Posts Tagged ‘Rodaan Al Galidi’

Janita Monna. Niet de liefde, maar de eenzaamheid

Friday, May 2nd, 2014

 

Rodaan Al Galidi – ‘Liever niet’, antwoordt de liefde

 

Vraag een willekeurige toerist wat hem naar Nederland brengt, en de kans is groot dat hij zal antwoorden ‘the flowers’. Vraag zomaar een jongen (of meisje) waarmee hij zijn liefde toont aan zijn geliefde, en de kans is aanzienlijk dat hij zal zeggen: met een roos. Nederland en bloemen horen even sterk bij elkaar als liefde en rozen.

De relatie van schrijver Rodaan Al Galidi met beide is dubbel. Hij kwam ooit vanuit Irak als asielzoeker in het land van de Keukenhof terecht, raakte verstrikt in de bureaucratie, werd moedeloos toen hij zakte voor zijn inburgeringsexamen, maar publiceert – en veel – in het Nederlands, en vaak over de liefde.

Wat Nederland en de liefde gemeen hebben, brengt Al Galidi in nieuwe bundel samen. ‘Liever niet’, antwoordt de liefde laat zich lezen als een bos bloemen: alle gedichten in kregen een bloemennaam als titel. De liefde neemt de gedaante aan van tulp, krokus, ranonkel en van distel en berenklauw. Kleurig, teer, met stekels of zelfs giftig.

Er mag dan een duidelijk concept aan de bundel ten grondslag liggen, Al Galidi dicht vooral uit gevoel. En in deze gedichten is een diepe droefheid voelbaar. Een droefheid die nog weet heeft van verlangen en van liefde, maar die, juist op momenten dat de liefde zich manifesteert of de geliefde lijfelijk aanwezig is, zich ten volle de tijdelijkheid en kortstondigheid van alles realiseert – de paradox is een veelvoorkomende stijlfiguur. In weerwil van de titel is het dan ook niet de liefde die overheerst, maar de eenzaamheid.

 

Ik zocht je in woorden die nog wachten,

in de winter die langer is dan de tijd,

in de as van de liefde,

in de kou van de eenzaamheid,

 

Dat besef van onbereikbaarheid geeft de poëzie een wat gelaten toon. Al neemt dat niet weg dat de dichter zijn bloemen met lyrische taal omwindt. Op momenten benaderen zijn sensitieve regels soms de extatische hoogten, als de liefdeslyriek in het Bijbelse Hooglied. ‘Met mijn verlangen/ beeldhouwt jouw jurk je naaktheid.’

De maatschappijkritische toon die in eerder werk de kop op kon steken, is op het eerste gezicht verdwenen, net als de soms wrange absurditeit die zijn poëzie licht hield. In ‘Liever niet’, antwoordt de liefde, is er vrijwel geen ruimte meer voor grapjes. De wereld is een introspectieve, behangen met abstracties – waarvoor Al Galidi bij tijd en wijle mooie concrete beelden weet te vinden: ’En de nacht/ slaat de pagina die mijn raam aan het lezen was om.’

Al is het ogenschijnlijk lichtvoetige slotgedicht in proza over een ‘kleine liefde’ en een ‘grote eenzaamheid’ die uiteindelijk beide op straat komen te staan, maar moeilijk anders te lezen dan als bittere allegorie.

 

BOSVOGELTJE

 

Ik zocht je in wat in mij nog leeft,

in alles wat droom was

en is gebroken

op de trap van het lichaam,

in de diepe zucht, in de vreugde.

Ik zocht je in woorden die nog wachten,

in de winter die langer is dan de tijd,

in de as van de liefde,

in de kou van de eenzaamheid,

in mijn hand, in mijn broekzak, in mijn huid.

Ik zocht je

en heb je niet gevonden.

 

De armen van mijn dagen

wachten om je minuut te omhelzen,

de deur

wil je binnenkomst zijn,

maar

voor de tijd, de ruimte en de liefde

ben ik niet genoeg

om jou te vinden.

 

Rodaan Al Galidi – ‘Liever niet’ antwoordt de liefde. De Bezige Bij Antwerpen, 48 pagina’s, 19,99 euro, isbn 9789085424857

 

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Interview met Rodaan Al Galidi op Vimeo.



Janita Monna. Gedichten zonder stemverheffing

Thursday, August 1st, 2013

 

Rodaan Al Galidi – De maat van de eenzaamheid

Je hebt je land verlaten en bent terechtgekomen in Nederland. Je verblijft in asielzoekerscentra, raakt de bureaucratie moe, zakt voor je inburgeringsexamen. Je bent min of meer een vreemdeling in het groene polderland, tegelijk ben je een succesvol schrijver in de taal van dat land. Het is de verkorte biografie van Rodaan Al Galidi. Zijn tweede dichtbundel De herfst van Zorro werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs; voor zijn meest recente roman ontving hij de European Union Prize.

Onlangs verscheen een nieuwe dichtbundel De maat van de eenzaamheid. Als dichter is Al Galidi tamelijk kameleontisch. Zijn bloemrijke bundel De laatste slaaf trekken van een moderne allegorie, de opvolger daarvan, Digitale hemelvaart, was een wrange, soms bijna cabareteske doodsverklaring van de schrijver. De maat van de eenzaamheid bevat kleine fantastische vertellingen over een haast onmogelijk verlangen naar contact, en over liefde, leven en dood, waarin de eerste twee vaak afwezig en de laatste steeds aanweziger wordt. Poëzie waarin een heel beeldende manier van schrijven vermengd is met een soort droge Hollandse humor. Helder van taal en tegelijk golvend als een Oosters gewaad. Schoonheid om een droeve grondtoon te maskeren:

‘Ik ging naar het centrum van de stad/ om een glimlach te vangen/ voor in het lege aquarium van mijn blijheid.’

Hier spreekt een man die zijn eenzaamheid wil bestrijden en daarvoor aan een glimlach genoeg heeft. Maar zijn goede bedoelingen stuiten op onbegrip. Want hoe moeilijk het is om door te dringen tot die andere wereld, blijkt aan het slot van dit gedicht, als de politie voor zijn neus staat.

Hier en ook elders in de bundel dient het gedicht als loopplank, als brug tussen de dichter en lezer, de plaats waar zij elkaar kunnen ontmoeten. Soms letterlijk met de dichter wandelend tussen de regels: ‘Ik loop in dit gedicht. / De dikke titel verwelkomde mij’.

Je zou denken dat een dichter die aandacht wil het nu en dan uitschreeuwt als hij die niet krijgt. Maar niets van dat al. De gedichten zijn bescheiden, regels druipen gedwee af als ze door een politieman worden aangesproken. Geen stemverheffing, geen stennis.

Toch staan er ook pijnlijker verzen in De maat van de eenzaamheid. Daarin laat Al Galidi zijn gevoel voor humor excelleren. Zie ‘IJsthee’ met een gesprek zoals dat zou kunnen plaatsvinden tussen de begrafenisondernemer en de toekomstige dode. ‘Hij praatte over het cafeetje dat er vanaf de lente geopend zou zijn,/ alsof ik er zou lopen, de bloemen zou ruiken/ en een kopje thee zou drinken.’ Even laat de dichter zijn tanden zien, maar vaker kijken Al Galidi’s gedichten je als droeve hondenogen aan, hopend op een aai over hun kop. Je kunt bijna niet weigeren.

 

IJsthee

 

Nadat ik uitlegde wat er met de hond moest gebeuren,

liet hij mij de foto’s van de begraafplaats zien.

Hij praatte over het cafeetje dat er vanaf de lente geopend zou zijn,

alsof ik er zou lopen, de bloemen zou ruiken

en een kopje thee zou drinken.

Hij vertelde over de rust in de winter,

alsof ik er naast een vuurtje zou zitten

en naar de sneeuw zou kijken.

Daarna liet hij mij de plek zien

waar ik in mijn naam zou veranderen.

‘Hebben ze het gat nog niet gegraven?’ vroeg ik.

‘Dat is allang gedaan, vorige week vrijdag,

maar deze foto’s zijn iets ouder.

Succes en tot ziens.’

‘Tot ziens.’

Ik had nooit gedacht dat praten over mijn begrafenis

kouder zou zijn dan een ijsthee.

 

Rodaan Al Galidi – De maat van de eenzaamheid. De Bezige Bij Antwerpen, 64 pagina’s, 19,95 euro, ISBN 9789085423614

Deze recensie verscheen eerder in Trouw.

 

Alfred Schaffer. Mank

Tuesday, February 9th, 2010

Dichters zijn net vampiers. Niet zelden leven ze van andermans poëzie, poëzie die hen raakt of irriteert, en inspireert tot het schrijven van een eigen tekst, als in een antwoord. Poëzie die de dichter laat zien wat al gezegd is, en wat er nog te zeggen valt zonder in herhaling te vallen.

Zelf ben ik eind jaren negentig op het spoor gezet door het werk van de Amerikaan John Ashbery en de Nederlander Nachoem Wijnberg, die vorig jaar nog te gast was op Die Woordfees in Stellenbosch. Daarna kwam daar de Nederlander Kees Ouwens bij. En het Afrikaanse trio Antjie Krog, Charl-Pierre Naudé en Peter Blum. De laatste grote invloeden zijn voorlopig de Australiër Les Murray, de Canadese Anne Carson en de Rus Joseph Brodsky.

Maar je hoeft de verrassing niet altijd ver van huis te zoeken. Laatst had ik dan eindelijk weer eens tijd om wat te grasduinen in nieuwe poëzie, buiten mijn werk als redacteur om. Een goede manier om de schrijfspieren, die nagenoeg verlamd zijn na mijn laatste bundel, wat op te warmen. Ik merk dat ik op dit moment blijf hangen bij poëzie die op het oog direct welsprekend is, zonder eenduidig of clichématig te zijn. Een week of twee terug las ik een nummer van tijdschrift Het Liegend Konijn, van oktober 2009. Een mooie aflevering. Het Liegend Konijn verzamelt uitsluitend nieuw werk van Nederlandstalige dichters, en ook is er ruimte voor enkele debuten. Je vindt altijd iets verrassends. De nieuwe gedichten van Alexis de Roode (geb. 1970) bijvoorbeeld. Een reeks van 10 gedichten, getiteld ‘Dierkunde’. Sprekend werk vond ik het, en ook grappig, voor een Afrikaanse lezer waarschijnlijk niet al te ingewikkeld om te volgen:

 

De jacht

 

Ik had een vriendin

haar vader was jager

hij had een eland geschoten

en nu was hij wereldberoemd in Canada

de mensen in het vliegtuig klapten voor hem

 

Zij hield een keer een spreekbeurt over de jacht

iedereen op school was tegen

maar na afloop was iedereen voor de jacht zei ze

iedereen wilde haar vader ontmoeten

 

Haar hele huis hing vol hertenkoppen

ik denk wel een stuk of 300 koppen

als ik naar de wc ging ’s nachts

kwam ik zeker vijf herten tegen

de ene nog mooier dan de andere

 

Ik was gek op herten

niet op een sentimentele manier

ik had wel een hert willen schieten

als je van de natuur houdt hou je ook van jagen

maar ik zou geen hertenvlees eten

dat is een grens die je niet overschrijdt

 

Als je een gazelle bent op de savanne

heb je genoeg leeuwen om je op te eten

maar hier heb je als hert geen vijanden

je moet het wild een beetje scherp houden

anders gaan ze in de steden wonen

 

 

De (gespeelde) naïviteit, de bewust onhandige herhalingen, het geeft het gedicht vaart en beeldende kracht. En het is erg fijn als je ook om poëzie kunt lachen.

 

Jagen

Jagen

 

 

Heel anders is het korte maar uiterst krachtige gedicht van Mustafa Stitou (geb. 1974), in hetzelfde nummer:

 

Houd mijn hand vast.

Ik mis een pink. Ik ging,

 

kind was ik, een dag

uit moorden. Een kleine

 

eeuw geleden. Een zomerdag.

Zonder reden

 

herinner ik mij. Hommels.

Mussen. En toen

 

een zwaan. Aan de rand

van de vijver zag ik

 

de duivel staan. Grienend

sloeg hij mij gade.

 

Dit is zo’n gedicht dat ik zelf geschreven zou willen hebben.

 

Poëzie werkt dikwijls het sterkst als je niet te hard zoekt naar betovering – daarom is het mooi om door een literair tijdschrift van achter naar voren te bladeren. Zo kom je eerst de gedichten tegen, pas daarna de naam die erbij hoort.

Vorige week bladerde ik in een boekhandel door Digitale hemelvaart, de nieuwe bundel van de Irakese dichter Rodaan Al Galidi. Hij woont sinds 1998 in Nederland en schrijft poëzie en proza in het Nederlands. Ik las het volgende:

 

Het wonderei van Rodaan Al Galidi

 

Normaal gesproken

leg ik mijn gedachten op papier,

maar twee weken geleden

legde ik een ei.

 

Uit respect voor mijn gedachten

en wat eruit kon komen,

bouwde ik een nest in de hoek van de kamer

en zat op het ei.

 

Vrienden en collega’s

geloofden niet dat ik een ei uitbroedde.

Ze dachten dat ik

mijn wereld niet wilde verlaten.

 

Hoe lang zal mijn broeden nog duren?

Hopelijk niet een leven lang.

 

Wat komt eruit?

Hopelijk geen mens.

 

Je moet na het lezen van zo’n gedicht niet wanhopig op zoek naar nog meer moois, maar de bundel dichtslaan, aanschaffen, en rustig de winkel uit lopen. Mensen kijken, een eindje fietsen, een broodje eten, beetje staren naar de boten. Zoiets.

Of nee, misschien toch nog één gedicht dan, ’s nachts voor het slapen. Maar dan een gedicht dat minstens even sterk is. Dus pak ik Kaplyn erbij, van die fenomenale Afrikaanse dichter Gilbert Gibson, die maar gauw eens naar Poetry International moet komen:

 

hink

 

in omtrent die jaar van onse

negentien vyf

en sewentig of so het

 

op ’n reënerige vrydagmiddag

’n melktenker van die

middevrystaatsuiwelkoöperasie wat in die

spruit vasgesit het

oor my pa se bene gery

 

schalk die lorriebestuurder was angstigrig

vir my ma: tannie

moet nou nie skrik nie,

 

sê hy, en het hulle twee

met die kar en die handdoeke

en bloedbene winburg

toe gery en toe per ambulans

rooilig gesnel tot die

 

nasionale hospitaal in

bloemfontein. dieselfde aand

het ek in ’n kinderkrans-

 

konsert gespeel onder blindes

eenoog die saaier, onder leiding van ’n

paar tannies. en het ek

my voor dit alles verbeel en

geoefen ’n man uit gelykenisse

 

hy

loop

mank

 

Maar dan is het genoeg. In een paar dagen tijd een handvol goud, daar moet je zuinig mee zijn. Niet te veel ineens willen. Eerst eens kijken of deze gedichten mijn spieren een beetje hebben kunnen opwarmen.