Posts Tagged ‘Raster’

Edwin Fagel. Möhlmanns Moleskine

Monday, December 13th, 2010

Raster

Raster

Ineens stond er een nummer van het tijdschrift Raster in mijn boekenkast, nummer 119. ‘Hoe kom ik dáár nu aan,’ dacht ik (misschien zei ik het zelfs wel hardop). Het was twee dagen na de lancering van het tijdschrift op het internet (www.tijdschriftraster.nl) – dat vond ik genoeg om bovenaardse inmenging te vermoeden. Ik ken Raster vooral uit mijn studententijd, waar ik het in de Universiteitsbibliotheek vaak las als afwisseling op, of soms ook vervanging van, mijn studieboeken. Maar ik kon me niet herinneren dat ik het ook daadwerkelijk had gekocht.

Ook dit keer was er geen sprake van bovenaardse inmenging. Toen ik het nummer uit de kast pakte om het eens wat nader te bekijken, viel er een papiertje uit. Daar stond een Sinterklaasparodie op van een van de gedichten uit mijn debuutbundel die ongeveer tegelijk met dit nummer van Raster moet zijn verschenen. 

Ik schaamde me. Ik schaamde me ten opzichte van de vriend die me het tijdschrift cadeau had gedaan;  ten opzichte van al die auteurs die hun best hadden gedaan een mooie bijdrage te leveren; ten opzichte van de redactie die haar best had gedaan het toen ongetwijfeld al zieltogende Raster overeind te houden. En om hun zwijgend verwijt te verzachten ben ik het nummer nog dezelfde avond gaan lezen. Raster 119 is een themanummer en draagt als titel ‘Gedicht / Geen gedicht’. De dichters werd gevraagd een gedicht te leveren en daarnaast een andersoortige tekst te leveren: essay, dagboekaantekening, verhalend proza, etc.

De mogelijkheden bleken legio. Ik bladerde en genoot, en bleef vervolgens hangen bij de bijdrage van dichter Thomas Möhlmann. Ik hou er erg van een kijkje te nemen in de keuken van de dichter en Möhlmann had de aantekeningen voor (en aanzetten tot) zijn gedichten overgeschreven en gepubliceerd onder de titel ‘Uit de kleine zwarte dummy: aantekeningen van de afgelopen tijd’.

Een wat gemakzuchtige oplossing, dacht ik eerst. Maar al lezende raakte ik ervan overtuigd dat deze aantekeningen bewerkingen moeten zijn. Als ik ze tenminste vergelijk met wat ik zelf zoal in mijn opschrijfboekjes noteer, zijn Möhlmanns aantekeningen zonder uitzondering interessant. Of hij heeft simpelweg alle onzin er tussenuit gehaald, dat kan natuurlijk ook.

Ten opzichte van de oorspronkelijke lezer van deze Raster had ik het voordeel dat inmiddels de bundel waar deze aantekeningen voor waren bestemd is verschenen (Kranen open uit 2009). Een enkele aantekening herkende ik: ‘Elke koplamp zijn konijn’ heeft het bijvoorbeeld geschopt tot titel van een gedicht. Maar het is opvallender dat voor zover ik zo snel kan nagaan vrijwel geen enkele van deze aantekeningen uiteindelijk in de bundel is opgenomen. Ik snap dat een leuke, maar algemene aantekening als ‘Landbouw is een kalme vorm van jacht’ uiteindelijk niet in een gedicht terecht is gekomen. En een sterke regel als ‘Geknor steeg op naar de hemelen, stilte daalde neer op aarde’ past ook inderdaad niet in de sfeer en toon van Kranen open. Al zou er wel wat voor te zeggen zijn geweest de regels tóch ergens in te passen. Ik hou wel van grillige bundels. Zoals ik ook hou van de grillige, eerste versies van liedjes, de onbeholpenheid ervan. Met het onvermijdelijke schaven gaat er ook veel verloren.

Het duizelt me af en toe te bedenken hoeveel mooie regels nooit in een bundel zullen verschijnen.

Niet lang na het verschijnen van mijn debuutbundel bezocht ik met vrienden een Picassotentoonstelling in het Duitse Münster. Daarna heb ik nog een paar uur in mijn eentje in het stadje rondgezworven, met mijn notitieboekje in de aanslag. Aan het eind van de dag meldde ik mijn vrienden tevreden dat ik alleen nog maar de ideeën die ik die dag had opgeschreven hoefde uit te werken, en dat ik dan de volgende bundel wel weer klaar zou hebben. Zelden heb ik me zo schromelijk vergist.

(Edwin Fagel)

Yves T’Sjoen. ‘Een gevecht met de vorm’ (Rein Bloem)

Friday, July 16th, 2010

‘Een gevecht voor de vorm’. Poëticale positionering van de dichter Rein Bloem (1931-2008)

Rein BloemTwee jaar geleden, op 20 juli 2008, stierf de Nederlandse dichter, vertaler en poëziecriticus Rein Bloem. De poëziebeschouwer genoot in academische en literair-journalistieke kringen veel aanzien met erudiete essays. In de Nederlandse literatuurstudie getuigen de opstellen over Herman Gorter, Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey van grote belezenheid en interpretatief vermogen. Belangrijk voor de Faverey-receptie was bijvoorbeeld het essay ‘Wat er toe doende. Over het lezen van Hans Faverey’ in de bundel Over gedichten gesproken (1982). Het opstel begint met de typerende zin: “Bij verschijnen stuitte de poëzie van Hans Faverey op veel weerstand en onbegrip; maar wat is er nu moeilijk in of aan [de] tekst […], vraag ik mij af”. Als vertaler van onder andere Dubliners van James Joyce, l’Hérésiarque & Cie en Le poète assassiné van Guillaume Apollinaire, Pour un tombeau d’Anatole van Stéphane Mallarmé, Les paradis artificiels van Charles Baudelaire, en ook werk van de Franse dichters André du Bouchet en Pierre Reverdy en de Amerikaanse modernist Wallace Stevens heeft Bloem veel waardering geoogst. Zo nam hij in dichtbundels niet alleen eigen poëzie op, maar ook vertalingen. De vierde bundel, Van de aarde (1982), bevat een hele afdeling met vertaalde gedichten van de Franse heremiet Pierre Reverdy, “zonder wie Rein Bloem zich het leven niet voor kan stellen” (geciteerd naar de achterplattekst). Het dichterschap van Rein Bloem is daarentegen een minder belichte kant van diens literaire persoonlijkheid.Pierre Reverdy

Bloem staat intussen geboekstaafd als een dichter “met lef”. Misschien heeft de geringe belangstelling voor de poëzie met die karakterisering van doen. Jan Kuijper, voormalig poëzieredacteur van uitgeverij Querido, heeft het in zijn necrologie over “Poëzie met lef” en lichtte toe: “dat is natuurlijk vooral werk waarvan de maker het lef heeft iets als poëzie voor te stellen wat op dat moment buiten dat begrip viel”. Poëticaal vertaald is “wat op dat moment buiten [het] begrip viel” de taalgerichte of autonomistische poëzie van de jaren zeventig. Tot deze poëticale tendens, die ook wel eens de ‘zuivere’ traditie van het modernistische discours wordt genoemd (A.L. Sötemann, Over poetica en poëzie, 1985), is het dichtwerk van uiteenlopende schrijvers als Paul Valéry en Stéphane Mallarmé, T.S. Eliot en Rainer Maria Rilke gerekend. Bekende concepten zijn het objectieve correlaat (Eliot) en de Dinggedichte (Rilke), die alle wijzen op de uitschakeling van de emotieve (of biografisch-anekdotische) laag in literaire teksten. Er wordt in die context ook wel gesproken over een hermetische richting in de literatuur, waarbij auteurs taalconstructeur of poeta faber (letterlijk maker) zijn. De vraag is natuurlijk hoe scherp die grens tussen literaire tendensen (postromantische of postsymbolistische naast romantische poëzie) kan worden getrokken. Alle poëzie is uit taal opgetrokken en blijkt dus per definitie taalgericht.

Hans FavereyIn de Nederlandse modernistische poëzie na de Tweede Wereldoorlog worden steevast Jacques Hamelink, Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey genoemd als vertegenwoordigers van de taalautonomistische poëzie. Hun gedichten zijn in zoverre autonoom dat ze taaldingen willen zijn, of dus autonome artefacten, en dat taalbewustzijn aan de basis ligt van het dichterlijke experiment. M. Nijhoff knipte al de navelstreng tussen schepper en schepping door (in de bundel Vormen, 1924) zodat het maakwerk of taalding helemaal los van de maker (en dus de persoon van de schrijver) kon bestaan. Uiteraard is deze generalisering bedrieglijk: bekend zijn de dichters die in hun schrijverschap een ontwikkeling doormaken van meer ‘zuivere’ of taalautonomistische naar veeleer ‘onzuivere’ (post)romantische poëzie (en andersom). Het is overigens maar de vraag of Kouwenaar in later werk opteert voor een opener (anekdotische) schriftuur. Men leze er Gaston Franssens Gerrit Kouwenaar en de politiek van het lezen (2008) op na. Omgekeerd kan worden betwist dat Rutger Kopland en J. Bernlef in de jaren tachtig een meer gesloten of abstracter (intellectualistische) dichtkunst publiceren.

RasterIn het periodiek Raster (1967-1973; 1977-2009) is, in een periode van neorealistische experimenten in de Nederlandse poëzie, het debat gevoerd over beide strekkingen in het modernistische poëziediscours. Redacteur H.C. ten Berge sprak over ‘logopoeia’ en doelde daarmee op het intellect (en dus niét de emotie) als katalysator van de literatuur. Schrijvers als Hans ten Berge, Hans Faverey en ook Rein Bloem verzetten zich tegen de referentiële status van literaire teksten. Woorden in gedichten kunnen à la limite naar elkaar verwijzen. Poëzie kreeg de functie van taallaboratorium: poëzie is onderzoek naar taal en (de mogelijkheden van) poëzie. Hugo Brems stelt dat in een Raster-poëtica ‘gedichten […] “als gesleten keiharde handgrepen” zijn’ en verderop wat Bloems positie in die niche van de Raster-literatuur betreft: “poëzie [is] een verkenning van het woord als vorm, als betekenisdrager en als element in een web van intertekstuele verwijzingen”. Het karakter van de Raster-poëzie is algemeen gesproken metatekstueel en intertekstueel. Door de nadruk te leggen op metataligheid en intertekstualiteit kun je deze poëzie ook postmodernistisch noemen. Gerrit Kouwenaar

In de poëticale discussie van Raster en in het licht van beide poëtica’s in de modernistische poëzie van de jaren zeventig heeft de dichter Rein Bloem zich gemanifesteerd. Naast schrijvers als Huub Beurskens, Jacques Hamelink, Wiel Kusters, Peter Nijmeijer, Kees Ouwens, Hans Tentije, Ad Zuiderent en anderen werkte ook Bloem van meet af aan in de onontkoombare traditie van Kouwenaar en Faverey.

Dichten is een ambacht. De dichter werkt met taal en is zich daar maar al te bewust van. Die opvatting blijkt niet alleen uit de scheppende literatuur van Rein Bloem, ook in zijn beschouwend werk heeft hij de ‘hermetische traditie’ van Valéry en Mallarmé, Paul Celan en R.M. Rilke benadrukt. Naast de aandacht voor het metatalige karakter heeft hij zich vooral gebogen over de intertekstuele aard van Faverey’s poëzie. In kritische opstellen wees hij op de dialoog die de dichter Hans Faverey aangaat met teksten van Sappho en de Bijbel, met de filosofieën van Zeno en Heraclitus, met het Japanse Zenboeddhisme. Zonder twijfel hebben deze belezen essays bijgedragen tot een begrip en de studie van de vroege poëzie van Faverey (onder meer in het als hermetisch of gesloten onthaalde debuut Gedichten, 1968).

Rein BloemRein Bloem bleek voor het eigen schrijverschap niet zozeer ontvankelijk (of receptief) voor de poëticale inzichten die hij in werk van zogenaamde verwante Nederlandstalige en anderstalige auteurs aantrof. Revelerend in dit opzicht is de receptie-esthetische analyse gevolgd door een werkimmanente benadering van Een faun met kille horentjes (1974) van de Vlaamse schrijver Hugo Raes in de bundel In gesprek met Hugo Raes (1969). Daarin belicht Bloem de verschuivingsprincipes, metamorfosen en verdwijningen, versnipperingen en “suspense” – een woord dat hij als criticus wel vaker in de mond nam − die de lectuur van de roman “beklemmend” maken. Door uit te weiden over het gevolg van deze strategie, de “complete desoriëntatie” bij de lezer, expliciteert Bloem een eigen standpunt: “Wie eenmaal dit vormgevingsprincipe herkend heeft, weet tenminste wat hij moet doen met de talloze onderbrekingen, achronismen, uitbreidingen naar ver verleden en verre toekomst, stijlbreuken, enz.”. Door een niet-lineaire en acausale opbouw te benadrukken, geeft de essayist inzage in diens eigen compositorische opvattingen. Méér dan wat hij in literair werk van andere schrijvers aantreft, heeft Bloem vanuit een literatuuropvatting die aan de grondslag ligt van zijn eigen literaire productie poëticaal gelijkgestemden gezocht en gevonden in de internationale literatuur. De vertalingen, de vele referenties in dichtwerk (zoals de aantekeningen in Van de aarde), de onderwerpen van alle kritieken wijzen daarop. Zowel het corpus met bronteksten (voor de vertalingen) als de verzamelde (maar lang niet allemaal gebundelde) literaire kritieken (in Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer) kunnen als impliciete én expliciete metapoëtische geschriften worden gelezen.  Uit de lectuur blijkt, naast de begeestering, de fascinatie, de empathie en dus ook de ontzagwekkende belezenheid van Bloem, de poëticale (zelf)presentatie in de zorgvuldig geselecteerde teksten. Criticus, vertaler en dichter zijn een en dezelfde persoon. De literaire (‘taalautonomistische’of ‘inter-‘ en ‘metatekstuele’) visie zoekt soms andere expressievormen teneinde vertolkt te kunnen worden. Uiteindelijk kan elk artefact poëticaal worden gelezen. Vooral in Bloems literaire productie van de jaren zeventig en tachtig – de tijd van het Raster-debat over (taal)autonomie en literatuur, en ook daarna nog − lees ik gedichten die de verhouding tussen taal en werkelijkheid problematiseren, waarin poëzie een epistemologisch proces wordt en het dichterschap een zoektocht naar het ultieme (en dus onzegbare). Vroege bundels als de bomen en het bos (1968) en Scenarios (1970) zijn experimenten met woord, klank, typografie, interpunctie. Bloem tast de grenzen van het zegbare af door met vormelijke experimenten aan de slag te gaan en de taal “met lef” op te rekken. In de bomen en het bos zijn een partituur opgenomen, een voetnoot,  geometrische figuren; Scenarios is een mengvorm van poëzie en proza (‘In de doolhof’). Precies van dat verwoede zoeken heeft ook de dichter Rein Bloem de inzet van het schrijverschap gemaakt. Misschien is het stilzetten van de tijd wel een omschrijving van dat streven, zoals in ‘Fibula’ en eerder al in Bloems beschouwing over Een faun met kille horentjes van Hugo Raes: “vandaag:/de tijd gedood/in een witte arena”. Met het voorspelbare gevolg: “een gevecht/voor de vorm: het publiek/− bladstil −/stoof eerder uiteen” (Van de aarde).

Literatuur

Hugo Brems, Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur 1945-2005. Bert Bakker, Amsterdam 2006, p.325-326.

Jan Kuijper, ‘Rein Bloem’, in Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 2008-2009. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden, 2010, p. 51-55.

Yves T’Sjoen. Literatuur & avontuur

Wednesday, October 7th, 2009

Raster, werkplaats van literatuur

Het dubbelnummer 123/124 van Raster, ‘tijdschrift in boekvorm’, verscheen onder de titel ‘Het Einde’. Toch was dit niet de laatste aflevering. Nummer 125, een ‘extranummer’ met zwarte kaft en sobere witte belettering en in de inleiding ‘een afscheidscadeau van De Bezige Bij’ genoemd, presenteert een index op alle Rasters van 1977 tot 2008 (met name van de tweede reeks). De nummering van de Raster-boeken startte in 1977 weer vanaf één, het moment dat ‘Raster […] na zes jaargangen en veel tegenwind’ weer bovengronds kwam. Het bibliografisch register in 125 wordt voorafgegaan door een reeks gerecycleerde teksten en retrospectieves van lezers (onder wie Kees Fens, Atte Jongstra en Xandra Schutte) en, volgens de flaptekst, door ‘vingerwijzingen voor een geschiedschrijving vanaf 1967 toen Raster werd opgericht’.

Met Raster is een instituut van de Nederlandse literatuur opgeheven. Het tijdschrift heeft sinds zijn oprichting in 1967, en vooral vanaf de start van een nieuwe reeks in 1977, een stimulerende rol gespeeld in de ontwikkeling van de experimentele literatuur in Nederland. Het blad propageerde niet alleen vormvernieuwing in de literatuur. Het zette zich vooral af tegen ‘huiskamerrealisme’ (of de traditie van het oer-Hollandse realisme) en stemmige belijdenislyriek die dominant waren in het literaire veld vanaf de jaren zestig.

Hans C. ten Berge

Hans C. ten Berge

Toen de dichter, prozaïst en essayist Hans C. ten Berge het blad in 1967 boven de doopvont hield, deed hij dat – ondanks ‘een al te hobbyistische aanpak’ – met een poëticaal, zo niet een ideologisch getoonzette pleitrede voor meer ‘logopoeia’. Ik citeer: ‘een dichtkunst waarvan het intellekt een blijvend element is en een motorisch onderdeel vormt, en waarin het een duidelijke taak krijgt zoals bijvoorbeeld in Pounds Cantos het geval is’. Een meer op de vorm en het taalmateriaal gerichte, cerebrale literatuur zou een tegenwicht zijn voor de op particuliere sentimenten en mimetisch-expressieve opvattingen gestoelde literatuuropvatting die de sterkst doorwerkende trend was in de eigentijdse literatuur in Nederland. De eerste reeks van Raster, dat tot 1972 als eenmanstijdschrift van Ten Berge verscheen, waarna ‘een reeks van Rasterboeken’ volgde, opereerde in de periferie van het literaire landschap en kreeg inderdaad veel ‘tegenwind’ te verduren. Volgens Ten Berge was ook dat de reden waarom het kwartaalperiodiek na zes jaargangen ophield te bestaan.

Zodra in 1977 de tweede reeks van start ging, en Raster tot een ‘tijdschrift in boekvorm’ werd getransformeerd, met in de redactie naast Ten Berge ook J. Bernlef, Pieter de Meijer en Jacq Firmin Vogelaar (en later met wisselende redacties), bracht het periodiek een discussie op gang over de relatie tussen literatuur en samenleving (‘literatuur en maatschappelijke werkelijkheid [kunnen] niet los van elkaar [worden] gezien’) én tussen de literatuur en compositietechnieken of vormkwesties in andere kunstdisciplines (‘het [is] onaanvaardbaar literaire processen te isoleren van andere artistieke ontwikkelingen’, aldus de redactie in ‘Wat wil Raster’, 1977/1). De redacteuren voegden er nog aan toe dat ‘om die reden […] aan vormgevingsprocessen binnen andere kunsten (die ook van de letteren van belang kunnen zijn) regelmatig aandacht [zal] worden besteed’. De korte inleidende tekst ‘Wat wil Raster?’, waaruit ik deze twee frasen citeer, was een gedecideerde programmaverklaring. Raster nam zich in 1977 niet alleen voor ‘een veelvormig [en] programmatisch tijdschrift te zijn’, waarin naast Nederlandstalig werk ook ruimte is ‘voor thematische diskussies, beschouwingen, vertalingen en buitenlandse kronieken’.

In zijn verdediging van de intellectuele poëzie, met ‘het intellekt’ als ‘een motorisch onderdeel’, distantieerde Ten Berge zich resoluut van het romantische cliché van een door de muze geïnspireerde scheppende kunstenaar. In literaire artefacten wordt het scheppingsproces van de tekst zelf gethematiseerd; reflecties op het scheppen en het proces van het schrijven maken in de Rasterliteratuur integrerend deel uit van de literaire tekst zelf. Ook de tweede reeks, niet langer het eenmansproject van Ten Berge, stelde het experiment centraal: literatuur zou ‘een avontuur’ zijn waarin de traditionele (‘realistische’) paden worden verlaten en concepten als herkenbaarheid en identificatie gedegradeerd zijn tot weinig relevante categorieën in (de beleving van) literatuur. In het laatste Rasterboek luidt het avontuurlijke karakter van het Rasterproject aldus: ‘Een drijfveer bij dat alles is steeds nieuwsgierigheid geweest, belangstelling voor het onbekende, enthousiasme voor nieuwe ideeën en ontdekkingen. Daarbij heeft steeds ook de vraag meegespeeld: waar gaat het ons (de redactie) om in de literatuur? “Literatuur als avontuur” was een motto’.

Raster wilde tabula rasa maken in een tijd waarin de verpletterende erfenis van Forum zich blijvend liet gelden. Niet de persoonlijkheid van de schrijver, niet de ideeën die in een tekst hun expressievorm vinden, wel de formele aspecten van een talige constructie doen er feitelijk toe. Gezaghebbende actoren in de Hollandse kritiek van de jaren zestig en zeventig sloten evenwel nog steeds aan bij de personalistische esthetica die de mannen Forum hadden gedecreteerd en in hun kritische beschouwerspraktijk geïntroduceerd. Vanuit die forumiaanse hoek kregen de redacteuren van Raster geregeld de wind van voren en weerklonk het verwijt ‘wartaal’ te produceren.  Het intellectualisme contrasteerde dan ook sterk met de op empathie en identificatie gerichte traditie van het Hollandse realisme. Hoe harder de kritiek hoe duidelijker Raster, en de Rasterliteratuur, zich wisten te profileren in Nederland.

Nu met het finale nummer van Raster het moment is aangebroken om terug te blikken, en het lees- en schrijfparcours van Raster kan worden beschouwd (met inbegrip van de resem ressentimenten maar ook van de poëticaal verwante ‘extramurale’ projecten die de reeks in ruim drie decennia wist te genereren), kan duidelijk worden gemaakt welke rol Raster speelde in de discussie tussen diametraal tegenovergestelde literatuuropvattingen. Naast Raster zijn in het Nederlandse taalgebied, met name in het literaire veld van de jaren zestig en zeventig, nog tijdschriften die in het begrippenarsenaal van de literaire kritiek geijkte termen hebben opgeleverd: naast het Revisorproza (genoemd naar het periodiek De Revisor dat in 1974 is opgericht en met literair academisme, subjectieve verbeeldingskracht en vormelijke preoccupatie wordt geassocieerd) is ook sprake van parlandistische en neoromantische Tiradepoëzie. En net als Revisorproza en Tiradepoëzie wekt de term Rasterliteratuur alleen de schijn van een monolithische (of zelfs een combattief ingezette) poëtica, zodat de term als een per definitie vooringenomen strategie kan worden gelezen, maar in alle andere gevallen als een reductie van de veelheid. vanzelfsprekend geen homogene lading.

Ezra Pound

Ezra Pound

Literaire werkplaatsteksten en poëticale opvattingen van redacteuren en medewerkers vielen niet consequent samen met de ‘logopoeia’ die Ten Berge in 1967 in de lijn van Ezra Pounds modernistische lange gedicht Cantos had gepromoot. In 1970 heeft Ten Berge een Nederlandse vertaling van Pounds gefragmenteerd gedicht verzorgd. Namen noemen is voor auteurs een middel tot zelfprofilering en tot legitimering van de literaire productie. De expliciete referentie aan de Amerikaanse dichter Pound, wiens incomplete Cantos (1915-1962) inderdaad doorwerken in Ten Berges poëzie (zoals in Texaanse Elegieën, 1983), is door de zogeheten Rasterauteurs niet eensgezind als toetssteen beschouwd. Vergelijk de contemporaine literatuur van Ten Berge met die van J?F. Vogelaar en Lidy van Marissing, toch allen schrijvers die doorgaans met Raster worden gelieerd.

Niet alle bijdragen in de 124 Rasterpublicaties zijn overigens exponenten van een literair constructivisme (met het artefact als een talige constructie) en met het intellect als katalysator. Onderzoek naar het Revisorproza (in het bijzonder het scheppende proza van schrijvers die als redacteur of als medewerker hebben gepubliceerd in De Revisor) heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat er allerminst sprake kan zijn van een welomschreven, laat staan een strikt afbakende of een eenduidig programmatische literatuuropvatting. Aan de basis van dit blad ligt geen geprononceerde (of expliciete) poëtica, en wellicht kunnen we dezelfde bevindingen uitbreiden naar de literatuurproductie die in (en in de marge van) Raster en Tirade een eigen forum kreeg. Met dit verschil dat Raster van meet af aan wel een programma verkondigde. Het onderzoek naar de veelkantigheid van de Rasterliteratuur moet nog een aanvang nemen.

Een van de belangwekkende discussiepunten die door Raster op de literaire agenda is geplaatst, heeft betrekking op (de begrenzing van) de autonomistische poëtica. Het blad heeft positie ingenomen in het literaire debat van de jaren zeventig. Onder impuls van onder anderen Ten Berge, die tot 1979 een leidinggevende functie in de redactie vervulde, bood Raster een groep ‘neo-experimentelen’ de gelegenheid teksten voor het voetlicht te brengen die in reguliere productie-, consumptie- en distributiekanalen van de literatuur geen schijn van kans maakten. De zogeheten ‘neo-experimentele’ auteurs sloten aan bij internationale artistieke avant-gardeopvattingen. Wat dit precies inhoudt, zou het voorwerp van onderzoek kunnen zijn. In ‘Wat wil Raster?’ is sprake van ‘geavanceerd werk uit binnen- en buitenland’ en ‘werk dat afwijkt van gangbare of voorspelbare procédé’s en dat een minder gebruikelijke verschijningsvorm heeft’. Uit de eigen literaire teksten en het metaliteraire discours dat zij in essays en pamflettair proza voerden blijkt de vertrouwdheid van de brede schare aan Rasterproducenten met actuele ontwikkelingen in de literatuurtheorie (vanaf 1977 tot 2008 is sprake van in totaal dertien redactieleden en in Raster 125 figureren achtenzestig medewerkers met een bijdrage). Daarnaast wilden zij zich niet laten opsluiten in een besloten niche van het culturele leven. Raster zocht doelgericht liaisons met andere kunstdisciplines. Vandaag spreken we over dergelijke kruisverbindingen als cross-overs en multidisciplinaire uitdrukkingsvorm.

Wat de Raster-redacteuren en poëticaal verwante auteurs met elkaar verbond, was globaal gesproken een verzet tegen kunst met een referentieel karakter. Literatuur was, in de gebruikte formulering, de werkplaats voor vormexperimenten en voor tal van reflecties over de grenzen van kunst. Literatuur is een plek voor onderzoek, naar het taalmateriaal zelf, maar eveneens naar de tekstgenese. Poëzie, bijvoorbeeld, werd door taalgerichte (of autonomistisch georiënteerde) auteurs als Ten Berge zelf, maar ook door dichters als Rein Bloem en Hans Faverey, beschouwd als een epistemologisch proces. Het experiment betreft de kenbaarheid van de werkelijkheid in en door het woord. Het onderzoek naar essenties van de talige uitdrukkingsvorm, naar de relaties tussen taal en werkelijkheid, is een van de ankerpunten van het literaire experiment dat in Raster een centrale plaats kreeg. Niet alleen de epistemologie van de moderne poëzie, ook de dialoog met andere literaire teksten, met mythologie en antropologie (zoals in de poëzie van Jacques Hamelink), genoot de aandacht van de avontuurrijke werkomgeving. Het metatalige gedicht, of misschien nog beter de metatekstuele en intertekstuele  poëzie, heeft dankzij Raster in Nederland een vrijplaats gekregen. Rasterpoëzie, met de betekenis van een specifiek type poëzie dat alleen in het periodiek een eigen stek kreeg, heeft als dusdanig natuurlijk niet bestaan. De autonomistische poëzie in Nederland heeft zich sinds de jaren zeventig, en uiteraard daarvoor ook al, in allerlei gedaanten en tendensen ontwikkeld. Vooral en zelfs bij uitnemendheid buiten de grenzen van de werkplaats. Dat in Raster anti-mimetische opvattingen een forum kregen, in alle verscheidenheid en niet steeds correlerend met de expliciete poëticale intentieverklaringen in het blad zelf, is duidelijk. Maar of de term Rasterliteratuur de veelzijdigheid van die lading kan dekken, is niet alleen twijfelachtig. De terminologie pleegt roofbouw op alle schakeringen die tot dezelfde tendens kunnen worden gerekend. Het dichtwerk van Gerrit Kouwenaar en Hans Faverey heeft wat dat betreft meer gegenereerd in het literaire veld (in Nederland en Vlaanderen) dan wat in strikte zin vandaag in literaire overzichten Rasterpoëzie wordt genoemd. De verdienste van het blad is dat het een discussie heeft op gang gebracht die de Nederlandse poëzie vanaf de jaren zeventig nieuwe impulsen heeft bezorgd.

Met het verdwijnen van Raster, door toedoen van de zetelende redactie zelf, is het tijdschriftenlandschap in Nederland verschraald. Ik weet niet of de mogelijkheden van de werkplaats hiermee uitgeput zijn, na 125 thematische afleveringen en een reeks boeken buiten de reeks. De redactie heeft de eer aan zichzelf gehouden. Raster heeft een rol van aanzienlijke betekenis gespeeld in de ontwikkelingen van de literatuur in Nederland (en ook in Vlaanderen) van de afgelopen decennia. Welke die betekenis is, ter aanvulling van de auteursintentionele ‘vingerwijzingen voor een geschiedenis’, kan het voorwerp zijn van een poëticaal, een institutioneel en een discursief onderzoek. Alles ineen: met een dergelijk methodologisch breed verankerd tijdschriftenonderzoek zou Raster definitief op de kaart kunnen worden gezet.

FIN

FIN

 

‘Het Einde’, Raster 123/124. De Bezige Bij, Amsterdam 2008.

‘Index’, Raster 125. De Bezige Bij, Amsterdam 2009.

Voor een terugblik op Raster. tijdschrift in boekvorm, zie Sven Vitse, ‘”Wie wil moet zelf maar een tijdschrift oprichten”. Het einde van “Raster”‘, in Ons Erfdeel 52 (2009) 3 (augustus), p.178-179.

Vrydag, 5 Junie 2009

Friday, June 5th, 2009
Hans Verhagen

Hans Verhagen

Verlede week Donderdagaand is die P.C. Hooft-prys vir 2009 aan Hans Verhagen (Vissingen, 1939) toegeken. Dié prys wat 60,000 euro beloop, word al om die drie jaar aan digkuns toegeken. Verhagen, bekend as digter, joernalis, filmmaker en skilder, het die prys vir sy oeuvre wat oor vyf dekades strek, ontvang. Volgens die beoordelaars se commendatio skryf Verhagen “zowel tijdens de jaren zestig als in de 21ste eeuw verbluffend goede poëzie. Vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid dragen wij hem voor voor de P.C. Hooftprijs 2009.” Die paneel beoordelaars vir vanjaar se toekenning was die Vlaamse hoogleraar in Nederlandse letterkunde, Lut Missinne (Universiteit van Münster, voorsitter), die digters Jan Baeke, Tsead Bruinja en Eva Gerlach (ontvanger van die prys in 2000) en Henny Vrienten  – in   sy hoedanigheid as poësie-bloemleser. (Gaan lees De Papieren Man se berig hier, asook Verhagen se uitgewer se berig hier.)

Dan wil dit ook voorkom asof dit nie net by ons is wat literêre tydskrifte noustrop trek nie. In Nederland is twee van die meer gewilde en gevestigde tydskrifte tot niet: Raster, wat na 23 jaar en 125 uitgawes hul deure gesluit het, en Bunker Hill, na 12 jaar en 44 uitgawes. ‘n Derde tydskrif, Yang, wat vir 45 jaar in gedrukte vorm verskyn het, het hom egter in gewysigde vorm, ná ‘n samesmelting met  freespace Nieuwzuid, as fusieblad op die internet gevestig met nY as tydskrifnaam. “Het gaat niet goed met de literaire tijdschriften”, berig De Standaard hieromtrent. “Ze worden duurder om te maken – want de eisen, vooral op het vlak van vormgeving, liggen almaar hoger – en daartegenover staan krimpende abonneebestanden, krenteriger geworden subsidiegevers en, ook hier, concurrentie op het internet.” 

Maar nou, ja, soos een deur toegaan, open dit weer moontlikhede vir ander. So is daar nog net 2 slapies en dan het ons die eerste uitgawe van die nuwe Rapport-Boeke in die hand! Voorspoed vir jou en jou span met die finale voorbereidings, Rachelle … Ons kan nie wag nie!

 ‘n Lekker naweek vir almal. Nuuswekker hervat weer op Maandag.

Mooi bly.

 LE