Posts Tagged ‘resensie’

Marc Tritsmans. Resensie: Iets blijven strelen dat al dood is (Luuk Gruwez)

Sunday, August 23rd, 2015

LUUK GRUWEZ. IETS BLIJVEN STRELEN DAT AL DOOD IS

De auteur: Won in 2011 met de bundel Studie van de schaduw de Herman de Coninckprijs en staat met niet minder dan zeven gedichten in Komrijs beroemde poëziebloemlezing. Is niettemin altijd een ‘stille’ dichter gebleven.

Het boek: Poëzie over de pogingen van de mens om koste wat het kost te blijven communiceren. Niet alleen met zijn medemens, maar met alles, plant en dier, dat onderdak vindt in de natuur.

ONS OORDEEL: Heldere poëzie, ondergebracht in een secuur geconstrueerde bundel met een aantal flonkerende gedichten.

Er zijn weinig dichters die middels de titel van hun bundel zo volmaakt de thematiek ervan kunnen resumeren. Tritsmans heeft daar één woord voor nodig: Aanrakingen. Een wel zeer synthetische, bijna voor de hand liggende titel. Je raakt iemand aan om te bewijzen dat je zelf net als de ander en het andere bestaat. Of het nu een mens, een dier of een boom is die je aanraakt. De dichter blijkt zelfs bereid een boom te omarmen en te beluisteren. Dat gedrag mag dan wel van een weirdo afkomstig lijken, als lezer accepteer je het vanwege de kitschloosheid van de dichtregels. Aanrakingen is een bundel over de onmogelijkheid van een volledig bevredigend contact. In het gedicht ‘Onder de linde’ staat de vaststelling dat een mens in zijn relatie tot de natuur uiteindelijk niets anders kan dan falen. Hij is in de loop der tijden namelijk een raar dier geworden dat zijn dierlijkheid goeddeels vergeten is of te vaak onderdrukt heeft. Onder zijn boom moet hij vaststellen dat bijen met hun ‘monotoon diep zoemen’ feilloos weten waarnaartoe, terwijl hijzelf ‘hulpeloos en onbegrijpend’ staat te dralen.

Tritsmans betreurt dit. Hij streeft van zijn eerste tot zijn laatste gedicht de superieurste  bekroning van aanraking na: ontroering. Ontroering is in al deze gedichten een fenomeen dat sterk met de natuur verbonden is. Zij heeft een grote besmettelijkheidsgraad. De dichter gaat op zoek naar de aanraking die het hevigst, het meest adembenemend en het meest onvergetelijk is. Dat is de eerste aanraking, zij die nooit meer kan worden herhaald, omdat de eerste steeds de meest intense is. Er is veel nostalgie aanwezig in deze gedichten, maar van een milde soort. Zij ontbeert de heftige energie van jongere jaren. In een gedicht over ouder worden lezen wij namelijk hoe extreme verlangens, ondanks hun imminente aanwezigheid, enigszins worden afgetopt.

Tritsmans, zo’n zeldzaam geworden natuurdichter, in het dagelijkse leven misschien niet voor niets milieuambtenaar, is de dichter van het erbarmen, van – om het met een beschimmeld woord uit te drukken – ‘schoonmenselijkheid’. Een doodenkele keer ligt die er te dik op. Mededogen heeft hij vooral wanneer hij de grens verkent tussen leven en dood. In deze bundel staan nogal wat gedichten over grenservaringen. Over een stervende haas die met veel toewijding, engelengeduld en met behulp van een zuigfles voor poppen verzorgd wordt. Over een overreden hond, die zelfs wanneer hij dood is, nog gestreeld blijft worden. Van zijn alzheimerende vader, die in een toestand van ‘logorroe’ zijn wartalige zegje blijft doen, wordt in verschillende gedichten afscheid genomen. ‘Een klein afscheid’ noemt Tritsmans het en inderdaad: veel vader om afscheid van te nemen, is er niet meer over. Het reservoir van diens herinneringen is langzaam leeggelopen. Toch roept de dichter hem na zijn dood weer tot leven, ook al heeft hij het gevoel dat hij nu zelf het roer in handen moet nemen, omdat hij voor de dood nu langzamerhand zelf in pole position komt te liggen. Net wanneer alles bijna voorgoed voorbij is, probeert hij het voorbije nog even aan te raken.

Want afscheid: daar gaat het hier uitgebreid over. Over al dat afscheid in de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld, die Tritsmans, terwijl men juist overal de Eerste Wereldoorlog uitvoerig herdenkt, treffend oproept. Het leven is één afscheid en afscheid is een grenservaring. De dichter is gefascineerd door dat rakelingse. Maar wat je aanraakt, raak je onvermijdelijk ook kwijt. Daardoor voelt hij de noodzaak om met alles wat leeft en geleefd heeft te verbroederen. Over de reeën die hij aan het bespieden is, lezen wij deze regels: ‘en zo graag had ik daar samen met hen/ aan dat malse jonge groen staan knabbelen/ maar ik durfde het hoofd niet meer te draaien/ het hoofd waarin nu zacht zoemde het geluk/ hier toch even van hen te zijn geweest’. Het wemelt hier overigens van alle soorten dieren en van bomen. Tegen beter weten in probeert de dichter een date met de hele schepping af te dwingen.

Maar wat een ‘vreemd dier’, realiseert hij zich, is toch de mens, ‘geen vacht en geen veren/ na een jaar amper in staat/ tot wat stuntelig bewegen/ geen ander dier komt/ met een lijf zo bloot/ zo onbruikbaar en onaf/ dit  bestaan ingedoken’! Het is alsof de mens het feit dat hij een schepsel blijkt dat een onvoltooide indruk maakt, maar zelf moet zien te compenseren met iets wat hier ‘vindingrijkheid’, zeg maar cultuur, wordt genoemd. Daardoor verwijdert hij zich evenwel vaak van zijn biologische identiteit. Maar op een mooie dag maakt een  adembenemende natuur tot grote voldoening van de dichter, het dierlijke in ons weer wakker: ‘(…) in juichende lente/ verliezen we soms onaangekondigd/ alle controle en willen we terug (…)’. En terug gaat ook Tritsmans, gepatenteerd romanticus. Hij beklimt als de bevlogen, Nijhoffachtige wandelaar die hij is, berg na berg. Het buitenland begint al buiten zijn deur. Hij struint landschap na landschap af. In de hoop dat hij ooit de plek zal kunnen betreden, waarvan hij vindt: Hier is het, hiernaar heb ik zo lang gezocht. Tijd voor een aanraking.

 

HOND

alles gebeurde tegelijkertijd: gierende remmen

een droge klap, snerpend gejank en stilte

en we zitten al op onze knieën rondom hem

op zijn zij in de bebloemde berm en uit zijn neus

 

komt een straaltje bloed en op kinderkracht

trachten wij hem helemaal weer naar huis

te dragen en ondertussen strelen we samen

zijn nog warme vacht en normaal zou hij toch iets

 

hebben gedaan, zijn kop naar ons toegewend

onze hand gelikt, het was onbegrijpelijk en dat

is het vandaag nog steeds: iets te moeten blijven

strelen dat al dood is en voorgoed dood blijft

______________________

MARC TRITSMANS
Aanrakingen
Nieuw Amsterdam Uitgevers, 61 blz., 19,95 euro.

© Marc Tritsmans / 2015

Resensie: Boekstaaf (Nini Bennett)

Tuesday, June 16th, 2015

Boekstaaf deur Nini Bennett (Cordis Trust Publikasies, 2015; ISBN: 978 09922057 44, Formaat: Sagteband, 87 pp.)

Resensent: Marius Crous

Omslag

Op die voorblad van Nini Bennett se digbundel word die leser gekonfronteer met Liekie Fouché se Another world is calling.  Dit is ’n studie in blou, van ’n man met ’n hardebolkeil en tas, wat uitkyk oor die see in die rigting van die horison en ’n onbekende gebied. Dit toon ook assosiasies met David se Wanderer above the sea (1818), terwyl die man met die hardebolkeil tereg assosiasies oproep met die skilderye van Magritte.  Die gedig “Blou” (p.70) sluit by die ontwerp aan, veral die slotstrofe:

sal ons blou word,

want blou is die verste kleur

Sinonieme vir die woord boekstaaf in die titel sluit in opskryf, te boek stel, aanteken. Die bundel word in vier afdelings aangebied en volgens Gisela Ullyatt in haar onderhoud met Nini Bennett op Versindaba (9 Junie 2015) handel die onderskeie afdelings oor die volgende:
Deel I fokus op die boekstawingsproses van die spreker se geliefde asook die metaforisering van hulle donker en soms dodelike passie vir mekaar; Deel II se oorkoepelende tema is ekopoëties; in Deel III is verlies veral opmerklik asook gedigte met ’n filmiese invalshoek. In Deel IV is verganklikheid die fokale punt.

Die bundel word afgesluit met ʼn “Ars poetica” (87), wat soos volg lui:

Die suiwerste poësie sonder taal.

Dis die begeerte om stof tot stilte

om te dig, om digterwordend

die stilte te stoffeer; dis die metamorfose

van die metafoor as hout fossiele word:

steenkool vra om te brand, of water

hoogty in branders vlam; dis die friksie

van asem in fynhout

aangehits deur die wind –

Die digter, die magiër van ouds

dek die altaar en alles

neig van vooraf na vuur.

Die leser word dus ingelig dat die digter wat hier aan die woord is naas omtoorder van vuur en metafoor, ook iemand is wat die stilte najaag. Maar die digter is ook ’n alchemis, ’n towenaar wat “alles” opnuut soos ’n feniks uit die vuur laat verrys.  Dit is veral hierdie “metamorfose van die metafoor” wat my opval in Bennett se gedigte.  In die gedig “Groenskrif” (p. 24) verwys sy ook na die kind wat daaroor gedroom het om ’n bioloog te word, maar

… nou ontleed

sy trope meedoënloos en maskeer

haar daagliks dieper met metaforiek.

Daar is ’n bewuste soeke na die poëtiese woord om ’n bepaalde ervaring te verwoord. Dis ’n bundel met vondste soos “brandsis oor die skerm”, die Kaapse winter wat “eindeloos in stilfilms bly dyns”, “snipsekond wat vir ewig leef”, iemand “veldun” liefhê, die “welklig” wat die boom “kalk”, ’n mot wat “gewywaad sit”, die leeu wat soos ’n kat sy “klawerkussings / naels inflens”, die waters wat in rafels gekaard word, om “ingeberg [te wees] in die stilte”, die ma wat probeer om die kol te “stelp” op die wit jas, “skuilgestaltes”, “ontmindes geënt met MIV”, “grifgeskrifte van grief” of die “dromerige fynkyk van ’n profeet” – om maar enkeles te noem. Hierteenoor vind ek die gebruik van woorde soos “allokeer”, “predatore”, “mortaliteit”, “nokturniese” en “skulptuur” steurend, maar gelukkig is hulle in die minderheid.

Boekstaaf lewer nie net verslag oor die digter se soeke na die poësie nie, maar bevat ook opgetekende herinneringe oor die geliefde, oor plekke wat besoek is, oor boeke wat gelees en films wat gesien is en indrukke wat deur bekendes gemaak is (Alan Turing, John Nash). Hierdie intertekstuele inslag van die digproses word as ʼn “herbesoek [aan] trofeë gebuit van woordtonele” (p. 63) beskryf. Ek vind nie al laasgenoemde gedigte ewe geslaag nie. Bv. die gedig “FBI” (p.62) kom onaf voor, terwyl die slot van die vers oor Leni Riefenstahl ’n andersins sterk gedig bederf.

Die waarneming van die natuur speel ook deurlopend ’n belangrike rol met die uil as ’n sentrale teken van die digter.  In die gedig “Nagwakers” (p.4) word die digter en geliefde met uile vergelyk wat in die nag “op dieselfde nok” mekaar inwag. In “Drif” (p. 13) word pertinent genoem dat die spreker en die geliefde nou uile is, wat “triomfeer / oor nokke en kerktorings met hekse-uur”.  Die uil kom ook ter sprake in “Meester” (p. 18) waar die skatpligtigheid aan die meester van wie die spreker “sy swye” geërf het, asook sy boeke en die “geeste van baie skrywers”.  Dit is die skerpsinnigheid van die meester wat hom met die uil assosieer, soos blyk uit die volgende:

soos die derde ooglid van ’n uil

wat nie wyk in die fynkyk

van sy visie en meedoënloos

onbeskut teen sy wete soek.

Die belangstelling in die natuur word geaktiveer met die voorliefde vir biologie in die gedig “Groenskrif” (24) en hierop volg gedigte oor voëls, diere, bome en sneeu. Met haar drietal verse oor die sneeu lewer Bennett ’n belangrike bydrae en dis veral die stilte van die sneeulandskap wat haar as digter bekoor, asook die “duimdrukke van God se biometrie” in die onderskeie tipes sneeuvlokkies.

In enkele gedigte kom God ook ter sprake en die onderskeie manifestasies van God en God-heid kom veral voor in “Hoogskrif” (p. 22) waar onderskeidelik gefokus word op die mooiste God, die innigste God, die suiwerste God en die liefste God. Laasgenoemde is

… die een

wat waak in die wagwoord van elke

nuwe vers(.)

Boekstaaf het ’n melankoliese ondertoon en verlies en verganklikheid staan inderdaad, soos Ullyatt opmerk, sentraal in die bundel.  Reeds in die openingsgedig met die hoed as sentrale beeld (p.2), word die digter se besinning oor die verganklikheid geaktiveer.  Dié gedig sluit soos volg af:

As ons ná die eendagsreis ontslaap, die self

kolskoot en finaal ophang aan die kerfstok

sal ek weer aanmeld by die laaste

halte – die inlas van verlies vind;

jou hoed hang daar, jy is hier,

vir ewig tuis. Ek het jou liefgehad

soos ’n hoed of ’n eenvoudige profesie.

Nini Bennett se bundel bied heelwat vir die poësieleser en ek hoop sy hou aan om (as die wandelaar) te hunker na die ander mistieke wêreld wat roep aan die oorkant van die blou onbekende.

Janita Monna. Als Alice in Wonderland

Monday, May 28th, 2012
Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin

Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin

Edwin Fagel – Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin

Charlie Chaplin mag dan een hoofdrol hebben in de titel, slapstick is het niet, de poëzie in de tweede bundel van Edwin Fagel. Nu zou dat ook wel een grote omslag betekenen in zijn nog bescheiden oeuvre. Zijn debuut Uw afwezigheid (2007) werd goed onthaald, genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs. Fagel liet zich daarin zien als een zakelijk registrator van alledaagse situaties, onschuldige taferelen waarin veel verzwegen blijft en waarachter grote en soms fatale gebeurtenissen schuil kunnen gaan. Fagel is een ‘componist’ van hechte bundels, met subtiele verwijzingen en hernemingen, zo blijkt ook in Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin, in thematiek verbonden met dat debuut, maar abstracter. Die titel verwijst naar de roof van het lijk van de komediant door daders die losgeld wilden. Enkele maanden na de diefstal werd het lichaam teruggevonden en opnieuw begraven. Chaplin zelf verschijnt pas later in een van de gedichten in de bundel, toch is de poëzie doordrongen van de idee in hoeverre iemands afwezigheid hem (of haar) aanwezig maakt.
Daarbij zit er een preoccupatie met lichamelijkheid in deze gedichten: meteen al in het openingsgedicht wordt een nogal wonderlijk tafereel geschetst van een man die in een stationshal op zijn jas gaat liggen en uit zichzelf treedt: ‘Mijn lichaam is me vreemd’. Het lichaam wordt voorgesteld als vrouw, en is zowel vertrouwd als onvindbaar ‘ik zoek haar blik, vind haar niet’.
Ook de eerste reeks heeft dat vervreemdende effect. Flarden van wat familiegeschiedenis lijkt, met kleine traumatische gebeurtenissen – een bal die is stukgesneden, dromen van beesten die in benen bijten – worden een eigen werkelijkheid. Daarbinnen zoeken een hij en een ik over en weer contact: zijn het broers, vader en zoon, is het een jongen met zijn imaginaire vriend, lichaam en geest? ‘Hij krijgt, dacht ik, mijn lichaam.’
Fagel schrijft geen ronkende volzinnen, hij heeft geen lyrische uitbarstingen. Wezensvragen over afkomst worden bedrieglijk gewoon verpakt in zinnetjes als ‘Wie is mijn vader?’ ‘Waar is mijn huis?’ Stap je eenmaal de poëzie binnen dan kun je je als Alice in Wonderland wanen en blijken schijn en wezen, droom en werkelijkheid nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Handelingen en gebeurtenissen hebben een eigen, min of meer surreële logica. Fagel speelt dat hier mooi uit in de witregel:

Ik liep van het bord arrivals naar departures. Ik lette niet op
het geschreeuw tot de vrouw die schreeuwde voor me stond,
ze spuugde op de vuile stationsvloer, het was benauwd

in de slaapkamer.

Het is niet voor niets dat Fagel zich ophoudt in schemergebieden, in het ‘schijnsel van een lantaarn’, of op grensgebieden als in de branding van de zee, of zoals in reeks ‘Contouren’, op het ongrijpbare moment waar leven overgaat in dood. Zeven gedichten lang opent hij met de woorden ‘Toen ze stierf’, tot die een haast bezwerende kracht krijgen.

Toen ze stierf
zag ik haar ogen,
ik groette haar als een oude vriendin
op zomaar een middag bij de supermarkt,

Het zijn de contouren van het lichaam die zich overal aftekenen: als de Venus van Botticelli verrijst ze uit zee, als een heilige verschijnt ze aan zijn bed. Ze is in haar dood alomtegenwoordig. Maar het is geen vleselijk, geen tastbaar lichaam meer, en de zoektocht naar wat zich aan de andere kant van het leven op bevindt, mondt uit in drie definitieve woorden: ‘ze is dood’.
Konden gedichten in zijn debuut nog wel gemaniëreerd aandoen, hier lijkt hij zich in zijn vervreemdende spel met lichaam en geest, en schijn en wezen, meer vrijheid, meer eigen stem te permitteren. Toch is zijn gewone taal soms al te gewoon, op het saaie af. ‘We hoorden de buren in hun auto stappen en namen afscheid./ Jij ging linksaf, ik rechts. Maar ik draaide me om, en toen ik je inhaalde/ zag je dat ik naar je keek.’ Op een enkel vloekwoord na, krast het nergens waardoor de surreële diepten in Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin uiteindelijk vlak gestreken worden.

In een droom kwam ik hem tegen.
Hij zag er goed uit, gebruind. Hij zwaaide,
ik kreeg hem weer terug. Ik hoorde gespartel
in het riet, een gevecht op leven en dood,
een reiger ving zijn prooi. Hij vertelde
over een menigte mensen die hij allemaal
zelf was,

dat soms zijn woede de overhand kreeg.
Sorry, was het dan. Wij zullen ons wel weer
vergissen. Het was een krankzinnig heldere dag.
Ik zei: Volgens mij ben jij je niet half bewust
van wat je hebt gedaan. Hij vertrok
zonder iets te zeggen. Ik heb hem gezocht.
Ik zocht hem op het veld waar we voetbalden,
op zijn plek aan tafel, in zijn auto,
op zijn kamer waar het licht uit was.

Edwin Fagel – Het geroofde lichaam van Charlie Chaplin. Nieuw Amsterdam, 48 pagina’s. 14,90 euro, ISBN 9789046811207.

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

Janita Monna. Een buitenissige tentoonstelling

Saturday, May 26th, 2012

Delphine Lecompte – Blinde gedichten

Blinde gedichten

Blinde gedichten

Goed, de flaptekst op een boek moet je nooit te letterlijk nemen, maar vreemd is het wel als iemands derde bundel ‘de eerste ambitieuze, voldragen worp’ wordt genoemd. En vreemd is dat zeker wanneer die woorden staan op de nieuwe (derde) bundel van Delphine Lecompte die voor haar ‘eerste worp’ de C. Buddingh’-prijs kreeg. Meteen was ze met haar eigenzinnig associatieve en wrang geestige gedichten ook publiekslieveling op bijvoorbeeld de Nacht van de Poëzie. Een klein meisje met een schuchter voorkomen, maar in haar taal ‘one of the guys’.

Nu is Blinde gedichten in omvang drie keer zo dik als het debuut, en de bundel heeft ook een sterke, verhalende samenhang. Er spreekt iemand die greep probeert te krijgen op de onnavolgbare gangen van het leven, en die daarbij een wankele houvast vindt bij terugkerende personages als een geliefde in de gedaante van een oude kruisboogschutter, een vader ‘die nooit een god geweest’ is, en een moeder die leutert over ‘de nukken van haar haardroger’. Het product van deze ouders heeft hoe dan ook een weinig verheffend zelfbeeld: ‘Mijn geboorte was moeilijk voor mijn vader/ Plots moest hij een naam bedenken/ Voor een eczeemgedrocht’. De familiebanden die uit deze gedichten naar voren komen zijn zacht uitgedrukt weinig traditioneel. Herinneringen die bovendrijven, zoals aan strandwandelingen die met een sisser afliepen, zijn op zijn minst ongewoon. 125 pagina’s tragische absurditeit, en een wrange, kolderieke en wreedaardige humor die in de verte wel doet denken aan het werk van de Rus Daniil Charms. Net als in zijn verhalen en gedichten, buitelt ook de poëzie van Lecompte van het ene groteske beeld in een volgend krankzinnig voorval. Ieder regel, iedere zin is daarbij haast een verhaal op zich.

Ik red een trui van onverslijtbaarheid
Terwijl de oude kruisboogschutter zijn horoscoop leest
Onder de luifel van een Chinees buffetrestaurant
Gesloten vrouwen passeren hem
Hij probeert ze te charmeren
Met een grap over kannibalistische chimpansees
Het werkt bij een van hen
De lelijkste met de mooiste naam.

Lecomptes associaties zijn zeldzaam origineel. Kon ze in haar debuut nog wel de schijn wekken dat het louter om een de harde grap te doen was, hier hebben de kronkels een duidelijke functie: de grove taal en de nietsontziende geestigheid zijn als een masker waarachter ongemak in intermenselijke relaties, angst, pijn en verdriet schuilgaat. Zoals een obsessie met eten – peperkoek, oliebollen, lasagne en vlees –, en evengoed met niet-eten: ‘De tijd is mannelijker dan mijn moeder/ Die altijd te laat is om mij te zien eten’. De moeizame omgang met mannen, die (seksueel) nogal eens gewelddadig eindigt ‘Die Ierse toerist wilde mij gisteren vermoorden/ Ik wil daar niet te lang bij stilstaan’. En kleptomanie en zakkenrollerij zijn aan de orde van de dag: ‘Gisteren heb ik ook nog een afatische vrouw gewassen/ En een culinair tijdschrift gestolen’.
Ook al schieten haar regels als bliksemschichten heen en weer, Lecompte slaagt er steeds in om de grillige vertakkingen van haar zinnen binnen een zeker kader te houden. Haar korte regels, met weinig interpunctie, hebben veelal dezelfde zinsbouw, met woorden die stevig op hun poten staan. In die opbouw zit iets monotoons, wat maakt dat ook de gekkigheid op zeker moment nauwelijks nog opzienbarend is. Daarbij de vraag waar in deze bundel de poëzie ophoudt en het verhaal begint: want al hebben deze Blinde gedichten de aanblik van poëzie, de stijl neigt naar het columnachtige proza van Grunberg; ultrakorte verhaaltjes als aanduiding zou niet misstaan. Het zal niet toevallig zijn dat de term ook wordt gebruikt: ‘Hij denkt dat ik bluf/ wanneer ik zeg dat ik pyromanie en veertien kortverhalen in mij draag’. Het lezen van die ‘kortverhalen’ van Lecompte is als kijken naar een freakshow waarin mensen met de vreemdste afwijkingen rond dwalen. Een buitenissige tentoonstelling die een weinig flatteus licht werpt op een ongewone wereld.

1 Mens volstaat om menselijk te blijven
Ik wil hem vragen: vraag mij ten huwelijk
Zijn hoofd ligt op mijn kloppende streek
Hij kan mij alles vergeven
Verscheurde broeken, verknipte dassen
Een ivoren alligator in de etalage van de lommerdhouder.

Er kleeft bloed aan de alligator
Maar mijn geliefde is zuiver
Gerehabiliteerd en een medaille rijker
Hij schudt zijn lokken wanneer
Ik opschep over mijn streken
Tegen mooie jonge mannen
Die mijn ondergang beramen

Zijn haar is grijs
En zijn intelligentie gestold
Na de Congo, de dood van zijn kameleon
Ik wil hem zeggen: je bent een wijze oude man
Maar hij zou weten dat het paaien is.

Hij wil geen oude wijze ex-koloniaal zijn
Ongetrouwd streelt hij mijn zolen
Ik kijk naar zijn krimpende delen
En probeer mijn vandalisme te verschonen.

Delphine Lecompte – Blinde gedichten. De Bezige Bij, 127 blz., 19,95 euro, ISBN 9789085423454.

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

oorblyfsel / voice over

Friday, September 25th, 2009

Oorblyfsel / Voice Over

Oorblyfsel / Voice Over

oorblyfsel / voice over.

Breyten Breytenbach.

Kaapstad: Human & Rousseau.

ISBN 978-0-7981-5071-2.

Prys: R150.

 

 

 

 

Breytenbach het al meer as een keer gedreig om op te hou skryf in die “dooie taal” Afrikaans. Derhalwe is dit telkens ’n dubbele vreugde om ’n nuwe bundel van hom te lese te kry.

So ook met die pas verskene oorblyfsel / voice over. Dié titel eggo twee vorige “oorblyfsel”-bundels uit sy oeuvre, te wete Oorblyfsels (1970) en Oorblyfsels: ’n Roudig (onder die skrywersnaam Jan Blom – 1998).

Die subtitel “(op reis in gesprek met Magmoed Darwiesj) / (the nomadic conversation with Mahmoud Darwish)” verklap dat die 12 gedigte (in Afrikaanse sowel as Engelse weergawes) geïnspireer is deur die dood verlede jaar van die gevierde Palestynse digter, wat deur Breytenbach tot een van sy goeie vriende gereken kon word. Onmiddellik na die sterfte van Darwiesj tydens ’n opehartoperasie in die V.S.A., so verklaar Breytenbach in die “Nota” aan die einde van die bundel, het hy “hierdie reeks begin skryf as fragmente van ’n voortgesette gesprek met hom”.

Elkeen van die gedigte behels enersyds vertaalde gedeeltes van Darwiesj-gedigte (maar dan uit bestaande Franse en Engelse omwerkings van die oorspronklike Arabies, wat Breytenbach nie beheers nie). Soms gaan dit om die omsetting van ’n spesifieke gedig, ander kere om die betrek van fragmente uit verskillende verse. Daartussendeur het Breytenbach dan, andersyds, sy “eie stem […] vervleg”.

“Die beelde, in ’n mate selfs die ritme en die vormgewing,” is Darwiesj s’n, maar dit behoort duidelik te wees dat die verse eintlik as Breytenbach-werke gesien kan word. “[G]etransformeerde ‘variasies’” noem hy hulle.

Die bundel verteenwoordig daarom ’n huldiging van Darwiesj, maar is ook ’n volbloed toevoeging tot die Breytenbach-oeuvre self (wat al voorheen vertalings ingesluit het).

Ook binne die bepaalde bundelopset word die transformerende variëring voortgesit. “Die Engelse weergawes hier het terugwerkend gespruit uit my Afrikaanse pogings, met die bedoeling om ’n gesprek tussen die twee tale te bemiddel. Hulle is dus nie woordelikse ‘vertalings’ nie. Soms het ’n eggo of ’n assosiasie in die Engelse segging weer ’n ander moontlikheid in Afrikaans oopgemaak.”

So geefsel verskillende betekenisse van die tweetalige bundeltitel op. Die oorspronklike gedigte is ‘oorblyfsels’ van Darwiesj, maar wat via die omsettings – die “voice overs” – hom (en sy stem) nou ook in Engels én Afrikaans laat ‘oorbly’ (= vertoef), of selfs ‘oor bly’ (= van voor af laat bly). By dit alles moet die “voice over” van Breytenbach se eie stem inbegryp word.

“Reis” en “gesprek” (op verskillende vlakke) is die twee sentrale motiewe in die bundel wat deur die subtitel uitgelig word. As Darwiesj in die V.S.A. sterf, verneem Breyten daarvan in Wes-Afrika, op Gorée-eiland. Die aangroeiende maan in gedig 1, totdat dit word “’n skip van been / jou skedel, Magmoed”, verbeeld ’n toenemende indiwiduele vereenselwiging van die “ek” met die “jy” in die bundel – ’n voortsetting van die voortdurende preokkupasie met identiteitsvorming en -omvorming in die Breytenbach-oeuvre. “[D]aar is geen identiteit,” word in gedig 2 verklaar. En dan, in ’n beeldopstapeling wat funksioneel ‘troebel’ is:

alleen ’n ruisende ruimte van bewing

alles is beweging totdat dit ophou beweeg

om te sing van die tyd

toe tyd nog tydsaam die minnaar in ’n minaret was

oor beeldpatrone van die lyf[.]

 

In die derde gedig, deur “ses, sewe, agt dae en nagte” as inset duidelik gemerk as ’n vervolg op die “drie, vier, vyf dae en nagte” waarna in gedig 1 verwys is, word gewag gemaak van ’n reis na Katalonië. As die “jy” dan “in ’n koma” langs die reisende “ek” kom sit, en ’n gesprek aanknoop, is dit onseker of dit ’n onthoude of verbeelde gesprek is, en wie dit is wat dood is, wie lewend; wie skrywer is, wie geskryfde. Vergelyk die slotreëls van die gedig:

miskien is ek iewers inktussen

en miskien is ek ’n afgetrede ontslapene

tydelik in die lewe met verlof[.]

 

In Engels:

perhaps I am somewhere in the ink-between

and perhaps I’m an aftertime corpse

temporarily on leave in this lewd life[.]

 

Die volledige identiteitsvervlegting word in gedig 4 herhaaldelik bevestig:

gegroet, hy wat met my ’n bewussyn deel

[…]

gegroet, hy wat my glas met my deel

[…]

want wie het dan gesterwe … wie?

 

Gedigte 5 en 6 het as basis twee treffende Darwiesj-verse waarin groepe mense aangespreek word. In 5 word die Israeli’s vermaan dat hul nie hul identiteit deur geweld en afsondering terug kan vind nie. Hul essensie is eerder in die universeel menslike geleë, iets wat hulle met die Palestyne wat deur hulle onderdruk word, deel:

kom, kom drink Arabiese koffie saam met ons

en julle sal sien dat julle mense is

net soos ons   net soos ons ook ween

ook in doodskiste pas[.]

 

In 6 kom Darwiesj se Palestynse volksgenote aan die beurt, naamlik in ’n relaas oor hul nasionale identiteit. As indiwidualiteit erken word, as lewe, liefde, ensovoorts nie vernasionaliseer word nie – eers dan sal hulle waarlik ’n volk kan wees. Maar dat dié twee gedigte in wese ook oor Breytenbach se eie volk, die (Suid-) Afrikaners handel, word duidelik as daar later in 6 staan:

ons sal ’n volk wees wanneer dit die sanger toegestaan word

om ’n vers van die soerat van Rahman by ’n gemengde troue

in die Bo-Kaap te sing soos ’n kanarie

 

ons sal ’n volk wees wanneer die patriot sy vierkleur nog net hys

in sportstadions en by skoonheidskompetisies

en tydens herinneringe aan die Groot Vlug – net dit net dit[.]

 

Ook ’n kollektiewe vereenselwiging word dus in die bundel verwoord. Want (luidens die inset van gedig 7):

identiteit is ’n gesprek, Magmoed

wanneer jy soos in ’n droom hoor

wat die ander vertel

en jy jou verbeel jy het verstaan/bestaan

 

om te wees is om te beweeg[.]

 

In gedig 8 word gewag gemaak van die “verre noorde” en “die blinde sanger”, klaarblyklik onderskeidelik verwysend na Friesland en na die blinde Friese digter Tjêbbe Hettinga waarvan Breytenbach in die “Nota” vertel. Die “blinde sanger” spreek nou ook mee (gedig 9) – en die indiwiduele en kollektiewe identiteite eggo in al groter kringe uit. Daarby tree digterskap en poëtikale besinning al sterker op die voorgrond (gedigte 10 en 11). Trouens, so sterk is die identiteite van die drie genoemde digters vervleg in 10, dat dit haas onmoontlik word vir die leser om te onderskei wanneer Darwiesj of Breytenbach of Hettinga ‘praat’. Want:

die vers wat slegs ’n enkele digter onder die vlerke dra

het immers alle ritme verloor[.]

 

Of in Engels:

the poem that carries a sole poet under the wing

will spiral down in a loss of rhythm[.]

 

Dit is die lewe – met sy geweld, sy “onvolmaking” en al – wat die digter(s) luidens gedig 11 in die oog het. Die digkuns is sowel ’n spieël as ’n herskeppingsdaad:

[…] om deur die leë erwe van vergaan te dwaal

is om die heiligmaking van die niet te verkondig

soos die blinde digter van walvisse

as buitelende heuwels in die maanlig sing

 

skryf op: Arabier

skryf op: Palestyn

skryf op: Afrikaner

skryf op: ook mens[.]

 

Die bundel eindig hoopvol (gedig 12). ’n “[A]nder dag” van vrede, skoonheid en waarheid word selfs voorsien – met die kwalifikasie: “asof die tyd sluimerend met vakansie is”.

’n Komplekse en myns insiens boeiende spel van identifikasie, identiteitsbepaling en -spieëling deur middel van gesprekvoering vind dus in oorblyfsel / voice over plaas. Spieëls, die (aangroeiende, lig-reflekterende) maan en weerkaatsende waters (soos putte) is belangrike ondersteunende motiewe in die bundel in hierdie verband. Die vervlegting en ooreenskuiwing van digterlike stemme, en die gelaagdheid van (transformerende) vertaling op vertaling op vertaling, vergestalt dit verder. Dis heel funksioneel dat die bundel dubbeltalig aangebied word. “Vertaling, om oor te gaan van een taal in ’n ander, is ook ’n reis,” skryf Breytenbach in die “Nota”.

Na die verskyning van Breytenbach se A Veil of footsteps verlede jaar het ’n pennestryd losgebars oor die kwaliteite van die Engels wat hy gebruik. En al klaar is weer kritiek uitgespreek (deur Hans Pienaar in 20 September se Rapport Weekliks) oor die Engels in oorblyfsel / voice over. Ek moet ruiterlik erken dat my beheersing van Engels nie van so ’n aard is dat ek oor die meriete van die aanklag kan oordeel nie. Wat ek wel weet, is dat Breytenbach so kreatief beeldend, transformerend en spelend met taal te werk gaan dat die meetsnoere van die grammatika en die stilistiek in elk geval ernstig uitgedaag word daardeur.

[O]orblyfsel / voice over vertoon tematiese, stilistiese en vormlike eienskappe wat welbekend is uit Breytenbach se oeuvre. Die wyse waarop dit alles aanmekaargesit is in dié bundel, is egter uniek.

Ook die parallelstelling van ’n/die Afrikaner se posisie met die van ’n/die Palestyn is ongewoon, juis gesien teen die agtergrond van Afrikaners se tradisionele vereenselwiging met die lotgevalle van die Oudtestamentiese Israeliete, en wat in die tweede helfte van die twintigste eeu in ’n simpatieke houding jeens moderne Israel neerslag gevind het.    

 Bernard Odendaal