelaten (B-H-V is ver weg) voor Peter Cholvoët-Chanssen. Wie is die vreemde vogel? Spreekt hij de taal van Henk van der Waal, van Jan Wagner? Waar ligt Amberes? Lange Wapper? El puente del diablo! Wat is dit? Geen klassieke voordracht, geen performance… ‘Dit festival laat vuurwerk toe’ - zo wordt er gesproken over deze ‘pirata’ van de poëzie. Toenadering. De respons is intens, oprecht warm.

Het klikt tussen ‘HH’ van Het Kapersnest en Sigurdur Pálsson uit Reykjavik. Maar een kaper wil uitbreken uit een goudvisbokaal. 

Op zoek naar een originele invalshoek voor dit artikel struikelt Peter haast over een dakloze die in bloot bovenlijf ligt te slapen op de straatstenen. De begeleider van de verstrooide troubadour, de 25-jarige jeugdverhalenschrijver Leonardo Jesús Muñoz, is zijn engelbewaarder. Een groot talent. Leonardo is door taal en verhaal gebeten, werkt deeltijds in een bibliotheek, onderhoudt zijn blogspot ‘enlapalmademimano’ en gidst hem na zijn werkuren met vrienden (’zij zijn mijn familie’) naar plekken waar als je toerist beter wegblijft. Downtown: dertigduizend gele taxi’s. Na het spookuur stoppen ze voor geen rood licht in geen enkele van de 249 wijken. Medellín is een stad van duistere melancholie maar gevaarlijke humor breekt er door de tralies. Overdag: controle (machinegeweerman bewaakt geldautomaat) én anarchie. Een bedelkom voor creatieve werkzoekenden: laat je wegen, laat je kind op het voetpad een computergame spelen. Heb je geen gsm, geen belwaarde? Die dames met pronkende boezem zijn met mobieltjes beladen: ‘minutos celular’ - per minuut te betalen.

Peter en Leonardo duiken op in het prachtmuseum Pedro Nel Gómez, op uitnodiging van de directeur. Gisteren nog poëzie uit Vlaanderen, hedenavond tango. De zangeres Carolina Ramírez is uit de wijk afkomstig, zo komt het dat ook mensen uit de buurt de weg vinden naar het optreden en het museum - arm en rijk zingen mee. Barrio, mi barrio… Later, ten huize van de diva, toont haar vriend - een bezeten theatermaker - trots en ontroerd haar garderobe.

Colombia heeft één metronetwerk: in Medellín. Leonardo voert Peter mee naar de Metro Cable: een kabelbaan voert hen op een onweersavond in een wiebelende cabine de bergflanken op. Ah, de wind in de kabelbaan! Laatste halte: een straatfeest. Rappers geven van jetje tegen drugs, kinderprostitutie, corruptie. Uitzinnige jongeren. Hier geen (zichtbare) paramilitairen of politiemacht. Die jongeman draagt wel een knuppel rond de hals… Hogerop - vertelt Leonardo - moorden kinderen van amper tien voor een handvol geld. Maar Peter voelt zich veiliger dan op de Meir. Gezant van het Vlaams Fonds voor de Letteren, moet je niet terug, festivalwaarts? Peter ziet een merrie in de nacht, zonder meester en zonder zadel, door de straat kuieren. ‘Die gaat ’s ochtends weer naar de baas,’ zegt Leonardo, ‘wij moeten nu naar het metrostation.’

Die nacht is ook het Gran Hotel geen goudvisbokaal meer. Klink mee met de Italiaanse Guido Oldani op een Europa zonder dichtsgeknepen gatskaken, een Europa van de poëzie. Verbroeder met de directeur van het festival: de rots in de branding Fernando Rendón. 

’s Ochtends de kater: de regering beticht het festival - symbool voor geweldloos, vitaal poëzie-erfgoed - van sympathie voor de FARC-guerilla. Een petitie gaat rond bij de ontnuchterde schrijvers…

Wat weet je na zeven dagen in je decadent-verwende cocon?

Denk aan de lezing in het Parque Explora, een soort reuze-Technopolis in een van de gevaarlijkste wijken: gratis voor de straatkinderen uit de buurt, tot het vierde leerjaar. Medellín: stinkend als een kaper uit zijn bek, zet de stad het zolderraampje in je schedeldak helemaal open.

Peter Holvoet-Hanssen, www.kapersnest.be

‘n Bos het al sy wortels nodig

Monday, July 20th, 2009

Pan Cogito

 

Ek het enkele dae gelede klaar gelees aan Danie Schreuder se bundel kortverhale, ‘n Beter hemel (2009: Tafelberg Uitgewers). Terwyl ek deur al die inspirerende leesstof op julle webblad rondsnuffel, kon ek net nie die een beeld wat Danie Schreuder in ‘n verhaal gebruik het, uit my kop kry nie. Dit is naamlik die verhaal waarin hy na die bos bome teen Papegaaiberg verwys en meer spesifiek na die wortels wat ondergronds verstrengel lê en al die bome bogronds voed; van die grotes tot selfs die heel kleintjies.

 

So is dit met die meeste skrywes op hierdie webblad gesteld, myns insiens. Neem nou byvoorbeeld Marlene van Niekerk se opmerkings en Charl-Pierre Naudé en Danie Marais se artikels. Hulle sê eintlik presies dieselfde ding; net op ‘n ander manier. Dieselfde geld Peter Holvoet-Hanssen se praatjie, oftewel vuurspeech! (Terloops, laasgenoemde stuk is as oorkoepelende kommentaar eintlik ‘n treffende samevatting van die voorafgaande stukke.) So ook die gesprek oor “toeganklike poësie” wat so ampertjies hier kop wou uitsteek. Dis nou na aanleiding van Bernard Odendaal se blog in reaksie op Jaybee Roux se dwarsklappe in Die Volksblad. In ‘n Nuuswekker het Louis Esterhuizen ook na André Kotzé se stuk op LitNet verwys …

 

Hopelik het julle ook Andries Visagie se Kopstukke (”Waar is die opstopper-gedigte?”) in Die Burger van 11 Julie gelees? Hierin lewer hy weer ‘n stewige betoog ten gunste van die hermetiese vers, soos hy dit noem. En natuurlik - die opstootjies van ‘n klompie weke gelede oor die gebruik van intertekstualiteit. Alles eintlik maar net die verstrengelde wortels ondergronds wat dieselfde bos voed, is dit nie? Waarom dan die heftige kap en die téénkap? Solank die leser van die digkuns nie ‘n homogene groep is nie, is die totale verskeidenheid van die digkuns ‘n noodwendigheid. En die wonderlikste is dat niemand eintlik daardeur bedreigd hoef te voel nie. Dis tog iets om te geniet, is dit nie? In watter vorm of gedaante dit ook al na ons toe kom … Solank julle as digters net voortgaan met dit wat julle móét doen. En dit is om gedigte te maak.

 

Voorspoed daarmee!

Heruitgee van klassieke inheemse tekste

Monday, July 20th, 2009

 

Nasionale Biblioteek - 'n Kunstenaarsvoorstelling

Nasionale Biblioteek -

Na my Nuuswekker verlede Vrydag, waarin ek berig het van die enorme bedrag geld wat bewillig is vir die bevordering van Nederlandse letterkunde in Brittanje, het ek vinnig deur ons eie regering se webblaaie gesnuffel om te kyk of ek enige aanduiding van soortgelyke projekte kan vind; ek meen, ons het dan kulturele samewerkingsooreenkomste met bykans elke land waar ’n boek vasgehou kan word … Nietemin, groot was my vreugde toe ek inderdaad ’n uitmuntende projek kon raaklees: die Departement vir Kuns en Kultuur het naamlik in Februarie vanjaar opdrag aan die Nasionale Biblioteekdienste gegee om bepaalde klassieke inheemse literêre werke te herdruk. Minister Pallo Jordan, wat die “Reprint of South African Literary Classics Project” op 19 Februarie afgekondig het, het die volgende te sê gehad: “(This) campaign wishes to promote reading and writing in indigenous languages, and thereby to help promote literacy. It is our fervent hope that (the project’s) impact will be to inspire emergent writers and even those who might have given up owing to the discouraging environment of the past, to come forward with their works.” Blykbaar is daar reeds 27 titels herdruk, waaronder werke van Samuel Mqhayi, Sibusiso Nyembezi, ML Bopape, SP Lekaba and TN Maumela. Die volledige berig kan hier gelees word. (Terloops, die foto hiernaas is ’n kunstenaar se voorstelling van die nuwe Nasionale Biblioteek wat in die vooruitsig is.) Maar, ter wille van interessantheid, nog ’n aanhaling uit minister Jordan se toespraak: “If no one else wishes to preserve these works, we as South Africans have a responsibility to our nation and humanity to ensure that they survive into the future.” En natuurlik geld dieselfde argument ook ten opsigte van die Afrikaanse letterkunde, en veral die digkuns: Indien óns nie daadwerklik tot die behoud en bevordering daarvan meewerk nie, sal niemand anders dit doen nie; die wanbalans is gewoon té groot.

Ten slotte - Dit was Saterdag Simon Vinkenoog se begrafnis in Amsterdam. Getrou aan sy rol as Dichter des Vaderlands het Ramsey Nasr ‘n gedig ter ere van die ontslape digter geskryf. Dié gedig kan hier op De Standaard se webblad gelees word. Vir ‘n meer omvattende verslag kan jy De Papieren Man se berig hier lees. Terloops, in ‘n vorige Nuuswekker het ek genoem dat Peter Holvoet-Hanssen inderhaas vir Vinkenoog op die Felix Poetry Festival se program moes vervang nadat laasgenoemde gehospitaliseer is vir ‘n been-amputasie. Peter was vriendelik genoeg om vir ons die teks van sy Pleidooi vir die poësie vir plasing op die webblad te stuur. Moenie dat dié entoesiastiese en inspirerende praatjie jou verbygaan nie … Pure leesplesier, soos ‘n mens inderdaad van hierdie “seerower des lettere” kan verwag. Die berig is hier geplaas. En lees sommer ook sy vermaaklike brief wat in die Brieweboks geplaas is.
’n Vreugdevolle week word jou toegewens en balanseer tog die dinge uit.

Mooi bly.

LE

Peter Holvoet-Hanssen lewer pleidooi

Sunday, July 19th, 2009

Peter-Holvoet-Hanssen. Foto: Jo Clauwaert

Peter-Holvoet-Hanssen. Foto: Jo Clauwaert

PETER HOLVOET-HANSSEN
(Antwerpen, 1960) Deze dichter weet oude tegenpolen te overstijgen. Creëerde een eigen niche in de poëziebiotoop met het ‘magische drieluik’ (1)  Dwangbuis van Houdini (1998, Vlaamse Debuutprijs 1999), Strombolicchio (1999, Dirk Martensprijs 2001) en de vossensprong Santander(2) (2001). Na zijn ‘anti-roman’ De vliegende monnik (2004) (3) verscheen het alweer zeer lovend ontvangen Spinalonga (2005, driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap 2008). Het slot van zijn eerste poëziereis – spelend met toeval en niet-toeval, evenwicht en onevenwicht, licht en donker (ook op het podium) – ging de stilte van de dieperik in: de ‘wrakhoutgedichten’ van Navagio (uitg. Prometheus, 2008; De Morgen: ‘een monument van taal’, HUMO: de Vlaamse ‘Electro-shock blues’ van de poëzie). Werkt aan een prozaproject in Oostende, publiceert daar maandelijks in ‘Het Visserijblad’.

 

Als troubadour(4): ‘reizen door de poëzie’ voor jongeren onder de vlag van ‘Het Kapersnest’.

Info: www.kapersnest.be (met Noëlla Elpers);

PHh woont te Antwerpen-Berchem en leeft sinds 2003 van pen en voordracht.

Bijgevoegde foto van Jo Clauwaert: steeds diens naam vermelden bij publicatie.

1  quote: Jos Joosten

2  Gerrit Komrij: ‘zolang Peter Holvoet-Hanssen met zijn toverstaf zwaait, licht het landschap op’ (NRC)

3  Boek van het Jaar van Marc Reynebeau (De Standaard)

4  niét ‘performer’

‘PLEIDOOI VOOR DE VINKENSLAG (BUITEN WEDSTRIJD)’

 

Felix Poetry Festival, donderdag 18 juni 2009 – © Peter Holvoet-Hanssen

 

OPGELET:

- énkel en alleen bestemd voor publicatie te http://versindaba.co.za

- dit is geen essay, maar de ruwe versie van een ‘vuurspeech’ gehouden door PHh ter vervanging van de toen reeds gevaarlijk zieke Simon Vinkenoog: na diens jammerlijk overlijden werd uiteindelijk besloten onderstaande (spreek)tekst-in-werkversie (onafgewerkt, niet verder bewerkt) onveranderd te houden.

 

 

1)    intro

een (licht aangepast) fragment uit de dichtbundel ‘Spinalonga’

(uitg. Prometheus, Amsterdam, 2005)

 

Dit is de stad

 

Hoort, hoort, in alle talen zwijgt haar avondrood.

‘Zee in de zee en vermiljoen, zo is mijn schoot.’

                       

Europa, zwarte gaten rukken op – aan de rand van de stad

kijkt een jongen naar rechts, wordt langs links gegrepen door een trein

 

ramt wel eens een building en met regelmaat een collega

snijdt soms op een warm spoor een vlinder de vleugels af

 

maar ‘t binnenrijden van ‘t station als ‘t avondblauw aan ‘t nachten slaat

een groezelige grensovergang met op een zijspoor een vuil stel, verweesd

 

een mankende duif, op weg naar het perron – is wel

is niet – geen romantiek maar de kadans van een doodseskader

 

kom binnen, ik zoem en jengel om aandacht, verscheur de door mijn fijn stof

benevelde nacht, verstik de sterren, een krakerspand met zwarte macht

 

de laatste asielzoeker denkt: dit is niet romantisch, is dit dus de stad

van het droomland – een cel in de hel, van leegte krijt zij op de stoep

 

dit is de stad, bij de grijsgroene rivier

bij Maria en bij Allah, dit is de stad

 

 

2)    Dames en heren,

 

 

poëzie is geen kleurwedstrijd. Hier geen oogkleppen. Het beste pleidooi voor de poëzie is immers de poëzie zelve. Als zij tenminste tot uw verbeelding spreekt.

Welkom, in Antwerpen, stad die zich wapent tegen de Lange Wapperbrug – in mijn poëzie ‘visionair’ betiteld als ‘de Duivelsbrug’. Welkom op het eerste – internationale – Felix Poetry Festival. Moge poëzievonken dit prachtige pakhuis doen opgloeien als nooit tevoren, dat het festival er als een vuurtoren mag staan, want ik heb het zo vaak geschreven en verteld, u hebt het www.overigens.be net gehoord, u leest het dagelijks in uw krant: zwarte gaten rukken op. Tegenpolen gloeien nu gevaarlijk op: West – Oost,… En vluchten kan niet meer, zelfs niet in uw meest Vlaemsche bunker (ja, sorry, ik ben een Waal in het diepste van mijn gedachten): het lachen zal u vergaan want het leven ís onveilig van nature. 

Dichters en poëzieminnenden, schrijf en spreek daarom met uw fijnste sterrenstof-stem, bezeten of kühl und sternhell [1] met een innerlijke nóódzaak. Paul Van Ostaijen stelde: ‘kunst is liefde in elke daad’. Kras daarom met uw grootste hart en beste pen als nimmer tevoren in deze vervuilde tijdruimte zo ziek van miserie en eigen-Belang, een tijd waar westerlingen met dichtgeknepen gatskaken in hun 4×4 in de file staan luisterend hoe ze in Belfast families Roemenen (in 2007 toegetreden tot de E.U.) in de prak slaan, poëzie als een aardig randverschijnsel beschouwend (“Poëzie??”), een tijd waar – na het anything goes uit de jaren negentig – het poëtisch denken nog een knieval zou maken voor consumptie en beluistering-op-maat, of verwordt – zoals Jos Joosten ooit stelde – tot een vrijblijvend tijdverdrijf met voldoende vrije tijd en verder ook weinig tot niets te klagen.

 

Nee, geef mij dan het vuur van Simon Vinkenoog. Hij sprak met gloed:

‘Alles is poëzie. (…) Niets is uit te sluiten van die ontroering die aan de bron van al het leven en de creativiteit staat. Ritme en beweging, klank en vorm zijn ons gegeven om te vertolken in poëzie, muziek en dans. (…)’

Goede raad is vuur, voor Vinkenoog. Graag citeert hij Antonin Artaud, diens theater van de wreedheid dat oude tegenpolen met verstomming wist te slaan.

Ter zijner ere, en voor u, luister even naar wijlen Artaud:

 

O PEDANA

NA KOMEV

TAU DEDANA (etc.)

 

Simon Vinkenoog stelde:

‘Ware poëzie is een energie-overdracht uit de hoorn des overvloeds, een daad van bevestiging (hier knipoogt hij wellicht naar het pleidooi voor poëzie van Eddy Van Vliet zaliger – voor wie poëzie een lévensbeschouwing was), (ware poëzie is volgens Vinkenoog) een teken van overlevingskunst.

Geen hobby, maar een passie. Geen luxe, maar noodzaak.

Levende adem, waaiende geest, bewogen ziel.

Poëzie dient onverbiddelijk te zijn, of niet.’

         

Volledig akkoord. Poëzie dus, zoals ík het noemen wil: als een VINKENSLAG. Maar niet gebonden aan een opgeklopt wedstrijdgebeuren (‘Hoeveel slagen heb jij?’). Veel verder gaat dit ook dan een knípoog-‘kwinkslag’: het is de kwinkslag van de niét weg te lachen nar die zich, waardig, durft onwaardig te gedragen. Om vertakking en verstrakking weer vloeibaar te maken, tot monding te brengen. Poëzie, niet om het gekneusde ego op te blazen of om de cultuurcentra wat te verstrooien, maar om het lied, om de slag van het vliegen.

Lach dus niet meer schamper om het woord ‘troubadour’, tatoeëer op je voorhoofd geen 56 sterren maar een vers van François Villon (geen ongevaarlijke schavuit trouwens), die schreef – en men zong het in de donkerste kroegen van Parijs: DE DOOD SLAAT TOE ZONDER PARDON .

Als je crasht, zoals ik op het einde van mijn eerste poëziereis, BREEK JE dan AF EN BOUW JE weer OP: je hebt tenminste getracht uit de dwangbuizen te ontsnappen.

 

— Simon Vinkenoog is helaas zeer ernstig ziek.

Het is een hele eer zijn plaats te mogen innemen, maar als eerbetoon heb ik zijn boek bij: ‘GOEDE RAAD IS VUUR’, in 2004 bij Uitgeverij Passage verschenen toen hij 75 jaar was. Moge deze krasse Vijftiger uit donkerdiepe ziekenhuispoelen weer fonkelend boven borrelen…

GOEDE RAAD IS VUUR – ik zal er af en toe iets uit voorlezen. Bv.:

‘Poëzie is geen afleiding. Zij kan niet opgeroepen worden om troost te bieden, hoe zwaar ook de tijd.’

— Dat kan u lezen in dit boek.

Ik denk dan: mensen die amper of nooit poëzie lezen, wanneer komen ze ermee in aanraking? Als ze een tekstje zoeken voor een doodsprent? Daar is niets op tegen. Maar geef mij dan poëzie die troost zonder te troosten. Taal als vervoermiddel – van hobbelpaard tot lijkauto over de kasseien – voor vervoering. Vervoering betekent echter meer dan ontroering: je mag de lezer ook ontregelen, uitdagen, shockeren zelfs. Waar wacht u dan op? Poëzie is er niet om te ‘begrijpen’, zeg ik tegen jongeren tijdens mijn ‘Avontuurlijke reizen doorheen de poëzie’, wetende dat meer dan 80pct van de mensen (ook de leerkrachten) zulke ‘gemakkelijke’ poëzie verkiezen. Euro in een gedicht stoppende, willen ze instant emotie en begrip terug. Een neo-liberalistische reflex? Maar poëzie is er niet in het minst om die dingen voor de geest te schilderen waar je net niét de vinger op kunt leggen. Zij opent een waaier van werelden, rijt de taal open, om – zoals Jeannette Winterson zei – de wonde schoon te maken en het dan geleidelijk aan te leren zichzelf te helen. Die geneeskracht: daar is Simon Vinkenoog van overtuigd.

— Die ‘healing power’ is niet míjn dada, daarom voeg ik er aan toe: het ultieme gedicht is een gebeurtenis, mag niet geschreven lijken. Of het nu hemelbestormend is of het dagdagelijkse leven als setting heeft, of het droevig is of grappig (of allebei), ogenschijnlijk vlot of complex (of allebei), meeslepend of confronterend (geef mij maar: allebei): maak van je gedicht een belevenis. Dat het lééft. Dat kan met enkele woorden, als diamanten geslepen en uitgezet op een blad. Of als een caleidoscoop, aan scherven. Dat kan in een spervuur, maar ook in een sonnet. Maar wees je eigen alchemist – je eigen vijand, dichter – als je de taal tot woordkunst maakt. Durf je grenzen te verkennen, te verleggen.

— Ikzelve ben nu een heel andere poëziereis opgestart… Elke maand publiceer ik ‘exclusief’ een voorsmaakje voor de laatste vissers in het Oostendse ‘Het Visserijblad’. Dit ongepubliceerd gedicht staat op stapel:

 

De inslag

 

Jan Bart, maak 386 bodems buit.

Vecht terug, ze kelderen de laatste vissersschuit.

 

De dichter melkt de fles, zo handig, vol herkenbaarheid.

Wat een metier! Applaus! Een zebra: een pyjamapaard.

Een dichtbundel: een olifantje, klein en afgericht.

Waarom begin je geen frituur in Budapest – en bak

gedichten als goulashkroketten of zigeunersticks.

De wolkenkrabbers smelten maar jij komt niet uit je kot.

Nee, hoofd omhoog en schrijf: een tram rijdt door mijn linkeroor

 

Wat heeft mijn leven met je leventje te maken, denkt

de dakloze, wagon in as. Ruik je zijn hersenen?

Pomp van het groot verdriet. Zijn boot ging overboord – verhaal

werd kaalgeplukt door modeschapen. Geen moraal. De sloop.

Oom Walter heeft een webcam – gecastreerde cavia’s.

De bakermat: bacteriën, een mens een biotoop.

 

 

— Deze verzen kwamen tot stand na lezing van de geschriften van de bioloog Lynn Margulis (zie niet in het minst het literaire tijdschrift ‘De Gids’ (NL, mei 2009)), zij stelde in een lezing: ‘Wat wij ‘het milieu’ noemen is ons lichaam. En dat we niet in staat zijn dat onder ogen te zien, is vermoedelijk de bron van de meeste milieuproblemen.’

Ziet u die uitspraak niet onder ogen? Wij moeten buiten onze oevers treden. ‘Gedurende de eerste twee miljard jaar, misschien zelfs langer, misschien wel drie miljard jaar, was de wereld bacterieel.’ Respect dus voor de oeroude stromatolieten! Wij mensen zijn een bacteriehaard, wij zijn hun vervoermiddel. De wereld bestaat uit een waaier van werelden, en jij en ik ook. De wereld is bacterieel, viraal. Geschiedenis stroomt door ons bloed. Dat opent de ogen.

Zelve schreef ik gedichten als spoorelementen (sommige sporen liepen dood, andere doken gedichten later of dichtbundels later weer op: zo sterft ‘Sneeuwmaker’ uit mijn debuut ‘Dwangbuis van Houdini’ in de laatste wrakhoutbundel ‘Navagio’).

Ik schreef dichtbundels als organismen, in een spanningsveld met toeval (woorden die ik optekende als een woordenjutter) en niet-toeval (scenario’s die ik bedacht), spelend met evenwicht en uit-balans (de eerste helft van ‘Santander’: symmetrie versus de tweede helft: met opzet uit evenwicht, ontsporing), op leven en dood in de clinch met licht en donker… Een ‘paradigma’ nog niet (h)erkend, maar wij ploegen – ‘onnavolgbaar’ – voort…  

Nu de kaarten verdeeld zijn (de bloemlezing ‘Hotel New Flanders’ is er gekomen), nu de beste exempels aan de Andere Kant van de tafel flink wat sterren kregen, ligt nu juist een uitdaging klaar om een derde weg te verkennen. Zonder new age op speed. Modernisme / post-post-laat-modernisme. Stopt het hier? Gaan wij verder wat borduren? Hoog tijd om verder te denken, verder te tasten. Grijp je hersenpan bij de steel en durf over die schuttingen te kijken, in het licht ook van nieuwe ontdekkingen (zwarte maar ook: witte gaten, materie maar ook: anti-materie). Zo ver moet je het niet zoeken, geen wierook of gezwam. Elke mens is immers zelf een biotoop.

En dat derde, ontbrekende getal (tien jaar mijn dada, mijn zoektocht), dat ooit een monnik in waanzin deed opvliegen? Het is eigenlijk poep-sim-pel en er hangt zelfs geen geurtje aan.

Vb. Je woont in Palestina? Dat is dan één. Leer dan je roots kennen.

Kijk dan naar Israël. Daar aan de Andere Kant ligt twee. Jodendom. Bestudeer het. Stijg dan boven één en twee uit, om even (voor je weer valt in je eigen veld) in dat derde camerastandpunt de zaken te bekijken. Lijkt een normale zaak, maar helaas, ook in zogenaamd intellectuele kringen dringt het niet door. Nee, we spreken liever over ‘dé Walen’, ‘dé Marokkanen’,… Zoals we in de middeleeuwen iedereen die donker van huid was (van Berber-bergen of Timboektoe afkomstig) ‘de Moren’ noemde.

M.a.w. er valt nog zo veel te exploreren. Kijk niet neer op wie op zijn bek durft te gaan. Ontgin deze mogelijkheden, maak die nieuwe verbindingen. Wie heeft er nood aan een gepolijst product binnen de krijtlijnen van een achterbannetje? Lijnen moeten er zijn, reflectie is onontbeerlijk, je moet inderdaad nadenken over je positie in het veld. Maar dan: doorploeg dat veld, breek uit. Er is nog leven buiten de lijnen, buiten de territoriale wateren.

MAAR: kennen wij ons ‘veld’ wel genoeg? De ploegmeesters?    

Ik pleit daarom, zoals ook Paul Claes doet, om de klassiekers te lezen en herlezen. Paul Claes zei recent in een ‘Poëziekrant’-interview:

‘Alleen door de traditie voortdurend te hergebruiken en te herinpreteren, kan ze levend blijven.’ Dat is meer dan gewoon doorgeven van erfgoed. Op zijn minst moeten wij de vuurpijlen herbekijken, vind ik, van de Griekse cynici Antisthenes en Diogenes, en dichters als Lucebert herlezen, naar diens goddelijk klankspel luisteren, om zo onze eigen, kleine revolutie vorm te geven. Hoe klein ook of tot falen gedoemd. Maar giet het in schitterende, noodzakelijke, ‘pregnante’ vormen (je mag gerust het biervilt-formaat verlaten, bv. een gedicht in wolkenvorm schrijven).

 

Dit is een pleidooi voor spanning en noodzaak. Om bv. het gezichtsveld van ik-lyriek te verbreden, andere kamers van de poëzie te openen. Maar ach, het is al zo vaak gesteld. Geraakt u niet verzadigd van die pleidooien? Ik wel.

— Laat ons daarom terug naar Vinkenoog gaan, want ik ging nog wat voorlezen uit GOEDE RAAD IS VUUR:

          ‘Doorgrond jargon en shoptalk, houd je niet bij de koetjes en

kalfjes, confronteer eens je vriendenkring met een Soefi-uitspraak:

“Om te kunnen leven, moet je kunnen sterven. Om te kunnen sterven, moet je ontwaken. Ontwaken doe je 1000 keer. Sterven doe je één keer.”’

Of:

‘Jonge dichter, zoek je eigen stem.’

Of:

‘Een betrokken poëzie. (…) Eenvoudig of onbegrijpelijk. Daar ga ik voor. Dat is ook mijn uitgangspunt, mijn raad, mijn keuze. Ook ben ik ervoor dat poëzie uitgesproken moet worden, gehoord moet worden.’

Tja, helaas heb ikzelf – in tegenstelling tot de edelbeste Simon Vinkenoog – zo vele gedichten geschreven die zich niet tot voorlezen uitnodigen, ik heb steeds die enkele gedichten gehanteerd (bv. personages die in mij wonen die ik op een podium kon uitvergroten) die zelf wensten voorgelezen te worden. Maar voor je het weet, krijg je dan het etiket ‘podiumdichter’ toebedeeld. Veel van mijn verzen, en dat vergeet men zelfs opzettelijk, lenen zich beter tot lezen dan voorlezen.

Wat niet wegneemt dat het mijn ambitie is – en to have ambition was my ambition zoals The Gang of Four in de jaren ’80 zong – ooit één gedicht als een lied te schrijven dat in het collectieve geheugen wordt opgenomen – mijn naam verdwijnt vroeg of laat. ‘Drie schuin tamboers die kwamen uit het Oosten…’ ‘Daar was eens een meisje loos…’ Wie heeft dat geschreven? Daarom verdiep ik mij momenteel met het dolende verteltheatergezelschap Les Astres de Madame Toutou in de orale traditie samen met www.donfabulist.be en ga op avontuur met Vertellers…

 

Soit, terug naar Vinkenoog. Hij brengt hulde aan onze held Arthur Rimbaud, die in een brief het onderscheid maakte tussen het kritische ik en het creatieve ik (het u welbekende ‘Car Je est un autre’). Hij houdt een vurig pleidooi voor opwinding, zindering – opdat je als een ander mens uit een gedicht tevoorschijn komt.

 

Wel, zulke gedichten zijn schaars, maar: ze worden geschreven. Naudé nog aan toe. Er zijn schitterende dichters, oud én jong. Maar als zij op veilig zouden gaan spelen, het betere maakwerk, dooft het vuur uit.

 

Mijn lijfspreuk blijft dan ook die van Jean Cocteau: ‘soyons courageux, soyons fous –‘

Vinkenoog haalt een anekdote boven in zijn boek. ‘Gevraagd wat hij zou meenemen als zijn huis in brand stond, antwoordde Cocteau: “Het vuur.”’

 

Is dat een anekdote? Nee, dit gaat over het Heilige Vuur. Over noodzaak. Over niet vrijblijvende gedichten als een VINKENSLAG, zomaar niet hapklaar voor de bloemlezingen.

 

We hebben méér dichters met visie nodig, vuur én visie.

Inderdaad, ze zijn er, Ter Balkt nog aan toe.

Maar we moeten hen ter hulp snellen. Hun dichtbundels kopen,…

Hen tenminste toch af en toe lezen.

Een cultuur wordt door ‘ons kapers’ gemeten aan de hand van de belangstelling, hart en vuur voor poëzie. Alle gedichtendagen nog aan toe, dan scoort onze samenleving niet goed.

 

Poëzie als een vinkenslag moet lijden tot het einde van het onderscheid ‘ik wil mijn gedichten toegankelijk’ of ‘zijn die gedichten wel Van Bastelaere approved’?

Poëzie als een vinkenslag (buiten wedstrijd) moet lijden tot het einde van de dichotomie klassieke voordracht versus ‘performance’.

Moet lijden tot het einde van pleidooien voor poëzie.

Want poëzie als een vinkenslag lijdt vanzelve tot vlezige gedichten in het spoor van Claus (de oproep van David Van Reybrouck), lijdt vanzelve tot gedichten (ik refereer nu naar Erik Jan Harmens) die je bij de ballen nemen,…

Moet eindigen tot het einde van dit pleidooi.

 

Tot slot, MARC REUGEBRINK op zijn blog stelde het haarscherp – laten we eens goed naar hem luisteren (gelukkig mag de schrijver van hem naast zijn werkzaamheden ‘best de activist uithangen’).

 

‘Literatuur gaat altíjd over de wereld – ze produceert werkelijkheid die staat naast of tegenover, parallel loopt of samenvalt met de andere, elders geproduceerde werkelijkheden. (…) Dus laten we dit nou eens afspreken met elkaar: in plaats van aan literatuur van alles te willen opleggen met betrekking tot onderwerpskeuze (hij refereert hier naar recente ‘Vegtlijnen’ van Erik Jan Harmens en Ilja Pfeiffer), zouden we er beter aan doen haar te lezen als juist uitdrukking van werkelijkheid – niet als een op zichzelf betrokken, een ‘fictionele’ of louter ‘literaire werkelijkheid’, maar als een werkelijkheid die met literaire, en niet met journalistieke, wetenschappelijke enz. middelen tot stand is gebracht.’

 

Ughh, daar kan ik me in vinden. Gedaan met dat ‘poëzie moet dit, het moet zo en zo’, denk zelf na. En zelf vind ik dat de dichter in de wereld staat en zich best opent voor die wereld, maar ik ga het niemand opleggen. Ik ben geen dwangbuismaker. Maar het is wel heerlijk om te probéren uit die keurslijven te ontsnappen.

 

Ikzelf ging in de voetsporen van Harry Houdini op onderzoek, HH die binnen én buiten de wet stond. Ik smokkelde met opzet flauwe grapjes in mijn verzen (‘draag geen string onder je kilt’), als JUNK-DNA, om het zaakje soepel te houden. En eindigde punched in the stomach by a young man – maar: Harry komt terug, zijn bravoure stopt niet als wij in zijn voetspoor de kettingen aanpakken, één voor één, de dwangbuizen die wij voor mekaar maken.

 

Kent u de TV-serie ‘The Wire’? West- en Oosthoek spuwen Omar Little uit, Omar hoort niet bij de East Side of West Side van Baltimore. Omar is een nomade op roverstocht. Bloed vloeit in Baltimore, het stolt niet. Omars ogen zijn maankralen. Omar scheert boven de tweespalt en boven de verdeel- en heersmentaliteit. Hij lacht zijn tanden bloot. Over het hele gezicht heeft hij een litteken. Omar heeft een erecode. De rest over ‘Omar en The Wire’ kan je lezen op www.kapersnest.be

 

Wij dienen (zoals Omar) Walt Whitman te lezen en te herlezen met Lorca en Rilke in de achterzakken, met Leonard Cohen op onze iPod: Walt Whitman, de ‘dichter als verslaggever én mysticus, beschaafd én anarchistisch,…’ Brouw uw brouwsel op het ritme van alexandrijnen of vreemde tam-tams, erudiet én vulgair, met oog voor het wetenschappelijke, maar heb ook oog voor subtalen en oor voor klankpoëzie. Alles staat ter uwer beschikking. ‘Alles is poëzie,’ zei Simon Vinkenoog. Kijk in uw afgrond, zie uw donkerste kant in de ogen.

O, kom je zoals ik nog niet aan de enkels van een Rabelais? Luistert er niemand meer? Blijf zingen, om het lied in je zelf. Al haal je maar één vinkenslag – uw poëzie in deze wereld waar alles NUTTIG moet zijn, is broodnodig, uw schone ‘nutteloosheid’: meer dan ooit nodig.

 

Voor mij geen Europa van dichtgeknepen gatskaken, maar van poëzie. Dichters, breek uit uw ei! Nee, dit is geen pleidooi om samen een omelet te bakken, maar verzenbrouwers mogen best eens uit hun cirkel breken, met uitgestoken hand, om nieuwe ervaringen op te doen en uit te wisselen.

Zucht, daar gaan we weer. Maar ik ga dra Columbiawaarts [2], om te proeven daar van het witte VUUR. Poëzie: zij lééft toch in ons, is het levend vuur. Zo niet, zijn wij levend dood. Dan wordt de vinkenslag een wedstrijd, worden dichtende vogels in een kooi opgesloten tot vermaak van het publiek. Tot ergernis van de volière-wachters, dromend van een nieuwe villa. Een hagelwitte keuken.

Dan verdwijnt de gouden wolkengloed weerspiegelend in modder- en bloedplas in het gapende gat van onze cultuur.

 

Zet dus het zolderraampje in uw schedeldak open. Zie je die lijnen in de lucht? Kleur meer buiten de lijntjes. Nu is het moment daar. Hoog tijd voor poëzie. ‘Ring the bells that still can ring.’

Hoor, Leonard Cohen, live in London: ‘There is a crack, a crack in everything, that’s how the light gets in.’

 

Jalal al-Din Roemi, de 13e eeuwse Perzische Soefi-mysticus, stichter van de orde

 

van de ‘dansende derwisjen’, schreef (het staat opgetekend in Simon Vinkenoogs

‘Goede raad is vuur’):

                  

    Ik ben de mist in de ochtend, ik ben de adem van de avond,

    Ik ben het ruisen in de bomen, de zingende golf van de zee.

 

    Ik ben de mast, het roer, de roerganger en het schip

    Ik ben het koraalrif waarop het vergaat.

 

    Ik ben de boom van het leven en de papegaai op zijn takken,

    Stilte, Gedachte, tong en stem.

 

Laat daarom, nu, onverbiddelijk, de poëzie voor zich spreken.

 

Horen wil wie h o o r t.

 

 

Peter Holvoet-Hanssen

 

(‘Where where where is my gypsy wife tonight ♫’)    

 

18/9/2009

 

_________ http://www.kapersnest.be _________

 

 

Peter Holvoet-Hanssen en die Medellin-poësiefees

Monday, July 6th, 2009
Peter Holvoet-Hanssen

Peter Holvoet-Hanssen

Die grootste poësiefees ter wêreld, naamlik die Medellinse fees in Colombia, het dié naweek begin en sal tot 11 Julie duur. Die fees, wat jaarliks deur bykans 35,000 mense bygewoon word, betrek vanjaar meer as 50 digters vanoor die hele wêreld; waaronder Peter Holvoet-Hanssen wat vanjaar die Vlaamse digkuns met ‘n borgskap deur die Vlaams Fonds voor de Letteren sal verteenwoordig. Holvoet-Hanssen, wat in 2007 die Vlaamse Kultuurprys verower het, se mees onlangse bundel is Navagio wat in 2008 verskyn het. Die VFL borg elke jaar een van hul digters om aan hierdie ongelooflike geleentheid deel te kan neem. Vorige geborgde deelnemers aan dié fees was onder andere: Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Erik Spinoy en Miriam Van hee. Hierdie is reeds die 19de fees wat in Medellin aangebied word.

Gaan lees gerus weer die Nuuswekker van 6 Mei wat oor Holvoet-Hanssen gehandel het, of besoek sy webblad by www.kapersnest.be

Dan het ons webmeester gedurende die naweek sommer heelwat nuwe leesstof op die webblad geplaas; snuffel rond en geniet! Ook is ons besonder opgewonde om Ronel Nel, die laaste van die twee nuwe bloggers, met haar eerste blog-inskrywing te verwelkom. Vanweë haar agtergrond as joernalis en haar betrokkenheid by verskeie innoverende poësie-projekte, is haar inskrywings beslis iets om na uit te sien … 

Mag hierdie week ‘n veugdevolle een wees.

Mooi bly.

LE