Posts Tagged ‘Poeziekrant’

T.T. Cloete in Poëziekrant

Wednesday, March 9th, 2011
TT Cloete

TT Cloete

Ai, watter plesier is dit nie om onverwags iets oor Afrikaanse digters in buitelandse publikasies raak te lees nie; veral in hierdie tye waar dit gebiedend noodsaaklik geword het om die profiel en prominensie van ons plaaslike digters internasionaal te vestig nie. So vind ek tot my vreugde in die nuutste uitgawe van die Poëziekrant, wat ek verlede week ontvang het, ‘n sewetal van T.T. Cloete se gedigte wat skitterend deur Carina van der Walt en Geno Spoormans vertaal is.

Net so treffend is die oorsigartikel waarmee die vertalings ingelei word: “T.T. Cloete heeft de naam een academische dichter te zijn. Dat is in het licht van zijn loopbaan niet zo vergezocht. Op het eerste gezicht doen ook de titels van zijn bundels een beroep op belezenheid: Jukstaposisie (1982), Allotroop (1985), Idiolek (1986), to name a few. Zijn referentiekader is klassiek Europees. Iets wat in het van taalpolitiek en ‘selfbeheptheid’ (fixatie op zichzelf) doortrokken Zuid-Afrika niet per se gewaardeerd wordt. Poëzie is in dit land in hoge mate politiek. En T.T. Cloete heeft zich daar niet in betrokken met zijn werk. Geen geëngageerde poëzie en ook geen landschaps- en identiteitslyriek. Dat maakt T.T. Cloete tot een witte raaf. Toch is zijn werk niet strikt intellectualistisch te noemen. In een gedicht als ‘Silhouet van Beatrice‘ tekent hij met zijn pen het profiel van Dantes muze in woorden, heel eenvoudig en direct. Als zo vaak in zijn werk laat hij zich verleiden door lichamen, fysieke gewaarwordingen en voorstellingen. In zijn gedichten wordt met grote gulzigheid gekeken, tot op het voyeuristische af. T.T. Cloete is een dichter van de vertraagde blik. Hij lijkt de tijd stil te willen zetten om hem uit te breiden. Van terloopsheid maakt hij een strategie. Uit alle lichamelijkheid, verval en sensualiteit lijkt steevast een gedachte te verschijnen die nog een tijdje naglanst als het gedicht al uit is.”

Inderdaad ‘n besonderse huldeblyk aan ‘n besonderse digter.

En, indien jy nog nie kennis geneem het daarvan nie, kan jy gerus die onderhoud lees wat Joan Hambidge met die digter gevoer het ten tye van die verskyning van sy mees onlangse bundel, Onversadig. Uit dié bundel volg die vers “Seën” onder aan vanoggend se Nuuswekker vir jou leesplesier.

***

Sedert gister het daar heelwat nuwe bydraes bygekom. Aan die blogkant van sake skryf Desmond Painter oor David Briggs en sy improvisasies; Amanda Lourens werp ‘n teoreties-besinnende kyk op die dwingende debat van ‘n Nasionale Boekeredakteur en by Wisselkaarten het Roel Richelieu van Londersele ‘n interessante stuk geplaas oor Rense Sinkgrave, ‘n slamdigter van Groningen. Dan is daar ook ‘n nuwe gedig in Johann Lodewyk Marais se verskamer om te lees.

Ten slotte fokus ek jou aandag op Bernard Odendaal se resensie van Mari Grobler se nuutste bundel Toe dit nog vroeg was wat gister geplaas is.

Lekker lees en geniet die vele poësie-items op die Woordfees vandag.

Mooi bly.

LE

 

seën

 

hulle wil alles inpas

in ‘n begrypbare en afdoende plan

die minuskule, ‘n goggatjie,

‘n mosterdsaadjie,

die grootse massiewe heelal

maar die glibberige visse

van die smart en liefde swem los

deur die gate van die seën

wat hang in ‘n rivier

wat bokspring op ons afkom

 

© TT Cloete (Uit: Onversadig, 2011: Tafelberg Uitgewers)

 

Onderhoud. Daniel Hugo (Poeziekrant 6; 2010)

Sunday, November 14th, 2010

Interview met Daniel Hugo deur Jooris van Hulle

(Hierdie onderhoud verskyn in die jongste uitgawe van Poeziekrant ; nr. 6, 2010)

Daniel Hugo

Daniel Hugo

 

Als er iemand is die de Nederlandse literatuur op de kaart heeft gezet in Zuid-Afrika, dan is het wel Daniel Hugo. Romans van Tom Lanoye, Harry Mulisch en Karel Glastra van Loon, het literaire non-fictiewerk van David van Reybrouck, gedichten van Herman de Coninck en Gerrit Komrij, liedteksten van Herman van Veen, Omer Vandeputtes essay over het Nederlands…: ze werden door Hugo vertaald in het Afrikaans. Als dichter heeft hij, naast figuren als Antjie Krog, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach, een eigen plaats veroverd in de Zuid-Afrikaanse literatuur. Tot hiertoe publiceerde hij dertien bundels.

 

De onmogelijke positie van de dichter

Als een rode draad loopt door je leven de uitgesproken belangstelling voor taal en literatuur. Was die er van jongsaf?

‘Ik ben opgegroeid in een huis met boeken. Mijn moeder was en is nog steeds een fervent lezer. Mijn vader was predikant en in zijn werkkamer stond een groot aantal naslagwerken. Boeken maakten dus voor mij van kleinsaf deel uit van mijn leefomgeving. Ik was als kind vaak ziek, wat met zich meebracht dat ik heel wat tijd in bed moest doorbrengen. Het gevolg is dat ik vandaag nog steeds moet gaan liggen om te lezen. In de bibliotheek van mijn vader stond o.m. ‘Predikant achter prikkeldraad’, het allereerste boek in het Nederlands dat ik ooit – ik moet dan elf of twaalf geweest zijn – heb gelezen. Later was er de verplichte literatuurlijst op school, waarop ook Nederlandstalig werk stond, zoals ‘De oogst’ van Stijn Streuvels, ‘De kleine Rudolf’ van Aart van der Leeuw en het toneelstuk ‘Springvloed’ van Ina Boudier-Bakker. Niemand heeft er ons toen op gewezen dat het verschil in taalgebruik tussen Streuvels en de anderen berustte op het onderscheid tussen ‘Vlaams’ en ‘Nederlands’. Nu, Nederlandstalige boeken  worden tegenwoordig al lang niet meer gelezen op de Zuid-Afrikaanse scholen.’

En hoe kwam je in contact met de poëzie?

‘Mijn belangstelling voor de Afrikaanse poëzie heb ik eveneens aan mijn vader te danken. De manier waarop hij kon citeren uit de humoristische en volkse verzen van A.G. Visser…. Een intrigerend dichter, die A.G. Visser, die mij blijvend heeft beïnvloed door de manier waarop hij met de taal speelde en grapjes uithaalde in zijn gedichten. Aan de Universiteit van Stellenbosch ben ik Afrikaans gaan studeren. Nederlands was een verplicht onderdeel van de opleiding. Het vak heette trouwens Afrikaans-Nederlands. Wat spijtig genoeg niet aan bod kwam, was het spreken zelf. Daarom heb ik het nog altijd moeilijk om Nederlands te praten of te schrijven. Om verder te gaan: in 1980 werd ik lector aan de Universiteit van de Vrijstaat in Bloemfontein. Daar doceerde ik Afrikaanse en Nederlandse letterkunde. In 1983 studeerde ik dan een jaar aan de KUL, waar ik de lessen volgde van o.a. Hendrik van Gorp en Hugo Brems.’

In Stellenbosch maakte je deel uit van het ‘Letterkundig Laboratorium’ van D.J. Opperman. Wat hield dit precies in?

‘In het ‘Letterkundig Laboratorium’, een seminarie dat over één semester werd georganiseerd, werden de gedichten van derdejaarsstudenten die zelf ook poëzie schreven, kritisch besproken en geanalyseerd door medestudenten, dit onder supervisie van Opperman. Maar zijn inbreng bleef, mede ten gevolge van zijn alcoholverslaving, eerder gering.’

D.J. Opperman is bij ons vooral bekend geworden als de samensteller van het ‘Groot verseboek’, dat de canon van de Afrikaanse dichtkunst markeerde.

‘Dat klopt zeker. Maar hij was in de jaren veertig van de voorbije eeuw met zijn metaforisch geladen verzen ook een groot vernieuwer van de Afrikaanse poëzie. Ik heb altijd een grote bewondering gehad voor hem. Mijn gedicht ‘Ontnugterde digter’ verwijst naar zijn gedicht ‘Digter’, waarin hij het heeft over een krijgsgevangene die tijdens de Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) naar Ceylon (tegenwoordig Sri Lanka) verbannen wordt en daar, om de tijd te verdrijven, scheepjes bouwt in flessen. Mijn gedicht is een vorm van afrekening. Het is trouwens sterk autobiografisch en allerminst bedoeld als een soort biografie van Opperman zelf.’

Bij de SAUK (Suid-Afrikaanse Uitsaaikorporasie) verzorgde je twintig jaar lang de literaire radioprogramma’s. Hoe vatte je die op?

‘Het was in de eerste plaats mijn bedoeling lezers warm te maken voor de Afrikaanse literatuur. Ik focuste daarbij in hoofdzaak op de auteur en zijn werk, zonder me daarbij provocerend of confronterend op te stellen. Ik heb ook tal van portretten van schrijvers gemaakt. Nu ik erop terugblik, was dit het boeiendste aspect van mijn werk. Voor de poëzieprogramma’s kon ik ook een beroep doen op de beste voordrachtkunstenaars van het land, voor wie ik nu nog altijd heel veel respect en bewondering heb.’

Je was ook een tweetal jaren uitvoerend directeur van het Huis der Nederlanden in Kaapstad, het huidige ‘Suid-Afrikaanse Sentrum vir Nederland en Vlaandere’.

‘Het SASNEV wil de Nederlandse en Vlaamse cultuur in Zuid-Afrika promoten via lezingen, filmvoorstellingen, tentoonstellingen, workshops…. In het Centrum is trouwens de grootste Nederlandse bibliotheek van het zuidelijke haflrond gehuisvest. Ten gevolge van de wereldwijde financiële crisis moest  ik, samen met mijn mede-directeur Zirkëa Ellis, plaats maken voor een lager bezoldigde bestuurder. Nu, het blijft een lovenswaardige onderneming die spijtig genoeg altijd weer wordt geconfronteerd met financiële problemen omdat de ondersteuning vanuit Zuid-Afrika en vanuit de Lage Landen ontoereikend blijft.’

 Nu werk je als ‘vryskut-taalpraktisyn’. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

‘Als freelancer kon ik aan de slag bij verschillende uitgevers als vertaler, redacteur en proeflezer. Sinds april 2010 ben ik vast in dienst bij Protea Boekhuis, vooral dan als vertaler van (hoofdzakelijk) Nederlandstalig werk. Binnenkort verschijnen o.m. ‘Koning van Katoren’ van Jan Terlouw en een bloemlezing uit de poëzie van Rutger Kopland. Momenteel werk ik aan de vertaling van ‘Sprakeloos’ van Tom Lanoye. Een schitterend boek trouwens, poëtisch taalvuurwerk!’

Hoe zit het overigens met de belangstelling voor Nederlandse literatuur in vertaling?

‘Er is geen grote vraag naar vertalingen uit het Nederlands. De Afrikaanse lezers zijn eerder gericht op Engelse vertalingen van buitenlandse literatuur, minder op die in het Afrikaans. Waarom weet ik niet zo direct. Hoewel de vertaal- en productiesubsidies vanuit Nederland en Vlaanderen de hele zaak aantrekkelijk maken voor uitgevers, geven die toch liever nieuw origineel werk in het Afrikaans uit. Mijn vertalingen van de gedichten van Gerrit Komrij en Herman de Coninck worden wel op kleine schaal aan universiteiten opgelegd als verplichte lectuur. Uitgevers als Protea Boekhuis wagen het dan wel vertalingen uit het Nederlands op de markt te brengen, maar dit is, eerlijk gezegd, vooral een soort geloofsbelijdenis. Nederlandse en Vlaamse prentenboeken doen het dan weer goed in vertaling. Toevallig staat mijn vrouw, Carina Diedericks-Hugo, als uitgeefredacteur bij Protea Boekhuis er voor in dat  die prachtige kinderboeken in Afrikaanse gezinnen terechtkomen.’

Je hebt het over Herman de Coninck, uit wiens werk je kortgeleden een bloemlezing publiceerde onder de titel ‘Die lenige liefde’ …

‘De Coninck is de ongeëvenaarde dichter van de vergelijking. Zijn poëzie verrast telkens weer door de beelden die handelen over de meest universele thema’s: liefde, dood en natuur. Zijn voorliefde voor het taalspel trekt me erg aan, hoewel hij juist daardoor vaak onvertaalbaar blijft. Maar geen poëzieliefhebber blijft onberoerd bij zijn melancholische medemenselijkheid. Als liefdesdichter is hij de Neruda van de Lange Landen. Zijn gedichten zijn ook bjizonder goed geschikt om voorgedragen te worden. Trouwens, Herman kon zelf prachtig lezen.’

Onlangs verscheen van jouw hand ook een biografie van het Afrikaans: ‘Halala Afrikaans’. ‘Halala’ betekent zoveel als ‘Hoera!’. Een liefdesverklaring aan de taal?

‘Inderdaad een soort liefdesverklaring! En omdat ik in de eerste plaats dichter ben, heb ik het verhaal van het Afrikaans vooral benaderd vanuit de poëzie. Het allegorische gedicht uit 1896 ‘Die Afrikaanse taal’ van dominee-dichter Jan Lion Cachet bood mij er bijv. een goed aanknopingspunt om komaf te maken met een aantal foute opvattingen over het ontstaan van het Afrikaans. Lion Cachet overschat o.m. de invloed van het Frans van de Hugenoten-immigranten, terwijl hij de grote bijdrage van de slaven en de Khoi (de Hottentotten) totaal negeert. Het gedicht begint zo: ‘Ek is ‘n arme boerenôi, / Bij vele min geag: / Maar tog is ek van edel bloed, / En van ‘n hoog geslag. / Uit Holland het my pa gekom, / Na sonnig Afrika; / Uit Frankrijk waar die druiftros swel, / My liewe mooie ma.’ 

Nu, het boek is vooral bedoeld voor eerstejaarsstudenten en voor een breed publiek. Daarom heb ik het zo toegankelijk mogelijk gemaakt. Ik heb wel een beroep kunnen doen op medewerkers aan verschillende universiteiten voor de hoofdstukken over streektalen, de jongerentaal, de moderne Afrikaanse muziek…’

Als dichter debuteerde je in 1981 onder het pseudoniem Daan van der Merwe met ‘Saad uit die septer’…

‘Eigenlijk was dit bundeltje bedoeld als een soort literaire grap. Vandaar ook de schuilnaam. Er doen trouwens al decennia lang Van der Merwe-grappen de ronde in Zuid-Afrika. ‘Saad uit die septer’ was opgevat als een parodie op ‘Komas uit ‘n bamboesstok’,  de laatste bundel van D.J. Opperman. Ik heb, in miniatuurvorm weliswaar, de indeling van die bundel en de thematiek ervan nagebootst. In wezen was dit mijn eerste daad van verzet tegen ‘vader’ Opperman. Maar zelf beschouw ik ‘Korte mette’ uit 1982 als mijn echte debuut.’

Over verzet gesproken: er was uiteraard de apartheid, waartegen je in het verweer trad door openlijk afstand te nemen van je geloof. En kon de poëzie hier als alternatief gelden?

‘Mijn literaire verzet tegen de apartheid staat opgetekend in de bundel ‘Breekware vir die rewolusie’, die ik geschreven heb tijdens mijn verblijf in Leuven. In de universiteitsbibliotheek kon ik toen de schrijvers lezen wier boeken in Zuid-Afrika verboden waren. Dat was voor mij een ware openbaring. Daar en dan heb ik voor het eerst beseft dat Zuid-Afrika een gewelddadige politiestaat was. Het was in 1983, toen Nederland een strenge culturele boycot had ingevoerd tegen het land. Ik blijf de Vlamingen eeuwig dankbaar dat ze mij toen als student toegelaten hebben. Een officiële boycot is even betreurenswaardig als staatscensuur. Beiden verhinderen dat de waarheid wordt gehoord. Wat nu het geloof betreft: wat van  mij een ongelovige heeft gemaakt, is het feit dat het mensonterende systeem van apartheid door de protestantse kerk waarin ik ben opgegroeid,  werd goedgepraat en zelfs ondersteund. Ik wou aanvankelijk, net zoals mijn vader, predikant worden binnen de Nederduits-Gereformeerde Kerk. Daarom ook heb ik Grieks en Hebreeuws gestudeerd. Gelukkig ben ik, nog voor ik de studies theologie zou aanvatten, tot andere inzichten gekomen. Ook de vroege dood van mijn broer George zal wel meegespeeld hebben in het hele proces van geloofsafval.’

In je gedichten bouw je ook vaak reflecties in op het schrijven zelf. Ik denk hier aan een gedicht als ‘Wat nie geskryf is nie’, waarin de idee wordt geuit dat de geletterde mens verdoemd is.

‘Ja, omdat geletterdheid en geleerdheid een mens conditioneren in de manier waarop hij tegen het leven en de wereld aankijkt. Juist daardoor is de mens zijn onschuld en zijn onbevangen blik op de dingen kwijtgespeeld. Zonder het boek ‘Genesis’ is er geen zondeval. Vandaar het vers: ‘die wêreld is ‘n ongerepte plek / vir die analfabeet’. De letter van de wet schept de zonde, het begrip immoraliteit, en daarom is de Bijbel in wezen door een ‘vroom pornograaf’ geschreven. De dichter bevindt zich dus in een onmogelijke positie: enerzijds probeert hij zijn ongerepte blik te behouden, aan de andere kant kan hij zijn pure waarneming alleen verwoorden als hij geletterd is. En ieder woord draagt in zich zijn gecontamineerde connotaties. Geen wonder dus dat dichters zich soms beroepen op een infantiele brabbeltaal.’

Thema’s als dood en leven zijn nadrukkelijk aanwezig in jouw poëzie. Je bent nog geen dertig als je in het gedicht ‘Ons weet net van duiwe’ (uit de bundel ‘Korte mette’) schrijft: ‘dan gee die dood onweer- / spreekbare bewys van die lewe’.

‘De preoccupatie met de dood is waarschijnlijk terug te voeren op het verlies van een jongere broer, die in 1977 stierf aan lymfekanker. Hij was net twintig geworden. Zoiets laat een onuitwisbare indruk na op een jonge mens, zeker als je het stervensproces van nabij hebt meegemaakt. Door de ziekte was hij verlamd aan het onderlijf en soms moest ik hem in mijn armen dragen. Later heb ik erover geschreven in het kwatrijn ‘Begrafnis’: ‘al die kere wat ek jou moes karwei / van rystoel na bed van hier na daar / was maar net repetisies vir my / uiteindelike debuut als draer.”

Met de titel  ‘Die twaalfde letter’, de ‘el’, verwijs je op een directe manier naar het hoofdthema in de gelijknamige bundel: de liefde. Die wordt beleefd als een vorm van hergeboorte. Niet toevallig opent het titelgedicht met een verwijzing naar Gorters ‘Mei’: ‘nuwe liefde, nuwe lied’. Maar toch blijft het besef ‘dat pyn bestaan, is nodig’…

‘Ja, die ‘nuwe liefde’ was mijn vrouw Carina, die nu een tiental jaren geleden mijn leven tot een Gorteriaanse lente heeft omgetoverd. Maar liefdesgeluk is spijtig genoeg een zwakkere en minder betrouwbare prikkel om poëzie te schrijven dan melacholie en verdriet. Daarom is het vanuit dichterlijk oogpunt nodig dat er (ook) pijn is. Pijn garandeert de ‘zuiverheid’ van de   poëzie: ‘sorgelose liefde lei maklik / tot onversorgde verse: die digter / gooi woorde rond, dekadent / soos ‘n ryke sy geld strooi // maar sodra die liefde instort / begin die digter op sy woorde let/ (…). In een van haar gedichten zegt Elisabeth Eybers zelfs tegen de geliefde: ‘Gaan weg dat ek oor jou kan skryf’. Nu, ik ben wel nog niet bereid mijn persoonlijk geluk te offeren aan de gulzige god van de poëzie. De grootste uitdaging voor een dichter bestaat erin oer-emoties als liefde, haat, jaloersheid op een unieke, nieuwe manier te beschrijven. Als hij daar niet toe in staat is, is het beter dat hij zwijgt.’

Vooraan in de bundel staat het gedicht ‘Liewe leser’, waarin je je poëtica verwoordt: ‘helderheid beslis en ‘n eenvoud / wat ‘n mens jou asem laat ophou’. Geen hermetisme dus, maar eenvoud en klaarheid.

‘Ja, je ziet dit heel goed. Soms zit wel een zekere mate van hermetisme in mijn verzen, vooral waar het het spel met de woorden betreft. In ‘Ontnugterde digter’, waarover ik het reeds had, heb ik in de tweede strofe het woord ‘dekade’ laten resoneren ‘dek en kaai’. Ik weet niet of ergens een lezer dit al heeft opgemerkt, maar het verschaft mij  toch heel wat binnenpretjes.’

Over je meest recente bundel ‘Die panorama in my truspieël’ hangt een sfeer van weemoed die geworteld is in het besef dat alles voorbijgaat, dat wat achter je ligt meer ruimte inneemt dan de toekomstverwachting.       

‘Eigenlijk zou ‘Die panorama in my truspieël’ (achteruitkijkspiegel) een goede titel zijn voor mijn verzamelde gedichten aan het eind van mijn loopbaan als dichter. Maar ik vrees dat ik mij tegen dan de titel niet meer zal herinneren! De spiegel waarmee de dichter naar zijn verleden kijkt, is het gedicht zelf. De vorm van een tekst op het blad kennen wij toch ook als de bladspiegel. In de ‘minuscule’, gedrongen vorm van een gedicht kan de dichter het ‘ontstellende panorama’ van zijn verleden aanschouwen. Een deel van dit uitdeinende uitzicht is de dood die je van achteren inhaalt. De dood doemt als het ware uit je verleden op als een vrachtwagen die komt aangeraasd. Het gaat hier niet om iets dat achter een bocht ligt te wachten. De bochten en bergpassen van de ouderdom dwingen je er wel toe langzamer te bewegen. Je verleden, de genen die je geërfd hebt, je hele doen en laten genereren als het ware je dood. Dat is wat ik wilde zeggen in het gedicht ‘Bestemming’: ‘ek kantel verse soos ‘n spieël / om oor my skouer te kan tuur: / vlaktes, kronkels van ‘n rivier // ek sien hoedat iets my inhaal / – ‘n gevaarte met baie asse – / en voor wag smal draaie, wag passe’.       

In het openingsgedicht ‘Voyeur’ wordt God voorgeteld als een dichter die in zijn kosmetische, kosmische spiegel – de maan – naar zijn schepsels kijkt. God heeft zich natuurlijk van ons afgewend. In mijn poëzie is hij alleen maar een hypothese, een mythische gestalte, een vage herinnering uit een gelovige jeugd.’

Mij valt op dat je in de bundel ook (meer) schrijft vanuit de vergelijking man/vrouw. Man en vrouw kijken ‘anders’ tegen de liefde aan…

‘Man en vrouw benaderen de liefde ongetwijfeld vanuit een verschillende invalshoek. In een vaste relatie, zoals het huwelijk, zitten ze samen gevangen in een web, zelfs al vertolken ze verschillende rollen in die relatie. Zo schrijf ik in  ‘Huwelik’: ‘daar word maklik gesê: / in die web van die man / leer die vrou spin en weef // maar beeldspraak kan mislei: / saam sit die twee gevang / in die taai droom van sweef’. En in het erop volgende gedicht wordt dit ‘vastzitten’ positief voorgesteld als een ‘kokon’: ‘in die digte spinsel koester / ons daagliks die liefde / wat onverwoesbaar duur’.
Terloops nog dit: de volgorde van de gedichten in een bundel is echt wel van belang. Eigenlijk moet je een bundel van begin tot eind lezen om zo het ‘verhaal’ of de ‘redenering’ te kunnen volgen. Gedichten vullen elkaar aan, relativeren elkaar of spreken elkaar doelbewust tegen. En dat geldt ook voor opeenvolgende bundels.

Int.: Jooris van Hulle

 

Ontnugterde digter

 

dit het hy geglo op vyf-en-twintig:

jy moet al die oseane bevaar

as jy gesout en wêreldwys wil dig

 

met ‘n bottel het hy die boot beman

en ‘n dekade lank hom dol gedra

toe tussen dek en kaai oorboord gegaan

 

op vyf-en-twintig – na baie skande –

weet hy jy kan die ryme ook takel

teen die kimme van jou kamerwande

 

hy wens hy kon die reis van voor begin

dan sou hy beslis uit die pekel bly

deur ‘n skip in die bottel te versin

 

(uit de bundel ‘Dooiemansdeur’ – 1991)

 

Die twaalfde letter

 

nuwe liefde, nuwe lied:

enkel elle kan al’s vertel

van dié ruimte: ‘n rymgebied

 

die verloklike letter el

staan eerste in my el-fabet

 

en jy my aller-elste lief

jy is die alfa van my bed

vir wie ek gloeiend letters giet

 

(uit: ‘Die twaalfde letter’ – 2002)

 

Nog ‘n liefdesgedig

 

my liefste lief, hoe maak ‘n mens

‘n liefdesvers uniek? so spesifiek

dat dit alleen op jou kan dui?

want besing ek – met alle respek –

die lyne van jou bors of dy

sien elke geletterde skarminkel

hoe sy meisie net vir hom uittrek,

en sê ek dat jy blond is soos kerswas

is daar ‘n paar miljoen vroue

wat perfek by dié beskrywing pas

-‘n gedig is skaars ‘n foto of skildery-

verstaan jy nou dat ek liewer stilbly?

 

en kyk: ‘n verliefde digter wat swyg

dit, my liefste, dit is uniek

 

(uit:’Die twaalfde letter’ – 2002)

 

Bibliografie (selectief)

 

dichtbundels:

-Korte mette (1982)

-Breekware vir die revolusie (1984)

-Verse van die ongeloof (1988)

-Planetarium (1999 – keuze uit de eerder verschenen bundels – in het Nederlands vertaald door Jacqueline Caenberghs – uitgeverij P)

-Die twaalfde letter (2002)

-Die panorama in my truspieël (2009

 

Vertalingen uit het Nederlands:

(een keuze)

-Herman de Coninck: Liefde, miskien (1996)

-Tom Lanoye: Kartondose (1996)

-Harry Mulisch: Die aanslag (1999)

-Karel Glastra van Loon: Passievrug (2002)

-David van Reybrouck: Die plaag (2003)

-Gerrit Komrij: Die elektries gelaaide hand (2005)

-Tom Lanoye: ‘n Slagterseun met ‘n brilletjie (2008)

-Herman de Coninck: Die lenige lmiefde (2009

-Jan Terlouw: Koning vazn Katoren (2010)

-Rutger Kopland: Onder die appelboom (verschijnt eind 2010)

-Sylvia Vanden Heede: Vos en haas (verschijnt eind 2010)

-Tom Lanoye: Sprakeloos (in voorbereiding)

-Pieter Aspe: Het vierkant van de wraak (in voorbereiding)

 

Daniel Hugo werd geboren te Stellenbosch op 26 februari 1955. Studeerde aan de universiteiten van Stellenbosch, Pretoria en Bloemfontein. Was lector Afrikaanse en Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van de Vrijstaat in Bloemfontein. Verzorgde de literaire programma’s bij de Afrikaanse radiodienst van de Suid-Afrikaanse Uitsaaikorporasie. Is thans als redacteur verbonden aan Protea Boekhuis.

 

 

 

 

Edwin Fagel. Eerste brief aan O.

Thursday, March 25th, 2010

Beste O.,

Erg bedankt voor Een open plek. Ja, ik ken Jellema, maar ik zou mezelf geen kenner van zijn werk willen noemen. Eigenlijk ken ik alleen die postume bundel goed, Stemtest, dat vind ik een erg mooie bundel. Een verrassende keuze – al snap ik wel, na ons gesprek in Ton’s Muziekcafé, waarom je me juist dit essaybundeltje stuurt. Het ziet er mooi uit trouwens, ik bedoel de vormgeving.

C.O. Jellema - Een open plek

C.O. Jellema - Een open plek

Ik ben geen filosoof, en ook geen theoloog, dus misschien kun je me even helpen: wat bedoelt Jellema met het ‘waarheidsbeginsel’? Het is volgens mij de kern waar al zijn essays, en ik denk ook zijn gedichten, om draaien. Maar ik krijg er niet goed de vinger op wat hij er nu precies mee bedoelt.

 

 

Heb je het boekje zelf gelezen? In het eerste essay legt hij namelijk aan de hand van een droom zijn opvattingen over poëzie uiteen. Hij citeert het verhaal van de droom letterlijk uit een verslag dat hij destijds (5 april 1983) direct na het wakker worden in een schriftje opschreef. In de droom wordt hij door een bevriend dichter (een afsplitsing van hemzelf, zegt Jellema zelf) uitgenodigd samen met hem het boek Ruth te gaan vertalen. En aan de hand van het kernwoord ‘vertalen’ komt Jellema dan tot de volgende conclusie:

Ik denk dat ik daarmee precies gezegd heb, waar het bij het maken van een gedicht om gaat. Om iets te begrijpen, niet in het systeem van een theorie, maar in de ordening van beelden, zodat het inzicht niet vooraf gaat aan de formulering, doch het voltooide gedicht inzicht achteraf pas mogelijk maakt. (p. 9).

De opmerking waar de droom mee begon is dan te plaatsen. Jellema zegt in zijn droom namelijk: “Ik ben geen pure estheet, maar een waarheidszoeker.” Hij legt dat uit met de opmerking dat een gedicht alleen in de vorm die het noodzakelijkerwijs kreeg ‘waar’ kan zijn: Geleid worden die reflecties door een achter alle bewuste of onbewuste beslissingen staand waarheidsbeginsel (p. 10).

Maar wat houdt dat waarheidsbeginsel dan in, weet jij dat? Jellema stelt de vraag zelf trouwens ook en hij beantwoordt hem als volgt: In elk geval ligt die door de esthetiek van de vorm heen ook weer buiten de esthetiek, hoewel niet anders dan in die ene vorm op die manier waar. In elk geval geen van te voren gekende waarheid, en geen algemeen geldige. Het is een waarheid die zichzelf voortbrengt in het gedicht en dan voor een bepaalde duur geldigheid heeft. (p. 10-11).

Ik vind dat wel mooi gezegd, maar echt heel veel helderder wordt het er wat mij betreft niet op. Hij komt er verderop in het boekje nog wel op terug. Hij schrijft in het daarop volgende essay bijvoorbeeld: En als ik hier het woord waarheid gebruik, versta ik dat vanuit zijn Griekse equivalent, de alètheia, dat oorspronkelijk de ‘onverborgenheid’ betekent. (p. 16).

Zelf zou ik geloof ik niet zo snel spreken van een ‘waarheid’, die in poëzie tot uitdrukking wordt gebracht. Er zit ook iets van een waardeoordeel in die term lijkt me: iets is waar, dus goed; of onwaar, dus slecht. Ik lees poëzie ook niet primair om inzicht te krijgen. Denk ik. Ik zou daarom eerder het woord ‘werkelijkheid’ gebruiken. Een ‘werkelijkheid’ is. En is voor iedereen verschillend. Een ‘werkelijkheid’ is niet waar of onwaar. Het is er.

Maar misschien begrijp ik Jellema wel helemaal verkeerd. Misschien bedoelt hij wel hetzelfde als wat ik bedoel met mijn ‘werkelijkheid’. Dus ik zou graag eens horen wat jij daarvan vindt.

Heb je trouwens de laatste Poëziekrant gelezen? Ik vond vooral die gedichten van Robert Hass in de vertaling van H.C. ten Berge erg goed. Die opmerking van jou, dat esthetisch genot erotisch van aard is, wist je dat die van Ezra Pound is? Dat zegt Hass tenminste. Ik dacht dat je hem zelf had verzonnen. Hieronder het gedicht, en dan ga ik slapen. Morgen weer vroeg op.

 

Ezra Pounds grondstelling

 

Schoonheid is sexueel, en sexualiteit

Is de vruchtbaarheid van de aarde en de vruchtbaarheid

Van de aarde is economie. Ofschoon hij op het punt van financiën

Geen aanbeveling voor dichters is,

Dacht ik aan hem in de drukkende hitte

Van nachtelijk Bangkok. Niet ouder dan veertien slentert ze op je af

Buiten het Shangri-la Hotel

En zegt in verstaanbaar Engels,

‘Wat denk je van een feestje, stoere jongen?’

 

Zo gaat het min of meer in zijn werk:

De Wereldbank regelt het krediet waarna de stuwdam

Driehonderd dorpen onder water zet en de dorpelingen hun weg vinden

Naar de stad waar hun dochters in de bomvolle straten oplossen

En de grote turbines van de dam, knap gefabriceerd

In Lund of Dresden of Detroit, gefinancierd

Door Lazard Frères in Parijs of de Morgan Bank in New York,

Mogelijk gemaakt door slimme donaties van Bechtel uit San Francisco

Of Halliburton uit Houston aan de plaatselijke politieke elite,

Aangedreven door de kracht van stromend water

Koren van glinsterend zilver zijn geworden,

Die stroomafwaarts dat blauwige flikkerlicht werpen

Over haar jukbeenderen en haar lieftallige huid.

 

(Robert Hass, uit: Time and Materials, 2007).

 

De door Ten Berge vertaalde selectie heet Een verhaal over het lichaam en komt ergens in dit jaar uit bij Meulenhoff. Ik ben in juli jarig. Onthoud dat.

 

Tot nader,

 

(Edwin Fagel)

 

Nuwe aanslag by Poëziekrant

Wednesday, March 3rd, 2010
Poëziekrant

Poëziekrant

Volgens ‘n berig op Knack het Willy Tibergien, stigter en hoofdirekteur van die Poëziecentrum in Gent en redakteur van die Poëziekrant, pas bekend gemaak dat hy beoog om weens ‘persoonlijke redenen’ in beide poste aan te bly tot 1 januarie 2013. Dit is nadat hy sy uittrede verlede jaar aangekondig het.

Intussen het die nuutste uitgawe van Poëziekrant vir vele mense as ‘n verrassing gekom, aangesien dit wil voorkom as Tibergien nou wel die volgehoue kritiek dat sy tydskrif stokkerig en oud-modies aandoen, ter harte geneem het en ‘n uitgawe gelewer het wat in sowel inhoud as voorkoms gewis meer opwindend is as die laaste aantal uitgawes. (Dis nou volgens ‘n vroeëre berig in De Contrabas.)

In sy redaksionale brief het Willy Tibergien gesê dat die dertigjarige viering van die Poëziecentrum en die vyf-en-dertigjarige viering van die Poëziekrant die ideale geleentheid is om dié besonderse publikasie te vernuwe: “Wij willen af van het etiket ‘literair tijdschrift’ dat bij te veel potentiële lezers en vooral bij jongeren te veel weerstand oproept,” het hy gesê. “Wij willen van Poëziekrant een boeiend ‘maandblad voor poëzie’ maken. De stap is klein. De nuance groot. (…) Een nieuw lettertype en de frisse rustige full quadri lay-out moeten de leesbaarheid vergroten. Ook aan de inhoud is en zal nog gesleuteld worden.”

Nou ja, toe. My eksemplaar van die betrokke uitgawe het ek ontvang en dit lyk beslis indrukwekkend. As lusmaker vanoggend, die volgende treffende aanhalings:

Uit die onderhoud met Christophe Vekeman, een van Vlaandere se vernaamste podiumdigters: “De vorm – er is in de literatuur geen andere waarheid.” En verder aan: “Als je als lezer geen belang hecht aan vorm, kun je beter enkel de krant lezen. Als je als schrijver geen belang hecht aan vorm, kun je beter de krant volschrijven.”

En dan, in ‘n bespreking van die nuutste uitgawe van Armada – Tijdschrift voor wereldliteratuur, Maaike Meijer se uitspraak: “Lezen is een archeologie van het weten: je wordt weer herinnerd aan wat je vergeten was dat je wist.” En, ten slotte, Dirk van Hulle se pragtige uitspraak oor die digkuns: “Poëzie brengt niets teweeg, maar ze is wel de enige die de nauwliks hoorbare plof registreert.”

Inderdaad, steeds ‘n publikasie waarop enige digkuns met reg trots kan wees …

***

Sedert gister het daar net Ilse van Staden se nuwe plasing bygekom. En dan sien ek in vandag se publikasielys vertalings in Engels gereed lê met gedigte van Breyten Breytenbach, Boerneef en Wilhelm Knobel. Die vertalings is gedoen deur Tony Ullyatt. Die skakels sal later opgesit word in ons Vertaalkamers.

Geniet hierdie middel-in-die-week dag.

LE

 

Om te kibbel met ‘n wit brood onder jou arm

Thursday, July 16th, 2009

 

Poeziekrant (Mei-uitgawe)

Poeziekrant (Mei-uitgawe)

Wat ‘n plesier is die Poeziecentrum in Gent se tweemaandelikse tydskrif Poeziekrant nie vir die poësieliefhebber nie! Want kan jy jou ‘n groter weelde indink as om weke lank te lees aan dié A4-grootte glanstydskrif met sy magdom leesstof? Pure onverdunde leesplesier, glo my! Met sy bykans 80 bladsye gevul met artikels, onderhoude, gedigte, resensies en vele ander wil-weet-dinge, raak jy regtig sommer vir baie ure verlore … So lees ek in die Mei-uitgawe van die tydskrif die vermaaklike onderhoud met Dirk van Bastelaere, Mijn biblioteek is mijn uitwendig geheugen, waarin hy onder andere uitvaar teen die vervlakking (kommersialisering) van die poësie wat hy die negatiewe ewolusie van die poësie noem. Hy het dit veral teen die “sirkusopset” van die Dichter des Vaderlands, asook die “stadsdichterscharade”. (Van Bastelaere is natuurlik een van die samestellers van die kontroversiële bloemlesing Hotel New Flanders. Lees gerus weer die Nuuswekker van 15 Mei indien jy dit gemis het …)

Maar wat ek persoonlik amusant gevind het, was die volgende beskrywing deur die onderhoudvoerder (Frank Pollet): Hij toont het boek World Poetry en roept ‘Kijk, welke twee Nederlandstalige dichters staan in dit boek? Kopland en Van Vliet. Ik wil niet weten wat een Egyptenaar over onze poëzie denkt!’ Van Bastelaere ageert tegen de beperktheid van dit soort beeldvorming. ‘Elke dichter opereert in een gigantische algemene, dat wil zeggen niet strikt literaire intertekst,’ zegt hij. ‘Je wordt beïnvloed van alle kanten.’ (Die boek hier ter sprake kan net die Vintage book of contemporary world poetry wees wat deur JD McClatchy saamgestel is en deur Vintage uitgegee is.)

Op sý webblad reageer Huub Beurskens soos volg op bogenoemde stelling: “Dirk van Bastelaere is beslist geen naïeve idioot. In een vraaggesprek, gepubliceerd in de nieuwe aflevering van Poëziekrant, maakt hij tussen het aanbieden en zelf verorberen van cent wafers door, zinnige opmerkingen … Ik wil dat onderstrepen. En ik wil er aan toevoegen dat elke dichter bijgevolg ook door gigantisch veel meer niet beïnvloed wordt. En bij dat gigantisch vele waardoor hij niet beïnvloed wordt, simpelweg omdat hij in onze tijd inderdaad door van alles en nog wat wordt beïnvloed, zou juist wel eens zoiets als ‘de Vlaamse poëzie’ of ‘de Nederlandse poëzie’ kunnen behoren, hoewel hij zelf in het Vlaams of Nederlands schrijft. Hij heeft wellicht heel wat meer en beters te doen dan zoiets als de Nederlandstalige poëzie bestuderen en bijhouden.”

Sug. Lyk my daar is op alle vlaktes maar windmeulens wat bestorm moet word. (Of is dit monsters?) Nietemin, geoordeel aan die enkele Afrikaanse digter (Breyten Breytenbach) wat in McClatchy se Contemporary World Poetry opgeneem is, doen ons dalk nie te sleg nie … Veral as ‘n mens in gedagte hou dat dit die beskikbaarheid van tekste in Engels is wat opname in ‘n bloemlesing van dié aard onderlê. (Die enigste ánder Suid-Afrikaanse digter in die CWP is Dennis Brutus.) Terloops, indien jy my blog-inskrywing oor hierdie publikasie gemis het, kan jy dit steeds hier te lese kry.

‘n Lekker dag vir jou. En kyk tog maar die monster deurentyd in die oog; hy verander weliswaar soms van taal en verhoog, maar sy intensie bly áltyd dieselfde: die verbrysling van hoop.

Mooi bly.

LE