Posts Tagged ‘Roland Jooris’

Luuk Gruwez. Roland Jooris – Een beeldhouwer van taal

Monday, December 29th, 2014

 

De auteur: Al vijfenvijftig jaar lang een dichter die zich, hoewel hij zich van woorden bedient, minstens evenzeer plastisch kunstenaar voelt.  

Het boek: Een soort ‘work in progress’. Bewust geen verzamelbundel, maar een keuze uit het eigen werk tot dusver, gelegitimeerd door de huidige poëtica en aangevuld met tien nieuwe gedichten.

ONS OORDEEL: Poëzie die vanwege de hoge abstractiegraad nogal wat vergt van de lezer, maar die overtuigt vanwege haar authenticiteit en consistentie.

 

Hoewel Roland Jooris een dichter is die zo precies mogelijk probeert te kijken, profileert hij zich als kampioen van de aarzeling. Wat hem aan het schrijven houdt, is het feit dat niets ooit voldoende adequaat bekeken kan worden:

 

 ‘in zijn donkere kamer

 ruimen de dingen

 voor vermoeden

 plaats’.

En inderdaad: vermoeden is een van zijn hoofdactiviteiten, veel meer dan weten. De middelen waarvan hij zich daartoe bedient, zijn evenzeer die van een plastisch kunstenaar als die van een dichter. Er is  er is in de Nederlandstalige poëzie niemand die zozeer op een plastisch kunstenaar lijkt. Al ettelijke decennia. Roland Jooris maakt met een pen in de hand schetsen die heel erg op woorden lijken. En met die woorden heeft hij het moeilijk wanneer zij hem te talrijk zijn. Hij heeft in zijn poëzie namelijk het minimalisme nodig van de door hem bewonderde kunstenaars en aan overtolligheid heeft hij een gloeiende hekel. Als een streep of een cirkel volstaat, dan hoeft daar niets aan toegevoegd. Het leven geeft al voldoende overbodig commentaar; in de kunst heeft enkel de essentie spreekrecht. Dat is bijvoorbeeld zo in een bundel die veelzeggend ‘Kromte’ heet. De meeste dingen, stelt Jooris vast, zijn krom. Deze overtuiging maakt van hem een ondogmatisch dichter die rechtlijnigheid schuwt, doordat zij te zeer verwant is aan het eeuwige gelijk. Zijn poëtische credo is te menselijk om zich met onwrikbaarheid te omkleden. Alles is krom in de wereld. In wat wij zien. In wat wij denken. In wat wij voelen. Er is geen andere waarheid dan het gebrek aan waarheid.

In zijn briljante inleiding bij deze bundel schrijft Carl De Strycker dat elke dichter van een vergelijkbaar kaliber zonder meer een verzameld werk verdient, maar dat Roland Jooris zulks onder geen beding verlangt doordat hij ervoor schroomt geconfronteerd te worden met te veel oud werk waar hij nu niet meer achter staat. Het is typisch Jooris om er zo over te denken. Hij is er blijkens een interview van overtuigd dat ook schrappen soms een toevoeging is. ‘Sculpturen,’ schrijft De Strycker, ‘is een bundel van de dichter Roland Jooris uit 2014 en dat is een schrijver die niet meer de neorealist is waarvoor hij, op basis van ‘Gedichten 1958-78′, doorgaat in de literatuurgeschiedenis.’ Het laatste oordeel is steeds het meest gezaghebbende en dat is wat deze dichter heeft nagestreefd door, naast een selectie uit het vroegere werk, de aandacht te vestigen op tien nieuwe gedichten.

Er kleeft iets contemplatiefs, om niet te zeggen iets mystieks aan het poëtische streven van Jooris. Enerzijds wil hij gedichten schrijven waarnaar je als het ware kunt kijken en die compleet op zichzelf staan, los van hun betekenis. Anderzijds wil hij ook voorbij die gedichten kijken naar het grote niets dat zich daar bevindt en waarin hij kennelijk een beetje Zensgewijs wil opgaan. Terecht merkt De Strycker op dat deze poëzie misschien wel meer over inzien dan over zien gaat, doordat de wereld die geschapen wordt er geen van registratie is, maar van verbeelding. Wat beschreven wordt, is een verbeelde wereld die er net uitziet als de echte wereld. Alleen is het er een die het verlangen naar een zekere onthechting wekt. Zo is poëzie voor Jooris toch ook een poging om aan de dood te ontsnappen. ‘Om te ontkomen,’ lezen we, ‘bestaan we’. Er  vindt daarbij een spel plaats tussen wat momentaan en wat oneindig is: ‘is het een ogenblik lang/ voorbijgaand toch/ eeuwig/ (…)/ zwemt iemand zich weg/ tot oneindigheid/ opduikt’. En nog: ‘boven het ondermaanse/ aan de zoom van een/ verwildering/ (…)/ altijd/ het alomtegenwoordig veraf/ nabije in het nietsvermoedend/ licht’. Het zijn verzen uit de tien nieuwe gedichten die de bundel afsluiten. ‘het onverklaarbare/ houdt ons/ overeind’, staat er. Roland Jooris wil de woorden ontwijken die hem te zeer aan alleen maar het dagelijkse kluisteren. Zijn verzen klinken evenwel nooit dogmatisch, want hij vermijdt zekerheden, ventileert nevel, wazigheid, gebrek aan rechtlijnigheid en een bewuste vaagheid. Hij houdt van wat nog ongevormd is. Of van wat in vormeloosheid uiteenvalt. Vandaar dat veel met wording te maken heeft. (Talrijk zijn overigens de woorden die eindigen op het suffix ‘-ing’ en daardoor naar een ontstaansgeschiedenis verwijzen.)

Het is treffend dat het slotgedicht van ‘Sculpturen’ ‘Genese’ heet. Uitgerekend wanneer je denkt: alles in deze bundel is nu afgerond. Maar nee, voor Jooris begint het daar juist. Nooit is zijn ‘work in progress’ af. Nooit is evenmin de mens af. Hier is een dichter aan het woord die suggereert dat wij er met zijn allen alles aan doen om niet te zeer te moeten sidderen voor de grote leegte.

__________________

ROLAND JOORIS

Sculpturen

Een keuze uit het werk

gekozen door Bart Van der Straeten

Poëziecentrum, 124 blz., 25,99 euro.

Yves T’Sjoen. Over Roland Jooris en Elisabeth Eybers

Friday, August 8th, 2014

Sturende dichters in de achteruitkijkspiegel. Over Roland Jooris en Elisabeth Eybers

Velerlei strategische en marktgerichte overwegingen, bekommernissen die de zichtbaarheid van een dichterschap betreffen en poëticale opvattingen – de inschattingslijst is om evidente redenen allesbehalve exhaustief ─ kunnen ten grondslag liggen aan de presentatie van een oeuvre-in-opbouw. Indien de schrijver een bloemlezing uit de eigen poëzieproductie samenstelt, kan de uitgave de waarde hebben van of in ieder geval worden gelezen als een poëticaal statement. Indien actuele poëzieopvattingen moet worden scherp gesteld, wordt vanzelfsprekend overwegend uit recent werk gekozen (type Jooris). Mogelijk tracht de dichter als een curator van de eigen publieke ruimte of als geschiedschrijver van het literaire optreden de ontwikkeling van het schrijverschap afdoende in kaart te brengen (type Gerlach of Knibbe). Er zijn ook auteurs die op thematische of stilistische gronden een eigen keuze presenteren (type Snoek) of die veeleer anachronistisch en zelfs retrospectief van het meest recente naar het oudere werk aan de slag gaan (type Nooteboom).

Verzamelbundels en beeldconstructies

In de Nederlandstalige poëzie hebben schrijvers met uiteenlopende poëtica’s zelfbloemlezingen of auteursedities met verzamelde gedichten samengesteld, zoals (et j’en passe malheureusement beaucoup) Benno Barnard, J. Bernlef, Huub Beurskens, Anneke Brassinga, Remco Campert, Hugo Claus, Herman de Coninck, Christine D’haen, Charles Ducal, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Peter Holvoet-Hanssen, Roland Jooris, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Rutger Kopland, Gerrit Komrij, Anton Korteweg, Gerrit Kouwenaar, Leonard Nolens, Cees Nooteboom, K. Schippers, Miriam Van hee en Eddy van Vliet. De selectiecriteria voor de keuze zijn zoals gezegd divers te noemen. In alle gevallen gaat het over geautoriseerde tekstuitgaven: de schrijver stelt zelf samen en herschrijft, zorgt voor een nieuwe compositie, voegt woorden, regels en strofen toe of laat weg. Bekend is dat Nolens in de drie verzamelbundels die hij samenstelde, Hart tegen hart (1991), Laat alle deuren op een kier (2004) en Manieren van leven (2012), telkens de eerste bundels Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973) buiten beeld hield. Variantenstudie wijst uit dat vroeger werk in die verzamelingen opmerkelijk meer wijzigingen vertoont dan publicaties van recentere datum. In Hart tegen hart ondergingen alle titels tot De gedroomde figuur (1986) – Nolens’ doorbraak bij een breder publiek ─ emendaties, toevoegingen en herschrijvingen. Aandacht voor de vroege experimentele poëzie en Nolens’ betrokkenheid bij het tijdschrift Labris (1962-1973), zoals in Poëziekrant (2013/8), zal er volgens de dichter (in een e-mail aan ondergetekende) toe leiden dat binnen afzienbare tijd een verzameling met de (bewerkte) vroegste experimenten zal tot stand komen. Ook Gruwez, met de verzamelbundels Bandeloze gedichten (1996) en Garderobe (2010), heeft het debuut Stofzuigergedichten (1973) consequent buitengesloten. Ducal bracht in de verzamelde gedichten Alsof ik er haast ben (2012) minimale varianten aan maar deze tekstwijzigingen zijn niet zonder betekenis. Datzelfde geldt voor Gerlachs verzameling Het gedicht gebeurt nu (2010) en Hertmans’ Muziek voor de overtocht (2006).

Schrijvers kunnen naar eigen goeddunken en al dan niet op voorspraak van of in overleg met een uitgever, een redacteur, een criticus of een collega-dichter ouder tekstmateriaal onder handen nemen en op een variante wijze aanbieden aan het hedendaagse leespubliek. De verzamelde varianten – van gewijzigde titels, tekststructuur en bundelarchitectuur tot variante tekstregels, weglating of toevoeging van motto’s en opdrachten enzovoort – leveren boeiend tekstmateriaal voor poëtica-, stijl- en bijvoorbeeld ook compositieonderzoek.

Roland Jooris in retrospect

Roland Jooris

Roland Jooris (1936) heeft tot vandaag drie keer een keuze uit zijn literaire productie samengesteld: Gedichten 1958-78 (1978), de bloemlezing in de reeks Dichters van nu (nr. 9, 1997) en onlangs Sculpturen. Een keuze uit het werk (2014). In het inleidende essay van Carl de Strycker wordt verduidelijkt welke selectiegronden Jooris telkens weer in stelling brengt: “In Gedichten 1958-78 werd gekozen voor een actuele stand van zaken eerder dan voor een volledig beeld. Anders dan de titel doet vermoeden, bevat dit boek dus niet al de gedichten die Jooris tussen 1958 en 1978 schreef. Wel is het een doordachte keuze vanuit de opvattingen anno 1978” (2014: 6). De Strycker preciseert verder nog: “Geen verzameld werk dus en ook geen representatieve bloemlezing waarin wat algemeen beschouwd wordt als kenmerkend werk samengebracht wordt, maar wel een bundeling van die verzen die vanuit de huidige inzichten van de dichter overeind blijven” (2014: 6-7). Jooris heeft met behulp van een nieuwe zelfbloemlezing, met overwegend gedichten uit recente bundels en tien vooralsnog ongepubliceerde teksten, inderdaad een nieuw frame geconstrueerd. Door bepaalde accenten te leggen en latere gedichten naar het voorplan te schuiven kun je ook de vroege poëzie van deze schrijver vanuit dat perspectief anders gaan lezen. De Strycker toont overtuigend aan dat in de zogenaamde nieuw-realistische bundels Een konsumptief landschap (1969), Laarne (1971) en Het museum van de zomer (1974) “autonomie en abstractie” (2014: 8) al centraal stonden, dat ook toen het “ultieme doel [was] om de taal in haar loutere materialiteit te tonen, ontdaan van haar verwijzende functie” (p.12) en dat de dichter “de zoektocht van een dichter [verbeeldt] naar de onvermoede mogelijkheden van de taal” (2014: 15). De Strycker betoogt dat er, in tegenstelling tot de beeldvorming in de literatuurgeschiedschrijving, geen sprake kan zijn van een poëticaal breukmoment of een spectaculaire dichterlijke ontwikkeling maar dat veeleer moet worden gesproken over “een consequent dichterschap en een consistent oeuvre” (2014: 8).

Interessant aan deze casus is niet alleen dat de schrijver een autokritisch en sturend beeld construeert van het literaire werk en daarvoor stringente keuzes maakt zodat veel dichtwerk, ook de bekende of meest besproken en geciteerde gedichten in het oeuvre, buiten beeld blijft. Roland Jooris laat de lezer zien dat voor hem het gedicht een “talig construct” is, een grafisch ontwerp of een sculptuur, en de poëzie niets anders dan een verbeelde werkelijkheid creëert. De schrijver maakt zich op die manier helemaal los van het cliché van de nieuw-realistische dichter die louter wil registreren en de blik op de realiteit met behulp van het woord intensifieert. Sculpturen biedt de lezer van vandaag niets minder dan een leeswijzer aan, een gebruiksaanwijzing der poëzie, en stelt hem of haar in staat de hardnekkige clichébeelden te retoucheren en de gedichten, ook het werk van de jaren zestig en zeventig, nu anders te lezen.

Drukvergelijkend onderzoek dat ik de afgelopen jaren samen met studenten heb ondernomen, zoals in de context van een seminarie editiewetenschap, heeft bijgedragen tot onder meer een verfijnder poëticaonderzoek, inzicht in de ontwikkeling van een schrijversidioom, van de componeerpoëtica, stilistische en thematische verschuivingen.

Elisabeth Eybers en weerzin voor indiscretie

Elisabeth Eybers

Een soortgelijke studie kan worden opgezet voor Elisabeth Eybers (1915-2007) en zonder twijfel méér Zuid-Afrikaanse schrijvers. Dezer dagen herlees ik de Versamelde gedigte (1990, 1995 en 2004). Achter in de fraaie uitgave van 1995, verschenen naar aanleiding van haar tachtigste verjaardag, liet de schrijfster de volgende verantwoording opnemen:

Hierdie versamelbundel bevat die gedigte wat ek tussen my sewentiende en agt-en-sewentigste jaar geskrywe het, met die volgende uitsonderings: veertig van die ses-en-veertig verse uit my eerste bundel wat in 1936 verskyn het en uiteraard uit onervare jeugwerk bestaan, ’n stuk of tien gedigte uit die drie daaropvolgende bundels, asook één vers uit die werk wat ontstaan het nà my landverhuising in 1961. Die afgekeurde verse lyk my by nader insien op namaak, in die laasgenoemde geval wél eg maar indiskreet. (1995: 653)

Hoewel ook de Versamelde gedigte (G.A. van Oorschot, Amsterdam 1957) maar zes gedichten uit het debuut bevat, wordt de keuze pas voor het eerst geëxpliciteerd in een uitgeversnoot van Gedigte 1936-1958 (Tafelberg, Kaapstad 1978): “By die samestelling van Gedigte 1936-1958 is in oorleg met die digteres besluit om net ses gedigte uit Belydenis in die Skemering op te neem”. In de latere vermeerderde drukken in de fondsen van Human & Rousseau, Tafelberg Uitgewers en Querido is Eybers’ toelichting steeds opgenomen.

Deze auteursuitspraak doet me denken aan Herman de Coninck en diens verwerping van de leeseditie met alle gedichten van Hans Lodeizen. De Coninck sprak over de uitgekieperde prullenmand van de door hem bewonderde dichter Lodeizen. Opname van door de schrijver verworpen gedichten doet afbreuk aan het beeld dat De Coninck zich van zijn geadoreerde dichter heeft gevormd. Ook Eybers zou opname van de meeste gedichten in Belydenis in die skemering (1936), op zes teksten na, als “indiskreet” beschouwen. Of in een parafrase van de verantwoording die Nolens in elk van zijn verzamelbundels laat opnemen: toen had zij misschien naar later inzicht  wel al woorden maar nog geen taal. Het tekstvergelijkende onderzoek kan een aanvang nemen.

Bronnen

Elisabeth Eybers, Versamelde gedigte. Human & Rousseau/Tafelberg, Kaapstad 1995.

Roland Jooris, Sculpturen. Een keuze uit het werk. Carl de Strycker (inleiding), [Roland Jooris en] Bart van der Straeten (samenstelling). Poëziecentrum, Gent 2014.

Kortlys vir Paul Snoek Poëzieprys bekend

Thursday, March 4th, 2010
Paul Snoek

Paul Snoek

Die kortlys vir die Paul Snoek Poëzieprys, wat al om die derde jaar toegeken word, is pas bekend gemaak. Die ses genomineerde digters is: Charles Ducal, Toegedekt met een liedje (Atlas, 2009), Eva Gerlach, Situaties (De Arbeiderspers, 2007), Peter Holvoet-Hanssen, Navagio (Prometheus 2008), Roland Jooris, De contouren van het verstrijken (Querido 2008 – foto), Bart Meuleman, Omdat ik ziek werd (Querido 2008) en Leonard Nolens, Bres (Querido 2007).

Die paneel beoordeelaars bestaan uit Bart Vanegeren, Yves T’Sjoen, Chrétien Breukers en Friedl’ Lesage. Die prys word op 25 April deur die stadsbestuur van Sint-Niklaas aangekondig en die prys geld beloop 4,000 euro.

Vorige wenners van dié gesogte prys is Joost Zwagerman, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Anneke Brassinga en Nachoem Wijnberg.

Wat vir Nuuswekker ‘n besonderse lekkerkry is hieromtrent, is die feit dat die meerderheid van dié betrokkenes nie onbekend vir jou behoort te wees nie: Charles Ducal vanweë sy Gedichtendag-essay en die ligte irritasie daaromtrent, Peter Holvoet-Hanssen, die pasaangestelde stadsdigter van Antwerp en bydraer tot hierdie webblad, Roland Jooris vanweë Yves T’Sjoen, nog ‘n gereelde medewerker, se bespreking van Jooris nuutste digbundel, Leonard Nolens vanweë my eie ongemak met die man se ego en natuurlik Chrétien Breukers, wat een van De Contrabas se vaste redakteurs is.

Nou ja, toe. Laat daar nie gesê word dat ons jou nie ingelig hou nie. Of hoe? Nietemin, vir jou leesplesier plaas ek vanoggend een van my gunstelingedigte deur Paul Snoek: die vyfde gedeelte van sy reeks Maria Magdalena.

***

Vanoggend is daar twee bydraes tot vandeesmaand se Blogfokus in die Brieweboks, en toevallig is albei vanuit die ander halfrond: Marie-Alice Boshoff vertel van ‘n besonderse kunsprojek by die Poëziecentrum in Gent, terwyl Chris Coolsma vanuit Groningen skryf oor Billy Collins se gedig oor die kunsmuseum in Brooklyn. Ook is daar ‘n nuwe gedig deur Joan Hambidge geplaas.

Lekker lees en geniet die dag wat in jou hand gegee is.

Mooi bly.

LE

Gedichten voor Maria Magdaleen, V

Van je eerste tot je laatste lichaam,
liefste, laat mij al de minnaars zijn.
Eerst de jonge danser, zacht en eenzaam,
die je speeksel zoekt en drinkt als wijn.

Later de gevreesde die zijn mieren
jaagt van hoer naar hoer, tot onze schade.
Soms de sterke met verstilde spieren,
hemelsbreed van blijdschap en genade.

Laatst de vader die het zaad zal dragen,
van je vrucht de vruchteloze pijn,
en aan je lichaam zal vragen:
liefste, laat mij de geliefde zijn.

© Paul Snoek (uit:Gedichten voor Maria Magdalena, 1971: Spermalie Uitgewers)

 

Yves T’Sjoen. Lees maar, er staat meer dan de tekst (5) Roland Jooris

Monday, March 1st, 2010

Afwezig/aanwezig

Het zwijgen van de dingen en Roland Jooris’ invulling van peritekstuele ruimte

Roland Jooris

Roland Jooris

De vroegste poëzieproductie van Roland Jooris (1936) is wel eens geassocieerd met observatiekunst. De dichter schreef in de jaren zestig en zeventig ‘kijkpoëzie’. Volgens het artistieke credo van de Nederlandse Zestiger Armando, ten tijde van Barbarber en later Gard Sivik/De Nieuwe Stijl, was de neorealistische kunst erop gericht ‘de Realiteit [te] intensiveren. […] Werkmethode: isoleren, annexeren’. De kunstenaar is in dat poëticale vertoog gereduceerd tot ‘een koel, zakelijk oog’ en de poëzie noteert. J. Bernlef voegde er in de samen met K. Schippers geconcipieerde bundel Een cheque voor de tandarts (1967) aan toe: ‘de waarde van de observatie [wordt] door de originaliteit van de gezichtshoek, het idee […] bepaald’. In bundels als Een konsumptief landschap (1969), Laarne (1971) en Het museum van de zomer (1974) presenteert Roland Jooris strak gecomponeerde, meestal verticaal gestroomlijnde en woordgeconcentreerde teksten die zich aandienen als geïntensiveerde vormen van kijken en registreren. Jooris is, zo blijkt uit motto’s (van de beeldende ‘objectkunstenaar’ Claes Oldenburg in Laarne, van de Amerikaanse abstracte expressionist en minimalist Ad Reinhardt in Het museum van de zomer) en titels van gedichten (in Gedichten 1958-78 onder meer ‘Klee’, ‘Heimelijke briefjes aan Permeke’, ‘Breughel’ en ‘Op bezoek bij Raveel’) en van reeksen (‘Schilderijen, situaties, environments’ in Het museum van de zomer), maar ook uit de keuze voor picturaal werk van Raoul de Keyser en Roger Raveel (op het omslag van respectievelijk Een konsumptief landschap en Laarne), van meet af aan gefascineerd door architectuur, muziek, fotografie en schilderkunst.

 

 

 

 

 

 

 

Roger Raveel

Roger Raveel

 

In tegenstelling tot het ‘anonieme informatisme’ van enkele radicale neorealisten in Nederland, waarbij vanuit een gedistantieerde en louter observerende positie een fragment uit de realiteit wordt geregistreerd (in het neorealistische discours: geïsoleerd en geannexeerd), heeft Jooris wel altijd gedichten met of vanuit ‘een bepaalde visie’ geschreven. De persoonlijke invalshoek en dus de interpretatie van ‘wat door de blik wordt geïsoleerd’ zijn met andere woorden bepalend geweest voor zijn poëzie. In de loop van de jaren zeventig, eigenlijk al vóór de publicatie van de zelfbloemlezing Gedichten 1958-78 (1978), verschuift de focus van deze ‘kijkpoëzie’ almaar nadrukkelijker naar ‘poëzie met een visie’. Niet zozeer de registratie van fragmenten uit de werkelijkheid, wel wat ontbreekt, wat weg of verdwenen is, krijgt de aandacht van de kunstenaar. Van poëticale relevantie is de openingsstrofe van het gedicht ‘Schrijven’ (opgenomen als ‘niet gebundeld’ gedicht in Jooris’ verzamelbundel van 1978): ‘Wegnemen,/schrijven is/wegnemen’. De plaats van dit metatalige gedicht, in een reeks met nog ongebundelde poëzie, in een door de dichter samengestelde strenge selectie uit eerder gepubliceerd werk is markant. De bloemlezing heeft de waarde van een poëticaal statement, zoals Jooris-kenner Stefaan Evenepoel in zijn analyse beklemtoont.

De contouren van het verstrijken

De contouren van het verstrijken

 

 

 

 

 

Jooris’ poëzie wordt vanaf dat moment zo mogelijk nog woordkariger en veeleer contemplatief-filosofisch van inslag. De witruimte waarin de tekst resoneert, is precies door het functionele gebruik dat ervan wordt gemaakt geladen met betekenis. Jooris’ reducerende ‘kijkpoëzie’, waarin de werking van het wit ook al in zijn disparaatheid is geëxploreerd, blijkt achteraf beschouwd maar een tijdelijke fase in de dichterlijke ontwikkeling. In de eerste bundels zijn trouwens al sporen te vinden van wat hier ‘verdwijnpoëzie’ wordt genoemd. In Het museum van de zomer kan het gedicht ‘Minimal’, bijvoorbeeld, als exemplarisch voor de thematisering van het afwezige gelden: ‘Bijna niets/om naar te kijken/en juist dat/bekijk ik’ en ‘het riet/suggereert/de afwezige wind’. Door op een economische, zo niet aftastende manier het woord in te zetten, wordt uiteindelijk meer gesuggereerd dan de taal kan benoemen. More is less, het bekende adagium van Bauhaus-architect Mies van der Rohe, is in 1972 overigens ook de titel van een bibliofiele bundel van Raoul de Keyser en Roland Jooris. In het gedicht ‘Afwezig’ (Bladstil, 1977) worden in drie strofen drie beeldende omschrijvingen van ‘geluid’ onder elkaar geplaatst. Deze compositietechniek roept bij mij herinneringen op aan ‘Windstilte’ in Gaston Burssens’ hoogst merkwaardige bundel French en andere cancan (1935) waarin de stilte ook onmogelijk grijpbaar blijkt in taal en de dichter telkens andere metaforen inzet teneinde stilte te omschrijven. Het wit, dat ontstaat door regelafbreking, dat regels tot strofen maakt en dat zich vooral manifesteert na de slotregel, is in zijn suggestie veelzeggender dan wat de dichter in en door taal vermag.

Raoul de Keyser

Raoul de Keyser

 

 

Het zou uiteraard een reductie van Jooris’ poëzie zijn alleen te spreken over het thema van het verdwijnen en de afwezigheid. Deze dichter slaagt erin, met die kaalslag van het woord, te speuren naar (en aanwezig te stellen) wat aan het gezicht wordt onttrokken. Critici spreken wel eens over de zoektocht in Jooris’ dichtkunst naar ‘onderliggende essenties’ van de werkelijkheid, zelfs ‘tijdloze essenties’. De latere poëzie (nà Gedichten 1958-78) is inderdaad, meer dan voorheen, meditatief van inslag. Het beeldende werk waar Jooris altijd al door geboeid is – tot voor enkele jaren was hij conservator van het Roger Raveel-museum in Machelen aan de Leie, als essayist/criticus heeft hij tal van bijdragen over plastische kunst gepubliceerd (met vooral de bundel Geschilderd of geschreven, 1992) – blijft ook het latere werk bepalen. Hoewel hijzelf niet actief is als grafisch kunstenaar (of zich toch in elk geval niet als dusdanig publiek profileert), blijkt uit enkele facsimiles van kladjes in het schrijversarchief dat tekeningen wel degelijk een bepalende functie hebben in het concipiëren van gedichten. In De uitgegomde dichter (2007), uitgegeven ter gelegenheid van een tentoonstelling in Huis Thuysbaert in Lokeren, zijn reproducties opgenomen van Jooris’ manuscripten waarin telkens weer in margine picturale schetsen voorkomen. Uit de plaats van de tekeningen op de bladspiegel is af te leiden dat ze meestal aan het woord voorafgaan of dat woord en beeld elkaar bepalen. De woorden staan in de drie opgenomen afdrukken ten opzichte van de schets. Over de aandacht van Jooris voor plastische kunsten heeft Bernard Dewulf in diezelfde bibliofiele uitgave een tekst geleverd.

Vanaf de bundel Gekras (2001), (mede) door toedoen van Hans Vandevoorde, verschijnt de poëzie van Jooris in het fonds van de Amsterdamse uitgeverij Querido. Samen met Als het dichtklapt (2005) en De contouren van het verstrijken (2008) zijn van Roland Jooris intussen drie bundels in Nederland uitgegeven. Opmerkelijk is dat onder het kopje ‘Ander werk van Roland Jooris’ in de jongste uitgave alleen Als het dichtklapt vermeld staat en in de achterplattekst sprake is van zowel de driejaarlijkse Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie (voor Gekras) als van de nominatie voor de VSB-prijs van Als het dichtklapt (2006). Trouwens, het jaar van uitgave van die laatste bundel verschilt in het binnenwerk van de vermelding op het achterplat (respectievelijk 2006 en 2005). Ik weet niet in hoeverre de auteur een aandeel heeft in die omissie van een eerdere Querido-uitgave. Wat De contouren van het verstrijken in elk geval onderscheidt van vroegere bundeluitgaven is de keuze voor een natuurbeeld (een ets of een foto) waarop rijzige populieren(toppen) te zien zijn. In de al eerder vermelde flaptekst wordt die keuze weliswaar niet toegelicht, toch voorziet (vermoedelijk) de auteur zelf de lezer van een duidende peritekst: ‘In deze nieuwe bundel […] spreekt de dichter over een nakend verdwijnen en het daarbij horende wachten en gemis. De onvolmaaktheid van het bestaan geeft aanleiding tot een nauwkeurig wikken en wegen van woorden en regels. Jooris polijst zijn gedichten tot ze strak zitten, al het overbodige moet weg. Het essentiële blijft over: de glasheldere schemer aan het eind van een leven’. Ik weet natuurlijk niet in hoeverre die tekst wel degelijk aan Jooris mag worden toegeschreven. Het ontbreken van aanhalingstekens en een bronvermelding, zoals daaronder het citaat uit een recensie van Vandevoorde, laat veronderstellen dat een redacteur of vermoedelijk toch de auteur zelf deze (poëticale en thematische) toelichting heeft verschaft. En ook al is Jooris niet de bron, dan nog heeft hij als auteur van het boek de publicatie wel degelijk geautoriseerd. De keuze van de omslagillustratie, de al dan niet door toedoen van de dichter vermelde selectieve bibliografische gegevens alsook de achterplattekst kunnen als sturende elementen voor een lezing van de teksten worden beschouwd. De herfstig-kale, verticaal tot de hemel reikende bomen, tegen een grijze achtergrond en in tegenlicht, kunnen worden geassocieerd met ‘de glashedere schemer aan het eind van een leven’. De gedichten, die meditaties willen zijn ‘over een nakend verdwijnen en het daarbij horende wachten en gemis’, kunnen binnen het aangereikte referentiekader worden gelezen. Voor een dichter die door uit te puren en te reduceren vooral semantisch méér wil bieden, een schrijver die ‘het niet-stoffelijke van objecten aanwezig [wil] maken door middel van de stoffelijkheid van het woord’ (Evenepoel), kan zelfs een minimalistische invulling van peritekstuele ruimte een redundantie zijn. Ik kan me ook voorstellen dat een verdiscontering van dergelijke auteursteksten (of beslissingen) de polysemie van de teksten net vergroot. Indien ook deze dichter een regisseur is van zijn boeken en allerlei regieaanwijzingen opneemt die de aanwezigheid van de schrijver laten veronderstellen, en ik vraag me af waarom dat in het geval van Jooris niet zo is, dan zijn de keuze voor het omslag en de zinnen op het achterplat niet te veronachtzamen. In dat onderzoek zouden ook de compositie van de bundel kunnen worden betrokken (zes afdelingen van vier gedichten en een openingsreeks van vijf gedichten) en de opvallend vele ge(de)personaliseerde opdrachten (met name de initialen bij de gedichten ‘Dorp’, ‘De pijn der dingen’, ‘Museaal’, ‘Immanent’ en ‘Jaagpad’). De keuze voor dergelijke opdrachten of buitentalige referenties, die getuigen van menselijke aanwezigheid, is allerminst toeval. Zoals elk woord is gewikt en gewogen, zijn ook de periteksten waar de dichter zijn teksten van voorziet, gepolijst ‘tot ze strak zitten’. Elke ballast is weg gefilterd, tot misschien een ‘naakte essentie’ overblijft. Daartoe behoren ook de initialen die méér zijn dan reminiscenties aan (extraliteraire, bestaande) personen..

Raveel Museum Machelen

Raveel Museum Machelen

Dat Roland Jooris niet opteert voor motto’s of opdrachten (waarbij eigennamen worden opgenomen), laat staan voor aantekeningen, wijst op de minimalistische wijze waarop hij de tekstuele ruimte invult. Al moet worden gezegd dat ook deze dichter, die voor reductie en onthechting opteert en van een ‘geometrische vormentaal’ zijn handelsmerk heeft gemaakt, allerlei semantisch geladen verbale en visuele elementen in zijn artefacten integreert. Evenepoel merkte op naar aanleiding van Het museum van de zomer: ‘Roland Jooris tekent vaak landschappen, open ruimten met daarin alleen maar sporen van menselijke aanwezigheid’. Deze ‘sporen van menselijke aanwezigheid’ kunnen we ook een peritekstuele invulling geven. De dichter wiens project is gericht op ‘een structureel-plastische ontleding en compositie van ruimte’, zoals Evenepoel de uitgangspunten van het werk uit de jaren zeventig toelichtte, exploreert zonder twijfel op een gelijkaardige minimalistische (beeldende) manier de mogelijkheden die het boek als artefact te bieden heeft.

 

 

 

 

 

 

Stefaan Evenepoel, ‘Dwarsdraads. Over de poëzie van Roland Jooris’, in: Bloemlezing uit de poëzie van Roland Jooris, samenstelling: Stefaan Evenepoel, Poëziecentrum, Gent, 1997, p. 7-64. (Dichters van Nu 9)

De uitgegomde dichter (over Roland Jooris), red. N. van Campenhout, Lokeren, 2007.

Omheen Roland Jooris, uitgeverij Jef Meert, Knokke, 2002.

Roland Jooris, De contouren van het verstrijken, Querido, Amsterdam/Antwerpen, 2008.

Roger Raveel

Roger Raveel