Posts Tagged ‘Roel Richelieu Van Londersele’

Louis Esterhuizen. Roel Richelieu van Londersele skryf beste Vlaamse gedig in 2011

Monday, October 8th, 2012

Oor die Vlaamse digter Roel Richelieu van Londersele (foto) het ek al vantevore my waardering uitgespreek. Nie net was sy bundel, Tot zij de wijn is, een van my gunstelingbundels in 2009 nie, maar die gedig “Mats” wat daarin opgeneem is, is in dié jaar ook aangewys as die beste enkelvers uit die vyf genomineerde bundels vir die Herman de Coninck-prys in 2009. (Paul Bogaert het uiteindelik die prys ingepalm met sy bundel Slalom soft.)

Nou is dit egter bekend gemaak dat Van Londersele nóg ‘n belangrike prys ingepalm het met sy gedig “Alzheimer” wat April verlede jaar in Het Liegend Konijn verskyn het.  Dié gedig is naamlik met die Melopee-poësieprys bekroon as synde die beste gedig van verlede jaar. Die prysgeld beloop € 2,500 en die finale beoordeling is gedoen aan die hand van 21 genomineerde gedigte.

Ander digters van wie daar gedigte genomineer was, is: Miriam Van hee, Aleidis Dierick, Ann Van Dessel, Leonard Nolens, Peter Drehmans, Jo Gisekin, Stijn Vrancken, Hans Claus, Hervé J. Casier, Delphine Lecompte, Christiaan Germonpré, Fernand Lambrecht, Luuk Gruwez, Anton Gerits, Christina Guirlande, Y.M.Dangre, Cees Nooteboom, Paul Meeuws, Stefaan Hertmans en Menno Wigman.

Om dan as wenner onder dié uitgelese groep aangewys te word, is inderdaad ‘n besonderse prestasie.

Oor hierdie unieke prys (en metode van beoordeling) het die organiseerders die volgende te sê gehad: “De Melopeepoëzieprijs is uniek in zijn soort en onderscheidt zich van de andere prijzen doordat er niet met inzendingen wordt gewerkt. De jury put namelijk uit de poëzie die werd gepubliceerd in onze literaire tijdschriften. Zodoende worden jaarlijks honderden en honderden gedichten onder het vergrootglas bekeken. Elk jurylid selecteert 21 gedichten en geeft aan elk gedicht zijn punten. Er wordt puur rekenkundig gewerkt en dus zonder deliberatie, dit om elke beïnvloeding te voorkomen en om onafhankelijkheid te verzekeren.”

Graag plaas ek dan ook die beroordelingsverslag soos dit deur professor Frans-Jos Verdoodt, voorsitter van die bekroningskomitee, tydens die oorhandiging verlede week voorgelees was.

Die prysoorhandiging

Die digter en Frans-Jos Verdoodt

“Van Londersele heeft met zijn gedicht ‘Alzheimer‘ het pijnlijke woord voor deze erge, fysische en psychische kwaal niet geschuwd. En toch is zijn poëtisch verhaal ontdaan van elke sentimentaliteit. Het overstijgt daardoor de menselijke anekdote en verheft zich op een universele hoogte. Op die hoogte vervlecht de pijn van het afwezige zich op sublieme wijze met een eenzame sfeer, waarin alles vervreemding is, onbereikbaarheid, anonimiteit, afwezigheid. De dichter drukt dat treffend uit door de herhaling van het woordje ‘niets’: er ligt niets in de zeef van de dag, niets nadert. En ook door de metafoor van het averechtse landschap:’ de bomen groeien uit elkaar, de wilgen staan niet meer bij de beken…’

Aan gedichten (en dus aan dichters) wordt vaak hun complexiteit verweten en hun geslotenheid, hun onbereikbaarheid, hun hermetisch woordgebruik.

Welnu, het gedicht van Richelieu Van Londersele overtuigt net door zijn toegankelijkheid. En toch staat die toegankelijkheid niet in de weg voor dit subtiele thema en voor de afstandelijkheid die hier noodzakelijk is. Dit alles volstrekt zich in de omvang van de nauwelijks negen verzen die dit winnende gedicht lang is. Ik prijs zijn meesterschap.”

Ten slotte volg die bekroonde vers hieronder. Gaan lees gerus ook die onderhoud wat in 2010 vir Versindaba met Roel Richelieu van Londersele gevoer was.

***

Alzheimer

 

er ligt niets in de zeef van de dag

geen spijker, geen hand, geen boek

hij loopt langs de rand van zijn terugkeer

op zoek naar geleefd en geliefd

 

en niets nadert, het gras weigert,

zand rukt op, bomen groeien uit elkaar,

de wilgen staan niet bij de beken

 

hij, de roeier, verlangt naar water:

stroomopwaarts ligt de stad van zijn geheugen

 

(c)  roel richelieu van londersele

 

 

Roel Richelieu van Londersele. Tijd voor Snoek

Thursday, May 13th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Voorgelezen in Ertvelde, een dorp, dat erin slaagt tweehonderd mensen op de been te brengen voor poëzie. Een man stapt op mij af, we kennen elkaar niet. Hij blijkt een goede vriend te zijn geweest van Paul Snoek. Hij vertelt over Snoeks lezingen en tentoonstellingen, die hij heeft meegemaakt. Ik krijg een raar gevoel. Op die manifestaties die hij in kleur zet, was ik ook telkens aanwezig. We zijn totaal vreemden voor elkaar en toch hebben we een belangwekkend, gemeenschappelijk verleden.

En dan krijgt zijn blik plots een omfloerste weemoed en hij zegt: ‘’t is triestig dat je tegenwoordig nog zo weinig hoort over het werk van Paul Snoek.” Ik kan dat alleen maar beamen, vandaar graag een wisselkaart over Paul Snoek.

Hij was mijn eerste poëtische liefde. Ik was helemaal weg van zijn taalspel, zijn grenzeloze verbeelding, zijn eigen logica en natuurwetten. En dan die dag in Brussel, op een vergadering van de PEN-club. Ik was 19, mijn eerste dichtbundel was één dag uit. Ik werd aan Snoek voorgesteld. Hij staarde even naar de dichtbundel in zijn handen, liet mijn naam tot zich doordringen en kuste mij met de woorden: ‘eindelijk iemand die zijn klassiekers kent.’ Ik was totaal verbouwereerd, niet wetende wat hij precies bedoelde. Na de vergadering, wenkte hij mij  en zei zonder inleiding:’ We gaan eten in de Cheval Marin’. Ik droomde. De Cheval  Marin was een chique eettent die ik me niet kon veroorloven. Hij insisteerde, trakteerde op kreeft,  eiste roze champagne en dikke sigaren die aangestoken werden met een latje van cederhout. Hij trakteerde royaal, omdat hij dacht dat ik het deel Richelieu aan mijn naam had toegevoegd te zijner eer, aangezien Richelieu één van zijn mooie dichtbundels was. Hij had het mis, maar ik liet hem in de waan. Mijn introductie in het literaire wereldje was meteen ook een bezoek aan de grote vergezichten van de ijdelheid. Zoveel uren later zakten we net voor sluitingstijd af naar het Museum voor Schone Kunsten.  Breyten Breytenbach, de vrijgelaten Zuid-Afrikaanse dichter,  kwam net naar buiten.  Eigenlijk had  Snoek hem die avond moeten voorstellen. Ik had vervangende schaamte.

Los van deze anekdote, zuiver op basis van zijn woord, heb ik hem steeds een plaats gegeven bij de grote drie, van wie ik graag de Verzamelde Gedichten binnen bereik heb: Hugo Claus, Paul Snoek en Hugues C. Pernath (die laatste voor zijn 10 gedichten der eenzaamheid). Vandaag, zoveel eigen bundels later, erken ik vooral het solide métier van Hugo Claus, maar Snoek blijft me toch nog steeds verrassen. Wie zijn poëzie onvoldoende kent heeft zonder twijfel  een kogelgaatje  in zijn lees- of schrijfcultuur.

Er is een Snoek voor elk moment: de speelse alchemist van zijn eerste bundels, die elk woord in brand kon steken en associaties brouwde die uitmondden in een eigen universum.

De Snoek die zowel ‘ Gedrichten’ uitgeeft  als de ‘Gedichten voor Maria Magdalena’. Zijn Gedrichten (gedicht+gedrocht) zijn  cynisch-sarcastische podiumteksten, waarmee hij de huidige generatie performers 40 jaar voor is. Zijn Madalena-gedichten zijn compleet anders: negen liefdesgedichten van een ongekend karaat. Zijn laatste bundels ‘Welkom in mijn onderwereld’ en ‘Schildersverdriet’ bevatten  rijpe, eerder introverte gedichten ‘ om de moed niet te verliezen.’

Zelfs als hij zijn beeldspraak terzijde laat en een eenvoudig  prozagedicht schrijft, verrast hij zijn lezer.

 

Echt waar

 

Het is al gebeurd dat ik ‘s nachts in bed

even licht heb gemaakt om mij even te zien.

(Ik durf zelfs pas ontvangen brieven ongeopend

posten, om nogmaals de bestemmeling te zijn.)

 

Ik denk dat ik mezelf uit het zicht heb verloren

en halvelings zoek ben geraakt in het ergens.

Want elke dag vind ik het steeds maar vreemder

mij te betrappen op aanwezigheid

 

Echt, het gebeurt soms dat ik mij ‘s morgens

in de spiegel aanstaar als een vreemdeling

van wie ik mij niet meer herinner

waar ik hem vroeger heb ontmoet.

 

Tot het mij invalt dat ik hem daags tevoren

in die andere spiegel heb gezien.

(Of dit nu iets te maken heeft met sterven,

Durf ik niet te zeggen. Als ik hem zie, vraag ik het hem)

 

 

 

 

 

 

Herman de Coninck-pryswenners

Wednesday, January 27th, 2010
Paul Bogaert

Paul Bogaert

Gister is die wenners van die Herman de Coninck-pryse deur Friedl’ Lesage en sy paneel beoordelaars bekend gemaak. En helaas, Roel Richelieu van Londersele – ons voorkeurkandidaat – het dit toe nié gemaak in die kategorie vir die beste Vlaamse digbundel in 2009 nie. Dié eer het Paul Bogaert te beurt geval vir sy bundel de Slalom soft. Die prysgeld beloop €6,000. Ander genomineerdes, afgesien van bogenoemde twee digters,  was: Eva Cox, Charles Ducall en Leonard Nolens. Die prys vir die beste debutant het gegaan aan Andy Fierens vir sy bundel Groterige smerige vlinder.

Goeie nuus is egter dat Roel Richelieu van Londersele se gedig “Mats” glo loshande die wenner was onder die vyf geselekteerde gedigte uit die bundels van die vyf genomineerdes vir die Herman de Coninck-prys vir beste digbundel. Hierdie gedig sal op ‘n spesiaal-ontwerpte plakkaat aangebring word wat gratis tydens die Gedichtendag-vierings môre versprei sal word.

Die prysuitdeling sal môreaand tydens die slotseremonie in Antwerpen geskied. Al vyf genomineerde digters sal optree, saam met Joke van Leeuwen, uittredende stadsdigter van Antwerpen, en Peter Holvoet-Hanssen as nuutaangestelde stadsdigter van dié stad.

En natuurlik – Roel se kroonvers volg vanoggend hieronder vir jou leesplesier. (Maar ek is seker dat jy dit reeds ken; jy het immers daarvoor gestem, het jy nie?) Nietemin, lees dan sommer ook die onderhoud wat onlangs met dié besonderse digter gevoer is indien jy dit nog nie onder oë gehad het nie.

***

Dan het die jaarlikse Suidoosterfees ook gister ‘n aanvang geneem. Nuuswekker sou baie graag daaroor wou berig het, maar helaas, aangesien daar geen sweempie van poëse op dié uitgebreide program voorkom nie, was dit ietwat onvanpas. Daarom – indien jy graag wil meedoen aan ‘n erg gekommersialiseerde fees wat meer gefokus is op ‘n “bums on seats”-benadering as die bevordering van die letterkunde, kan jy dit gerus bywoon. Die program kan op hul webtuiste bekyk word. En mag ek dit sê? Dankie tog vir Die Woordfees wat ‘n uiters belangrike korrektief op die kommersialisering van feeste is …

***

Op die webblad is daar vanoggend ‘n hele paar lekkerlees items: briewe van Elna Pritchard en Christine Barkhuizen le Roux in die Brieweboks oor ons blogfokus vir Januarie, plus twee nuwe inskrywings deur Andries Bezuidenhout en Ilse van Staden onder die blogs. Op Klikbord is daar ‘n skakel wat jy gerus na LitNet kan volg om ‘n verslag deur Carina van der Walt oor die onlangse Winternachten-fees in Den Haag te lees.

En onthou – die tyd vir bydraes vir hierdie maand se blogfokus raak min. So, stuur gerus daardie brief oor jou bekoring tot poësie en kwalifiseer vir die koopbewys as prys.

Lekker lees aan alles en bly tog aan die regte kant van die pad vandag.

Mooi bly.

LE

 

Mats

je zadelt mijn rug en sterk
rijden we een nieuwe ochtend in

meesterlijk, vanuit de hoogte, kies je
het golvend landschap voor je dag

jij, de uitvinder van de kleine glimlach
en van de ernst, als je waakt over onze vissen

in bad warmen we samen het water
en geven het aan kapiteins en matrozen

een lied en het schoonschrift word je,
ik de plek om stem en papieren te bewaren

je bent de tekening en het krijt
meer dan ik uit mij verwachtte

mijn voorraad ben je elke dag
je houdt mij op de wereld

© Roel Richelieu Van Londersele (‘Tot zij de wijn is’, p.50)

Uitgestelde roem

Monday, January 18th, 2010
Robert Tannahill

Robert Tannahill Gedenkteken

Die naweek het ek iewers weer daardie óú slagspreuk van “Liberation now, education later” raakgelees. Derhalwe is die versoeking gewoon té groot en begin ek vanoggend se Nuuswekker met ‘n wysiging daarvan: “Eers sterf, daarna roem,” want Robert Tannahill, ‘n Skotse digter wat op 17 Mei 1810 selfmoord gepleeg het nadat sy manuskrip afgekeur was deur twee uitgewers, gaan tydens ‘n spesiale geleentheid op die 200-jarige herdenking van sy dood vereer word.

‘n Hele kultus het glo rondom Tannahill se nalatenskap ontstaan na sy dood. So was die spesiale herdenkingsdiens met die eeufeesviering van sy dood deur nie minder as 15,000 mense bygewoon nie. Volgens Valerie Reilly, hoof van die museum te Paisley waar Tannahill geleef het, was hy veral bekend as ‘n digter wat die natuur besing het.  “Right from being a child, he walked in the woods,” het sy aan die BBC gesê. “We’re only a few hundred yards away from what used to be Thou Bonnie Wood O’ Craigielea, which later became the notorious Ferguslie Park housing estate and he loved walking among nature and observing and then putting his thoughts down on paper. He kind of considered himself to be the second Robert Burns. He’s not quite up there with Burns but he’s not far behind and his work is still very much appreciated and some of his songs are still sung.”

Tydens die fees wat vir Mei-maand vanjaar beplan word, sal daar ‘n reeks konserte, asook voordragte, lesings en wandelings deur sy geliefkoosde besigtigingsplekke aangebied word.

Vir jou leesplesier volg Tannahill se gedig “Bonnie Wood O’ Craigielea” waarna Valerie Reilly verwys het.

***

Intussen het Ester Naomi Perquin haar eerste Wisselkaart op die tafel geplaas. Met Roel Richelieu van Londersele, een van die genomineerdes vir die Herman de Coninck-prys wat op 28 Januarie aangekondig word, is daar onlangs ‘n onderhoud gevoer. Nog ‘n besonderse toevoeging tot die webblad is Joan Hambidge se verslag van haar pasafgelope reis na Egipte, mét enkele gedigte wat daaruit voortgevloei het daarby … Ook die vier nuwe gedigte wat van Hennie Aucamp ontvang en geplaas is, is ‘n móét lees.

Mag hierdie week stewig in sy groewe lê vir jou.

Mooi bly.

LE

 

Bonnie Wood O’ Craigielea

 

Thou bonnie wood o’ Craigielea!
Thou bonnie wood o’ Craigielea!
Near thee I pass’d life’s early day,
And won my Mary’s heart in thee.

 

The brume, the brier, the birken bush,
Blume bonnie o’er thy flowery lee,
An a the sweets that ane can wish
Frae Nature’s han, are strewed on thee.

 

Far ben thy dark green plantin’s shade,
The cushat croodles am’rously,
The mavis, doon thy bughted glade,
Gars echo ring frae ev’ry tree.

 

Awa, ye thochtless, murd’rin gang
Wha tear the nestlins ere they flee!
They’ll sing you yet a cantie sang,
Then, oh! in pity let them be!

 

Whan Winter blaws, in sleety showers,
Frae aff the Norlan hills sae hie,
He lichtly skiffs thy bonnie bow’rs,
As laith tae harm a flow’r in thee.

 

Though fate should drag me south the line,
Or o’er the wide Atlantic sea,
The happy hours I’ll ever mind
That I, in youth, hae spent in thee.

 

Ongewone woorde:
brume=broom
birken=beech
han=hand
ben=within
cushat croodles=woodpigeon nestles
mavis=thrush
bughted=sheltered
gars=makes
cantie=tuneful
lichtly skiffs=lightly skim
laith=loath

 

Onderhoud: Roel Richelieu van Londersele

Friday, January 15th, 2010

Om die liefde na te boots

 

Roel Richelieu van Londersele in gesprek met Louis Esterhuizen

 

 

Roel van Londersele

Roel van Londersele

Roel Richelieu van Londersele is in 1952 in Ninove gebore. Sedert sy eerste publikasie in 1973 vestig hy hom as een van die gewildste digters en romanskrywers in Vlaandere. In 2003 is hy benoem as stadsdigter vir Gent.  Verdermeer is sy werk al in verskeie bloemlesings opgeneem en het hy ook al etlike bekronings ontvang, waaronder toekennings deur Deurle en die provinsie Oos-Vlaandere, die Vlaamse Club Brussels, die stad Gent en die Louis Paul Boon-prys. Van sy gedigte is op muurpanele aangebring en kan besigtig word by Gent se poësieroete, die markplein van Zwijnaarde, die Campagne te Drongen en in die poëzieroetes van Oudenburg, Geraardsbergen en Oostende. Tot zij de wijn is, is Van Londersele se 11 de digbundel.

 

Roel, in ‘n onderhoud met De Contrabas het jy die volgende gesê: “Ik (zie) een gedicht niet als een verheven product van een narcistisch wezen, maar als een intieme, delicate vorm van communicatie.” Kan jy hierop uitbrei, asseblief? Veral vir ons lesers wat na alle waarskynlikheid (nog) nie vertroud is met jou poësie nie?

Mijn poëzie wordt gedragen door drie pijlers: taal, emotie-urgentie, communicatie. Taal en beelden zijn mijn belangrijkste wapens. Zij maken het gedicht goed, niets anders. Maar ik wikkel die taal niet rond hoogdravende beschouwingen of kleine, persoonlijke futiliteiten. Ik schuw de grote, oude thema’s niet. Alles is er al over gezegd, maar ik zoek mijn eigen manier om alles (op)nieuw te verwoorden. Momenteel schrijf ik alleen gedichten als ik daartoe genoodzaakt wordt, als een urgentie mij dwingt. Mijn gedicht is pas af als mijn zeer persoonlijke benadering toch een goede communicatie toelaat met een gemotiveerde lezer.

In aansluiting by voorafgaande, die volgende: In Yves T’Sjoen se vroeëre artikel oor jou werk (in Ons Erfdeel, Jaargang 40, 1997) het hy jou digkuns getipeer as synde neoromanties, in die parlando-styl, met sterk ironisering ten einde  sentimentaliteit en romatisering teen te werk. In welke mate geld hierdie waarneming steeds vir jou poësie vandag?

Ik ben van in het begin een dichter geweest met romantische trekken. Toen men mij indeelde bij de neoromantische dichters (toen mijn vierde bundel ‘Mijn geboomde vader‘verscheen) ben ik me daar duidelijker van bewust geworden. En als ik nu kijk naar mijn laatste bundel ‘Tot zij de wijn is‘ constateer ik dat ik nog steeds de grote romantische thema’s aansnijd: liefde, dood, eenzaamheid, nostalgie, verlies, natuur. Maar sentimentaliteit is DE ziekte, de grote vijand van de poëzie. Ik counter mijn romantische inborst dan ook zorgvuldig met een sobere zegging vol scherp, helder taalgebruik.

Dan is jy inderdaad ‘n persoon met vele talente, Roel. So is jy benewens digter ook nog romansier, vertaler, etser, skilder, musikant én uitgewer. Dit het tot gevolg dat jy poësie lewer wat gevarieerd is in aanbod en gekenmerk word deur groot klankgevoeligheid met sterk visuele impak. Hoe belangrik is die visuele aspek van die gedig vir jou? Ek vra hierdie vraag omrede ons, as Afrikaanse lesers, dikwels van mening is dat die Nederlands-Vlaamse poësie meer na die serebraal-hermetiese tipe vers neig en joune myns insiens ‘n uiters belangrike uitsondering hierop is.

Nee, muzikant ben ik niet, maar ik heb wel een poëzieprogramma met de gitarist Juan de Granero. Momenteel ben ik alleen nog actief als dichter en romanschrijver. Beelden en muziek spelen inderdaad een grote rol in mijn gedichten. Beelden zorgen voor de zelfstandige eenheden binnen het gedicht, zij geven waarde aan het gedicht en blijven de lezer bij. Instinctief zit er veel blues in mijn gedichten en bij het schaafwerk sneuvelen ook altijd die woorden die geen klanksymboliek hebben. Woorden zoals intentie, expansie, hypocresie … zal je in mijn gedichten niet aantreffen. Zij hebben alleen hun afgesproken betekenis, hun muziek verklapt niets. Simpele woorden zoals hard, zacht, moe, spits, fluweel, beton … dragen ook een klanksymboliek in zich die hun betekenis ondersteunt. Een anderstalige, die mijn gedichten niet begrijpt, hoort toch voor een deel in welke ‘mood’ ze zich bewegen. Voor de moedertaallezers zijn die naturelle woorden een muzieksurplus.

Tydens die bekendstelling van jou nuutste digbundel, Tot zij de wijn is (2009: Atlas), het Bart Stouten die volgende belangrike opmerking ten opsigte van jou digkuns gemaak: “Poëzie bestaat niet zomaar bij gratie van haar slaafse horigheid aan meta-talige emotie. Emotie staat niet buiten de taal. Taal en gevoel zijn Venn-diagrammen die elkaar voor een groot gedeelte overlappen. Ze lokken elkaar uit, voeden elkaar, steunen elkaar.” Kan jy hierop uitbrei vir ons, asseblief?

Ja, het is juist door wat ik in mijn antwoorden op vragen 2 en 3  heb uitgelegd dat taal en emotie elkaar op een betere manier voeden.

Die titel van Tot zij de wijn is (jou agtste digbundel) verwys duidelik na ‘n proses of tydsverloop wat voltrek word; iets wat ‘n mens laat vermoed dat die konsep van “tyd” ‘n belangrike rol te speel het in jou nuwe verse. Is ek korrek met hierdie aanname?

De tijd duikt inderdaad vaak op. Hier is er geen kloof tussen de dichter en de mens. Ik heb nog twee kleine kinderen en dagelijks stel ik mij de vraag hoeveel tijd mij nog is toegemeten. En het verleden, met daarin vooral mijn vader, laat me niet los. Het is dan ook logsich dat dit tijdsbesef urgentie in zich draagt en mijn inspiratie binnen dringt.

Tot zij de wijn is

Tot zij de wijn is

Die omslag van Tot zij de wijn is is inderdaad iets besonders. In welke mate dien dié ontwerp as sleutel tot die bundel?

Twee belangrijke cycli uit de bundel gaan inderdaad over de liefde. Over de voorkant en de achterkant van de liefde. De bekoring en het mes. De verrukking en de pijn. Het is een esthetische en suggerende kaft en mijn gedichten zijn dat ook.

Roel, jy is ook bekend as ‘n digter wat sy bundels rondom ‘n sentrale tema struktureer. Yves T’Sjoen verwys daarna as ‘n tema wat “als een rode draad door alle gebundelde gedichten heen loop.” Geld dit ook vir jou nuwe bundel?

Een dichtbundel is inderdaad geen bloemlezing van de beste gedichten die in een bepaalde periode werden geschreven. Al mijn bundels zijn sterk gestructureerd in strakke cycli, maar eerst laat ik de gedichten toch spontaan ontstaan. Eens ik vijftig, zestig gedichten heb, herlees ik en ga ik op zoek naar thema’s die zich opdringen. Pas nadien bij het samenstellen van de cycli schrijf ik er gericht nog een paar ontbrekende schakels bij. Een dichter moet eerst vrij zijn en nadien toch in een keurslijf kunnen afwerken.

In die reeds genoemde onderhoud met De Contrabas stel jy die volgende as riglyn vir jou digkuns: “Voor mij komt elke bundel weer neer op dezelfde uitdaging: een eenvoudig, menselijk gevoel met sobere, alledaagse woorden kneden tot een niet-alledaagse beeld.” Dié stelling plaas jou inderdaad lynreg téénoor die sogenaamde hermetiese vers. Wat is jou siening aangaande laasgenoemde?

Hermetische verzen hebben voor mij geen enkele zin. Maar ik ben ook geen voorstander van een soort neorealisme dat hoopt dat simpele eenvoud iedereen van de tafel van de poëzie zal doen eten. Poëzie blijft een elitaire bezigheid. Maar de poëzie mag geen abstract kunstwerkje zijn voor een handvol insiders. Wie vatbaar is voor het poëtische, met andere woorden wie met open mond en vol enthousiasme voor een knap schilderij blijft staan en wie verrukt kan zijn door een mooie sonate, moet ook toegang hebben tot de poëzie, tot mijn poëzie.

Roel, in 2003 was jy as die eerste stadsdigter vir Gent aangestel. Was dit vir jou ‘n gelukkige ervaring gewees? Dit sal ook waardeer word indien jy sommer ietsie kan vertel van hoe jy dié besonderse pos met sy spesifieke werksaamhede benader het …

De poëzie zit verborgen in de ondergrond, in de modder, in ondankbare loopgraven. In de boekhandel wordt de poëzie ten onrechte stiefmoederlijk behandeld, in de media is er eigenlijk geen plaats voor. Een misvatting, want heel veel mensen zijn met poëzie bezig. Dank zij gedichtendag en stadsdichterschap komt de poëzie toch nog in het grote mediacircus. Het zou dus onverstandig zijn je neus op te halen voor deze initiatieven. Ik heb me, toen ik stadsdichter was, noch als mens, noch als dichter anders beginnen gedragen. Ik deed gewoon mijn ding. Er werden in samenspraak met het stadsbestuur alleen een paar manifestaties aangeduid, waarop ik als stadsdichter aan het woord zou komen. Het heeft mijn gedichten bij een groter publiek gebracht en plankenkoorts ken ik niet. Het was dus een positieve ervaring.

Uit jou poësie blyk dit duidelik dat jy ‘n besonderse band met Gent het. “Als jy praat, bewegen de lippen van de geschiedenis”, skryf jy byvoorbeeld in ‘n gedig wat direk op die stad betrekking het. Hoe belangrik is jou fisiese leefruimte vir jou in die skeppingsproses?

Ik heb inderdaad een bijzondere band met Gent, maar ik kan overal schrijven. Ik heb alleen stilte en concentratie nodig. De locatie kan soms inspirerend werken, maar de woorden, beelden en thema’s komen toch het vaakst van binnenin.

Gepraat van die skeppingsproses – Sal jy so vriendelik wees om ons insae te gee in jou werkswyse? Skryf jy byvoorbeeld vinnig en hoogs geïnspireerd, of werk jy langsaam met vele afronding en verwerkings?

Ik sleutel heel lang aan mijn gedichten, met ouder worden steeds langer, maar de beste zinnen krijg ik zomaar van de inspiratie. Ik geloof in zelfstandige beelden die een eigen kracht hebben en die het gedicht schragen. De eerste versie van het gedicht staat zeer snel op papier. Het is daarna wel noodzakelijk het gedicht of de flarden van het gedicht te laten rusten tot ik er voldoende afstand van heb kunnen  nemen. Van die eerste versie schieten meestal maar twee of drie regels over. Ik merk dan wel al waar die regels zullen komen in het definitieve gedicht. (beginvers of slotvers van een strofe of van het gehele gedicht). Die sterke inspiratiezinnen vormen dan het geraamte van mijn gedicht. Dat procédé van creëren, laten liggen, schrappen en aanvullen herhaalt zich een aantal keren tot het gedicht is dichtgegroeid. Het gebeurt ook regelmatig dat ik verwante gedichten in elkaar schuif. Hoe verder ik vorder in de versies, hoe meer taal en beeld het winnen op de inhoud.

Tans is jy werksaam by die Ieperse Akademie waar jy ‘n Kreatiewe Skryfkursus aanbied, en ook by Wisper waar jy as keurder vir die poësie betrokke is. Vind jy dat hierdie blootstelling aan soveel (ongeslypte) kreatiwiteit tot voordeel óf nadeel van jou eie skryfwerk is?

Die cursussen verrijken mij. Door te sleutelen aan de gedichten van zoveel uiteenlopende persoonlijkheden, aan zoveel vershillende ideeën, emoties en taalregisters schaaf ik ook mijn eigen métier bij. Ik kan zonder eigen betrokkenheid al die gedichten scannen en ik zie daardoor veel sneller de poëtische fouten staan. Die bekwaamheid in het identificeren van mankementen en gevaren kan ik nadien heel goed toepassen op mijn eigen werk. Ik ben daardoor nog kritischer geworden en aan ‘Tot zij de wijn is’ heb ik acht jaar gewerkt.

Roel, graag wens ons jou van harte geluk met jou nominasie vir die Herman de Coninckprijs vir die beste Vlaamse digbundel in 2009. Uiteraard glo ons (en hoop ons) dat dit jóú naam is wat op 28 Januarie aangekondig sal word. Maar wie beskou jy as jou vernaamste teenstander in dié beoordeling?

Een wedstrijd voor dichters is eigenlijk een onzinnig idee, maar alweer moeten we toch ons fiat geven, want het is alweer een zeldzame mediagelegenheid om de poëzie te promoten. Iedereen kan winnen. Eens je bij de laatste vijf bent, wordt het een loterij. Maar Leonard Nolens is natuurlijk de man met het grootste palmares. Charles Ducal is één van mijn weinige vrienden in het literaire wereldje en een steengoed dichter. Hij heeft de prijs wel al eerder gekregen. Eva Cox en Paul Bogaert kneden knap hun eigen geluid. Ik zie deze dichters niet als tegenstanders. Dat dichters maatschappelijk een beperkte stem hebben en krijgen ligt onder andere aan het feit dat ze te weinig aan hetzelfde zeel trekken, dat er teveel kleine ikjes zijn.

Ten slotte – aan die einde van jou onderhoud met Roel Weerheijm maak jy die volgende opmerking: “Tijd is niet zo belangrijk en een dichter overleeft toch maar aan de hand van een paar gedichten of verzen.” Sal jy nie so vriendelik wees om ‘n aantal verse waarvoor jy onthou sal wil word, hieronder te plaas by wyse van bekendstelling aan jou besonderse digkuns nie?

Dat is een onmogelijke keuze voor mij. Hieronder vier gedichten die me wel nauw aan het hart liggen. Het hadden wel vier andere kunnen zijn.

 

ik zal je nabootsen, een mal gieten voor

de gebrekkige dagen, de stoel kleden met je trui,            

de koffie sterker zetten, luidkeels

klaar roepen, beneden aan de trap

 

ik zal je opslaan in elk vindbaar bestand,

een wereldwijd web spannen over je geur,

buiten mij om praten met het behang,

dat je vanmorgen nog heeft gezien

 

ik zal dag, nacht en uur ontruimen

om plaats te maken voor je komst.

alles neem ik terug: mijn haastige lach,

mijn onhandig woord, mijn oude vingers

 

nee, er is verraad noch twijfel:

ik wil door jou gevonden worden

 

(uit: Tot zij de wijn is)

 

***

 

zij steekt een lach op, roert de zwartste koffie

en tikt met de lepel tegen de stilte,

de kat kijkt op in ongenoegen

 

de man kiest zijn wapens, niet zijn strijd

hij schudt het ochtendblad

en legt de wereld tussen hen in

 

het huis staat op de helling

een laatste woord rolt tussen de boter en het mes

 

de blikken dwalen af, onbestuurbaar,

er rest niets meer dan schil en schade

 

(uit: Tot zij de wijn is)

 

***

 

ik zal je repareren vader

en de nachtegaal van de keizer verzoeken

de benen van je witte bed uit je

smalle leven te verwijderen

 

ik zal de voetsporen van het gezwel

uitwissen met de palm van

mijn eigen regen en handen

ik zal een ezel met een mes ontbieden om

met koppigheid naar de oorsprong te snijden

 

en wat meer is, vader,

zolang er aarde is, zal ik voor je spitten

 

(uit: geboomde vader)

 

***

                                          

morgen zal ik in een fles wonen

en tegen de kurk zeggen niemand binnen te laten

 

in een fles zijn de vensters van glas

en wie naar buiten kijkt ziet de mensen

in een ander glaslicht

 

de vloer is er van zachte oude wijn

en als je spreekt weegt de echo er niet zwaarder

dan de ronde geur van druiven

 

in een fles zal ik ouder worden

dan mijn vrienden

 

 

(uit: Invoelen)

 

 

Roel Richelieu Van Londersele

Friday, October 30th, 2009
Tot zij de wijn is

Tot zij de wijn is

Vir etlike jare al is Roel Richelieu Van Londersele een van my gunsteling digters in Vlaandere. Daarom dat ek met groot vreugde via ‘n berig op De Contrabas kon kennis neem van sy nuwe digbundel: Tot zij de wijn is. Van Londersele, wat reeds in 1973 gedebuteer het met die digbundel Marie Sans Toiltette, is bekend as romanskrywer én digter. Sy voorlaaste bundel was Een mens op de bodem wat in 2005 verskyn het.  

Nietemin, op De Contrabas word ‘n kort onderhoud met hom gevoer en op die vraag na die aard van die bundel, het die man met die musikale naam soos volg geantwoord: “Ik kan in deze bundel weer niet anders dan mezelf zijn. Dat wil zeggen dat ik niet voorbij kan aan een romantische ondertoon, noem het een zekere blues. Maar sentimentaliteit is de grootste vijand van het gedicht. Daarom moet het taalkunstwerk altijd primeren en moet de mooie-woordjes- poëzie zeker worden vermeden. Ik heb niets wereldschokkends te vertellen. De grote thema’s liggen weer op mijn weg. Ze werden mij door de urgentie opgedrongen. Door mij alweer te buigen over liefde, dood, eenzaamheid, verdwenen ouders en nageslacht rest mij alleen nog de taal om er toch weer ‘iets anders’ van te maken.”

Sjoe. Só eenvoudig gestel en tog só waar. Die allemintige uitdaging om iets “gewoon” iets anders te maak deur middel van taal … Ter illustrasie, en vir jóú leesplesier, plaas ek die pragtige gedig ‘Ik zal je nabootsen’ onderaan vandag se Nuuswekker.

***

Op die plaaslike front is die gróót nuus dat Gilbert Gibson se langverwagte nuwe bundel, oogensiklopedie, gister in die winkels afgelewer is. En watter pronkwerk is dit nie! ‘n Meesterlike werk deur ‘n besonder begaafde digter. Om die waarheid te sê, ‘n mens kan Van Londersele se uitspraak jeens sy eie bundel hierbo nét so van toepassing maak op Gilbert s’n. Gaan lees gerus die onderhoud wat met hom gevoer is, asook die inligtingstuk by publikasies. Onder die bloggers het Andries Bezuidenhout ‘n bietjie pret met Francois Bourne en Jason Pienaar terwyl Bernard Odendaal weer die volgende aflewering in sy besprekings vir voorgeskrewe gedigte geplaas het. Dié keer bespreek hy Breyten Breytenbach se “die geheue ‘n kou vol voëltjies”

Lekker lees en onthou tog om jouself effentjies te bederf hierdie naweek. Nuuswekker hervat weer Maandag.

Mooi bly.

LE

 

ik zal je nabootsen, een mal gieten voor
de gebrekkige dagen, de stoel kleden met je trui,            
de koffie sterker zetten, luidkeels
klaar roepen, beneden aan de trap

 

ik zal je opslaan in elk vindbaar bestand,
een wereldwijd web spannen over je geur,
buiten mij om praten met het behang,
dat je vanmorgen nog heeft gezien

 

ik zal dag, nacht en uur ontruimen
om plaats te maken voor je komst.
alles neem ik terug: mijn haastige lach,
mijn onhandig woord, mijn oude vingers

 

nee, er is verraad noch twijfel:
ik wil door jou gevonden worden

 

© Roel Richelieu Van Londersele (Uit: Tot zij de wijn is,)