Posts Tagged ‘picasso’

Edwin Fagel. Mooi (5)

Friday, February 24th, 2012
Picasso - Fille devant un miroir

Pablo Picasso – Fille devant un miroir (1932)

 

 

“Ik ben Picasso! Wij gaan samen grote dingen doen.” Op 8 januari 1927 zag Pablo Picasso (1881-1973) in Parijs een blond meisje met een klassiek gezicht de metro verlaten: de op dat moment 17-jarige Marie-Thérèse Walter. Hij sprak haar naar verluidt met deze woorden aan. Hij had gelijk. Na deze ontmoeting volgde een indrukwekkende reeks schilderijen, etsen en tekeningen met Marie-Thérèse als onderwerp. Eerst verborgen, omdat hun relatie verborgen moest blijven voor Picasso’s toenmalige echtgenote, de danseres Olga Kokhlova. Later zonder enige terughoudendheid. In de schilderijen waar Marie-Thérèse als model fungeerde is de grondtoon meestal erotisch. De schilderijen zijn vaak een ode aan haar klassieke schoonheid, haar jeugdige kracht. Maar Fille devant un miroir (1932) brengt daar een extra laag in aan.

 

Het schilderij hangt in het Museum of Modern Art in New York en ik vond het schilderij, toen ik het er vorig voorjaar zag hangen, ronduit magisch. Het klassieke thema van een vrouw die in de spiegel kijkt waarbij de reflectie wordt weergegeven als een doodsmasker is sowieso aangrijpend; het wordt in dit schilderij door Picasso op een beklemmende, indringende manier vormgegeven. Bij de uitgang kocht ik de catalogus van het museum, maar niet voordat ik had gecontroleerd of Fille devant un miroir erin stond opgenomen.

 

Het type spiegel dat is geschilderd, leerde ik uit de catalogus, wordt in het Frans psyché genoemd, het Griekse woord voor ziel. Links zien we de ‘echte’ Marie-Thérèse. Haar gezicht bestaat uit twee helften, één vleeskleurig, de ander fel geel. Deze gespletenheid suggereert een innerlijk conflict en de catalogus heeft het over het conflict tussen de onschuld van het meisje en haar seksualiteit. Dit wordt ook uitgebeeld in het lichaam van Marie-Thérèse, dat tegelijk naakt is en gekleed – en bovendien geeft het schilderij er een soort röntgenweergave van. Ze draagt zowel in het ‘echt’ als in de reflectie een gestreept badpak, waarvan de strepen ook haar ribben kunnen zijn.

 

De reflectie laat een donker gezicht zien met een doodse blik, een gezicht dat door die donkere kleuren ook een zekere agressiviteit uitstraalt. Is het Marie-Thérèse op latere leeftijd? Of representeert haar spiegelbeeld een donkere kant van haar persoonlijkheid? De kleurige achtergrond, dat het effect van een glas-in-loodraam heeft, geeft het tafereel iets sacraals. Overigens heeft de houding van haar arm wel een gelijkenis met de arm van een kunstenaar die aan zijn schilderij werkt. In deze interpretatie zou Marie-Thérèse haar eigen spiegelbeeld vervaardigen. In dezelfde periode waarin Picasso dit schilderij maakte, maakte hij ook de serie tekeningen en etsen die de kunstgeschiedenis in zouden gaan als de Vollard Suite, en waarmee Picasso de verhouding tussen schilder en model, kunstenaar en kunstwerk problematiseerde.

 

Dit alles was ik me niet bewust bij de eerste kennismaking met het schilderij. Toen was ik overweldigd door het beeld, die de kracht had van een openbaring.

 

Marie-Thérèse schreef Picasso eens: “Ik hou van je en ik geef je alles wat ik heb.” Ze schonk hem een dochter (Maya, geboren in 1935); vlak na de geboorte van hun dochter kreeg Picasso een verhouding met Dora Maar. Na de dood van zijn vrouw Olga in 1955 deed Picasso Marie-Thérèse nog wel een huwelijksaanzoek, maar na al die jaren weigerde ze met hem te trouwen. In 1977, vier jaar na de dood van Picasso, hing Marie-Thérèse Walter zich op in de garage van haar huis.

 

(Edwin Fagel)

Hannalie Taute. Yskoue poësie

Monday, November 7th, 2011

Hierdie MAMA is nog steeds geïntereseerd in DADA.

Die gawe biblioteekdame bestel vir my die boek Baroness Elsa – Gender, Dada and Everyday Modernity: A cultural biography geskryf deur Irene Gammel.

Baie insiggewend.  Volgens die skrywer het barones Elsa ’n nuwe genre begin: die ‘ready-made poem’. In haar gedig “Subjoyride” neem sy die leser op ’n ondergrondse toer deur reeds bestaande advertensieslagspreuke:

“Ready-to-wear-American soul poetry. (The right kind)

It’s popular – spitting maillard’s safety controller handle – you like it!

That is a secret pep-o-mint – will you try it

To the last drop?

Toutsie kisses Marshall’s kippered health affinity gout of 5 – after

40

May before your teeth full-o’ pep with ten nuggets products

lighted

chillets wheels and axels – carrying royal lux kamel hands off the

better bologna’s beauty – get this straight – Wrigley’s pinaud’s heels

fur the wise – nothing so pepsodent – soothing – pussywillow-

kept clean with Philadelphia Cream cheese

They satisfy the man of larges mustard – no dosing-

Just rub it on….”

Heeltyd dag ek dat die surrealiste eerste met outomatiese teken/dig-tegnieke geëksperimenteer het.  Die manifes van surrealisme deur Andre Breton (www.opusforfour.com/breton.html.) bevat die volgende gedig wat Picasso en Braque klaarblyklik met ou koerantopskrifte saamgeflans het:

POEM

A burst of laughter

of sapphire in the island of Ceylon

The most beautiful straws

HAVE A FADED COLOR

UNDER THE LOCKS

on an isolated farm

FROM DAY TO DAY

the pleasant

grows worse

coffee

preaches for its saint

THE DAILY ARTISAN OF YOUR BEAUTY

MADAM,

a pair

of silk stockings

is not

A leap into space

A STAG

Love above all

Everything could be worked out so well

PARIS IS A BIG VILLAGE

Watch out for

the fire that covers

THE PRAYER

of fair weather

Know that

The ultraviolet rays

have finished their task

short and sweet

THE FIRST WHITE PAPER

OF CHANCE

Red will be

The wandering singer

WHERE IS HE?

in memory

in his house

AT THE SUITORS BALL

I do

as I dance

What people did, what theyre going to do

In my soeke na ’n Suid-Afrikaanse digter wat hierdie prosesse gebruik, kom ek toe af op ’n Suid-Afrikaanse kunstenaar, Kai Lossgott, wat gevonde voorwerpe soos blare, gebruik om sy gedigte op te grafeer. Hy sê ook in sy statement dat hy Boeddhistiese en Taoïstiese meditasie as prosesse gebruik om hierdie gedigte te skep. Dit vind buite die gewone werking van die bewussyn plaas.

a million ungrown branches. Kai Lossgott. 2010. Laser engraving on poplar leaf,
in wood & glass lightbox. 30 x 30 cm.

Besoek gerus sy webblad:

http://www.kailossgott.com/poetry.html

Nou ja, dit maak my toe so lus vir yskaspoësie… Ek en my man het dit ’n paar jaar gelede gereeld beoefen. In my soeke na die gedigte wat ons destyds teen die yskas geplak het (ek het dit altyd in my joernale neergeskryf), kom ek toe op dié een af wat ons in 2007 saamgestel het:

“I am on heat

Again and again after agony arouse art and between blood and breath are constant danger

Behind comfort lie change

Before shape a body position

Breast bottom head hips hole

A girl scratch scream spread shiver giggle blush bite swallow pamper wrap play fiddle fall free

She cry laugh ache kneel do magic with her feather

A boy linger call control embrace look taste nibble relax tickle fly push grow move mount shower in the fountain

His face glisten

Please know your selves your mind bodies it could excite wild fire burning sizzling in your chest

Ask and you shall need

Eat sticky hearts and live right from the start

Satisfy the belly

A muscle that tell secrets to me

The naked thing squeeze and ate our funny fluffy leather petal flower with one slow reckless rhythm of

Mouth cheek throat curve

I’d love it and name it desire”

Ek twyfel half of bogenoemde onder poësie geklassifiseer kan word, maar ek kan nie help om te wonder hoe verskil ons yskasgedig van die gedig deur Picasso en Braque of selfs die barones nie?

ps Ek lees op bl94 van “Naaldekoker” deur DJ Opperman:  “Soms vir beklemtoning en ander effekte word verskillende lettertipes uit verskilende fonte gebruik, en selfs verskillende koerantdele saamgeflans.”  So dit is wel al in Afrikaans gedoen, ek moet dit net soek.

pps Ek versamel tans yskoue gedigte: so stuur asb vir my fotos van jul koelkas gedigte na: hannalie.t@webmail.co.za

Edwin Fagel. Möhlmanns Moleskine

Monday, December 13th, 2010

Raster

Raster

Ineens stond er een nummer van het tijdschrift Raster in mijn boekenkast, nummer 119. ‘Hoe kom ik dáár nu aan,’ dacht ik (misschien zei ik het zelfs wel hardop). Het was twee dagen na de lancering van het tijdschrift op het internet (www.tijdschriftraster.nl) – dat vond ik genoeg om bovenaardse inmenging te vermoeden. Ik ken Raster vooral uit mijn studententijd, waar ik het in de Universiteitsbibliotheek vaak las als afwisseling op, of soms ook vervanging van, mijn studieboeken. Maar ik kon me niet herinneren dat ik het ook daadwerkelijk had gekocht.

Ook dit keer was er geen sprake van bovenaardse inmenging. Toen ik het nummer uit de kast pakte om het eens wat nader te bekijken, viel er een papiertje uit. Daar stond een Sinterklaasparodie op van een van de gedichten uit mijn debuutbundel die ongeveer tegelijk met dit nummer van Raster moet zijn verschenen. 

Ik schaamde me. Ik schaamde me ten opzichte van de vriend die me het tijdschrift cadeau had gedaan;  ten opzichte van al die auteurs die hun best hadden gedaan een mooie bijdrage te leveren; ten opzichte van de redactie die haar best had gedaan het toen ongetwijfeld al zieltogende Raster overeind te houden. En om hun zwijgend verwijt te verzachten ben ik het nummer nog dezelfde avond gaan lezen. Raster 119 is een themanummer en draagt als titel ‘Gedicht / Geen gedicht’. De dichters werd gevraagd een gedicht te leveren en daarnaast een andersoortige tekst te leveren: essay, dagboekaantekening, verhalend proza, etc.

De mogelijkheden bleken legio. Ik bladerde en genoot, en bleef vervolgens hangen bij de bijdrage van dichter Thomas Möhlmann. Ik hou er erg van een kijkje te nemen in de keuken van de dichter en Möhlmann had de aantekeningen voor (en aanzetten tot) zijn gedichten overgeschreven en gepubliceerd onder de titel ‘Uit de kleine zwarte dummy: aantekeningen van de afgelopen tijd’.

Een wat gemakzuchtige oplossing, dacht ik eerst. Maar al lezende raakte ik ervan overtuigd dat deze aantekeningen bewerkingen moeten zijn. Als ik ze tenminste vergelijk met wat ik zelf zoal in mijn opschrijfboekjes noteer, zijn Möhlmanns aantekeningen zonder uitzondering interessant. Of hij heeft simpelweg alle onzin er tussenuit gehaald, dat kan natuurlijk ook.

Ten opzichte van de oorspronkelijke lezer van deze Raster had ik het voordeel dat inmiddels de bundel waar deze aantekeningen voor waren bestemd is verschenen (Kranen open uit 2009). Een enkele aantekening herkende ik: ‘Elke koplamp zijn konijn’ heeft het bijvoorbeeld geschopt tot titel van een gedicht. Maar het is opvallender dat voor zover ik zo snel kan nagaan vrijwel geen enkele van deze aantekeningen uiteindelijk in de bundel is opgenomen. Ik snap dat een leuke, maar algemene aantekening als ‘Landbouw is een kalme vorm van jacht’ uiteindelijk niet in een gedicht terecht is gekomen. En een sterke regel als ‘Geknor steeg op naar de hemelen, stilte daalde neer op aarde’ past ook inderdaad niet in de sfeer en toon van Kranen open. Al zou er wel wat voor te zeggen zijn geweest de regels tóch ergens in te passen. Ik hou wel van grillige bundels. Zoals ik ook hou van de grillige, eerste versies van liedjes, de onbeholpenheid ervan. Met het onvermijdelijke schaven gaat er ook veel verloren.

Het duizelt me af en toe te bedenken hoeveel mooie regels nooit in een bundel zullen verschijnen.

Niet lang na het verschijnen van mijn debuutbundel bezocht ik met vrienden een Picassotentoonstelling in het Duitse Münster. Daarna heb ik nog een paar uur in mijn eentje in het stadje rondgezworven, met mijn notitieboekje in de aanslag. Aan het eind van de dag meldde ik mijn vrienden tevreden dat ik alleen nog maar de ideeën die ik die dag had opgeschreven hoefde uit te werken, en dat ik dan de volgende bundel wel weer klaar zou hebben. Zelden heb ik me zo schromelijk vergist.

(Edwin Fagel)

Edwin Fagel. Ansichten van O.

Tuesday, June 22nd, 2010

Au Lapin Agile

Au Lapin Agile

 

 

 

[1]

 

Hoi Edwin,

 

Als je weer eens in Parijs bent, is Au Lapin Agile een mooie plek om naartoe te gaan. Aan het begin van de twintigste eeuw kwam Picasso hier veel, en een decennium later Du Perron. Nu is het een toeristisch ding, maar het cabaret is er nog steeds heel erg goed.

 

Bij het Gare du Nord werd ik aangesproken door een man van middelbare leeftijd. Hij wilde me bekeren. Omdat deze man me heel aardig leek, en hij oprecht begaan leek met mijn zielenheil, heb ik even de tijd genomen om met hem te praten. “Als ik kon,” zei hij, en hij maakte er de bijbehorende handgebaren bij, “dan zou ik mijn geloof vanuit mijn hart in het uwe planten.” Ik heb afscheid van hem genomen omdat M. in het hotel op me wachtte, de man bleef me nakijken tot ik de straat uit was.

 

Daardoor moest ik aan jou denken. Jij vergelijkt de manier waarop jij kunst beleeft consequent met het geloof. En als het op geloofskwesties aankomt, wordt het al snel een welles nietes. Ik denk dus dat het inderdaad het beste is het bij je slotopmerkingen daarover te laten. Maar net als jij wil ik dat niet doen zonder citaat. Maar dat moet even op een volgend kaartje.

 

 

J'aime Paris

Parijs

 

 

 

[2]

 

Dit gedicht over kunst en werkelijkheid komt uit de nieuwe (prachtige) bundel van Wouter Godijn, Wiegeliederen en blaasmuziek. Het vat onze discussie tot nu toe volgens mij mooi samen. En relativeert hem tegelijkertijd:

 

De echte wereld

 

Moet je die boom zien, natuurlijk

is dat een echte boom. Daar kun je toch niet aan twijfelen?

 

            Die dikke, vaderlijke stam,

            die diepgravende wortels,

die breed uitwaaierende bladerenkroon.

 

Het summum van boom, de oerrrrrrr-boom,

zo’n boom zoals je als kind

tekende (en dus niet echt).

 

En die vrouw, moet je haar borsten zien haar tieten net de zon, als je er lang naar

            kijkt zie je niets meer behalve… behalve haar…

Zo’n vrouw, daar wil je toch mee dan ga je je toch niet zitten afvragen of zo’n

            vrouw wel echt…

 

            Wat?

            O.

            Wist ik

            niet.

            Nee,

            ik wist niet dat u er zo tegen aan keek.

            Absoluut niet.   

Nee.

Neenee… Ja,

dat verandert de zaak.

Uw redenering is me nu glashelder.

Het lijkt of ik me in een donkere kamer bevond

tot u het licht ontstak.

U hebt me volkomen, maar dan ook vól-kó-mén overtuigd.

Nederig

kniel ik voor u in het stof. Nederig. Wat

kan ik nu nog zeggen? Dat

de verschijnselen spelen?

 

met ons, trillend van hartstocht

 

verschijnen ze, maar zodra

we ze benaderen snellen ze

weg – zoals uw argumenten.

 

Kijk daar! Een echte luchtspiegeling!

 

(Uit: Wouter Godijn: Wiegeliederen en blaaskikkermuziek, Uitgeverij Contact, 2010)

 

Ik moet nu nog even wachten op M., hij staat onder de douche. We gaan straks naar het Centre Pompidou, eindelijk ga ik die Picasso waar je zo enthousiast over was in het echt zien. Het weer is hier trouwens

 

Centre Pompidou

Centre Pompidou

 

 

[3]

 

heerlijk, we hebben gisteren de hele dag rondgehangen in Montmartre, rond de Sacre Coeur.

 

In de trein hier naartoe trouwens een lange discussie met M. gehad, over onze briefwisseling. M. vindt dat je, als je het in je brieven over poëzie hebt, het alleen over een bepaald soort poëzie hebt. Bij veel dichters is de interpretatie wat minder problematisch dan jij voorstelt. Dus: hoezo heeft de dichter geen invloed op hoe de lezer zijn gedicht begrijpt? Dat komt natuurlijk neer op die ellendige Verstaanbaarheidsdiscussie (hoe denk jij daar trouwens over?). Ik heb geprobeerd jouw standpunt uit te leggen, maar daarbij merkte ik dat ik een aantal zaken niet goed kan plaatsen.

 

Je schrijft bijvoorbeeld dat je als dichter niets met je lezer hebt te maken. Houd er dan ook rekening mee, zou ik zeggen, dat de lezer zal vinden dat hij niets met je gedichten heeft te maken – en dat hij ze links zal laten liggen. En zonder lezer ben je geen dichter. Je identiteit wordt door je omgeving bepaald, niet door jezelf. Dat weet jij ook. Mij kun je dus niet wijsmaken dat het jou niet kan schelen wat andere mensen van je gedichten vinden. Ook jij trekt je de reacties van lezers aan. En dat lijkt me logisch. Me dunkt dat de dichter alles met zijn lezer te maken heeft. Anders lult hij maar wat in de ruimte.

 

Weet je trouwens dat ik Pan aan het lezen ben? Dat komt door Kees ’t Hart,

 

Picasso, Au Lapin Agile

Picasso, Au Lapin Agile

 

 

[4]

 

(mijn laatste kaartje), Kees ’t Hart dus, die er tijdens de Gorter-avond op Poetry International een heel bevlogen verhaal over hield. Ik weet niet meer precies wat hij zei, maar hij somde een reeks kritiekpunten op die altijd worden genoemd in het betoog waarom Pan zo’n gedrocht is (pathetisch, politiek onjuist, onsamenhangend, etc.). Toen zei hij: als ik al die eigenschappen zo eens bekijk: dat zou best eens een verdomd goed gedicht kunnen zijn! Dat vond ik interessant.

 Je bedoelt dus zeker, als je zegt dat je niets met de lezer te maken hebt, dat een dichter het lef moet hebben rücksichtslos zijn eigen weg te gaan? Daarin geef ik je natuurlijk gelijk. Maar het is volgens mij zo goed als onmogelijk, als je tenminste niet als een blind paard alle reacties en recensies naast je neer wil leggen. Je kunt ook een volkomen verkeerde weg inslaan, namelijk, en dan heb je niet zoveel aan je lef.

 

M. staat naast me ongeduldig te zijn, ik sluit af. Leuk trouwens je weer te spreken op Poetry, maar veel te kort weer natuurlijk. Ik bel je zodra we terug zijn!

 

Groetjes uit Parijs dus (zou ik die nog bijna vergeten..)

O. (& M.)

 

(Edwin Fagel)

 

 

 

           

 

 

 

Edwin Fagel. Antwoord van O

Wednesday, May 5th, 2010

Hoi Edwin,

 

Dat klopt natuurlijk niet, wat je zegt. De werkelijkheid van het kunstwerk staat vanzelfsprekend los van ‘de’ werkelijkheid.

 

Het Scheppingsverhaal volgens Michelangelo

Het Scheppingsverhaal volgens Michelangelo

Stel: ik zet de stoel waar ik nu op zit bij de deur. Stel vervolgens dat M. met grote haast mijn studeerkamer binnenkomt, bijvoorbeeld omdat hij de tram wil halen maar zijn portemonnee ligt nog hier, zoiets. Hij zal over de stoel struikelen. En stel nu eens dat ik alleen maar bedenk, of alleen maar opschrijf, dat ik mijn bureaustoel bij de deur neerzet, en dat M. met dezelfde haast mijn kamer zal binnenkomen. We hoeven er denk ik niet over te discussiëren dat hij in dat geval niet over mijn stoel zal struikelen. 

Natuurlijk volg ik je betoog wel. Je zegt dat M. alleen struikelt als hij erin gelooft dat er een stoel voor mijn deur staat, of die nu verzonnen is of niet. M.a.w.: als ik hem zó overtuigend heb verteld dat die stoel er staat, zal hij óók denken dat die stoel er staat en erover struikelen. Dan blijf ik er toch moeite mee houden dat je het zuiver individuele bestaan van je eigen gedachten promoveert tot een algemeen geldend bestaan.

Kijk. Het is natuurlijk waar dat alle waarnemingen uiteindelijk op een bepaalde plek in je hersenen worden verwerkt. Je kunt je dus inderdaad de vraag stellen hoe betrouwbaar die waarnemingen zijn (een vraag waar je trouwens nooit een definitief antwoord op kunt formuleren, omdat dat antwoord uiteindelijk op dezelfde plek in je hersenen terecht komt). Maar dat neemt niet weg dat iets óf bestaat (en dus, op welke manier dan ook, waarneembaar is), óf niet bestaat (en dus op geen enkele manier waarneembaar is). Jij zegt daarentegen: “Iets bestaat zolang je gelooft in het bestaan ervan.” Vergeef me het grapje, maar daar geloof ik niet in. Op die manier bestaat Sinterklaas ook, zolang ik maar stom genoeg ben om te geloven dat Sinterklaas bestaat. 

Is dat wat jij met je poëzie probeert? Mensen te laten geloven? Waarin? In de ‘werkelijkheid’ van je poëzie? Waarom? Wat voeg je daarmee toe aan het leven van je lezer? 

Het lijkt me een onderneming die tot mislukken is gedoemd. Ieder mens leeft in zijn eigen werkelijkheid. Mensen begrijpen elkaar niet, of laat ik zeggen: zelden. Misschien tref je op de honderd lezers inderdaad één ideale lezer die meegaat in jouw werkelijkheid, en die jouw werkelijkheid accepteert als ‘waar’, zoals je zegt. De kans is levensgroot dat hij jouw werkelijkheid op een totaal andere manier begrijpt dan je bedoeling was. (En voor de andere 99 lezers zijn jouw gedichten eenvoudigweg niet relevant voor hun leven.) 

De door jou aangehaalde Bijbel is er wel het overtuigendste bewijs van hoe verschillend een tekst kan worden opgevat. Op basis van alleen de Bijbeltekst is er een veelvoud aan geloofsstromingen. En ook binnen een stroming is het maar de vraag in hoeverre men in hetzelfde gelooft, in hoeverre het concept ‘God’ dat de een aanhangt overeenkomt met het concept ‘God’ van de ander. Er zijn, zou je kunnen zeggen, zoveel geloofsstromingen als gelovigen. Jij zegt: “Voor mensen die in God geloven bestaat God”. Maar wat bedoel je dan nog met de term ‘God’? Daar heeft toch iedere gelovige een eigen interpretatie van? Hoe kun je zeggen dat God (voor gelovigen) bestaat, als het voor iedereen een andere, want persoonlijke God is? Wat bestaat er dan?

Zo is het ook met de werkelijkheid van gedichten, van kunst in het algemeen. Iedereen geeft er zijn eigen betekenis aan. Daarom begon ik over die nieuwsfeiten. Nieuwsfeiten vinden plaats. Er zijn mensen die controleren of de feiten zich inderdaad hebben voorgedaan, en die daar verslag van uitbrengen. Hetgeen je in kunst beschrijft, of laat zien, vindt niet plaats – of hooguit in je eigen hoofd. Het kan dus niet anders of hetgeen je beschrijft is een commentaar op, of een weergave van de werkelijkheid zoals jij die beleeft. Dat is kunst. Het is niet, zoals je zegt, van zichzelf een werkelijkheid. Dat kan gewoon niet. 

Je eindigt je brief met de opmerking: “Omdat ik leef, zoek ik.” Dat klinkt natuurlijk mooi en sympathiek, maar wat zeg je ermee? Wat zoek je, of: waar zoek je naar? God? Zingeving? Een reden om gedichten te schrijven?

Als altijd je

 

O.

 

 

P.S. Ik kan je trouwens Een verbeelde God aanraden, een verzameling essays en beschouwingen over dit onderwerp, onder redactie van Johan Goud. In dat boek vind je een aantal betogen dat lijkt op het jouwe, en meer. Het ‘scheppen’ waar jij het over hebt, heeft ook een destructief karakter. Dat zit al in het scheppingsverhaal, maar je ziet het ook bijvoorbeeld in het werk van Picasso. Om te kunnen creëren, moest hij vernielen, vernietigen. Heb jij dat ook?

 

(Edwin Fagel)