Posts Tagged ‘Poëziekritiek’

Yves T’Sjoen. Krog kom nooit alleen nie. Kromspraak in de Lage Landen

Tuesday, February 14th, 2012

[2]

In het eerste deel van deze bijdrage heb ik een poging ondernomen de aanwezigheid van Antjie Krog in Nederland (en Vlaanderen) in kaart te brengen. Daarbij heb ik aandacht willen besteden aan (1) de Nederlandse vertalingen van Krogs poëzie (en proza) en (2) de aanwezigheid van Krog op podia (o.a. Geletterde mensen, Saint Amour, Wintertuinfestival), in interviews en als medewerker aan literaire periodieken, op een evenement als Gedichtendag. Op grond van deze materiaalverzameling, voor punt 2 uiteraard niet-exhaustief, is mijn belangrijkste stelling dat Krogs poëzie sinds de uitgave van Om te kan asemhaal (vert. Robert Dorsman, Atlas 1999) bijna systematisch beschikbaar is in Nederlandse vertaling. Antjie Krog als performer en maatschappelijk betrokken stem in en over Zuid-Afrika is ook zeer aanwezig op het publieke forum.

De poëziekritiek in de Lage Landen blijft daarentegen in gebreke, indien we rekening houden met het aanzienlijke corpus van vertaalde gedichten en de renommee die Krog internationaal geniet.

Na de presentatie van het materiaal (vertalingen en optredens) wil ik de stelling – ‘Krog geniet voor het Nederlandse publiek meer bekendheid als maatschappijkritische opiniemaker (en performer) dan als schrijver van dichtbundels’ – in dit tweede deel verder toelichten. Het overzicht van literaire kritieken zal zonder twijfel lacunes vertonen. Vandaar de oproep onderaan de bibliografie. Het corpus is samengesteld op basis van de databanken BNTL (Bibliografie van de Nederlandse taal- en literatuurwetenschap), BLTVN (Bibliografie van de Literaire Tijdschriften in Vlaanderen en Nederland) en het knipselarchief van Poëziecentrum (Gent), en na googlen naar e-zines en gedigitaliseerde boekenrecensies. Meer obscure en dus minder gelezen publicaties liet ik achterwege. Ik richt me in hoofdzaak op landelijke dag- en weekbladen en literaire periodieken.

Verkennend receptieonderzoek

Ter gelegenheid van de uitgave van Om te kan asemhaal heeft Erica Jong op de geesteswetenschappelijke webstek LitNet een van de meest uitvoerige beschouwingen over Krogs poëzie geschreven. Naast een interview met Krog door Arjen Fortuin heeft ook Arie van den Berg een recensie in NRC Handelsblad gepubliceerd (januari 2009). Méér reacties op de bloemlezing zijn me trouwens niet bekend. In Jongs bijdrage wordt de positie van Antjie Krog in Nederland als volgt belicht: “Krog is geen volslagen onbekende in Nederland. In 1977 ontving ze de Reina Prinsen-Geerligsprijs voor Mannin en Beminde Antarktika. In 1992 was ze te gast bij Poetry International, en in 1998 gastschrijver van het Nederlands Architectuurinstituut en Poetry samen. Haar gedichten verschenen in De tweede ronde en Tirade, en ze schreef columns en artikelen in het Nieuw Wereldtijdschrift, de NRC en Trouw. Op 20 maart 1999 trad ze op tijdens de Utrechtse Nacht van de poëzie, na Elisabeth Eybers (1990) en Breytenbach (1996)”. Verder wijst Jong op affiniteit met het werk van Hugo Claus en Lucebert.

Eén jaar na de verzamelbundel Om te kan asemhaal en twee jaar na de Afrikaanse editie is Kleur komt nooit alleen niet onverdeeld gunstig gerecipieerd in Nederland. In enkele door mij getraceerde besprekingen is vooral de ideologische dimensie van het dichtwerk in de verf gezet (in de trant van “overwegend politiek geëngageerde poëzie”; Koefoed, 2006). Op enkele particuliere websites (zoals De Recensent) doet Milla van der Have) afbreuk aan de Nederlandse vertaling van Dorsman en, naar analogie met Ludo Teeuwens kritiek op Gerrit Komrij’s bloemlezing Ik herhaal je met gedichten van Ingrid Jonker, aan de tweetalige opzet van ook deze tekstuitgave. Het is een kritische opvatting die je in besprekingen van uit het Afrikaans vertaalde poëzie wel vaker tegenkomt. Jan Deloof, bijvoorbeeld, heeft in Ons Erfdeel het verlies bij de Nederlandse vertaling van Kleur kom nooit alleen nie expliciet aangekaart: “Die getrouwe Nederlandse vertaling bewijst weliswaar goede diensten bij het exploreren van de gedichten in het Afrikaans, maar is hopelijk niet bedoeld als een poëtische tegenhanger. Daarvoor verliest dit Nederlands, met al zijn doffe lettergrepen en hier en daar uitgesponnen omschrijvingen, te veel aan gebaldheid en trefkracht”. Afgezien van dergelijke vertaalkundige oprispingen loven beide recensenten Krogs “meester[schap] van de taal” en de “flitsende, veel verzwijgende notities”.

In Poëziekrant heeft Kleur komt nooit alleen méér aandacht gekregen. Er is een uitvoerige bijdrage van Luc Renders, waarin Om te kan asemhaal en Kleur komt nooit alleen centraal staan. In zoverre ik het kan nagaan, is dit de meest onderbouwde tekst over Krogs poëzie in het Nederlandse taalgebied. Daarnaast noteer ik een tekst van Ingrid Glorie die in strike zin geen recensie van de bundel is. In de rubriek ‘De lezer’ contextualiseert en bespreekt zij vanuit een intertekstueel perspectief het gedicht ‘vanweë die verhale van verwondes…’. De brontaaltekst, ontleend aan Country of my skull (1998), staat onder de rubriektitel afgedrukt en ook in haar benadering van de tekst worden overwegend de ideologische lagen in de tekst aangeboord.

De volgende vertalingen van Krogs dichtbundels, met name Liederen van de blauwkraanvogel, Wat de sterren zeggen en Lijfkreet, zijn op enkele stukjes na niet echt grondig besproken in de Nederlandse dag- en weekbladkritiek en op poëziesites. Naast een bespreking over Liederen van de blauwkraanvogel van Rob Schouten voor Vrij Nederland zijn er mij ook recensies bekend van Ena Jansen in Trouw en Luc Renders in Poëziekrant. Het zal in het licht van mijn essay wellicht geen toeval zijn dat Renders in hetzelfde nummer van het poëzieblad Krog “als bruggenbouwer” presenteert (‘Schrijven aan een nieuw Jeruzalem’). Ludo Teeuwen heeft aan Liederen van de blauwkraanvogel een korte bijdrage gewijd in De Standaard. In zijn dubbelrecensie van Krogs bundel en Riana Scheepers Met de taal van karmozijn (2004; Met die taal van karmosyn, vert. Jooris van Hulle) merkt hij op dat Antjie Krog “een van de veelzijdigste Zuid-Afrikaanse schrijfsters” is, onder meer omdat zij in de bundel “de wereld van de magie [van de Bosjesmannen]” weet op te roepen “en wat nazindert, is het kloppende hart van de natuur”.

Over Wat de sterren zeggen, een tweetalige editie (Afrikaans/Nederlands) met een keuze uit de poëzie van Antjie Krog (aangevuld met een luister-cd waarop de auteur enkele gedichten voorleest), noteert Joop Leibbrand: “[Ze] proeft […] de woorden, fluistert ze, verbijt ze, acteert ze, beeldt ze uit in een ongelooflijk rijk palet aan klanken en dat alles zonder enige terughoudendheid”. Van de bundel Lijfkreet is me alleen een recensie van Peter de Broer in Trouw bekend.

Voor een literaire persoonlijkheid met groot internationaal aanzien is het wellicht merkwaardig te noemen dat de Nederlandse critici zo relatief weinig belangstelling weten op te brengen voor Krogs vertaalde poëzie.

Alle verhoudingen in acht genomen, dat wil zeggen rekening houdend met Gedichtendagbundels die de afgelopen jaren door Nederlandse en Vlaamse auteurs zijn geschreven, heeft de Gedichtendaguitgave Waar ik jou word in de gedrukte en digitale poëziekritiek ook weer weinig reacties teweeggebracht. Dit zegt uiteraard méér over de stand van de hedendaagse poëziekritiek dan over Krogs dichterschap. Misschien kan een oorzaak voor de geringe aandacht voor Krogs Gedichtendagbundel worden gezocht in het gegeven dat de bundel gedichten omvat die eerder al in Om te kan asemhaal, Kleur komt nooit alleen en Lijfkreet is uitgegeven.

De volgende bundel, Hoe zeg je dat (2010), een nieuwe ruime keuze uit de poëzie van Antjie Krog (van Dogter van Jefta tot Waar ik jou word), kreeg daarentegen meer aandacht. Naast Theo Hakkert in Het Parool heeft Erik Menkveld, toentertijd directeur van Poetry International, in de Volkskrant een panoramisch overzicht van Krogs dichterschap gepubliceerd. Ook hier komen de Waarheids- en Verzoeningscommissie (TRC) en het politieke engagement uitgebreid aan bod. De doorbraak van Antjhie Krog in Nederland, na haar vroege entree ter gelegenheid van de bekroning met de Reina Prinsen-Geerligsprijs, wordt door de recensent gesitueerd in 2000. Dat wil zeggen naar aanleiding van de Nederlandse editie van De kleur van je hart.

Voorlopig wil ik deze tussentijdse conclusie formuleren. De beperkte media-aandacht voor Waar ik jou word zegt iets over de stand van de poëziekritiek in Nederland (en Vlaanderen), maar evengoed over de relatief gesproken mindere renommee van de dichter Antjie Krog in ons taalgebied. Robert Dorsman liet me weten dat Krogs poëzie goed verkoopt en dat haar optredens druk worden bijgewoond maar dat de kritiek de (vertaalde) Afrikaanse literatuur makkelijk voorbijloopt. Er zijn verhoudingsgewijs inderdaad méér interviews met Antjie Krog op te sporen dan dat er boekenrecensies zijn.

Een onderzoeksvoorstel: comparatieve receptiestudie

Het is mij niet bekend of een soortgelijke receptieverkenning is ondernomen naar de aanwezigheid van de dichter Antjie Krog in het Angelsaksische taalgebied. Enkele teksten zijn ofwel door de auteur eerst in een Engelstalige editie of zelfs simultaan in het Afrikaans en het Engels gepubliceerd (zoals Country of My Skull, Kleur kom nooit alleen nie, Down to My Last Skin, A Change of Tongue, Die sterre sê “tsau”/ Xam-gedigte van Diä!kwain, Kweiten-ta-//ken, A!kúnta,/ Han≠kass’o en // Kabbo en Verweerskrif). Vanuit een comparatief standpunt kan het mijns inziens revelerend zijn de aanwezigheid (zowel de presentie als de receptie) van Krogs literaire werk in ook andere literaire systemen en taalgebieden te onderzoeken.

Ingrid Glorie besluit haar essay over Komrij’s bloemlezing uit de Afrikaanse poëzie met twee overwegingen. De eerste is dat de bloemlezing in Nederland zo succesvol is door “het Komrij-kwaliteitskeurmerk”. Zij stelt: “Het is niet aan een plotselinge massale belangstelling voor de Afrikaanse poëzie te danken dat zoveel mensen het boek hebben gekocht, als wel met bepaalde verwachtingen die alleen al gewekt worden door het feit dat Komrij’s naam op het omslag staat”. Op basis van de casus Antjie Krog kan ik instemmen met deze opmerking. Het is niet omdat een auteur in het eigen nationale circuit (in dit geval het Afrikaanse en Engelse taalgebied van Zuid-Afrika) een onomstootbare reputatie geniet dat ook in andere taalgebieden en literatuursystemen de literaire persoonlijkheid, en dus de literaire productie (in vertaling), op grond van dezelfde criteria worden gewaardeerd. Mijn vaststelling is dat Antjie Krog in de Lage Landen toch op meer extraliteraire merites wordt in beeld gebracht. Ik vergelijk met de wijze waarop in de academische literatuurkritiek in Zuid-Afrika aandacht wordt besteed aan ook andere facetten van Krogs literaire productie.

Een tweede conclusie van Glorie deel ik veel minder. “Komrij [is erin] geslaagd […] om de Afrikaanse poëzie in Nederland opnieuw op de kaart te zetten”. Daarmee doelt Ingrid Glorie op ”de Nederlands-Afrikaanse canon”, de evergreens die bij een Nederlands publiek herinneringen of zelfs herkenning oproepen. Indien de implicatie van deze stelling is dat hedendaagse Afrikaansschrijvende dichters door bemiddeling van vertalingen makkelijker weerklank krijgen in het Nederlandse literatuurlandschap, zou ik dat op basis van mijn casus en uitspraken van vertaler Robert Dorsman willen nuanceren.

Mijn verkenningstocht, met de receptie van de poëzie van Antjie Krog in de Lage Landen als kompas, heeft niet opgeleverd wat ik vooraf kon verwachten. Over de weerklank van Krogs poëzie hoefde ik mij geen vragen te stellen, aangezien de Zuid-Afrikaanse auteur internationaal veel waardering krijgt. Boekbesprekingen in toonaangevende Nederlandse en Vlaamse media, in zoverre ze over Krogs poëzie handelen, focussen sterk op de maatschappijkritische présence van de persona pratica . Zoals gezegd is deze casus illustratief voor de stand van de poëziekritiek in het Nederlandse taalgebied. Indien er recensies voorhanden zijn, richten de schrijvers ervan zich toch overwegend op extra-literaire facetten. Antjie Krog wordt neergezet “als zeer gewaardeerde gast”, als stem in het debat over (post)apartheid en het maatschappelijke bestel van Zuid-Afrika, en dus niet in eerste instantie als belangrijke dichter. In de verzamelde besprekingen heb ik zelden een uitspraak genoteerd over verstechnische, thematische, poëticale of andere aspecten van Krogs veelzijdige en rijke dichterschap.

Vermelde bronnen

Deloof, Jan. 2002. ‘Genoeg beredenéérdheid in jou hartstog kry’. Gedichten van Antjie Krog. In: Ons Erfdeel 45(4), 589-591. [Kleur komt nooit alleen] <http://www.dbnl.org/tekst/_ons003200201_01/_ons003200201_01_0137.php>

De Moor, Wam. 2002. Zal ik altijd wit blijven? In: De Gelderlander, 22 Maart. [Kleur komt nooit alleen]

Glorie, Ingrid. 2006. ‘Duizend woorden schroeien mij tot een nieuwe tong’. Over het gedicht vanweë die verhale van verwondes… van Antjie Krog. In: Poëziekrant 30(1), 36-39.

Glorie, Ingrid. 2002. Gerrit Komrij en de Zuid-Afrikanen. LitNet (NeerlandiNet). <http://www.oulitnet.co.za/glorie/glorie8.asp>

Hakkert, Theo. 2010. Ik benoem wat ik voor mezelf onmogelijk vind. Het Parool, 10 Februari. [Hoe zeg je dat]

Jong, Erica. 1999. Om te kan asemhaal – gedichten van Antjie Krog. LitNet. <http://www.oulitnet.co.za/vholland/akrog.asp>

Koefoed, Geert. 2009. Op zoek naar een taal van heelheid en gemeenschappelijkheid. Oerdigitaalvrouwenblad. < http://www.oerdigitaalvrouwenblad.com/pp/story/op-zoek-naar-een-taal-van-heelheid-en-gemeenschappelijkheid> [Hoe zeg je dat]

Leibbrand, Joop. 2005. Poëzie kort. Meander/e-zine. [Wat de sterren zeggen] <http://eerder.meandermagazine.net/recensies/recensie.php?txt=1483&id=>

Menkveld, Erik. 2010. Het wisselen van tampon in een townshiphotel. In: de Volkskrant, 15 Januari. [Hoe zeg je dat]

Renders, Luc. 2004. Gedichten die van ver komen. In: Poëziekrant 28(4), 90-91. [Liederen van de blauwkraanvogel]

Schouten, Rob. 2010. Halfontkleed schreeuwen. In: Awater 9(1), 36-37. [Hoe zeg je dat?]

Teeuwen, Ludo. 1999. ‘Mijn Afrikaans is een politiek statement’. Interview. De woedende gedrevenheid van Antjie Krog. In: De Standaard, 8 April. <http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DEXG28032000_013>

Teeuwen, Ludo. 2004. Woorden als kersen. Vertalingen van Antjie Krog en Riana Scheepers. In: De Standaard, 26 Februari. [Liederen van de blauwkraanvogel] <http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=GC445GHU>

Van der Have, Milla. 2002. Die begenadigde woord. De Recensent, 21 Februari. [Kleur komt nooit alleen] <http://www.derecensent.nl/2000-2004/antjie_krog.htm>

Van der Heide, Lotte. 1998. Als de leugen zich opricht, ruik ik bloed. De rechten van de mens, 3 December. <http://retro.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Mensenrechten/waarheidscommissie.html>

Voor enkele aanvullende bronnen, zie: BNTL en BLTVN. De bibliografie bij deze tekst pretendeert geen volledigheid. Voor het signaleren van aanvullende recensies in ruim verspreide dag- en weekbladen en literaire periodieken ben ik alvast dankbaar.

Vanuit een comparatief perspectief wil ik nog wijzen op de volgende twee studies over Krogs werk m.b.t. actoren in de Nederlandse literatuur:

Van Zyl, Dorothea. 2009. Grensoorskrydende passie in die poësie van Antjie Krog en Anna Enquist. Vroueverskynsel, konvensie of vernuwing?

Van Niekerk, Jacomien. 2009. Twee digters op die podium. Performatiwiteit in die oeuvres van Antjie Krog en Tom Lanoye.

In: Foster, R. & T’Sjoen, Y. & Vaessens, T. (reds.). Over grenzen/Oor grense. Een vergelijkende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poëzie/’n Vergelykende studie van Nederlandse, Vlaamse en Afrikaanse poësie. Leuven/Den Haag: Acco, resp. 109-127 en. 319-332.

Met dank aan Stefaan Goossens van Poëziecentrum (Gent).


Endnotes

In een paratekst bij het lange gedicht ‘skryfode’ (in Kleur kom nooit alleen nie) worden Hugo Claus en Charles Ducal expliciet genoemd.

Ingrid Glorie heeft naar eigen zeggen (Versindaba, februari 2012) elk nieuw boek van Antjie Krog besproken, onder andere in het magazine Zuid-Afrika. Voor mijn onderzoek focus ik uitsluitend op poëzierecensies in (landelijke) literaire media. Het samenstellen van een lijst van interviews met Krog, in tegenstelling tot poëziebesprekingen in boekenbijlagen van dag- en weekbladen en in literaire tijdschriften, is bijna onbegonnen werk. Met dank aan Ingrid Glorie.

Aanvullend kan nog worden gewezen op Antjie Krogs aanwezigheid in themanummers over Zuid-Afrikaanse literatuur van Nederlandse literaire periodieken. In het dossier ‘Identiteit in tekst en taal’ (red. E. Jansen) van Armada. Tijdschrift voor wereldliteratuur (mei 2004) zijn in een vertaling van Robert Dorsman en Jan der Haar ‘Nieuwe gedichten’ van Krog opgenomen. In ‘Plaatsen van Afrikaner herinnering’ in De Gids (november-december 2008) is ‘Brentpark march for freedom 1990’ (‘Nieuwe gedichten’) in een vertaling van Dorsman en Van der Haar gepubliceerd.

Onderhoud. Arnoud van Adrichem oor die stand van poësiekritiek

Thursday, November 24th, 2011

Arnoud, dankie vir hierdie geleentheid tot gesprek. Vertel ons ietsie omtrent jouself, by wyse van bekendstelling?

Allereerst bedankt voor de gelegenheid om mijn standpunten over de hedendaagse poëziekritiek nader uiteen te zetten. Wat betreft mijn curriculum vitae: ik ben dichter, hoofdredacteur van Parmentier en lid van de redactieraad van DW B. Daarnaast ben ik medeoprichter en redacteur van het platform voor literaire kritiek De Reactor en uitgever bij Perdu. In 2008 debuteerde ik als dichter met de bundel Vis. Daarna volgden de bundels Buiten (2008) en Een veelvoud ervan (2010). Onder de titel Stemvork bundelde ik in 2010 de essays, gedichten en vertalingen die ik samen met Jan Lauwereyns maakte. In coöperatie met Han van der Vegt werk ik aan een vertaling van het poëzieboek The Age of Huts (compleat) van Ron Silliman.

Enkele maande gelede was daar in die Afrikaanse geledere ‘n hewige debat rondom die aanstelling van ‘n Nasionale Boekeredakteur vir Media24 se drie afsonderlike dagblaaie. Tydens dié debat was die moontlikheid van ‘n blad soortgelyk aan De Reactor bespreek; ‘n internetblad wat hom uitsluitlik op literêre kritiek toespits en op dié manier poog om groter blootstelling en debat te genereer. Wat was vir júlle die redes wat aanleiding gegee het tot die vestiging hierdie grensverskuiwende webblad?

De Reactor wil de kwaliteitsvolle literaire kritiek in ons taalgebied een nieuwe impuls geven voor een breed publiek van geïnteresseerde lezers en critici. We willen ertoe bijdragen dat de literaire kritiek weer een belangrijk en gezaghebbend onderdeel van het literaire leven wordt. Dat is niet alleen wezenlijk voor de kritiek zelf, maar ook voor de vitaliteit en levendigheid van het hele literaire systeem. Gedegen kritiek is een bron van permanente reflectie en vernieuwing en zou verder moeten reiken dan het consumentenadvies en de ‘human interest’-achtige interviews met bestsellerauteurs die de traditionele, gedrukte media plegen te brengen, al zijn er uiteraard positieve uitzonderingen te noemen.

Onze website richt zich tot alle in degelijke kritiek geïnteresseerde lezers van Nederlandstalige en in zekere mate ook anderstalige literatuur en literaire nieuwe media. Kritieken over werk uit alle literaire genres en tussenvormen komen aan bod: proza en poëzie, maar ook essayistiek, toneel, literaire nieuwe media en interdisciplinaire projecten waarin de literaire tekst een rol speelt. De Reactor is steeds bereid de literaire horizon te verbreden, waarbij we ons mede laten inspireren door de standpunten en ideeën uit de cultural studies. We richten ons niet alleen tot de mensen die traditioneel tot de lezers van de boekenkaternen van de verschillende kranten en tijdschriften gerekend worden, maar ook tot groepen lezers die zich daar inmiddels buiten bevinden. Jongere generaties zijn bijvoorbeeld minder geneigd tot het kopen van kranten en weekbladen en vertrouwen meer en meer op het internet als informatiebron. Daarnaast zijn er groepen lezers die niet noodzakelijk tot de traditionele lezers van boekenbijlagen behoren, maar die wel geregeld en zeer gericht op zoek gaan naar literatuurkritiek. Tegelijkertijd is De Reactor een forum dat lezers en critici de gelegenheid geeft om op basis van de geplaatste recensies en andere artikelen publiekelijk en gemodereerd over de praktijk, de inhoud en het doel van de literaire kritiek te discussiëren. Zo krijgen ook niet-professionele lezers de kans om een kijkje te nemen in de recensentenpraktijk, die zich doorgaans achter de schermen afspeelt.

Overigens valt het met die controverse wel mee. Wel is er een aantal critici dat beweert dat De Reactor er totalitaire trekjes op nahoudt en dat wij de traditionele literatuurkritiek mordicus afwijzen. Beide is onwaar. De Reactor is nadrukkelijk opgezet als een forum, waarvoor inmiddels meer dan zeventig recensenten schrijven, van wie sommigen ook publiceren in kranten en weekbladen. In mijn optiek is De Reactor eerst en vooral bedoeld als aanvulling op en soms als correctief van de recensies in de traditionele pers, en niet als een verwerping daarvan. Integendeel: beide media kunnen prima naast elkaar functioneren. Ik denk zelfs dat ze elkaar hard nodig hebben.

Poësiekritiek is heel dikwels ‘n kontensieuse saak aangesien dit so dikwels gebaseer is op persoonlike voorkeure, aanvoeling en afkeure. In jou onlangse artikel op De Reactor neem jy juis sterk standpunt in téén dit waaarna jy as “de kwijnende poëziekritiek in de dag- en weekbladen” verwys. Verduidelik hoekom jy van mening is dat die Vlaams/Nederlandse poësiekritiek “kwijnend” is? En waarom spesifiek in die gedrukte media?

Ik zie pakweg drie problemen, die samenkomen in het commerciële format waaraan critici gebonden zijn.

In de eerste plaats is de ruimte voor poëzierecensies in de traditionele gedrukte media, die opereren vanuit een neoliberaal marktdenken, minimaal geworden. Gemiddeld genomen beslaan de recensies van nieuwe Nederlandstalige bundels maximaal 500 (de Volkskrant) tot 800 (NRC Handelsblad) woorden. Daarmee wil ik natuurlijk niet beweren dat een hoger aantal woorden per se leidt tot een betere bespreking. Maar als je meer ruimte tot je beschikking krijgt dan kun je ook dieper ingaan op het boek en de maatschappelijke context waarbinnen nieuwe titels worden uitgebracht. Daarin ligt ook het fundament en een groot deel van het bestaansrecht van een site als De Reactor die jaarlijks 100 diepgravende recensies aanbiedt van pakweg 1500 tot 2000 woorden. Recensenten mogen bij ons uitpraten en zijn niet gebonden aan een knellend format waarin de waardering voor een besproken boek moet worden uitgedrukt in een aantal sterren of balletjes.

In de tweede plaats getuigen de poëzierecensies in kranten en weekladen zelden van enige bekendheid met eerdere kritieken of algemene tendensen in de poëzie. Anders dan pakweg tien jaar geleden, toen de poëziekritiek nog een ware bloeiperiode doormaakte, treden kranten- en weekbladcritici tegenwoordig niet of nauwelijks met elkaar in debat. Ook lijken ze ingewikkelde, maar urgente vragen over wat poëzie is, wat poëzie in ons snel veranderende medialandschap kan betekenen en waarom poëzie ‘er toe doet’ bij voorkeur te mijden.

In de derde plaats bespeur ik een gebrekkige doorwerking van het poststructuralisme in de Nederlandstalige poëziekritiek. Zoals ik in het interview met De Contrabas al zei, mikt deze poststructuralistische vorm van kritiek niet zozeer op samenhang, intenties, kwaliteit, enzovoorts, maar wil het vooral de blinde vlekken in het taalgebruik en het wereldbeeld zichtbaar maken. De criticus stelt het beoordelingsproces op zich ter discussie en laat zijn lezers ervaren hoe kunst aanzet tot het heroverwegen van vooronderstellingen en vooroordelen, zowel op het gebied van de cultuur als van de politiek. Dat zo’n vorm van kritiek het debat levend houdt en een stap verder brengt, blijkt wel uit de cruciale impulsen die poststructuralistisch geïnspireerde critici als Hana Bobkova, Anna Tilroe of Jeroen Peters gaven aan respectievelijk de theaterkritiek, de beeldende kunstkritiek en de danskritiek.

Waarskynlik is dit met bogenoemde as vertrekpunt dat jy jou beswaar voor die deur van resensente lê wat heel dikwels “weigeren geëngageerde gedichten te lezen in het licht van actuele discussies over de wereld van vandaag.” Binne Suid-Afrikaanse konteks word “geëngageerde gedichten” egter meestal gesien as gedigte met ‘n sterk politiese lading. Is dit wat jy met hierdie stelling in gedagte het?

Het gaat mij niet alleen om het politieke domein, al drukt de politiek natuurlijk wel een zware stempel op de totale samenleving. Ik denk ook aan bijvoorbeeld mediarepresentatie, economie en ecologie. Engagement gaat, in heel algemene bewoordingen, over het opkomen van waarden die je waar dan ook in het gedrang ziet komen, geheel los van de vraag of daar een publiek voor is. Sterker, het publiek kan nu precies het obstakel voor de realisatie van die waarden zijn. Wie van de poëzie verlangt dat zij de schuld van een vermeende gebrekkige populariteit op zich neemt, toont slechts een principiële desinteresse in haar eventuele waarden, en legt die maatschappelijke betrokkenheid enkel uit in termen van herkenning van sappige actualiteiten. Overigens is de vrijheid van de poëzie zich ook niet te engageren, tegelijkertijd haar engagement, zoals Lucas Hüsgen mij onlangs schreef.

‘n Besonder interessante opmerking in jou artikel oor poësiekritiek is die volgende: “Het is daarbij wel goed om te beseffen dat engagement eerst en vooral in de vorm zit, die lezers dwingt, en niet zozeer in de onderwerpskeuze.” Kan jy hierop uitbrei vir ons, asseblief?

Met die opmerking refereer ik aan mijn kritische bespreking van Erik Jan Harmens bloemlezing Ik ben een bijl die ik publiceerde in Streven. Daarin citeer ik met instemming Frank Vande Veire die in zijn intrigerende studie Als in een donkere spiegel stelt: ‘het kunstwerk representeert niet letterlijk wat er zich in de maatschappij afspeelt, maar vertaalt de concrete maatschappelijke tegenstellingen en conflicten meteen in vormproblemen.’ Met Adorno kun je vervolgens stellen dat de spanning tussen het puur esthetische of autonomistische – zeg, de ivoren toren van het vormbewustzijn – en de maatschappelijke betrokkenheid onoplosbaar is, en dat die onoplosbaarheid het kunstwerk nu juist aandrijft.

Aan die einde van jou artikel sonder jy ‘n aantal resensente uit wat volgens jou verteenwoordigend is van ‘n ander ingesteldheid: “In hun recensies durven zij wel stelling te nemen en relaties te leggen tussen het besproken boek en de wereld. Ook zijn zie niet bang om hun eigen beoordelingsproces publiekelijk ter discussie te stellen en zoeken ze nadrukkelijk aansluiting bij het internationale debat,” skryf jy. Ook maak jy in die onderhoud met Chrétien Breukers (De Contrabas, 14/11/11) die opmerking dat resensente selde indien ooit onderling met mekaar in gesprek tree “alsof ze opereren in een discursief vacuüm”. Hoe kan hierdie “discursief vacuüm” volgens jou uit die weg geruim word?

Allereerst moeten er nieuwe, centrale podia worden gecreëerd voor het kritische debat. Er moeten goede moderatoren worden aangesteld, die discussies aansturen en over de grenzen van dat ene platform, of die ene Facebook-pagina heen durven te kijken. Samen met Jan Pollet, een ervaren blogger en digitale schatgraver, en Stichting Perdu, een literaire oase in hartje Amsterdam, werkt de redactie van De Reactor aan de oprichting van een nieuwe website, Ooteoote getiteld. Uiteraard zal er nog een officiële aankondiging en lancering komen. Maar ik kan wel alvast iets zeggen over onze uitgangspunten en ideeën. Ooteoote wil een online informatieknooppunt worden voor opinies en nieuws over literatuur en op een beperktere schaal over hedendaagse kunstvormen, zoals beeldende kunst, muziek en film die een relatie hebben met de letteren. De site zal fungeren als portaal en zeef die bezoekers doorverwijst naar een brede selectie van interessant literair materiaal op het internet. Dit is van belang omdat de gemiddelde literatuurliefhebber momenteel ‘verdrinkt’ in het almaar groeiende en versplinterde aanbod van – al dan niet hoogwaardig – literair nieuws en daarom behoefte heeft aan een betrouwbare digitale gids die de literaire parels dagelijks voor hem opduikt én becommentarieert. Ooteoote zal kortom de wereld die zich uitstrekt voorbij het boek en de literaire kritiek binnen het bereik van een grote groep geïnteresseerde lezers brengen. Iedereen die graag op de hoogte blijft van de ontwikkelingen in de literatuur, interesse heeft in verrassende interviews en graag aantrekkelijke stukken leest over de vaak vruchtbare relatie tussen literatuur en beeldende kunst, moet er zijn gading kunnen vinden. We zullen ook samenwerkingen met buitenlandse sites en auteurs aangaan en nodigen hierbij Versindaba alvast uit om het literaire nieuws uit Zuid-Afrika te signaleren. Daarnaast maak ik maar gelijk van de gelegenheid gebruik om literatuurexperts op te roepen om interessante links te posten op het reeds actieve Ooteoote-Twitter en onze Facebook-account.

Ten tweede dienen kranten en weekbladen zich ernstig te bezinnen op hun recensiebeleid dat nu te veel gericht is op grote namen.

Ten derde moet de poëziekritiek zich niet blind houden voor innovatieve, internationale ontwikkelingen binnen haar discipline en ook eens nieuwe stemmen aan het woord laten. Wat frisse lucht kan zeker geen kwaad. Want de dynamische Nederlandse poëzie verdient een springlevende, zich almaar vernieuwende kritiek.

Arnoud, jy is eweneens ‘n gepubliseerde digter wat reeds in 2008 gedebuteer het met die bundel Vis, wat 10 resensies ontvang het; myns insiens heelwat vir ‘n debuutbundel. Hoe het jy gevoel oor die hantering van jou debuut deur die resensente?

Vanzelfsprekend ben ik erg blij met de waardering voor mijn debuutbundel.

Watter Vlaams/Nederlandse digters, volgens jou, word nie na reg hanteer deur die teenswoordige poësiekritiek nie? Hoekom spesifiek dié digters?

In zijn algemeenheid is er in de kranten en weekbladen naar mijn smaak te weinig aandacht voor experimentele, innovatieve, of zo je wilt, avant-gardistische literatuur. Ook debutanten kunnen nauwelijks op belangstelling in de media rekenen. De focus ligt nu vooral op auteurs die toch al goed verkopen en sowieso kunnen rekenen op de belangstelling van het grote publiek.

Ten slotte, ‘n vraag oor ‘n aanverwante onderwerp. Onder aan jou artikel by De Reactor is daar ‘n kommentaar geplaas wat onder meer reageer op Ann de Cramer se onlangse artikel waarin sy die stelling maak dat poësie nie “van deze tijd” is. My vraag is derhalwe tweeledig: Ten eerste, wat is jou mening omtrent De Cramer se standpunt en tweedens, gaan jy akkoord met die kommentator se slotopmerking: “Als poëzie kritische potentie heeft, dan resulteert die waarschijnlikheid uit haar unzeitgemässe karakter.”

Wie de geschiedenis van de poëzie een beetje kent, weet dat de overlevingskansen van dit genre sinds oudsher laag worden ingeschat. Om de zoveel tijd staat er een cultuurpessimist op die de poëzie zo niet doodverklaart dan toch zeker als terminaal diagnosticeert. Onlangs nam Ann De Craemer die rol inderdaad op zich. In het vervolg op haar geruchtmakende column ‘Echte dichters huilen niet’ noemt ze de poëzie opnieuw een anachronisme. Volgens De Creamer kunnen hedendaagse lezers het geduld en de toewijding niet meer opbrengen om gedichten te lezen. Van de enkele fijne luiden die zich ooit met dit tijdverdrijf bezighielden is er klaarblijkelijk niemand meer over.

Ik deel haar analyse niet. Aandacht en geduld zijn geen verdwijnende menselijke eigenschappen. Als je ziet hoe veel concentratie en geduld bijvoorbeeld het spelen van games – die vaak ook narratieve elementen bevatten – vergt, dan zie ik het allemaal niet zo somber in. Natuurlijk zijn er wel de nodige problemen – op middelbare scholen vindt bijvoorbeeld nauwelijks serieus literatuuronderwijs plaats, poëzie verkoopt doorgaans slecht – maar in de hedendaagse poëziepraktijk ligt zeker geen Apocalyps verscholen. Kijk alleen al naar de honderden poëziebundels die er jaarlijks uitkomen, de stroom aan secundaire literatuur, al die bloemlezingen, de vele poëzietijdschriften, websites, blogs, festivals, poetryslams, debatavonden en prijzen, de nieuwe digitale verschijningsvormen van poëzie, de intermediale samenwerkingsverbanden, een instituut als de Dichter des Vaderlands, Gedichtendag en de naar verluidt 620.000 Nederlanders die regelmatig gedichten schrijven. Ook: dat De Craemer, die kennelijk nog wel over een flinke portie aandacht en geduld beschikt, tot tweemaal toe in een kwaliteitskrant als De Morgen over poëzie mag schrijven, kan wellicht al gelden als bewijs voor haar ongelijk.

Belangrijk is vooral dat het debat over poëzie een nieuwe impuls krijgt. Dichters, critici, literatuurwetenschappers, uitgevers en bloggers moeten elkaar op blijven zoeken en openlijk de dialoog met elkaar aangaan. En laten we dan ook vooral niet vergeten om over het plezier en genot van de tekst te spreken.

Nogmaals dankie vir hierdie gesprek, Arnoud. Sal jy egter so vriendelik wees om by wyse van groet ‘n gunstelingvers hieronder vir ons lesers te plaas? (Uiteraard kan dit ook ‘n eie vers van jou wees …)

Omdat ik mijn stuk op De Reactor begon met een verwijzing naar de jongste dichtbundel van Tonnus Oosterhoff, wil ik graag een gedicht uit die sublieme bundel opnemen:

Tijd voor een nieuw dier, het oorlogspaard.

Het gaat in de wereldoorlog dienen.

Het gaat onder zijn kozak uiteengereten

worden, maar zover is het nog niet.

In een tuig wordt het paard

uit het ruim van een schip getakeld.

Het kijkt om zich heen: waar is wat?

Wegwezen? Nee, zonder grond

kan het aan galopperen niet denken,

het brein slaat geen vonk.

Want vluchten slaapt onder de voeten,

hoopt woont in de ogen, humeur leeft in

mondhoeken, pijn in de rubberen

handschoen.

(c) Tonnus Oosterhoff (Uit: Leegte lacht, 2011: De Bezige Bij)

***

Vir meer inligting oor Arnoud van Adrichem en sy werksaamhede kan jy gerus sy persoonlike webblad besoek.

– Louis Esterhuizen (Onderhoudvoerder)

 

Chrétien Breukers. Poëziekritiek (1)

Wednesday, May 5th, 2010
Kritikus

Kritikus

De gemiddelde poëziecriticus lijkt nog het meest op een blinde die een snelweg oversteekt, zonder stok en blindegeleidenhond. Tijdens het oversteken, of net voordat hij te pletter wordt gereden, murmelt hij orakeltaal. Dit noemt hij: analyse. Of: diepgang.

Deze orakeltaal heeft maar één doel: bewijzen dat de criticus, ondanks zijn blindheid, scherp kan zien – scherper bijna dan de dichter.

De droevige resultaten worden in word verwerkt en afgedrukt in literaire bijlagen, gepubliceerd op websites en blogs en bijgezet in literaire bladen. Wijzer word je er niet van, maar het bewijst wel dat de criticus slim is (en blind).

Misschien is het wel tijd voor een andere poëziekritiek. Zonder diepgang. Zonder analyse. Een poëziekritiek die subjectief is. Onredelijk.

Het is een tijd voor een poëziekritiek die óók tot de conclusie komt dat Arjen Duinker een groot dichter is, maar zonder daarvoor orakeltaal te gebruiken.  

Chrétien Breukers

De Contrabas