Posts Tagged ‘Remco Campert’

Yves T’sjoen. Zingzeggende zangvogels aan de Keizersgracht

Thursday, April 20th, 2017

Remco Campert en Breyten Breytenbach

 Zingzeggende zangvogels aan de Keizersgracht

Ja, zo is het! “De zanger is zijn lied”. De formulering klinkt in haar eenvoud apodictisch, in poëticale zin programmatisch. Ze komt als dichtregel voor in ‘De zanger’, in Hugo Claus’ dichterlijke magnum opus De Oostakkerse gedichten (1955). Tijdens een nocturne aan de Keizersgracht spraken Remco Campert en Breyten Breytenbach, coryfeeën van de Nederlandse respectievelijk de Afrikaanse poëzie in de twintigste- en vroeg-eenentwintigste eeuw, af en toe over de Vlaamse meester Hugo Claus. Breyten opende de tweespraak met een anekdote over een Nederlandstalige dichterstournee aan het begin van de jaren negentig in Zuid-Afrika. Ik meen in samenwerking met Adriaan van Dis. Breytenbach nodigde onder anderen Remco Campert, Hugo Claus, Gerrit Kouwenaar en Simon Vinkenoog uit voor optredens op diverse locaties, in Kaapstad, in Oudtshoorn. Claus sloot pas in Durban aan bij het eminente gezelschap van ‘Vijftig’, een plek waar de toehoorders misschien geen Nederlands en zelfs geen Afrikaans kenden. Naar Breytenbachs inschatting is het publiek desondanks ingepakt door het jazzy ritme van Camperts verzen.

De boekvoorstelling van De zingende hand, een Nederlandse bloemlezing met gedichten van Breyten Breytenbach in een vertaling van Laurens van Krevelen, was de aanleiding voor deze unieke reünie. Het was jaren geleden dat de dichters elkaar in de ogen keken en hun vriendschap hebben bezegeld. Breytenbach rakelde met pretogen en een sardonische lach het verhaal op, al dan niet verzonnen, van een literair festival in China waar hij voor het eerst kennismaakte met Camperts poëzie. In de ban van ’s dichters sonore melodie holde hij naar eigen zeggen de bescheiden Remco achterna en voerden zij daar ver weg een eerste gesprek. “Over de eeuwen heen” hebben sindsdien hun kronkelige paden gekruist. Bijvoorbeeld begin jaren zeventig, toen beiden geregeld optraden tijdens Poetry International in Rotterdam, en ook later na de vrijlating van Breytenbach in 1982. Enkele weken na zijn verschrikkelijke gevangenschap kwam de Zuid-Afrikaanse/Franse schrijver en schilder in Nederland de onderscheiding en het bijbehorende geldbedrag van de Jan Campertstichting in ontvangst nemen. Breytenbach sprak over Jan Campert, dichter van ‘De achttien dooden’, over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog, over de band tussen vader Jan en zoon Remco.

Het geanimeerde gesprek tussen beide heren van stand, op discrete toon aangezwengeld door Campert-biografe Mirjam van Hengel, laveerde tussen beate bewondering voor elkaars imposante oeuvre en persoonlijke anekdotiek. Campert zong de lof van “die knappe man” Breytenbach wiens gedichten vanaf de eerste openbaring diepe indruk nalieten. Breyten, zo opperde Campert, breekt de taal niet open zoals Lucebert dat op onnavolgbare wijze doet. Breytenbachs poëzie heeft een vertellend karakter en neemt de lezer op sleeptouw naar een ander universum. Tegelijk gaat Breytenbachs literatuur in kritische zin over de wereld van vandaag. Remco, zo stelde Breytenbach, weet te raken met zijn bedrieglijk eenvoudige teksten waarin niets is wat het op het eerste gezicht lijkt.

Bijzonder innemend was Camperts voordracht van ‘Aan Breyten’, het gedicht dat hij tijdens Breytenbachs gevangenschap op vraag van het Breyten Breytenbach Comité en Poetry International schreef en dat in het bundeltje aan breyten breytenbach (1975) is opgenomen. Pas na zijn vrijlating heeft de schrijver de uitgave onder ogen gekregen. Maar goed ook, zo getuigde hij, want anders was de vrijheidsberoving van “de afgestorvene” nog veel eenzamer geweest. Remco las met breekbare stem, door ontroering bevangen, voor uit de nieuwe uitgave De zingende hand. Hij sprak terloops over de tijd van Galerie Espace in Amsterdam, waar de schilder Breytenbach meermaals exposeerde, en verwees naar het schilderij van Breytenbach in zijn woonkamer, een portret in profiel met blauwe veren op het hoofd. Als vanzelf kreeg het gesprek een ornithologische wending. Campert debuteerde in de Nederlandse poëzie zoals bekend met Vogels vliegen toch (1951) – de biograaf liet weten dat velerlei vogelsoorten Camperts literaire wereld bevolken – en Breyten tekende (pseudo-)realistische verhalen op in de bundel met memoires en verhalen Woordvogel (2008). Zowel Breytenbachs gedichten als het schilder- en tekenwerk bevatten reminiscenties aan een (symbolische) vogelwereld. Campert houdt van “laagvliegers”, blijft liever dicht bij de aarde “waarin we uiteindelijk allemaal terechtkomen”, Breyten rekent de dichters tot de categorie van de zangvogels die van diverse pluimage alle zingen zoals ze zijn gebekt.

De ontmoeting in het Zuid-Afrikahuis was een initiatief van Laurens van Krevelen, oud-directeur van Meulenhoff en vertaler van Breytenbachs poëzie in het Nederlands. De inspiratie is klaarblijkelijk gehaald bij het optreden dat Van Krevelen en Breytenbach verzorgden in het Zuid-Afrikahuis voor de studenten van de Universiteit Gent (november 2016). De avond in het schitterend gerestaureerde pand aan de Keizersgracht 141 zette in met vier gedichten: Breytenbach las de Afrikaanse teksten afgewisseld met de vertaling door Van Krevelen. Alweer werd duidelijk dat Afrikaans en Nederlands in een verraderlijke relatie tot elkaar staan. Breytenbach roemde de empathie, de creativiteit en “de sensitiviteit” waarmee zijn modeste vriend De zingende hand heeft aangepakt. Revelerend was de toelichting bij de titel, die refereert aan een bekende uitspraak van Henri Matisse, schilder van La danse (1909). Op een website vond ik onderstaand citaat van Matisse.

Si j’ai confiance en ma main qui dessine, c’est que pendant que je l’habituais à me servir, je me suis efforcé à ne jamais lui laisser prendre le pas sur mon sentiment. Je sens très bien lorsqu’elle paraphrase, s’il y a désaccord entre nos deux: entre elle et le je ne sais quoi en moi qui paraît lui être soumis. (Henri Matisse, 1972, opgenomen in: Joëlle Bolloch, La main, La photographie au Musée d’Orsay, Musée d’Orsay, 5 Continents, 2007, p.15).

De vaardige schildershand begint geleidelijk vanzelf te zingen, zingt zich los. Zoals in ‘De zanger’ van Hugo Claus de zanger uiteindelijk zijn lied wordt.

Beide dichters spraken tot slot in dithyrambische bewoordingen over de eeuwigheid van de poëzie, “het oudste genre dat nooit echt veranderingen ondergaat” (Breytenbach). Poëzie is de bron waaruit alles ontkiemt, de krachtigste zegging. Campert en Breytenbach wisselden woorden over de overgave aan de poëzie, het geloof in de suggestieve verbeeldende kracht van het gedicht. Een krachtiger pleidooi voor de poëzie heb ik zelden beluisterd. Aandoenlijk was de omhelzing waarmee de schrijvers afsloten, de tranen van herkenning, de kwetsbare fluisterstemmen, de aanraking, een moment van intimiteit. Alsof die fysieke tekenen nog iets moesten toevoegen aan de voelbare zindering die beider poëzie karakteriseert. Af en toe raken de dichtersstemmen elkaar en daarvan brachten beide schrijvers een beklijvende getuigenis, ook al viel hier en daar een veelbetekenende stilte. Soms schieten de woorden tekort. De avond in Amsterdam heeft voor het selecte gezelschap van toehoorders de artistieke bewondering en de vriendschappelijke omgang “over de eeuwen heen” van twee meesters in de naoorlogse poëzie zichtbaar en invoelbaar gemaakt.

Amsterdam, 18 april 2017.

© Yves T’Sjoen

Bron

Claudia Patuzzi, À propos. Décalages et metamorphoseshttps://ladroitebiaise.com/tag/henri-matisse/ (juli 2014).

Zie ook: http://www.litnet.co.za/remco-campert-en-breyten-breytenbach/

 

Remco Campert. Vertaal in Afrikaans deur Zandra Bezuidenhout

Thursday, December 18th, 2014

Poësie is ’n daad . . .  

Poësie is ’n daad
van bevestiging. Ek bevestig
dat ek leef, dat ek nie alleen leef nie.

 

Poësie is ’n toekoms, om te dink
aan volgende week, aan ’n ander land,
aan jou as jy oud is.

Poësie is my asem, beweeg
my voete, aarselend soms,
oor die aarde wat daarom vra.

Voltaire het pokke gehad, maar homself genees
deur o.a. 120 liter limonade te drink:

dit is poësie.

Of dink aan die branders. Stukkend geslaan
op die rotse is hulle nie werklik verslaan nie,
maar herskep hulself, en daarin is poësie.

Elke woord wat geskryf word
is ’n aanslag op die ouderdom.
Uiteindelik wen die dood, sekerlik,

maar die dood is slegs die stilte in die saal
nadat die laatste woord geklink het.
Die dood is ’n ontroering.

(c) Remco Campert (Uit: Het huis waarin ik woonde, De Bezige Bij, Amsterdam 1955. )

(>) Afrikaanse vertaling deur Zandra Bezuidenhout / Desember 2014.

 

Luuk Gruwez. Nooit meer dood

Sunday, September 7th, 2014

 

Deze recensie verscheen eerder in De Standaard der Letteren.

Luuk Gruwez. Nooit meer dood

Remco Campert viert zijn vijfentachtigste verjaardag en is inmiddels zo’n vijfenzestig jaar aan het publiceren: columns, romans, verhalen, poëzie. Het recente Licht van mijn leven bevat naast gedichten ook litho’s van zijn vriend Ysbrant. De bundel bestaat uit een korte cyclus die ‘Gelegenheden’ heet en de langere cyclus ‘Gebeurtenissen’. Maar eigenlijk gaat het in beide cycli om gelegenheidsgedichten die zich perfect laten vangen onder de titel van een vorige bundel: ‘Nieuwe herinneringen’ (2007). Campert memoreert zijn geliefde doden – Claus, Wolkers en Komrij – en hij continueert datgene waar hij inmiddels al jaren mee bezig is: de reconstructie van wat geweest is. Al die vrienden: zij mogen nooit meer dood. In een In Memoriam voor Jan Wolkers beschrijft hij hoe zijn intentie om zich niet langer met het sterven in te laten, vloekt met de realiteit: ‘terwijl ik net besloten had/ om zolang ik nog te leven heb/ niet meer aan de dood te denken (…)’. De poëzie die hij schrijft, palmt de lezer vooral in door de openhartigheid waarmee hem een inkijk wordt gegund in de leefwereld van iemand die het vanwege zijn bejaardheid nog enkel over fonkelende voorbije gebeurtenissen kan hebben.

Campert schaamt zich niet voor zijn nostalgie. Integendeel: hij koestert ze en weet daar sympathie mee op te wekken. En intussen sluipt steeds meer dood in zijn poëzie. ‘Licht van mijn leven’, het meest overtuigende vers van deze bundel, is zowel bundeltitel als titel van het slotgedicht. Daarin blikt de dichter vooruit op zijn eigen dood en hij droomt zich een ideale sterfscène: ‘laat me dan, dat moment gekomen, / opnieuw nog even / zweven boven het Stedelijk / dan verder al hoger / boven de bomen in het Vondelpark / waarna ik, mijn tijd opgeheven, / voor eeuwig uiteenval, me verenig / met het fijnstof van de stad, / met de spiegeling van het zonlicht / in het water van de gracht / en word meegenomen met de glimlach / en de dromen van het meisje / dat ik eens op een tramhalte zag’. Dat meisje op die tramhalte komt ook in vroeger werk van Campert voor. Zij is de nooit gerealiseerde, volmaakte geliefde. Zij vertegenwoordigt in al haar achteloosheid het meisje dat boven alle andere meisjes staat. In haar eentje is zij de incarnatie van Eros, de antipode en het zusje van de dood, die meer en meer beslag op de dichter weet te leggen.

__________________

Remco Campert

Licht van mijn leven

De Bezige Bij, 48 blz., 24,90 euro.



Stefaan Goossens. Stemvork 1

Saturday, February 19th, 2011

Mijn eerste blogbericht over poëzie-actualiteit in Vlaanderen en Nederland is gewijd aan een terugblik op wat voor vele poëzieliefhebbers in ons taalgebied als hoogtepunt van het jaar geldt, Gedichtendag.

Gedichtendag

Gedichtendag werd in ons taalgebied voor het eerst georganiseerd in 2000. Het was toen nog uitsluitend een Nederlands initiatief, gecoördineerd door Poetry International. Al snel stak het initiatief de landsgrens over naar Vlaanderen, waar de coördinatie achtereenvolgens door Behoud de Begeerte en Stichting Lezen gebeurde.

Traditioneel wordt Gedichtendag gehouden op de laatste donderdag van januari. Was het initiatief aanvankelijk aan de grote spelers in het literaire veld, vandaag wordt in bijna elk dorp en elke stad van Vlaanderen en Nederland wel een activiteit georganiseerd rond Gedichtendag. Soms met grote namen op de affiche, maar vaak gewoon met lokale deelnemers. Poëziebeleving staat centraal.

 

Traditiegetrouw wordt elk jaar aan een dichter gevraagd om een tiental gedichten te schrijven, die op Gedichtendag in een gelegenheidsbundel verschijnen. Dit jaar was het de beurt aan Remco Campert die zijn gedichten samenbracht onder de titel Een oud geluid. Gewoontegetrouw komt de Gedichtendagdichter zijn verzen voorstellen op een groot evenement op Gedichtendag. Jammer genoeg kwam de 81-jarige Campert een paar dagen voor Gedichtendag ten val en brak hij zijn schouder. Hier kan je Remco Campert zijn gedichten horen voorlezen. Wil je wat meer toelichting bij de bundel, dan kan je het interview herbeluisteren dat Heidi Lenaerts op Cobra.be van Campert afnam een paar dagen voor Gedichtendag. Vorige Gedichtendagbundels werden onder meer geschreven door Tjêbbe Hettinga, Mark Boog, Leonard Nolens en Antjie Krog.

De smaak van het geluid van het hart

Sinds 2008 verschijnt er naast een Gedichtendagbundel ook een Gedichtendagessay. Op uitnodiging van het Vlaams Fonds voor de Letteren en het Poëziecentrum schrijft een dichter een persoonlijke Defence of poetry. Vorige essays werden geschreven door Paul Bogaert (2008), Luuk Gruwez (2009) en Charles Ducal (2010). Dit jaar was het de beurt aan Jan Lauwereyns, die vanuit zijn achtergrond als neuro-wetenschapper een erg particuliere kijk op het fenomeen poëzie biedt. De titel van zijn essay is De smaak van het geluid van het hart. Het Gedichtendagessay werd voorgesteld in het Poëziecentrum aan de vooravond van Gedichtendag. Fragmenten van de voorstelling kan je hier, hier en hier herbekijken. Op de website van Cobra.be kan je een recensie lezen van het essay en een gesprek met Jan Lauwereyns nabeluisteren.

 

In de week rond Gedichtendag worden telkens ook een aantal poëzieprijzen toegekend. De Herman de Coninckprijs bekroont de beste oorspronkelijk Nederlandstalige bundel van een Vlaamse dichter van het afgelopen jaar. Dit jaar werd die prijs gewonnen door Mark Tritsmans met zijn bundel Studie van de schaduw (Nieuw Amsterdam). De jury was onder de indruk van het werk van Marc Tritsmans omwille van de eenvoud en de toegankelijkheid. ‘Zo is deze poëzie voor de lezer “bruikbaar”: herkenbaar en toch verrassend, troostend maar niet tranerig.’ Tritsmans (1952) die sinds zijn debuut De wetten van de zwaartekracht in 1992 negen dichtbundels publiceerde, wint met deze bekroning € 6000. Met Vuurdoorn me won Annemarie Estor de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. De jury vond het ‘een speels en verrassend debuut, dat verwachtingen schept.’ Zij won hiermee € 1000. Haar gedichten verschenen onder andere in Poëziekrant en Deus ex Machina. Estor is Nederlandse maar woont sinds 2004 in Antwerpen, ‘uit onvrede met de Nederlandse cultuur, die aan fantasieloosheid ten onder gaat’. Omdat ook de stem van de poëzieliefhebber niet mag ontbreken in dit gebeuren, kon ook meegestemd worden voor een publieksprijs voor het ‘beste gedicht’ (telkens gekozen uit de genomineerde bundels). Ook die prijs werd gewonnen door Mark Tritsmans met het gedicht ‘Uitgesproken‘.

Armando

Op de vooravond van Gedichtendag werd in het Stadhuis van Utrecht de VSB Poëzieprijs voor de beste Nederlandstalige dichtbundel van het voorbije jaar uitgereikt aan Armando voor Gedichten 2009. Hij won hiermee een geldbedrag van € 25 000. De VSB Poëzieprijs is de hoogst gedoteerde prijs voor Nederlandstalige poëzie.

De jury – Wim Brands, Tom Sintobin, Johan Sonnenschein, Cin Windey en juryvoorzitter Maaike Meijer – heeft de winnaar geselecteerd uit 159 ingezonden bundels die verschenen tussen 1 januari 2009 en 1 september 2010. Zij nomineerden naast Armando: Paul Bogaert voorde Slalom soft (Uitgeverij Meulenhoff/Manteau), Eva Cox voor een twee drie ten dans (Uitgeverij De Bezige Bij), Kreek Daey Ouwens voor De achterkant (Uitgeverij Querido) en Henk van der Waal voor Zelf worden(Uitgeverij Querido).

De jury van de VSB Poëzieprijs was erg onder de indruk van Gedichten 2009 van Armando: ‘Met grote hardnekkigheid – alsof elk gedicht het laatste en meest definitieve zal zijn – herneemt hij steeds dezelfde thema’s: het landschap dat schuldig is, de dreiging, de aanval, de kilte. Een wereld waarin zwart de voornaamste kleur is, waarin oorlog en geweld altijd aanwezig zijn en waarin het verleden nooit voorbij is. Op zijn werk zijn woorden als troost of hoop niet van toepassing. Zijn werk is somber en indrukwekkend. Zijn beelden roepen afgronden op, waarin hij ons dwingt te kijken.’

Aan de vooravond van Gedichtendag werd ook de winnaar van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd bekend gemaakt. De Turing wedstrijd wordt georganiseerd door de Poëzieclub met steun van de Turing Foundation en staat open voor zowel professionele dichters als amateurdichters. Het initiatief voor de prijs kwam van Gerrit Komrij die zich liet inspireren door de National Poetry Competition in het Verenigd Koninkrijk. De winnaar ontvangt maar liefst € 10.000. Dit jaar was dichter Henk van Loenen de gelukkige winnaar. Onder het pseudoniem Juliën Holtrigter publiceerde hij al verschillende dichtbundels, waarvan Het feest van de schemer uit 2009 de voorlopig laatste was. De tweede prijs ging naar Peter Knipmeijer en Maarten van Doremalen won de derde prijs.

Tot hier een korte update rond Gedichtendag 2011. Ik probeer om de twee weken een nieuwe post aan te maken. Als iemand vragen heeft over het poëziegebeuren in Vlaanderen of Nederland, laat dit dan gerust weten via Comment of stuur me een mailtje.

Poëzie boven!

PS Onder de titel Stemvork verscheen in 2010 een verzameling essays, gedichten en vertalingen van Jan Lauwereyns en Arnoud van Adrichem bij uitgeverij Ijzer.

Remco Campert verjaar vandag

Tuesday, July 28th, 2009
Remco Campert

Remco Campert

Vandag is Remco Campert se 80ste verjaarsdag. Ten spyte daarvan dat hy versoek het dat daar nie ’n groot gedoente van gemaak word nie, beplan sy uitgewer, De Bezige Bij, ’n hele reeks publikasies rondom dié besonderse mylpaal. So is daar die publikasie van Poëzie is een daad, wat ’n poëtiese huldeblyk is aan een van die heel grotes in wêreldliteratuur. Onder die digters wat aan dié huldeblyk meegewerk het, is Gerrit Kouwenaar, Jan Bernlef, Ramsey Nasr, Jules Deelder, Anna Enquist, Stefan Hertmans, Luuk Gruwez, Erwin Mortier en Miriam Van hee. Daar is selfs ’n bydrae van Simon Vinkenoog wat onlangs oorlede is. Volgens De Papieren Man is “het resultaat meer dan voortreffelijk en overstijgt verre de gelegenheidspoëzie.” Nog besonderse publikasies wat binnekort op die rakke sal wees, is Remco Campert – Dichter, ’n knewel van ’n boek van meer as 700 bladsye waarin Campert se verse byeengebring word, asook Vurrukkulluk wat drie van Campert se belangrikste romans, Het leven is vurrukkulluk (1961), Liefdesschijnbewegingen (1963) en Tjeempie! of Liesje in luiletterland (1968), bevat.

Hieronder volg die vers waaruit die huldigingsbundel se titel geneem is.

En onthou om vanaand om 22:00 op RSG na Vers & Klank te luister; Libbie Daniels lees dan verse oor en vir kinders voor. Maak ook seker dat jy nie Bernard Odendaal se nuutste blog miskyk nie … Poësiemoeilikheid is inderdaad ‘n skitterende kontekstualisering rondom die kwessie van toeganklike en “moeilike” poësie; iets wat uiteraard direk aansluit (én voortbou) op die gesprek rondom die vertelvers wat tans op die webblad gevoer word. En dan trakteer Johann Lodewyk Marais ons vanoggend met twee nuwe inskrywings wat hy oornag geplaas het: een oor Martin Heidegger en een oor die Anglo-Boereoorlog, terwyl Johann de Lange ons weer verras met ‘n ikoniese vers in die gay-literatuur. Pure leesplesier!

So – geniet jou leestyd en mag hierdie dag vir jou ’n fabeljante affêre wees …

Mooi bly.

LE

Poëzie is een daad
van bevestiging. Ik bevestig
dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

Poëzie is een toekomst, denken
aan de volgende week, aan een ander land,
aan jou als je oud bent.

Poëzie is mijn adem, beweegt
mijn voeten, aarzelend soms,
over de aarde die daarom vraagt.

Voltaire had pokken, maar
genas zichzelf door o.a. te drinken
120 liter limonade: dat is poëzie.

Of neem de branding. Stukgeslagen
op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,
maar herneemt zich en is daarin poëzie.

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom.
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft.
De dood is een ontroering.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
© Remco Campert. Uit: ‘Het huis waarin ik woonde’ (1955)